Art. 3.

§ 1.

Voor de toepassing van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten gelden de hierna opgenomen definities. Deze zijn thematisch gerangschikt.

 

§ 2.

De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema “wetgeving en de waterkwaliteit”. Het betreft de volgende definities:

eutrofiëring: een verrijking van het water door stikstof- of fosforverbindingen, die leidt tot een versnelde groei van algen en hogere plantaardige levensvormen met als gevolg een ongewenste verstoring van het evenwicht tussen de verschillende in het water aanwezige organismen en een verslechtering van de waterkwaliteit;
grondwater: al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met bodem of ondergrond staat;
kaderrichtlijn Water: de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 (2000/60/EG) tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid;
kwetsbare zone water: een overeenkomstig artikel 3, lid 2, van de Nitraatrichtlijn aangewezen stuk land;
Nitraatrichtlijn: de richtlijn van de Raad van 12 december 1991 (91/676/EEG) inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen;
verordening nr. 1013/2006: de verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen;
verordening nr. 1069/2009: de verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten);
VHA-zone: sub-hydrografische eenheid, die de captatiezone van een waterloop of deel van een waterloop voorstelt. De ligging van de grenzen van de VHA-zones is onder andere gebaseerd op de afwatering via oppervlaktewater, reliëf en op vergelijkbare oppervlaktes van deze zones en is opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas (VHA);
waterverontreiniging: het direct of indirect lozen van stikstof- of fosforverbindingen uit agrarische bronnen in het aquatisch milieu ten gevolge waarvan de gezondheid van de mens in gevaar kan worden gebracht, het leven en de aquatische ecosystemen kunnen worden geschaad, de mogelijkheden tot recreatie kunnen worden aangetast of een ander rechtmatig gebruik van het water kan worden gehinderd;
10° zoet water: van nature voorkomend water met een laag gehalte aan zouten, dat in veel gevallen aanvaard wordt als zijnde geschikt voor onttrekking en behandeling voor de bereiding van drinkwater.

 

§ 3.

De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema “landbouwbedrijf”. Het betreft de volgende definities:

bedrijf: bedrijf als vermeld in artikel 2, 13°, van het decreet van 22 december 2006 tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;
exploitant: exploitant als vermeld in artikel 2, 8°, van het decreet van 22 december 2006 tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;
exploitatie: exploitatie als vermeld in artikel 2, 9°, van het decreet van 22 december 2006 tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;
groeimedium: materiaal in vaste of vloeibare vorm niet zijnde landbouwgrond dat wordt gebruikt of bestemd is om te worden gebruikt als voedingsbodem voor planten;
landbouwer: landbouwer als vermeld in artikel 2, 7°, van het decreet van 22 december 2006 tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;
landbouwgrond: landbouwgrond als vermeld in artikel 2, 12°, van het decreet van 22 december 2006 tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;
tot het bedrijf behorende landbouwgronden: de landbouwgronden die op 1 januari tot de exploitaties die deel uitmaken van het bedrijf behoren. De Vlaamse Regering kan, in afwijking hiervan, een ander criterium vaststellen voor het bepalen van de tot het bedrijf behorende landbouwgronden;
verzamelaanvraag: de verzamelaanvraag als vermeld in artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 houdende bepalingen tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het mestbeleid en het landbouwbeleid.

 

§ 4.

De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema “het opslaan, verwerken, bewerken en verhandelen van mest”. Het betreft de volgende definities:

