Bijlage I.

De categorieŽn van projecten die overeenkomstig artikel 4.3.2, ß 1 van het decreet aan de project-m.e.r. worden onderworpen en waarvoor een project-MER moet worden opgesteld.

1.

Raffinaderijen van ruwe aardolie (met uitzondering van de bedrijven die uitsluitend smeermiddelen uit ruwe olie vervaardigen), alsmede installaties voor de vergassing en vloeibaarmaking van ten minste 500 ton steenkool of bitumineuze schisten per dag.

2.

a) Thermische centrales en andere verbrandingsinstallaties met een warmtevermogen van ten minste 300 megawatt.
b) Kerncentrales en andere kernreactoren, met inbegrip van de ontmanteling of buitengebruikstelling van dergelijke centrales of reactoren (1) (met uitzondering van onderzoeksinstallaties voor de productie en verwerking van splijt-en kweekstoffen, met een constant vermogen van ten hoogste 1 thermische kW)

3.

a) Installaties voor de opwerking van bestraalde splijtstoffen.
b) Installaties die ontworpen zijn :
- voor de productie of de verrijking van splijtstoffen,
- voor de behandeling van bestraalde splijtstoffen of hoog radioactief afval,
- voor de definitieve verwijdering van bestraalde splijtstoffen,
- uitsluitend voor de definitieve verwijdering van radioactief afval,
- uitsluitend voor de (voor meer dan tien jaar geplande) opslag van bestraalde splijtstoffen of radioactief afval op een andere plaats dan het productieterrein.

4.

a) GeÔntegreerde hoogovenbedrijven voor de productie van ruwijzer en staal.
b) Installaties voor de winning van ruwe non-ferrometalen uit erts, concentraat of secundaire grondstoffen met metallurgische, chemische of elektrolytische procťdťs.

5.

Installaties voor de winning van asbest, alsmede voor de behandeling en de verwerking van asbest en asbesthoudende producten : voor producten van asbestcement, met een jaarproductie van meer dan 20.000 ton eindproducten, voor remvoeringen, met een jaarproductie van meer dan 50 ton eindproducten, alsmede -voor andere toepassingsmogelijkheden van asbest - met een gebruik van meer dan 200 ton per jaar.

6.

GeÔntegreerde chemische installaties, dat wil zeggen installaties voor de fabricage op industriŽle schaal van stoffen door chemische omzetting, waarin verscheidene eenheden naast elkaar bestaan en functioneel met elkaar verbonden zijn, bestemd voor de fabricage van :

- organische basischemicaliŽn;
- anorganische basischemicaliŽn;
- fosfaat-, stikstof-of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde meststoffen);
- basisproducten voor gewasbescherming en van biociden;
- farmaceutische basisproducten met een chemisch of biologisch procťdť;†
- explosieven.

7.

Aanleg van spoorlijnen voor spoorverkeer over een lengte van 10 km of meer.

8.

Aanleg van vliegvelden (2) met een start -en landingsbaan van ten minste 2.100 meter.

9.

Aanleg van autosnelwegen en autowegen (3), met inbegrip van de hoofdwegen.

10.

Aanleg van nieuwe wegen met vier of meer rijstroken, of verlegging en/of verbreding van bestaande wegen van twee rijstroken of minder tot wegen met vier of meer rijstroken, indien de nieuwe weg, of het verlegde en/of verbrede weggedeelte een ononderbroken lengte van 10 km of meer heeft.

11.

Aanleg van waterwegen en havens voor de binnenscheepvaart voor schepen van meer dan 1.350 ton.

12.

Zeehandelshavens, met het land verbonden en buiten havens gelegen pieren voor lossen en laden (met uitzondering van pieren voor veerboten) die schepen van meer dan 1.350 ton kunnen ontvangen.

13.

Afvalverwijderingsinstallaties voor de verbranding, zoals gedefinieerd in punt D10 van artikel 4.2.1 VLAREMA, de chemische behandeling, zoals gedefinieerd in punt D9 van†artikel 4.2.1 VLAREMA of het storten van gevaarlijke afvalstoffen.

14.

Afvalverwijderingsinstallaties voor de verbranding, zoals gedefinieerd in punt D10 van artikel 4.2.1 VLAREMA, of chemische behandeling, zoals gedefinieerd in punt D9 van artikel artikel 4.2.1 VLAREMA, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 100 ton per dag.

15.

