Deel 2.
Bepalingen met betrekking tot de instrumenten en de organisatie


Titel 1.
De instrumenten


Hoofdstuk 1.
Inrichting


Afdeling 1.
Inrichtingswerken


Art. 2.1.1.
Om het doel van een landinrichtingsproject of een project, plan of programma te realiseren, kunnen de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.7 tot en met 3.3.9, inrichtingswerken uitvoeren.
Inrichtingswerken die uitgevoerd kunnen worden zonder instemming van degene die persoonlijke of zakelijke rechten heeft op het terrein en die gedoogd moeten worden, worden inrichtingswerken uit kracht van wet genoemd. Inrichtingswerken die verband houden met landschapszorg, natuurontwikkeling, recreatie, natuureducatie, waterhuishouding, milieuverbeteringen, natuurtechnische milieubouw, het verbeteren van de landbouwstructuur, conservering van archeologische en cultuurhistorische overblijfselen, alsook werken aan waterlopen, wegen en wegenpatroon en grondwerken kunnen uitgevoerd worden uit kracht van wet voor zover zij het openbaar nut dienen.
In voorkomend geval is een vergoeding verschuldigd wegens schade tijdens de uitvoering van de werken of als de werken hinderlijk zijn voor het genot van de gronden. Het agentschap stelt die vergoeding vast en keert ze dadelijk uit. Bij betwisting stelt de rechter de vergoeding vast.

Art. 2.1.2.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de inrichtingswerken die kunnen worden uitgevoerd met toepassing van dit decreet.

Afdeling 2.
Vestigen van erfdienstbaarheden tot openbaar nut


Art. 2.1.3.
Om het doel van een landinrichtingsproject of een project, plan of programma te realiseren, kunnen volgende erfdienstbaarheden tot openbaar nut worden gevestigd:
erfdienstbaarheden tot openbaar nut gekoppeld aan inrichtingswerken uit kracht van wet als vermeld in artikel 2.1.1, tweede lid;
andere erfdienstbaarheden tot openbaar nut als vermeld in het derde lid.
Erfdienstbaarheden tot openbaar nut gekoppeld aan inrichtingswerken uit kracht van wet zijn gericht op de instandhouding van inrichtingswerken uit kracht van wet als vermeld in artikel 2.1.1, tweede lid. Diegene die het betrokken landinrichtingsplan of inrichtingsnota heeft vastgesteld, stelt na uitvoering van de betrokken inrichtingswerken uit kracht van wet vast welke erfdienstbaarheden tot openbaar nut gevestigd worden en op welke kadastrale percelen deze erfdienstbaarheden gevestigd worden. Het besluit tot vestiging van de erfdienstbaarheden tot openbaar nut bevat ten minste de kadastrale gegevens van de percelen waarop erfdienstbaarheden tot openbaar nut worden gevestigd met de beschrijving van de erfdienstbaarheid die wordt gevestigd.
Andere erfdienstbaarheden tot openbaar nut zijn gericht op landschapszorg, natuurontwikkeling, recreatie, mobiliteit, natuureducatie, waterhuishouding, milieuverbeteringen, verbeteren van de landbouwstructuur of conservering van archeologische en cultuurhistorische overblijfselen. Deze erfdienstbaarheden worden gevestigd door de opname van de erfdienstbaarheid tot openbaar nut in het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota.
De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de procedure voor het vestigen en de beschrijving van erfdienstbaarheden tot openbaar nut, alsook voor de tegenstelbaarheid aan derden en voor vergoedingen ter schadeloosstelling.

Afdeling 3.
Vergoeding voor waardeverlies van gronden


Art. 2.1.4.

§ 1

Om het doel van een landinrichtingsproject of een project, plan of programma te realiseren, kent de landcommissie in de volgende gevallen een vergoeding voor waardeverlies van gronden toe:
als de uitvoering van een inrichtingswerk uit kracht van wet als vermeld in artikel 2.1.1, tweede lid, een daling veroorzaakt van de venale waarde of de gebruikswaarde van de onroerende goederen;
als de vestiging van een erfdienstbaarheid tot openbaar nut als vermeld in artikel 2.1.3 een daling veroorzaakt van de venale waarde of de gebruikswaarde van de onroerende goederen.

§ 2

De vergoeding voor waardeverlies van gronden is verschuldigd aan de eigenaar, vruchtgebruiker of gebruiker van de betrokken grond. De vergoeding voor waardeverlies van gronden die toekomt aan de eigenaar of vruchtgebruiker wordt bepaald op basis van de daling van de venale waarde van het onroerend goed. De vergoeding voor waardeverlies van gronden die toekomt aan de gebruiker wordt bepaald op basis van de reėle daling van de gebruikswaarde van het onroerend goed.

§ 3

In het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt bepaald welke instantie of persoon de vergoeding voor waardeverlies van gronden verschuldigd is.
Als de landcommissie een vergoeding vaststelt voor een waterpeilaanpassing, vraagt de landcommissie het advies van de betrokken waterbeheerder van de geklasseerde waterloop. Als de landcommissie binnen een maand na de verzending van het verzoek om advies geen antwoord heeft ontvangen van de betrokken waterbeheerder, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
Als de vergoeding voor waardeverlies van gronden bepaalde milieu- of natuurdoelstellingen beoogt, kan alleen vergoed worden als een hogere kwaliteit voor milieu en natuur wordt bereikt dan de basiskwaliteit voor milieu en natuur.

Art. 2.1.5.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de wijze waarop het waardeverlies wordt bepaald en voor de wijze van betaling van de vergoeding.

Hoofdstuk 2.
Beheer


Afdeling 1.
Beheerovereenkomsten


Art. 2.1.6.
Om het doel van een landinrichtingsproject of een project, plan of programma of een beheervisie te realiseren, kan een administratieve overheid met gebruikers van een grond een beheerovereenkomst sluiten.
Een beheerovereenkomst is een overeenkomst waarbij de gebruiker of een groep van gebruikers van een grond zich er vrijwillig toe verbinden om gedurende een bepaalde termijn een vooraf bepaalde prestatie te leveren. De gebruiker of een groep van gebruikers ontvangen daarvoor een jaarlijkse vergoeding die in verhouding staat tot de geleverde inspanningen en de eventuele inkomstenderving en de transactiekosten die hiermee gepaard gaan.
Beheerovereenkomsten die gesloten worden om bepaalde milieu- of natuurdoelstellingen te realiseren, zijn alleen mogelijk als door de beheerovereenkomst een hogere kwaliteit voor milieu en natuur wordt bereikt dan de basiskwaliteit voor milieu en natuur.

Art. 2.1.7.
Het agentschap treedt op voor de administratieve overheid bij het sluiten en het opvolgen van beheerovereenkomsten. Het agentschap rekent daarvoor werkingsmiddelen aan.
In afwijking van het eerste lid, kan een administratieve overheid, op gronden in haar eigendom, zelf instaan voor het sluiten en het opvolgen van beheerovereenkomsten.

Art. 2.1.8.
De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de voorwaarden voor het sluiten van een beheerovereenkomst, de maatregelen en de vergoeding, de financiering, de controle, de organisatie en de procedure, de bepaling van de administratieve overheden die een beheerovereenkomst kunnen sluiten, alsook voor de taak van het agentschap.

Afdeling 2.
Dienstenvergoeding


Art. 2.1.9.

§ 1

Om het doel van een landinrichtingsproject of een project, plan of programma of een beheervisie te realiseren, kan een jaarlijkse dienstenvergoeding toegekend worden als ten gevolge van een opgelegd beheer of opgelegde inrichting een bijkomende dienst op het vlak van beheer gewenst is. De dienstenvergoeding kan toegekend worden door de instanties of personen, vermeld in artikel 3.3.7 en 3.3.8, aan een gebruiker of een groep van gebruikers van een grond waarop de bijkomende dienst wordt uitgevoerd.
De Vlaamse Regering bepaalt de bijkomende diensten waarvoor een dienstenvergoeding toegekend kan worden en per bijkomende dienst de toekenningsvoorwaarden waaraan voldaan moet zijn en de verbintenissen die nageleefd moeten worden, alsook het bedrag van de vergoeding voor deze bijkomende dienst. Het bedrag van de dienstenvergoeding staat in verhouding tot de geleverde inspanningen, de eventuele inkomstenderving en de transactiekosten die ermee gepaard gaan. De dienstenvergoeding wordt toegekend als voldaan is aan de toekenningsvoorwaarden.
Diensten die bepaalde milieu- of natuurdoelstellingen realiseren kunnen alleen vergoed worden als een hogere kwaliteit voor milieu en natuur wordt bereikt dan de basiskwaliteit voor milieu en natuur.

§ 2

In het landinrichtingsplan, de inrichtingsnota of de beheervisie wordt bepaald welke bijkomende dienst gewenst is en het gebied waarbinnen de bijkomende dienst gewenst is.

