Titel 1.
Definities en doelstelling


Art. 1.1.1.
Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.

Art. 1.1.2.
In dit decreet wordt verstaan onder:
administratieve overheid: het Vlaamse Gewest, de Vlaamse Gemeenschap, de diensten en agentschappen die afhangen van het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap, de besturen die onderworpen zijn aan het administratieve toezicht van het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap, alsook de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die belast zijn met taken van openbaar nut;
agentschap: de Vlaamse Landmaatschappij opgericht bij het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij;
basiskwaliteit voor milieu en natuur: de bestaande kwaliteit die bereikt wordt door naleving van de eisen, vermeld in artikel 4, 5 en 6 van verordening nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1782/2003 en door naleving van de voorschriften in de regelgeving rond milieu en natuur;
bedrijf: het geheel van productie-eenheden die bestaan uit grond en een of meer bedrijfsgebouwen, al dan niet van een landbouwbedrijf, met inbegrip van de bedrijfswoning;
gebruiker: de persoon die als eigenaar, vruchtgebruiker, erfpachter, opstalhouder of houder van een recht van gebruik of bewoning het onroerend goed exploiteert of die het onroerend goed huurt overeenkomstig boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek [of het Vlaams Woninghuurdecreet];
landbouwbedrijf: het geheel van productie-eenheden van een bedrijf die bestaan uit grond en een of meer bedrijfsgebouwen, met inbegrip van de bedrijfswoning, die deel uitmaken van dat bedrijf vanwege de aanwezige commerciėle landbouwproductie;
landcommissie: een landcommissie als vermeld in artikel 2.2.1;
project, plan of programma: een ander project, plan of programma dan een landinrichtingsproject met betrekking tot de planning, de inrichting of het beheer van een gebied dat is goedgekeurd door de Vlaamse Regering, het provinciebestuur, het gemeentebestuur;
Vlaamse Grondenbank: de Vlaamse Grondenbank opgericht bij het decreet van 16 juni 2006 houdende oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen;
10°
werkingsmiddelen: de administratieve kosten en personeelskosten die verbonden zijn met taken ingevolge de uitvoering van het decreet.

Art. 1.1.3.
Dit decreet heeft tot doel de afstemming en de toepassing op geļntegreerde wijze van instrumenten en de uitvoering van maatregelen die gericht zijn op het behoud, het herstel en de ontwikkeling van functies en kwaliteiten van de ruimte.

Art. 1.1.4.

§ 1

Om het doel van de landinrichting te realiseren kunnen een of meerdere instrumenten als vermeld in deel 2 toegepast worden.
Deze instrumenten kunnen meer bepaald worden toegepast:
ter uitvoering van een landinrichtingsplan voor de realisatie van een landinrichtingsproject, volgens de bepalingen van deel 3;
ter uitvoering van een inrichtingsnota voor de realisatie van een project, plan of programma, volgens de bepalingen van deel 4;
ter uitvoering van een beheervisie volgens de bepalingen van deel 5, voor de instrumenten beheerovereenkomsten en dienstenvergoedingen.

§ 2

De instrumenten, vermeld in deel 2, kunnen worden gebruikt los van of in combinatie met andere instrumenten voor inrichting, verwerving of beheer. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de inzet en de combinatie van de instrumenten, vermeld in deel 2, en andere instrumenten voor inrichting, verwerving of beheer vastgelegd in de Vlaamse regelgeving.

§ 3

In geval van toepassing van de instrumenten, vermeld in deel 2, al dan niet in combinatie met andere instrumenten, gebeurt dat op zodanige wijze dat een optimale mix wordt bereikt met het oog op het zo doelmatig, billijk en efficiėnt mogelijk inzetten van de beschikbare middelen.