Afdeling 3.
Vergoeding voor waardeverlies van gronden


Art. 2.1.4.

§ 1

Om het doel van een landinrichtingsproject of een project, plan of programma te realiseren, kent de landcommissie in de volgende gevallen een vergoeding voor waardeverlies van gronden toe:
als de uitvoering van een inrichtingswerk uit kracht van wet als vermeld in artikel 2.1.1, tweede lid, een daling veroorzaakt van de venale waarde of de gebruikswaarde van de onroerende goederen;
als de vestiging van een erfdienstbaarheid tot openbaar nut als vermeld in artikel 2.1.3 een daling veroorzaakt van de venale waarde of de gebruikswaarde van de onroerende goederen.

§ 2

De vergoeding voor waardeverlies van gronden is verschuldigd aan de eigenaar, vruchtgebruiker of gebruiker van de betrokken grond. De vergoeding voor waardeverlies van gronden die toekomt aan de eigenaar of vruchtgebruiker wordt bepaald op basis van de daling van de venale waarde van het onroerend goed. De vergoeding voor waardeverlies van gronden die toekomt aan de gebruiker wordt bepaald op basis van de reėle daling van de gebruikswaarde van het onroerend goed.

§ 3

In het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt bepaald welke instantie of persoon de vergoeding voor waardeverlies van gronden verschuldigd is.
Als de landcommissie een vergoeding vaststelt voor een waterpeilaanpassing, vraagt de landcommissie het advies van de betrokken waterbeheerder van de geklasseerde waterloop. Als de landcommissie binnen een maand na de verzending van het verzoek om advies geen antwoord heeft ontvangen van de betrokken waterbeheerder, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
Als de vergoeding voor waardeverlies van gronden bepaalde milieu- of natuurdoelstellingen beoogt, kan alleen vergoed worden als een hogere kwaliteit voor milieu en natuur wordt bereikt dan de basiskwaliteit voor milieu en natuur.

Art. 2.1.5.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de wijze waarop het waardeverlies wordt bepaald en voor de wijze van betaling van de vergoeding.