Art. 2.1.10.
Het agentschap treedt op voor de administratieve overheid bij het uitbetalen en het opvolgen van de dienstenvergoedingen. Het agentschap rekent daarvoor werkingsmiddelen aan.
In afwijking van het eerste lid, kan een administratieve overheid, op gronden in haar eigendom, zelf instaan voor het uitbetalen en het opvolgen van de dienstenvergoedingen.

Art. 2.1.11.
De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de voorwaarden voor het uitbetalen van een dienstenvergoeding, de financiering, de controle, de organisatie en de procedure, alsook voor de taak van het agentschap.

Hoofdstuk 3.
Verwerving en grondmobiliteit


Afdeling 1.
Verwerving


Art. 2.1.12.
Om het doel van een landinrichtingsproject of een project, plan of programma te realiseren, kunnen de instanties en de personen vermeld in artikel 3.3.7 tot en met 3.3.9 onroerende goederen verwerven.

Afdeling 2.
Recht van voorkoop


Art. 2.1.13.
Om het doel van een landinrichtingsproject of een project, plan of programma te realiseren, kan de Vlaamse Grondenbank een recht van voorkoop uitoefenen. Het recht van voorkoop is van toepassing bij verkoop van onroerende goederen die liggen binnen de zones die door de Vlaamse Regering zijn aangeduid als een zone waar het recht van voorkoop geldt met toepassing van dit decreet. Het besluit dat de zone waarbinnen het recht van voorkoop geldt, aanduidt, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
De Vlaamse Regering stelt regels vast voor de totstandkoming van de aanduiding van zones waar het recht van voorkoop geldt, de afbakening en de opheffing van het recht van voorkoop, alsook voor de wijze van bekendmaking van het recht van voorkoop.

Art. 2.1.14.
De bepalingen van titel IV, hoofdstukken I, II en VI, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen is van toepassing op het recht van voorkoop, vermeld in artikel 2.1.13.
Het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten is van toepassing op het recht van voorkoop, vermeld in artikel 2.1.13.

Afdeling 3.
Vrijwillige herverkaveling


Art. 2.1.15.
Als een herschikking van de percelen het doel van een landinrichtingsproject of een project, plan of programma helpt realiseren, kunnen de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.7 tot en met 3.3.9, overgaan tot een vrijwillige herverkaveling.

Art. 2.1.16.
Vrijwillige herverkaveling is de schriftelijke overeenkomst tussen alle eigenaars en gebruikers van minstens twee percelen, waarin ze overeenkomen de onroerende zaken die aan hen toebehoren, samen te voegen, het resulterende geheel op bepaalde wijze te herverkavelen en onder elkaar bij akte te verdelen.

Art. 2.1.17.
Bij een overeenkomst als vermeld in artikel 2.1.16 kunnen partijen tegen betaling van een geldsom onroerende zaken of tegen inbreng van onroerende zaken een geldsom bedingen.

Art. 2.1.18.
De akte van een vrijwillige herverkaveling geldt als titel voor de eigendom, de zakelijke rechten en de schuldvorderingen die erdoor worden geregeld.
De akte van een vrijwillige herverkaveling bevat:
de vaststelling van de rechten en verplichtingen zoals die voortkomen uit de in artikel 2.1.16 bedongen overeenkomst, inbegrepen de regeling voor de overdracht van zakelijke rechten;
de data en voorwaarden van ingenottreding en ingebruikneming van de nieuwe kavels;
de betaling of inbreng van ieder belanghebbende, vermeld in artikel 2.1.17.
De instrumenterende ambtenaar overhandigt een uittreksel uit de akte en uit de bijlagen ervan aan iedere rechthebbende.

Art. 2.1.19.
Bij het opmaken van pachtovereenkomsten voor kavels die ten gevolge van de vrijwillige herverkaveling op een andere verpachter of pachter overgaan, kunnen de partijen afwijken van het bepaalde in de wetgeving met betrekking tot de duur van pachtovereenkomsten. Deze bepaling is ook van toepassing op de erfpacht, alsook op het opstal-, het gebruiks- en het bewoningsrecht.

Art. 2.1.20.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de inhoud van de schriftelijke overeenkomst, de taak van het agentschap en de werkwijze voor de totstandkoming van een vrijwillige herverkaveling.

Afdeling 4.
Herverkaveling uit kracht van wet


Onderafdeling 1.
Algemene bepalingen

Art. 2.1.21.
In deze afdeling wordt verstaan onder:
vroeger perceel: elk perceel in zijn toestand voor de herverkaveling;
nieuw perceel: elk perceel in zijn toestand na de herverkaveling;
blok: het geheel van onroerende goederen in een herverkaveling;
eigenaar: iedere eigenaar of blote eigenaar van onroerende goederen die deel uitmaken van het blok;
gebruiker: de persoon die als eigenaar, vruchtgebruiker, erfpachter, opstalhouder of houder van een recht van gebruik of bewoning het onroerend goed exploiteert dat deel uitmaakt van het blok of die het onroerend goed dat deel uitmaakt van het blok huurt overeenkomstig boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek [of het Vlaams Woninghuurdecreet];
rechthebbende: een eigenaar, vruchtgebruiker of een gebruiker van onroerende goederen die deel uitmaken van het blok;
rechter: de vrederechter van het kanton waarin het grootste deel van het blok ligt;
beveiligde zending: een aangetekende brief, een afgifte tegen ontvangstbewijs of elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld.

Art. 2.1.22.
Om het doel van een landinrichtingsproject of een project, plan of programma te realiseren kan de landcommissie overgaan tot herverkaveling uit kracht van wet van de gebieden, aangeduid met toepassing van artikel 3.3.1 en 4.2.2 waar het instrument herverkaveling uit kracht van wet kan worden toegepast. Herverkaveling beoogt een optimaler grondgebruik mogelijk te maken door een herschikking van de percelen en een aanpassing van het openbaar domein.

Onderafdeling 2.
Op te maken stukken

Art. 2.1.23.
De landcommissie omschrijft het blok en maakt de lijst van de vroegere percelen en de lijst van de rechthebbenden op. Daarvoor worden de volgende lijsten en het volgend plan opgemaakt op basis van de kadastrale gegevens en andere beschikbare gegevens:
een perceelsplan met de vroegere percelen en het openbaar domein die behoren tot het blok;
een lijst van de vroegere percelen met van elk perceel de oppervlakte, het bestemmingsgebied dat van kracht is in de ruimtelijke ordening, de eigenaars, vruchtgebruikers en de gebruikers;
een lijst van de eigenaars en vruchtgebruikers met per eigenaar en vruchtgebruiker zijn vroegere percelen met vermelding van het bestemmingsgebied dat van kracht is in de ruimtelijke ordening;
een lijst van de gebruikers met per gebruiker zijn vroegere percelen met vermelding van het bestemmingsgebied dat van kracht is in de ruimtelijke ordening.
Voor de opmaak van de lijsten vraagt de landcommissie per beveiligde zending aan de eigenaars, vruchtgebruikers of verpachters binnen dertig dagen mededeling te doen van de naam en het adres van de gebruikers, van de door ieder van hen in bedrijf genomen oppervlakten en van elke andere inlichting die de landcommissie nuttig acht. Zo niet kan de landcommissie de nodige opzoekingen doen op kosten van de in gebreke gebleven eigenaars, vruchtgebruikers en verpachters.
De landcommissie gaat zo nodig over tot afpaling van de blokgrens. Van het plan van afpaling wordt per beveiligde zending kennis gegeven aan de eigenaars van de percelen die aan weerszijden van de blokgrens liggen en bij de afpaling betrokken zijn.
Binnen vijftien dagen na de kennisgeving kunnen de voormelde eigenaars bij beveiligde zending gericht aan de landcommissie de afpaling betwisten. De landcommissie dagvaardt bij betwisting de betrokken eigenaars voor de rechter om een gerechtelijke afpaling te verkrijgen.
Over de omschrijving van het blok, de lijst van de vroegere percelen en de lijst van de rechthebbenden wordt een raadpleging van rechthebbenden, vermeld in onderafdeling 6, gehouden.

Art. 2.1.24.
De landcommissie bepaalt de toestand voor herverkaveling, hierna de inbreng te noemen. De landcommissie maakt daarvoor de classificatie volgens hun ruilwaarde en volgens hun gebruikswaarde op van het geheel van de onroerende goederen die bij de herverkaveling zijn betrokken. De volgende lijsten en de volgende plannen worden opgemaakt op basis van de kadastrale gegevens en andere beschikbare gegevens:
een lijst van de eigenaars en vruchtgebruikers met per eigenaar en per vruchtgebruiker:
de ruilwaarde van elk vroeger perceel;
de totale ruilwaarde van alle vroegere percelen van de eigenaar en van de vruchtgebruiker;
een classificatieplan met aanduiding van de gebruikswaardezones, gevormd door het groeperen van percelen met dezelfde gebruikswaarde;
een lijst van de gebruikers met per gebruiker:
de gebruikswaarde van elk vroeger perceel;
de totale gebruikswaarde van alle vroegere percelen van de gebruiker;
een plan met de vroegere percelen die met voorrechten, hypotheken, bevelen, onroerende beslagen of vorderingen of met erfpacht-, opstal-, gebruiks- of bewoningsrecht zijn bezwaard;
een lijst van de vroegere percelen met voor elk perceel de eigenaars, vruchtgebruikers en de gebruikers en de voorrechten, hypotheken, bevelen, onroerende beslagen of vorderingen, of erfpacht, opstal-, gebruiks- of bewoningsrecht.
Over de inbreng wordt een raadpleging van rechthebbenden, vermeld in onderafdeling 7, gehouden.