Werkzaamheden voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater wanneer†het jaarlijkse volume onttrokken of aangevuld water 10 miljoen m3 of meer bedraagt

16.

a) Projecten voor de overbrenging van water tussen stroomgebieden wanneer deze overbrenging ten doel heeft eventuele waterschaarste te voorkomen en de hoeveelheid overgebracht water meer bedraagt dan 100 miljoen m3 per jaar.
b) In alle andere gevallen, projecten voor de overbrenging van water tussen stroomgebieden wanneer het meerjarig gemiddelde jaardebiet van het bekken waaraan het water wordt onttrokken meer bedraagt dan 2.000 miljoen m3 en de hoeveelheid overgebracht water 5 % van dit debiet overschrijdt. In beide gevallen is overbrenging van via leidingen aangevoerd drinkwater uitgesloten.

17.

Rioolwaterzuiveringsinstallaties met een capaciteit van meer dan 150.000 Inwonerequivalenten zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 6, van Richtlijn 91/271/EEG (4).

18.

CommerciŽle winning van aardolie en aardgas wanneer de gewonnen hoeveelheid†meer†dan 500 ton aardolie per dag of meer dan 500.000 m3 aardgas per dag bedraagt.

19.

Stuwdammen en andere installaties voor het stuwen of permanent opslaan van water, met inbegrip van waterspaarbekkens voor drinkwatervoorziening, wanneer een nieuwe of extra hoeveelheid water van meer dan 10 miljoen m3 wordt gestuwd of opgeslagen, en voor de aanleg van een waterbekken wanneer de oppervlakte 50 ha of meer bedraagt.

20.

Pijpleidingen met een diameter van meer dan 800 mm en een lengte van meer dan 40 km :

a) voor het vervoer van gas, olie of chemicaliŽn;†
b) voor het vervoer van koolstofdioxidestromen voor geologische opslag, inclusief de desbetreffende pompstations.

21.

Installaties voor intensieve pluimvee-of varkenshouderij met meer dan :

a) 85.000 plaatsen voor mesthoenders (ander gevogelte dan leg kippen); of
b) 60 000 plaatsen voor hennen (legkippen); of†
c) 3.000 plaatsen voor mestvarkens (van meer dan 20 kg); of†
d) 900 plaatsen voor zeugen.†

22.

IndustriŽle installaties voor :

a) de fabricage van papierpulp uit hout of uit andere vezelstoffen; of†
b) de fabricage van papier en karton met een productiecapaciteit van meer dan 200 ton per dag

23.

Steengroeven en dagbouwmijnen, met inbegrip van ontginningen van oppervlaktedelfstoffen of grind, met een terreinoppervlakte van meer dan 10 hectare, of turfwinning met een terreinoppervlakte van meer dan 150 hectare.

24.

Aanleg van bovengrondse hoogspanningsleidingen van 150 kV of meer en langer dan 15 km.

25.

Installaties voor de opslag van aardolie, petrochemische of chemische producten met een capaciteit van 200.000 ton of meer.

26.

Opslaglocaties overeenkomstig het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond.

27. Installaties voor het afvangen van koolstofdioxidestromen met het oog op de geologische opslag overeenkomstig het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond, afkomstig van onder deze bijlage vallende installaties, of als de totale jaarlijkse afvang van koolstofdioxide 1,5 megaton of meer bedraagt.†
28.
a) Wijziging of uitbreiding van de in bijlage I, II of III opgenomen projecten, wanneer die wijziging of uitbreiding op zich voldoet aan de in bijlage I genoemde drempelwaarden, voor zover deze bestaan.
b) Wijziging of uitbreiding van de in bijlage I, II of III opgenomen projecten, waarvoor reeds een vergunning is afgegeven, die zijn of worden uitgevoerd, wanneer die wijziging of uitbreiding aanleiding geeft tot een overschrijding van de in bijlage I genoemde drempelwaarden (niet in rubriek 28, a) opgenomen wijziging of uitbreiding). Van deze overschrijding van de drempelwaarde is sprake ofwel als de drempelwaarde van bijlage I voor het eerst wordt overschreden door het samenvoegen van de reeds vergunde en de nog te vergunnen activiteiten (= project) ofwel als de verschillende uitbreidingen samen, sinds de laatst verleende ontheffing of goedgekeurd MER (voor zover deze bestaan), groter zijn dan de drempelwaarde van bijlage I.