bewerken: het behandelen van dierlijke mest of andere meststoffen, waarna de nutriënten vervat in de dierlijke mest of andere meststoffen op Vlaamse landbouwgrond worden opgebracht;
bewerkingseenheid: een inrichting waar dierlijke mest of andere meststoffen bewerkt wordt;
erkende mestvoerder: een door de Mestbank erkende mestvoerder als vermeld in artikel 48, § 1;
erkend verzender: een door de Mestbank erkende aanbieder van meststoffen als vermeld in artikel 60;
exporteren: dierlijke mest of andere meststoffen vervoeren naar een bestemming buiten het Vlaamse Gewest;
mestverzamelpunt: permanente opslagplaats van dierlijke mest of andere meststoffen afkomstig van verschillende landbouwers of uitbatingen en bestemd voor verschillende landbouwers of uitbatingen;
mestvoerder: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die dierlijke mest of andere meststoffen vervoert;
producent van andere meststoffen: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die andere meststoffen produceert;
verhandelen: het afleveren van meststoffen aan een mestvoerder, aan een uitbater van een mestverzamelpunt, aan een uitbater van een bewerkings- of verwerkingseenheid of aan een landbouwer, alsmede het met het oog daarop aanbieden of vervoeren ervan;
10° verwerken:
  a) het exporteren van pluimveemest of paardenmest;
  b) het exporteren van andere dierlijke mest dan pluimveemest of paardenmest, op basis van een expliciete en voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit van het land of de regio van bestemming;
  c) het behandelen van dierlijke mest of andere meststoffen, waarna de stikstof en de fosfor, die aanwezig is in de dierlijke mest of in de andere meststoffen, een van de volgende behandelingen ondergaat:
    1) de stikstof wordt niet opgebracht op landbouwgrond in het Vlaamse Gewest, behalve in tuinen, parken en plantsoenen;
    2) de stikstof wordt behandeld tot stikstofgas;
    3) de stikstof wordt behandeld tot kunstmest;
11° verwerkingseenheid: een inrichting waar dierlijke mest of andere meststoffen verwerkt wordt.

 

§ 5.

De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema “de meststoffen en de wijze van toediening van meststoffen”. Het betreft de volgende definities:

andere meststoffen: alle meststoffen die noch kunstmest, noch dierlijke mest zijn. Deze meststoffen omvatten onder meer spuistroom en zuiveringsslib;
arm aan ammoniakale stikstof: een gehalte aan ammoniakale stikstof dat lager is dan 20 % van het totale stikstofgehalte van de meststof;
boerderijcompost: product ontstaan uit een composteringsproces dat op het bedrijf plaatsvindt waarbij bedrijfseigen organische restproducten al dan niet vermengd met stalmest gecomposteerd worden. De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden bepalen waaraan een meststof moet voldoen om als boerderijcompost beschouwd te worden;
champost: afgeoogste champignoncompost die overblijft na het telen van champignons;
dierlijke mest: excrementen van vee of een mengsel van strooisel en excrementen van vee, alsook producten daarvan, met inbegrip van champost en van afval van visteeltbedrijven;
drainwater: overtollig voedingswater afkomstig van de teelt van planten op groeimediums;
drassig land: een plaats waar de grond op het ogenblik van de bemesting op minder dan twintig centimeter onder het maaiveld met water verzadigd is;
effluenten: de meststoffen die ontstaan zijn uit de biologische behandeling door middel van nitrificatie en denitrificatie van dierlijke mest of andere meststoffen, met uitzondering van het ontstane slib van de biologische verwerking
gecertificeerde gft- en groencompost: gft- of groencompost die beschikt over een VLACO-keuringsattest of waarvan aangetoond wordt dat de kwaliteit gelijkwaardig is aan de kwaliteit van gft- of groencompost die beschikt over een VLACO-keuringsattest. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen aangaande de wijze waarop aangetoond kan worden dat de kwaliteit van gft- of groencompost gelijkwaardig is aan de kwaliteit van gft- of groencompost die beschikt over een VLACO-keuringsattest;
10° inwerken van mest: de werkzaamheid waarbij mest na het uitspreiden ervan ofwel door grond wordt bedekt ofwel intensief met de grond wordt vermengd zodat de mest niet langer als zodanig op de grondoppervlakte ligt;
11° kunstmest: elke met een industrieel proces vervaardigde meststof, met inbegrip van het (NH4)2 SO4 uit spuiwater;
12° meststof: elke één of meer stikstof- of fosforverbindingen bevattende stof die op het land wordt gebruikt ter bevordering van de gewasgroei, met inbegrip van dierlijke mest, afval van visteeltbedrijven en zuiveringsslib;
13° meststoffen type 1: stalmest, champost of traagwerkende meststof;
14° meststoffen type 2: alle meststoffen andere dan meststoffen type 1 of meststoffen type 3;
15° meststoffen type 3: alle mestsoorten, vermeld in tabel 1, in 27°, met 100 % werkzame stikstof;
16° op of in de bodem brengen: het toevoegen van meststoffen aan het land door verspreiding op het bodemoppervlak, injectie in de bodem, onderwerken of vermenging met de oppervlaktelagen;
   