Art. 2.1.25.
De landcommissie bepaalt de toestand na herverkaveling, hierna de toedeling te noemen. De landcommissie maakt daarvoor de classificatie volgens hun ruilwaarde en volgens hun gebruikswaarde op van het geheel van de onroerende goederen die bij de herverkaveling zijn betrokken. De volgende lijsten en de volgende plannen worden opgemaakt op basis van de kadastrale gegevens en andere beschikbare gegevens:
het herverkavelingsplan met de nieuwe percelen en het openbaar domein die behoren tot het blok;
een lijst van de nieuwe percelen met van elk perceel de oppervlakte, het bestemmingsgebied dat van kracht is in de ruimtelijke ordening, de eigenaars, de vruchtgebruikers en gebruikers;
een lijst van de eigenaars en de vruchtgebruiker met van elke eigenaar en elke vruchtgebruiker:
a)
de nieuwe percelen met vermelding van het bestemmingsgebied dat van kracht is in de ruimtelijke ordening;
b)
de ruilwaarde voor elk nieuw perceel;
c)
de totale ruilwaarde van alle nieuwe percelen van de eigenaar en van de vruchtgebruiker;
een lijst van de gebruikers met van elke gebruiker:
a)
de nieuwe percelen met vermelding van het bestemmingsgebied dat van kracht is in de ruimtelijke ordening;
b)
de gebruikswaarde van elk nieuw perceel;
c)
de totale gebruikswaarde van alle nieuwe percelen van de gebruiker;
een plan met de nieuwe percelen die met voorrechten, hypotheken, bevelen, onroerende beslagen of vorderingen of met erfpacht-, opstal-, gebruiks- of bewoningsrecht zullen worden bezwaard;
een lijst waarop voor iedere eigenaar en iedere vruchtgebruiker de volgende gegevens zijn vermeld: de voorrechten, hypotheken, bevelen, onroerende beslagen of vorderingen, de erfpacht-, opstal-, gebruiks- en bewoningsrechten, met vermelding van de vroegere percelen en van de nieuwe percelen die in de plaats daarvan komen;
het herverkavelingsplan met de erfdienstbaarheden die worden gevestigd en de erfdienstbaarheden die worden afgeschaft. De andere erfdienstbaarheden worden behouden.
Over de toedeling wordt een raadpleging van rechthebbenden, vermeld in onderafdeling 7, gehouden.

Art. 2.1.26.
De ruilwaarde, vermeld in artikel 2.1.24 en 2.1.25, wordt bepaald op basis van de oppervlakte, de ligging, het bestemmingsgebied dat van kracht is in de ruimtelijke ordening, de aanwezige constructies en opstanden, de cultuurwaarde en het bestaan van pacht of van erfdienstbaarheden, namelijk de objectieve factoren die de waarde van een grond kunnen beļnvloeden.
De gebruikswaarde, vermeld in artikel 2.1.24 en 2.1.25, wordt bepaald op basis van de geschiktheid van het perceel voor het actuele grondgebruik. Daarbij wordt rekening gehouden met alle relevante factoren zoals bodemgesteldheid, drainageklasse, de geldende reglementaire gebruiksbeperkingen zoals bemestingsnormen.

Art. 2.1.27.
De landcommissie bepaalt de financiėle regeling en maakt daarvoor de volgende lijsten op:
een lijst met de financiėle compensatie per eigenaar en per vruchtgebruiker;
een lijst met de gebruikersvergoeding per gebruiker.
De financiėle compensatie ten bate of ten laste van een eigenaar of een vruchtgebruiker is het verschil tussen de totale ruilwaarde van alle vroegere percelen van de eigenaar of vruchtgebruiker zoals vastgesteld bij de inbreng en de totale ruilwaarde van alle nieuwe percelen van de eigenaar of vruchtgebruiker zoals vastgesteld bij de toedeling.
De gebruikersvergoeding ten bate of ten laste van een gebruiker is het verschil tussen de totale gebruikswaarde van alle vroegere percelen van de gebruiker zoals vastgesteld bij de inbreng en de totale gebruikswaarde van alle nieuwe percelen van de gebruiker zoals vastgesteld bij de toedeling.
Over de financiėle regelingen wordt een raadpleging van rechthebbenden, vermeld in onderafdeling 7, gehouden.

Onderafdeling 3.
Wegen en waterlopen met de bijbehorende kunstwerken

Art. 2.1.28.
De landcommissie maakt het plan van de aangepaste, de nieuwe en de af te schaffen wegen en waterlopen met de bijbehorende kunstwerken op.
De landcommissie vraagt over het plan, vermeld in het eerste lid, advies van de betrokken gemeenten, advies van de betrokken provincie, advies van in voorkomend geval, andere wegbeheerder en advies van de betrokken waterbeheerder van de geklasseerde waterloop. Het advies van de betrokken gemeenten wordt gegeven na een openbaar onderzoek dat wordt georganiseerd door elke betrokken gemeente. Het openbaar onderzoek wordt aangekondigd door aanplakking. Het plan, vermeld in het eerste lid, wordt gedurende dertig dagen ter inzage neergelegd in elke betrokken gemeente. Als de landcommissie binnen drie maanden na de verzending van het verzoek om advies geen antwoord heeft ontvangen van de betrokken gemeenten, provincie of waterbeheerder, wordt het advies geacht gunstig te zijn.
De Vlaamse Regering keurt het plan, vermeld in het eerste lid, goed.
De Vlaamse Regering bepaalt tot welke groep van wegen de aangepaste en de nieuwe wegen zullen behoren en rangschikt eventueel de aangepaste en de nieuwe waterlopen in een van de categorieėn, vermeld in artikel 2 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen.
De Vlaamse Regering bepaalt daarbij aan welk openbaar bestuur de aangepaste en de nieuwe wegen en waterlopen met de bijbehorende kunstwerken worden toegewezen.
De Vlaamse Regering schaft de buiten gebruik gestelde wegen en waterlopen met de bijbehorende kunstwerken af en bepaalt dat ze worden opgenomen in het geheel van de gronden die tot de herverkaveling behoren.
De Vlaamse Regering brengt op basis van het plan van de aangepaste, de nieuwe en de af te schaffen wegen en waterlopen met de bijbehorende kunstwerken de nodige wijzigingen aan aan de atlas van de buurtwegen en aan de beschrijvende tabellen, opgemaakt ter uitvoering van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen.

Onderafdeling 4.
Randvoorwaarden voor de herverkaveling

Art. 2.1.29.
De toewijzing van de nieuwe percelen aan een eigenaar en een vruchtgebruiker gebeurt op zodanige wijze dat de totale ruilwaarde van zijn nieuwe percelen gelijk is aan de totale ruilwaarde van zijn vroegere percelen.
Als aan de regel, vermeld in het eerste lid, niet wordt voldaan, worden aan een eigenaar of vruchtgebruiker meer of minder gronden toebedeeld, hierna een over- of onderbedeling van gronden aan een eigenaar of vruchtgebruiker te noemen. Het verschil tussen de totale ruilwaarde van de nieuwe percelen en de totale ruilwaarde van de vroegere percelen van een eigenaar of vruchtgebruiker wordt vergoed via een financiėle compensatie ten koste of ten bate van de eigenaar en van de vruchtgebruiker.
De over- of onderbedeling van gronden aan een eigenaar of vruchtgebruiker mag de vijf procent van de totale ruilwaarde van zijn vroegere percelen niet overschrijden tenzij na toestemming van de eigenaar en de vruchtgebruiker.
De Vlaamse Regering bepaalt de mate van onderbedeling waarvoor een wederbeleggingsvergoeding wordt toegevoegd aan de financiėle compensatie. De wederbeleggingsvergoeding komt ten laste van de administratieve overheid die instaat voor de financiering.

Art. 2.1.30.
De toewijzing van de nieuwe percelen aan een gebruiker gebeurt op zodanige wijze dat de totale gebruikswaarde van zijn nieuwe percelen gelijk is aan de totale gebruikswaarde van zijn vroegere percelen.
De toedeling aan een gebruiker gebeurt op zodanige wijze dat de aan hem toebedeelde nieuwe percelen geschikt zijn voor hetzelfde grondgebruik als zijn vroegere percelen tenzij de desbetreffende gebruiker ermee akkoord gaat om zijn grondgebruik aan te passen.
Als aan de regel, vermeld in het eerste lid, niet wordt voldaan, krijgt de gebruiker een over- of onderbedeling van gronden. Het verschil tussen de totale gebruikswaarde van de nieuwe percelen en de totale gebruikswaarde van de vroegere percelen van een gebruiker wordt financieel gecompenseerd ten koste of ten bate van de gebruiker via een gebruikersvergoeding.
De over- of onderbedeling van gronden aan een gebruiker mag de vijf procent van de totale gebruikswaarde van zijn vroegere percelen niet overschrijden, tenzij na toestemming van de gebruiker.

Art. 2.1.31.
Het verschil tussen de totale ruilwaarde van de nieuwe percelen in het blok en de totale ruilwaarde van de vroegere percelen in het blok komt ten goede of ten laste van de administratieve overheid die instaat voor de financiering.
Het verschil tussen de totale gebruikswaarde van de nieuwe percelen in het blok en de totale gebruikswaarde van de vroegere percelen in het blok komt ten goede of ten laste van de administratieve overheid die instaat voor de financiering.

Onderafdeling 5.
Overgang van pachtovereenkomsten, huurovereenkomsten, zakelijke rechten en regeling van erfdienstbaarheden

Art. 2.1.32.

§ 1

Ten gevolge van de herverkaveling treedt het geheel van de nieuwe percelen die aan een eigenaar worden toegewezen, in de plaats van het geheel van de vroegere percelen van die eigenaar.

§ 2

Ten gevolge van de herverkaveling worden de rechten die de pachter op zijn vroegere percelen bezit, overgedragen op zijn nieuwe percelen.
Als er in het belang van de herverkaveling wijzigingen aan de pacht moeten worden aangebracht, roept de landcommissie de betrokken eigenaars en pachters op en zoekt mee naar een oplossing waarmee de betrokken eigenaars en pachters kunnen instemmen.
Als een overeenkomst wordt bereikt, stelt de landcommissie dat schriftelijk vast. De overeenkomst wordt door de partijen ondertekend en opgenomen in de stukken van toedeling.
Als er geen overeenkomst wordt bereikt, verzoekt de landcommissie hen, per beveiligde zending, het geschil voor de bevoegde rechter te brengen. Als de partijen het geschil niet voor de bevoegde rechter brengen binnen een termijn van dertig dagen vanaf het voormelde verzoek van de landcommissie, brengt de landcommissie het geschil voor de rechter.
Bij het opmaken van pachtovereenkomsten voor kavels die ten gevolge van de herverkaveling op een andere verpachter of pachter zijn overgegaan, kunnen de partijen of, als er geen overeenkomst wordt bereikt, kan de rechter afwijken van het bepaalde in de wetgeving met betrekking tot de duur van pachtovereenkomsten. Voor de nieuwe percelen kan namelijk dezelfde duur bepaald worden als die van het pachtrecht dat op andere door dezelfde pachter geėxploiteerde kavels bestaat, krachtens huurovereenkomsten die gesloten zijn door dezelfde verpachter of door andere verpachters.
De rechterlijke beslissing wordt aan de herverkavelingsakte gehecht.

§ 3

De bepalingen, vermeld in paragraaf 2, zijn van toepassing op de overgang van andere huurovereenkomsten dan pacht.

Art. 2.1.33.
Het vruchtgebruik dat slaat op het geheel van de vroegere percelen van een eigenaar, gaat over op het geheel van de nieuwe percelen van die eigenaar.
Als een vruchtgebruik een of sommige van de vroegere percelen van een eigenaar bezwaart, bepaalt de landcommissie de nieuwe percelen van die eigenaar waarop dat recht overgaat.

Art. 2.1.34.
De voorrechten en hypotheken, de bevelen en beslagen, en de onroerende vorderingen, die slaan op het geheel van de vroegere percelen van een eigenaar of van een vruchtgebruiker, gaan over op het geheel van de nieuwe percelen en op de ontvangen financiėle compensatie van de eigenaar en vruchtgebruiker.
Als de voorrechten en hypotheken, bevelen en beslagen, en de onroerende vorderingen een vroeger perceel van een eigenaar of van een vruchtgebruiker bezwaren, bepaalt de landcommissie het nieuwe perceel van die eigenaar of vruchtgebruiker en het gedeelte van de door die eigenaar of vruchtgebruiker te ontvangen financiėle compensatie waarop die rechten overgaan.

Art. 2.1.35.
De bepalingen, vermeld in artikel 2.1.32 en 2.1.33, zijn van toepassing op het recht van gebruik en bewoning, het opstal- en erfpachtrecht.

Art. 2.1.36.
Het jachtrecht blijft ter plaatse en gaat bij herverkaveling niet over op het nieuwe perceel. De nieuwe eigenaar van een perceel treedt in de rechten en verplichtingen van de oude eigenaar.
Als het jachtrecht door de eigenaar zelf werd uitgeoefend en als die per beveiligde zending aan de landcommissie de wens heeft geuit om verder op het perceel te blijven jagen, worden de voorwaarden van de jacht vastgesteld als vermeld in artikel 2.1.32 betreffende de wijzingen aan de pacht, zonder dat de duur van de jachtovereenkomst langer dan negen jaar kan zijn.
[De duur van de jachtovereenkomsten die gesloten zijn vanaf de vaststelling van het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota], wordt van rechtswege beperkt tot de overschrijving van de herverkavelingsakte op het hypotheekkantoor.

Art. 2.1.37.
De landcommissie brengt op het herverkavelingsplan de erfdienstbaarheden aan die ze vestigt en de erfdienstbaarheden die ze afschaft. De andere erfdienstbaarheden blijven behouden.

Onderafdeling 6.
Procedure voor de raadpleging van rechthebbenden, over de omschrijving van het blok, de lijst van vroegere percelen en de lijst van rechthebbenden

Art. 2.1.38.
De omschrijving van het blok, de lijst van vroegere percelen en de lijsten van rechthebbenden, vermeld in artikel 2.1.23, worden door de landcommissie gedurende de raadpleging die dertig dagen duurt ter inzage neergelegd in elke betrokken gemeente.
De raadpleging van rechthebbenden wordt in elke betrokken gemeente bekendgemaakt door aanplakking.
De landcommissie brengt elke rechthebbende voorafgaand aan de terinzagelegging per beveiligde zending op de hoogte van de mogelijkheid tot inzage en van de mogelijkheid tot indiening van schriftelijke opmerkingen en bezwaren bij de landcommissie.

Art. 2.1.39.

§ 1

Elke rechthebbende kan gedurende de raadpleging schriftelijk opmerkingen en bezwaren indienen bij de landcommissie over de lijsten en de plannen, vermeld in artikel 2.1.23.

§ 2

De landcommissie onderzoekt de opmerkingen en bezwaren en wijzigt indien nodig de omschrijving van het blok, de lijst van de vroegere percelen en de lijsten van de rechthebbenden.
De landcommissie kan daarbij de rechthebbenden die opmerkingen of bezwaren hebben ingediend of andere rechthebbenden die het aanbelangt, horen. Als een rechthebbende niet verschijnt na deze oproep, kan de landcommissie zonder verder uitstel de omschrijving van het blok, de lijst van de vroegere percelen en de lijst van de rechthebbenden definitief vaststellen.

§ 3

De landcommissie brengt de rechthebbenden met een beveiligde zending op de hoogte van de definitieve omschrijving van het blok, de definitieve lijst van de vroegere percelen en de definitieve lijsten van de rechthebbenden.

Onderafdeling 7.
Procedure voor de raadpleging van rechthebbenden over inbreng, toedeling en financiėle regelingen

Art. 2.1.40.
Behalve als alle rechthebbenden door middel van een overeenkomst met de landcommissie vrijwillig afzien van een raadpleging van rechthebbenden worden de lijsten en plannen, vermeld in artikel 2.1.24, 2.1.25 en 2.1.27, gedurende dertig dagen ter inzage neergelegd in elke betrokken gemeente.
De raadpleging voor rechthebbenden wordt in elke betrokken gemeente bekendgemaakt door aanplakking.
De landcommissie brengt elke rechthebbende voorafgaand aan de terinzagelegging per beveiligde zending op de hoogte van de mogelijkheid tot inzage en van de mogelijkheid tot het indienen van schriftelijke opmerkingen en bezwaren bij de landcommissie.
De landcommissie kan ook beslissen de terinzagelegging van de documenten, vermeld in artikel 2.1.24, 2.1.25 en 2.1.27, afzonderlijk te laten verlopen gedurende telkens dertig dagen.

Art. 2.1.41.
Elke eigenaar, vruchtgebruiker en gebruiker kan gedurende de raadpleging van rechthebbenden opmerkingen en bezwaren indienen bij de landcommissie over de lijsten en de plannen, vermeld in artikel 2.1.24, 2.1.25 en 2.1.27.

Art. 2.1.42.
De landcommissie onderzoekt de opmerkingen en bezwaren en wijzigt indien nodig de lijsten en de plannen, vermeld in artikel 2.1.24, 2.1.25 en 2.1.27.
De landcommissie kan de betrokken rechthebbenden horen. Als een rechthebbende niet verschijnt na de oproep, kan de landcommissie zonder verder uitstel de inbreng en de toedeling en de bijbehorende plannen en lijsten definitief vaststellen.
De landcommissie brengt elke rechthebbende van wie de toestand gewijzigd wordt door de inwilliging van een bezwaar per beveiligde zending op de hoogte van de wijziging.

Art. 2.1.43.
Na de behandeling van de opmerkingen en bezwaren stelt de landcommissie de toedeling en de inbreng met de bijbehorende plannen, de lijst met de financiėle compensatie per eigenaar en vruchtgebruiker en de lijst met de gebruikersvergoeding per gebruiker definitief vast.
De landcommissie brengt de betrokken eigenaar, de vruchtgebruiker en de gebruiker met een beveiligde zending op hoogte van het volgende:
de ruilwaarde of de gebruikswaarde van zijn vroegere percelen;
de oppervlakte, de ruilwaarde of de gebruikswaarde van zijn nieuwe percelen;
de financiėle compensatie of de gebruikersvergoeding.

Onderafdeling 8.
Beroepsprocedure

Art. 2.1.44.
Elke rechthebbende kan bij de rechter het volgende betwisten:
de ruilwaarde of gebruikswaarde van zijn vroegere percelen;
de oppervlakte, de ruilwaarde of de gebruikswaarde van zijn nieuwe percelen;
de financiėle compensatie of de gebruikersvergoeding.

Art. 2.1.45.
Als de rechter de betwistingen over de ruilwaarde of de gebruikswaarde van de vroegere percelen of de oppervlakte, de ruilwaarde of de gebruikswaarde van de nieuwe percelen gegrond vindt, kan een schadevergoeding worden toegekend naast de financiėle compensatie van de eigenaar en de vruchtgebruiker of naast de gebruikersvergoeding van de gebruiker. De schadevergoeding komt ten laste van de administratieve overheid die instaat voor de financiering.

Art. 2.1.46.
Als de rechter de betwistingen over de financiėle compensatie van de eigenaar en vruchtgebruiker of de gebruikersvergoeding gegrond vindt, verbetert hij de financiėle compensatie of de gebruikersvergoeding. Het verschil tussen de oorspronkelijke en de verbeterde financiėle compensatie of gebruikersvergoeding komt ten laste van de administratieve overheid die instaat voor de financiering.

Art. 2.1.47.
De rechthebbende moet de betwistingen, vermeld in artikel 2.1.44, stellen binnen drie maanden na de kennisgeving, vermeld in artikel 2.1.43.

Onderafdeling 9.
Herverkavelingsakte

Art. 2.1.48.
Als het herverkavelingsplan, vermeld in artikel 2.1.25, definitief is vastgesteld, gaat de landcommissie zo nodig over tot de afpaling van de nieuwe percelen. Hiernavolgend wordt de instrumenterend ambtenaar belast met de opmaak van de herverkavelingsakte en het verlijden ervan.

Art. 2.1.49.
De herverkavelingsakte omvat:
de vaststelling van de rechten en plichten die voortvloeien uit de plannen, de lijsten en de overeenkomsten, vermeld in de artikelen 2.1.24, 2.1.25, 2.1.27, 2.1.36 en 2.1.37;
de door de landcommissie vastgestelde data en voorwaarden van ingenottreding en ingebruikneming van de nieuwe percelen;
de financiėle afrekening die de financiėle compensatie en de gebruikersvergoeding bevat, alsook de tijdstippen voor de vereffening van die vergoedingen.
De plannen, de lijsten en de overeenkomsten, vermeld in het eerste lid, 1°, en de overeenkomsten en de rechterlijke beslissingen, vermeld in de artikelen 2.1.32, 2.1.35, 2.1.45 en 2.1.46, worden aan de herverkavelingsakte gehecht.

Art. 2.1.50.
De herverkavelingsakte geldt als titel van eigendom en van de zakelijke rechten die erin worden geregeld, en als titel voor de financiėle compensatie en de gebruikersvergoeding.

Art. 2.1.51.
Na de hypothecaire overschrijving bezorgt de instrumenterende ambtenaar een eensluidend verklaard uittreksel uit de herverkavelingsakte en de bijlagen erbij aan de rechthebbenden.
De bepalingen, vermeld in artikel 139, 140 en 141 van de Hypotheekwet van 16 december 1851, zijn van toepassing.
De ingebruikneming van de nieuwe percelen vindt plaats op de tijdstippen en onder de voorwaarden die bepaald zijn in de herverkavelingsakte.

Art. 2.1.52.
Als in de herverkavelingsakte geen rekening is gehouden met rechten die rusten op vroegere percelen ten gevolge van ofwel vergissingen, onnauwkeurigheden of weglatingen in de herverkavelingsakte, ofwel van overdrachten of vestigingen van rechten voor de datum van overschrijving van de herverkavelingsakte of nog van vernietigingen, verbrekingen of herroepingen van rechten, bepaalt de rechter, op verzoek van de rechthebbenden, op welke nieuwe percelen of gedeelten hiervan deze rechten overgaan. In dat geval kan de rechter, ambtshalve of op verzoek, na de rechthebbenden te hebben opgeroepen, de nadelige of batige saldo's herzien, alsook de rechten en verplichtingen, met de voorwaarden en termijnen van betaling, die eruit voortvloeien.
Alleen als de rechthebbenden vrijwillig verschijnen, kan de vordering worden ingeleid bij verzoekschrift, ingediend ter griffie of met een aangetekende brief die gericht is aan de rechter, in zoveel exemplaren als er ter zake op te roepen partijen zijn.
Als er een overeenkomst wordt bereikt over de onderwerpen van betwisting, kan de instrumenterend ambtenaar op verzoek van de landcommissie, die overeenkomst bij akte vastleggen.

Onderafdeling 10.
Gebruiksruil

Art. 2.1.53.
In een herverkaveling die in uitvoering is uit kracht van wet, kan versneld een gebruiksruil worden doorgevoerd. De daaropvolgende herverkaveling uit kracht van wet omvat minstens de percelen die betrokken zijn bij de gebruiksruil. De gebruiksruil wijzigt op geen manier de rechten en verplichtingen van de pachters en verpachters onderling en maakt geen onderpacht noch pachtoverdracht uit.

Art. 2.1.54.
De landcommissie omschrijft het blok voor de gebruiksruil volgens de bepalingen, vermeld in artikel 2.1.23. De landcommissie voert daarover een raadpleging van rechthebbenden conform artikel 2.1.38 en 2.1.39.
Voor de opmaak van de lijsten vraagt de landcommissie per beveiligde zending aan de eigenaars, vruchtgebruikers of verpachters binnen dertig dagen mededeling te doen van de naam en het adres van de gebruikers, van de door ieder van hen in bedrijf genomen oppervlakten en van elke andere inlichting die de landcommissie nodig acht. Zo niet kan de landcommissie de nodige opzoekingen doen op kosten van de in gebreke gebleven eigenaars, vruchtgebruikers en verpachters.

Art. 2.1.55.
Na de definitieve vaststelling van het blok, de lijst van de vroegere percelen en de lijst van de rechthebbenden stelt de landcommissie de volgende stukken op:
een kavelplan waarop de vroegere kavels en de kadastrale percelen aangeduid zijn;
de lijsten waarop met betrekking tot iedere gebruiker de kavels die hij in gebruik heeft, de oppervlakte ervan en hun totale oppervlakte, alsook de naam van de eigenaars, vermeld zijn;
een gebruiksruilplan waarop de nieuwe kavels aangeduid zijn;
de lijsten waarop met betrekking tot iedere gebruiker vermeld zijn de nieuwe kavels die hem toebedeeld worden, de oppervlakte ervan en hun totale oppervlakte, alsook de naam van de eigenaars;
de lijsten waarop met betrekking tot iedere gebruiker de jaarlijkse vergoeding vermeld is die hij aan de landcommissie moet betalen of die de landcommissie aan hem moet betalen;
een plan van de voorlopige maatregelen van overgang en afwatering binnen het blok en een plan van de erfdienstbaarheden op gronden buiten het blok, die door toedoen van de landcommissie gevestigd, gewijzigd of afgeschaft worden tot nut van kavels die binnen het blok liggen.

Art. 2.1.56.
Het gebruiksruilplan wordt zo opgemaakt dat aan iedere gebruiker zo veel mogelijk gronden met dezelfde oppervlakte en die geschikt zijn voor hetzelfde grondgebruik worden toegewezen.
De totale oppervlakte van de aan de gebruiker toebedeelde kavels mag niet meer dan vijf procent kleiner zijn dan de totale oppervlakte van zijn vroegere kavels, behalve als hij daar schriftelijke toestemming voor verleent.
De landcommissie berekent de jaarlijkse vergoeding die aan of door de gebruiker verschuldigd is als de totale oppervlakte van de kavels die hem toebedeeld zijn, kleiner of groter is dan de totale oppervlakte van zijn vroegere kavels. Voormelde vergoeding wordt verrekend in de financiėle afrekening van herverkaveling uit kracht van wet die volgt op de gebruiksruil als vermeld in artikel 2.1.49.
Het verschil tussen de totale vergoeding die de gebruikers aan de landcommissie moeten betalen en de totale vergoeding die de landcommissie aan de gebruikers moet betalen, komt ten goede of ten laste van de administratieve overheid die instaat voor de financiering.

Art. 2.1.57.
De stukken, vermeld in artikel 2.1.55, worden gedurende dertig dagen ter inzage neergelegd in de betrokken gemeenten. De neerlegging wordt bekendgemaakt door aanplakking in deze gemeenten.
De landcommissie brengt de gebruikers, eigenaars en vruchtgebruikers die vermeld zijn op de lijsten, per beveiligde zending op de hoogte van die neerlegging.
De landcommissie onderzoekt de ingediende opmerkingen en bezwaren. Ze brengt de nodige wijzigingen aan in de plannen en lijsten, vermeld in artikel 2.1.55, en voert eventueel een aanvullend onderzoek uit bij de betrokken eigenaars, vruchtgebruikers en gebruikers. De landcommissie brengt daarna elke definitieve wijziging van het blok per beveiligde zending ter kennis van de betrokken eigenaars, vruchtgebruikers en gebruikers. Hierna stelt de landcommissie de plannen en lijsten definitief vast en belast ze de instrumenterend ambtenaar met het verlijden van de akte van gebruiksruil.

Art. 2.1.58.
De akte van gebruiksruil omvat:
de vaststelling van de rechten en verplichtingen zoals deze voortvloeien uit de plannen en lijsten, vermeld in artikel 2.1.55;
de door de landcommissie vastgestelde data en voorwaarden van ingenottreding en ingebruikneming van de nieuwe kavels.

Art. 2.1.59.
De akte van gebruiksruil geldt als titel voor de ingebruikneming van de nieuwe kavels tot op het ogenblik van de overschrijving van de akte, vermeld in artikel 2.1.51.

Art. 2.1.60.
De landcommissie duidt zo nodig de nieuwe kavels aan op het terrein en brengt de gebruikers daarvan op de hoogte. Bij betwisting lokt de landcommissie een gerechtelijke afpaling uit door de betrokken eigenaars voor de rechter te dagvaarden.

Afdeling 5.
Herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil


Onderafdeling 1.
Algemene bepalingen

Art. 2.1.61.
Herverkaveling uit kracht van wet kan gepaard gaan met een planologische ruil waarbij de bestemmingsgebieden van kracht in de ruimtelijke ordening en de betrokken eigenaars en gebruikers gelijktijdig worden omgewisseld. Herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil beoogt een optimaler en evenwichtiger grondgebruik. De gelijktijdige omwisseling van de bestemmingsgebieden en van de betrokken eigenaars en gebruikers kan gebeuren volgens de bepalingen, vermeld in onderafdeling 2.

Art. 2.1.62.
De definities, vermeld in artikel 2.1.21, gelden voor de toepassing van deze afdeling.

Onderafdeling 2.
Integratie van de herverkaveling in de procedure voor opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan

Art. 2.1.63.
De instantie die instaat voor de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, bepaalt het gebied binnen het plangebied van het ruimtelijk uitvoeringsplan dat in aanmerking komt voor een herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil. Voor dat gebied bepaalt de landcommissie het blok en de lijst van de vroegere percelen en van rechthebbenden conform artikel 2.1.23, eerste tot en met derde lid.

Art. 2.1.64.

§ 1

Om de omwisseling van eigenaars en gebruikers uit kracht van wet te realiseren, maakt de landcommissie voor de percelen die binnen het blok liggen een grondruilplan op.

§ 2

Het grondruilplan wordt gelijktijdig met het gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk uitvoeringsplan opgemaakt en wordt tegelijk met het ruimtelijk uitvoeringsplan onderworpen aan de procedureregels voor het opmaken van dat uitvoeringsplan, vermeld in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, voor zover in dit hoofdstuk niet wordt afgeweken van de voormelde procedureregels.
De instantie die bevoegd is voor de voorlopige vaststelling van het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan stelt tegelijk met de voorlopige vaststelling van het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan het grondruilplan voorlopig vast.
De instantie die bevoegd is voor de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan stelt tegelijk met de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan het grondruilplan definitief vast.

Art. 2.1.65.

§ 1

Het grondruilplan bestaat uit de volgende delen:
de toestand voor de herverkaveling, hierna de inbreng te noemen;
de toestand na de herverkaveling, hierna de toedeling te noemen;
de financiėle regeling.

§ 2

De landcommissie bepaalt de inbreng. De landcommissie maakt daarvoor de classificatie volgens hun ruilwaarde en volgens hun gebruikswaarde op van het geheel van de onroerende goederen die bij de herverkaveling zijn betrokken. De volgende lijsten en de volgende plannen worden opgemaakt op basis van de kadastrale gegevens en andere beschikbare gegevens:
een lijst van de vroegere percelen met voor elk perceel de oppervlakte, de eigenaars, de vruchtgebruikers en de gebruikers, de bestemmingsgebieden van kracht in de ruimtelijke ordening voor de wijziging van het bestemmingsgebied ten gevolge van de planologische ruil;
een lijst van de eigenaars en vruchtgebruikers met per eigenaar en per vruchtgebruiker:
a)
de vroegere percelen met vermelding van het bestemmingsgebied van kracht in de ruimtelijke ordening voor de wijziging van het bestemmingsgebied ten gevolge van de planologische ruil;
b)
de ruilwaarde van elk vroeger perceel;
c)
de totale ruilwaarde van alle vroegere percelen van de eigenaar en van de vruchtgebruiker;
een classificatieplan met aanduiding van de gebruikswaardezones, gevormd door het groeperen van percelen met dezelfde gebruikswaarde;
een lijst van de gebruikers met per gebruiker:
a)
de vroegere percelen met vermelding van het bestemmingsgebied van kracht in de ruimtelijke ordening voor de wijziging van het bestemmingsgebied ten gevolge van de planologische ruil;
b)
de gebruikswaarde van elk vroeger perceel;
c)
de totale gebruikswaarde van alle vroegere percelen van de gebruiker;
een plan met de vroegere percelen die met voorrechten, hypotheken, bevelen, onroerende beslagen of vorderingen of met erfpacht-, opstal-, gebruiks- of bewoningsrecht zijn bezwaard;
een lijst van de vroegere percelen met voor elk perceel de voorrechten, hypotheken, bevelen, onroerende beslagen of vorderingen, of erfpacht, opstal-, gebruiks- of bewoningsrecht.
De ruilwaarde van de vroegere percelen wordt bepaald op basis van de oppervlakte, de ligging, het bestemmingsgebied van kracht in de ruimtelijke ordening, de aanwezige constructies en opstanden, de cultuurwaarde en het bestaan van pacht of van erfdienstbaarheden en de verwervingswaarde, namelijk de objectieve factoren die de waarde van een grond kunnen beļnvloeden.
De gebruikswaarde van de vroegere percelen wordt bepaald conform artikel 2.1.26, tweede lid.

§ 3

De landcommissie bepaalt de toedeling. De landcommissie maakt daarvoor de classificatie volgens ruilwaarde en volgens gebruikswaarde op van het geheel van de onroerende goederen die bij de herverkaveling zijn betrokken. De volgende lijsten en de volgende plannen worden opgemaakt op basis van de kadastrale gegevens en andere beschikbare gegevens:
het herverkavelingsplan met de nieuwe percelen en het openbaar domein die behoren tot het blok;
een lijst van de nieuwe percelen met voor elk perceel de oppervlakte, de eigenaars, de vruchtgebruikers en de gebruikers, en het bestemmingsgebied dat aangewezen is in het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan;
een lijst van de eigenaars en de vruchtgebruikers met per eigenaar en per vruchtgebruiker:
a)
de nieuwe percelen met vermelding van het bestemmingsgebied dat aangewezen is in het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan;
b)
de ruilwaarde van elk nieuw perceel;
c)
de totale ruilwaarde van alle nieuwe percelen van de eigenaar en van de vruchtgebruiker;
een lijst van de gebruikers met per gebruiker:
a)
de nieuwe percelen met vermelding van het bestemmingsgebied dat aangewezen is in het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan;
b)
de gebruikswaarde van elk nieuw perceel;
c)
de totale gebruikswaarde van alle nieuwe percelen van de gebruiker;
een plan met de nieuwe percelen die met voorrechten, hypotheken, bevelen, onroerende beslagen of vorderingen of met erfpacht-, opstal-, gebruiks- of bewoningsrecht zullen worden bezwaard;
een lijst waarop voor iedere eigenaar en iedere vruchtgebruiker de volgende gegevens zijn vermeld: de voorrechten, hypotheken, bevelen, onroerende beslagen of vorderingen, de erfpacht-, opstal-, gebruiks- en bewoningsrechten, met vermelding van de vroegere percelen en van de nieuwe percelen die in de plaats daarvan komen;
het herverkavelingsplan met de erfdienstbaarheden die worden gevestigd en de erfdienstbaarheden die worden afgeschaft. De andere erfdienstbaarheden worden behouden.
De ruilwaarde en de gebruikswaarde van de nieuwe percelen worden bepaald conform artikel 2.1.26. Bij het bepalen van die waarden wordt echter rekening gehouden met het bestemmingsgebied dat aangewezen is in het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan.

§ 4

De landcommissie bepaalt de financiėle regeling conform artikel 2.1.27.

§ 5

De artikelen 2.1.29 tot en met 2.1.37 zijn van toepassing op het grondruilplan.

§ 6

Het grondruilplan wordt tegelijk met het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan onderworpen aan het openbaar onderzoek, [vermeld in artikel 2.2.10, 2.2.15 of 2.2.21] van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009. De landcommissie brengt elke rechthebbende voorafgaand aan het openbaar onderzoek over het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan en grondruilplan per beveiligde zending op de hoogte van zijn toestand, zoals opgenomen in het grondruilplan, en van de mogelijkheid om adviezen, opmerkingen of bezwaren in te dienen tijdens het openbaar onderzoek.
Op basis van de adviezen, opmerkingen en bezwaren ingediend tijdens het openbaar onderzoek over het grondruilplan, kan de landcommissie het grondruilplan wijzigen.
Als ten gevolge van het openbaar onderzoek over het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan het ruimtelijk uitvoeringsplan wordt gewijzigd, past de landcommissie waar nodig het grondruilplan aan.
De landcommissie brengt elke rechthebbende van wie de toestand die opgenomen is in het grondruilplan wijzigt ten gevolge van het openbaar onderzoek over het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan en grondruilplan, per beveiligde zending op de hoogte van die wijziging.

§ 7

De instantie die instaat voor het opmaken van het ruimtelijk uitvoeringsplan bezorgt alle informatie aan de landcommissie die deze nodig heeft voor de uitvoering van haar taken in het kader van de herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil. De landcommissie bezorgt alle informatie aan de instantie die instaat voor de opmaak van het ruimtelijk uitvoeringsplan die deze nodig heeft voor de uitvoering van haar taken in het kader van de herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil.

Art. 2.1.66.
Als het grondruilplan definitief is vastgesteld, gaat de landcommissie zo nodig over tot de afpaling van de nieuwe percelen. Hiernavolgend wordt de instrumenterende ambtenaar belast met de opmaak van de herverkavelingsakte en het verlijden ervan.
De herverkavelingsakte omvat:
de vaststelling van de rechten en plichten die voortvloeien uit de plannen, de lijsten en de overeenkomsten, vermeld in artikel 2.1.65, § 2, § 3 en § 4, en artikel 2.1.36 en 2.1.37;
de door de landcommissie vastgestelde data en voorwaarden van ingenottreding en ingebruikneming van de nieuwe percelen;
de financiėle afrekening die de financiėle compensatie en de gebruikersvergoeding bevat, alsook de tijdstippen voor de vereffening van die vergoedingen.
De plannen, de lijsten en de overeenkomsten, vermeld in het tweede lid, 1°, en de overeenkomsten en rechterlijke beslissingen, vermeld in artikel 2.1.32 en 2.1.35, worden aan de herverkavelingsakte gehecht.
Artikel 2.1.50, 2.1.51 en 2.1.52 zijn van toepassing op de herverkavelingsakte.

Hoofdstuk 4.
Andere instrumenten


Afdeling 1.
Vergoedingen bij lokale grondenbanken


Art. 2.1.67.
Als de wijziging van de eigendoms- of gebruikstoestand vereist is om het doel van een landinrichtingsproject of een project, plan of programma te realiseren, dan kan de Vlaamse Grondenbank een lokale grondenbank inzetten conform artikel 15/2 van het decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen, en kunnen door de Vlaamse Grondenbank vergoedingen worden toegekend:
aan de eigenaar, bovenop de verkoopprijs van het onroerend goed bij verkoop aan de Vlaamse Grondenbank;
aan de houder van een zakelijk of persoonlijk gebruiksrecht, bovenop de conventionele of wettelijke vergoeding voor de beėindiging van het gebruik;
aan de eigenaar van een onroerend goed voor het afsluiten, op verzoek van de Vlaamse Grondenbank, van een pachtovereenkomst op het onroerend goed.

Art. 2.1.68.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de vaststelling van de vergoedingen, vermeld in artikel 2.1.67, de criteria die daarvoor gelden, de werkingsmiddelen, en over de wijze van betaling ervan.

Afdeling 2.
Vrijwillige bedrijfsverplaatsing, bedrijfsstopzetting en bedrijfsreconversie


Art. 2.1.69.
De gebruiker kan een vergoeding aanvragen voor een vrijwillige bedrijfsverplaatsing, een vrijwillige bedrijfsstopzetting of een vrijwillige bedrijfsreconversie als ten minste een van de volgende situaties zich voordoet:
de aanwezigheid van het bedrijf belemmert rechtstreeks de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma;
de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering komt ernstig in het gedrang door de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma.

Art. 2.1.70.
Een vrijwillige bedrijfsverplaatsing betreft het vrijwillig overbrengen van een bedrijf naar een gebied waar het zich duurzaam kan ontwikkelen. Een vrijwillige bedrijfsverplaatsing is van toepassing op een bedrijf.

Art. 2.1.71.
Een vrijwillige bedrijfsstopzetting betreft de vrijwillige en vervroegde volledig stopzetting van alle commerciėle landbouwactiviteiten door de gebruiker van dat landbouwbedrijf. Een vrijwillige bedrijfsreconversie betreft de omschakeling van een commerciėle landbouwactiviteit, waarbij de commerciėle landbouwactiviteit in overeenstemming komt met de doelstellingen van het landinrichtingsproject of met de doelstellingen van het plan, project of programma. Een vrijwillige bedrijfsstopzetting en een vrijwillige bedrijfsreconversie zijn van toepassing op een landbouwbedrijf.

Art. 2.1.72.
De gebruiker van een bedrijf of een landbouwbedrijf dient de aanvraag van een vergoeding in bij de landcommissie.
De landcommissie stelt vast of het bedrijf of het landbouwbedrijf voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.1.69, 2.1.70 en 2.1.71, en aldus in aanmerking komt. De landcommissie houdt daarbij rekening met cumulatieve effecten van landinrichtingsprojecten of van projecten, plannen en programma's.
De landcommissie bepaalt in overleg met de initiatiefnemers van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma, welke onderdelen van het bedrijf die door de aanvrager te koop worden aangeboden, in aanmerking komen voor verwerving.

Art. 2.1.73.

§ 1

De gebruiker ontvangt een vergoeding.
De vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing bestaat uit een vergoeding voor het verlies van het gebruik van onroerende goederen dat gepaard gaat met de vrijwillige bedrijfsverplaatsing en een vergoeding voor de directe en indirecte kosten en investeringen die verbonden zijn aan de bedrijfsverplaatsing.
De vergoeding voor de vrijwillige stopzetting bestaat uit een vergoeding voor het verlies van het gebruik van onroerende goederen dat gepaard gaat met de vrijwillige bedrijfsstopzetting, en een vergoeding voor de directe en indirecte kosten en het inkomensverlies die gepaard gaan met de vrijwillige bedrijfsstopzetting.
De vergoeding voor de reconversie van het landbouwbedrijf bestaat uit een vergoeding voor het eventuele verlies van het gebruik van onroerende goederen dat gepaard gaat met de vrijwillige bedrijfsreconversie en een vergoeding voor de directe en indirecte kosten en de investeringen die gepaard gaan met de vrijwillige bedrijfsreconversie.

§ 2

De gronden en gebouwen die betrokken zijn bij de vrijwillige bedrijfsverplaatsing, de vrijwillige bedrijfsstopzetting of de vrijwillige bedrijfsreconversie komen slechts eenmaal in aanmerking voor een vergoeding.

§ 3

Als de aanwezigheid van het bedrijf de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma belemmert, wordt de vrijwillige bedrijfsverplaatsing, de vrijwillige bedrijfsstopzetting of de vrijwillige bedrijfsreconversie pas uitgevoerd als er een blijvende oplossing wordt verkregen en de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma niet verder, of in de toekomst niet opnieuw kan worden belemmerd door een gebruik van gronden en gebouwen die betrokken zijn bij de vrijwillige bedrijfsverplaatsing, de vrijwillige bedrijfsstopzetting of de vrijwillige bedrijfsreconversie.

Art. 2.1.74.
De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de voorwaarden en de procedure, met inbegrip van een beroepsprocedure, voor de wijze van berekening en bepaling van de verkoopprijs, de vergoeding, de eenmaligheid van de vergoeding, en de werkwijze bij de toekenning van de vergoeding, alsook voor de taak van de landcommissies daarbij.
De instanties en personen, vermeld in artikel 3.3.7 tot en met 3.3.9, kunnen het bedrijf of onderdelen van het bedrijf, vermeld in artikel 2.1.72, derde lid, verwerven.
De landcommissie bepaalt de verkoopprijs en de vergoeding met inachtneming van de nadere regels, vermeld in het eerste lid.

Afdeling 3.
De koopplicht


Art. 2.1.75.
De eigenaar van een onroerend goed kan de verwerving ervan eisen als hij aantoont dat, ten gevolge van de uitvoering van het landinrichtingsplan of het project, plan of programma, de waardevermindering van zijn onroerend goed ernstig is of de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt.
De tot aankoop verplichte entiteit is de instantie, vermeld in artikel 3.3.7 of 3.3.8, die belast is met de uitvoering van het landinrichtingsplan of gedeelten ervan of die belast is met de uitvoering van de inrichtingsnota.
Bij het bepalen van de aankoopprijs wordt geen rekening gehouden met de waardevermindering die voortvloeit uit het landinrichtingsplan of het project, plan of programma.
Het bedrag dat de eigenaar van de tot aankoop verplichte entiteit ontvangt met toepassing van dit artikel, wordt in voorkomend geval verminderd met het bedrag dat de eigenaar heeft ontvangen ten gevolge van planschade voor hetzelfde onroerend goed. Als de eigenaar toepassing maakt van de koopplicht kan hij geen aanspraak meer maken op planschade, patrimoniumverlies, schadevergoeding of andere koopplicht van het Vlaamse Gewest voor hetzelfde onroerend goed.

Art. 2.1.76.
De bepalingen van titel IV, hoofdstuk I, II en VII, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen zijn van toepassing op de koopplicht, vermeld in artikel 2.1.75.

Art. 2.1.77.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en de procedure voor de koopplicht, vermeld in artikel 2.1.75. Ze bepaalt ook de wijze van berekening van het bedrag van de aankoopprijs waarop de eigenaar recht heeft.

Hoofdstuk 5.
Diverse bepalingen


Art. 2.1.78.
De vergoedingen, vermeld in deel 2, zijn onderling niet cumuleerbaar, tenzij het anders vermeld is. De vergoedingen, vermeld in deel 2, zijn ook niet cumuleerbaar, tenzij het anders vermeld is, met vergoedingen, planschade, kapitaalschade, gebruikerscompensatie op grond van een andere wetgeving, als ze betrekking hebben op dezelfde kosten, gebruiks-, inkomsten- of waardeverlies, prestatie of investering.

Art. 2.1.79.
Als ten gevolge van de uitvoering van een instrument als vermeld in deel 2, een eigenaar of gebruiker een vordering tot toewijzing van een uitweg moet instellen met toepassing van artikel 682 van het Burgerlijk Wetboek, neemt de administratieve overheid die met toepassing van artikel 3.3.7. tot en met 3.3.9. belast is met de uitvoering van dat instrument in voorkomend geval de kosten voor haar rekening.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de kosten die vergoed worden.

Titel 2.
De landcommissies


Art. 2.2.1.
Per provincie wordt een landcommissie opgericht.
De landcommissies vervullen de opdrachten die door dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan aan hen zijn opgedragen in het kader van de volgende instrumenten, vermeld in deel 2:
de herverkaveling uit kracht van wet;
de herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil;
de vergoeding voor waardeverlies van gronden;
de vrijwillige bedrijfsverplaatsing, bedrijfsstopzetting, bedrijfsreconversie;
[...]
Binnen de grenzen van hun bevoegdheid vervullen de landcommissies hun taken volledig onafhankelijk en kunnen ze van geen enkele instantie instructies of bevelen ontvangen.

Art. 2.2.2.

§ 1

Een landcommissie is samengesteld uit de volgende leden:
de voorzitter, voorgedragen door de Vlaamse minister, bevoegd voor de landinrichting en het natuurbehoud;
de secretaris, voorgedragen door het agentschap;
een lid, voorgedragen door de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening;
een lid, voorgedragen door de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiėn en de begroting;
een lid, voorgedragen door de Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid en de zeevisserij;
een lid, voorgedragen door de Vlaamse minister, bevoegd voor de openbare werken;
de leden die met toepassing van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het gronden pandenbeleid benoemd zijn als deskundige op voordracht van de gewestelijke administratie die belast is met de uitvoering van het beleid over landbouw en visserij, en de gewestelijke administratie die belast is met de uitvoering van het beleid over natuurbehoud en de vrijwaring van het natuurlijk milieu en van het milieubeleid van de kapitaalschadecommissie voor de provincie in kwestie.
Voor de leden, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 6°, worden op dezelfde wijze plaatsvervangende leden aangewezen.
Voor de leden, vermeld in het eerste lid, 7°, zijn de plaatsvervangende leden die met toepassing van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid benoemd zijn als plaatsvervangend lid van de kapitaalschadecommissie voor de provincie in kwestie ook plaatsvervangend lid in de landcommissie in kwestie.
De leden en de plaatsvervangende leden, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 6°, zijn personeelslid bij de Vlaamse administratie. [De voorzitter vermeld in het eerste lid, 1°, is een personeelslid of, mits bijzondere motivering, een gewezen personeelslid bij de Vlaamse administratie.]
De voorzitter van de vijf landcommissies is altijd dezelfde persoon. De plaatsvervangende voorzitter van de vijf landcommissies is altijd dezelfde persoon.

§ 2

De Vlaamse Regering benoemt de leden en de plaatsvervangende leden van de landcommissies, met uitzondering van de leden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 7°, en vermeld in paragraaf 1, derde lid.

§ 3

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de werking, de organisatie en de taken van de landcommissies.

Art. 2.2.3.

§ 1

Elke landcommissie heeft rechtspersoonlijkheid. De landcommissie vestigt haar zetel bij het agentschap.
De secretaris en de plaatsvervangende secretaris van de landcommissie hebben geen stemrecht. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter beslissend.
De landcommissie kan alleen geldig beslissen als de meerderheid van de stemgerechtigde leden aanwezig is. Bij afwezigheid van de meerderheid van de stemgerechtigde leden wordt de landcommissie opnieuw samengeroepen om bij meerderheid van de aanwezige stemgerechtigde leden te beslissen over dezelfde agendapunten.
De voorzitter en de secretaris van de landcommissie in kwestie voeren de beslissingen van de landcommissie uit en ze treden voor haar op in alle openbare en onderhandse akten, alsook in de rechtsvorderingen, zonder tegenover derden te moeten doen blijken van een beslissing van de landcommissie. De dagvaardingen en kennisgevingen aan de landcommissie worden geldig gedaan aan de voorzitter of aan de secretaris van de landcommissie in kwestie.

§ 2

Als een instrument als vermeld in artikel 2.2.1, tweede lid, wordt toegepast, kan een vertegenwoordiger van de initiatiefnemer van een project, plan of programma of van de instantie die met toepassing van artikel 3.3.7 tot en met 3.3.9 belast is met de uitvoering van het landinrichtingsplan of gedeelten ervan, aanwezig zijn tijdens de vergaderingen van de landcommissie en advies verlenen aan de landcommissie.

§ 3

De Vlaamse Regering stelt het huishoudelijk reglement van de landcommissies vast.

Art. 2.2.4.
Het agentschap voert het secretariaat van de landcommissies. Het agentschap is verantwoordelijk voor de verwerking van alle informatie, met inbegrip van persoonsgegevens als vermeld in artikel 2.2.5. Het agentschap is rekenplichtig voor de uitgaven en ontvangsten waartoe de landcommissie heeft besloten.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de werking en de taken van het secretariaat van de landcommissies.

Art. 2.2.5.
Elke administratieve overheid stelt op eenvoudig verzoek of uit eigen beweging alle informatie, met inbegrip van persoonsgegevens, ter beschikking die nodig zijn voor de uitvoering van de opdrachten opgedragen aan de landcommissies. Die informatie wordt opgevraagd door en ter beschikking gesteld aan de landcommissie in kwestie.
Elke eigenaar van onroerende goederen stelt op eenvoudig verzoek informatie over de gebruikers en de houders van zakelijke rechten in kwestie, ter beschikking die nodig is voor de uitvoering van de opdrachten opgedragen aan de landcommissies. Die informatie wordt opgevraagd door en ter beschikking gesteld aan de landcommissie in kwestie.