17° spuistroom
17° spuistroom : drainwater dat niet hergebruikt wordt als voedingswater;
18° spuiwater: vloeistof die niet hergebruikt wordt als waswater in een luchtwassysteem dat lucht reinigt van de aanwezige ammoniak (NH3) die ontstaat in een stal, of bij verwerking of bewerking van dierlijke mest;
19° stalmest: mengsel van stro en uitwerpselen van runderen, paarden, schapen, geiten of varkens, met een drogestofgehalte van het mengsel van minimum 20 %, en waarbij het mengsel als vaste mest is ontstaan door het huisvesten van deze dieren in ingestrooide stallen of door het bewerken van dierlijke mest met stro. Mengsels met uitwerpselen van pluimvee worden niet beschouwd als stalmest, ongeacht het drogestofgehalte of de ontstaanswijze;
20° steile helling: landbouwgronden met een hellingsgraad van meer dan 8 %;
21° stikstofverbinding: elke stikstof bevattende stof, uitgezonderd gasvormige moleculaire stikstof;
22° traagwerkende meststoffen: gecertificeerde gft- en groencompost of bewerkte dierlijke mest en andere meststoffen die stikstof in dusdanige vorm bevatten dat slechts een beperkt gedeelte van de totale stikstof vrijkomt in het jaar van opbrenging. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast om te bepalen welke meststoffen als traagwerkende meststof beschouwd worden en aangaande de wijze waarop aangetoond wordt dat een meststof een traagwerkende meststof is;
23° vaste andere meststoffen: gecertificeerde gft- en groencompost en andere meststoffen met een drogestofgehalte van minimum 20 %;
24° vaste dierlijke mest: champost, stalmest, vaste fractie na het scheiden van dierlijke mest of dierlijke mest met een drogestofgehalte van minimum 20 %;
25° vloeibare andere meststoffen: andere meststoffen die geen vaste andere meststoffen zijn;
26° vloeibare dierlijke mest: dierlijke mest die geen vaste dierlijke mest is en geen dierlijke mest is die is opgebracht door bemesting door begrazing van vee;
27° werkzame stikstof: stikstof onder de vorm van nitraatstikstof of ammoniumstikstof of snel vrijkomende organische stikstof. Voor het bepalen hoeveel nutriënten, uitgedrukt in kg werkzame N, een meststof bevat, moet de totale inhoud aan stikstof van de meststof in kwestie vermenigvuldigd worden met het overeenkomstige percentage werkzame stikstof ten opzichte van de totale inhoud aan stikstof. Het overeenkomstige percentage werkzame stikstof ten opzichte van de totale inhoud aan stikstof is vermeld in tabel 1, met dien verstande dat voor traagwerkende meststoffen andere dan gecertificeerde gft- en groencompost, het percentage werkzame stikstof ten opzichte van de totale inhoud aan stikstof, 30 % is.


Tabel 1. Percentages werkzame stikstof volgens mestsoort

 

Mestsoort Percentage werkzame stikstof
ten opzichte van de totale inhoud
aan stikstof
Kunstmest, spuistroom en effluenten 100 %
Vloeibare dierlijke mest en andere meststoffen uitgezonderd:
1° spuistroom;
2° effluenten.
60 %
Vaste dierlijke mest en boerderijcompost 30 %
Bemesting door begrazing van vee 20 %
Gecertificeerde gft- en groencompost 15 %

 

§ 6.

De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema “de verschillende soorten teelten en bemesting”. Het betreft de volgende definities:

akkers: landbouwgronden, die geen grasland zijn en gebruikt worden voor land- of tuinbouwteelten in ruime zin zoals akkerbouw, fruitteelt, groententeelt, sierteelt of graszodenteelt;
blijvende teelt: een blijvende teelt als vermeld in artikel 4, eerste lid, g), van verordening nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad;
braak: spontane bedekking of niet ingezaaide akkers;
3°/1 fosfaatbindend vermogen: de capaciteit van een bodem om oxalaat extraheerbaar fosfaat te fixeren, uitgedrukt in mmol P per kg luchtdroge grond;
fosfaatverzadigingsgraad: de hoeveelheid oxalaat extraheerbaar fosfaat in een bodem, uitgedrukt als percentueel aandeel van het fosfaatbindend vermogen;
graslanden Hp*, Hpr*, Hpr+Da, Hr: de volgende gras- en weilanden:
  a) Hp*: soortenrijk permanent cultuurgrasland;
  b) Hpr*: soortenrijk weiland met veel sloten en/of microreliëf;
  c) Hpr+Da: zilte graslanden met in de depressies vegetaties gebonden aan zilte invloed;
  d) Hr: geruderaliseerd, verlaten mesofiel grasland;
graslanden Hpr* met elementen van Mr, Mc, Hu, Hc: soortenrijk weiland met veel sloten en/of microreliëf met elementen van moerassige vegetaties of halfnatuurlijke graslanden;
groenten van groep I: bloemkool, groene selder, witte kool, boerenkool, spitskool, prei, broccoli, romanescokool, rodekool, savooikool, artisjok, Chinese kool, rabarber, bladselder of andere kolen met uitzondering van voederkool en spruitkool. De Vlaamse Regering kan deze lijst wijzigen;
groenten van groep II: spinazie, courgettes, sla, knolselder, peterselie, bieslook, basilicum, augurken, pompoenen, knolvenkel, koolrabi, paksoi, of andere groenten die niet vallen onder een teeltgroep, andere dan groenten van groep II, vermeld in de tabel in artikel 13, § 2, eerste lid. De Vlaamse Regering kan deze lijst wijzigen;
10° groenten van groep III: wortelen, rapen, koolraap, rode biet, pastinaak, rammenas met uitzondering van bladrammenas, radijs, mierikswortel, schorseneren, wortelpeterselie, asperges, erwten, bonen, dille, kervel, tijm, of andere kruiden met uitzondering van peterselie, bieslook en basilicum. De Vlaamse Regering kan deze lijst wijzigen;
11° halfnatuurlijke graslanden: de volgende graslanden:
  a) Ha: struisgrasvegetatie op zure bodem of graslanden van droge, zeer voedselarme zure gronden;
  b) Hc: vochtig, niet tot weinig bemest grasland, genoemd ″dotterbloemhooilanden″;
  c) Hd: kalkrijk duingrasland;
  d) Hf: natte ruigte met moerasspirea;
  e) Hj: vochtige tot natte graslanden met hoge abundantie van Juncus spec;
  f) Hk: kalkgrasland of grasland van droge, mineralenrijke maar stikstof- en fosforarme gronden;
  g) Hm: onbemest, vochtig pijpestrootjesgrasland, genoemd “blauwgraslanden″, vochtige tot venige graslanden 
van zeer voedselarme zandgronden;
  h) Hn: zure borstelgrasvegetatie of heischrale graslanden; 
  i) Hu: mesofiel hooiland;
  j) Hv: zinkgrasland;
12° hoofdteelt: de teelt die op 31 mei van een jaar op het perceel aanwezig is of in afwezigheid van een teelt op deze datum, de eerstvolgende teelt die op het perceel wordt ingezaaid;
13° huiskavel: kadastraal perceel of kadastrale percelen gelegen in de gebieden, bedoeld in artikel 41bis in zoverre tot het bedrijf behorend of die ofwel behoren bij de vergunde woning ofwel behoren bij de stal of stallen van het bedrijf en met de vergunde woning, stal of stallen een ononderbroken ruimtelijk geheel vormen. De begrenzing van de huiskavel vindt plaats op basis van een duidelijk herkenbaar specifiek gebruik of op basis van een in het landschap duidelijk herkenbaar element;
14° intensief grasland: grasland dat niet valt onder de definities, bedoeld in 5°, 6°, 7°, 11° en 19°;
15° maïs voorafgegaan door een snede gras of door een snede snijrogge: een teeltcombinatie waarbij op hetzelfde perceel in hetzelfde jaar een hoofdteelt maïs voorafgegaan wordt door een voorteelt grasland dat enkel gemaaid wordt of een voorteelt snijrogge. De voorteelt grasland dat enkel gemaaid wordt mag niet vóór 1 april gemaaid worden. De voorteelt snijrogge, mag niet vóór 15 maart geoogst worden. Het gemaaide gras of de geoogste snijrogge moet vervolgens van het perceel verwijderd worden;
16° nateelt: de teelt die na de hoofdteelt op hetzelfde perceel en in hetzelfde jaar verbouwd wordt;
17° nitraatresidudrempelwaarde: de nitraatresidudrempelwaarde als vermeld in artikel 14, § 1, tweede lid;
18° plantbeschikbare fosfaat: de hoeveelheid fosfaat extraheerbaar met een gebufferde oplossing van ammoniumlactaatazijnzuur, uitgedrukt in mg P per 100 g luchtdroge grond;
19° potentieel belangrijke graslanden: de volgende graslanden:
  a) Hp+K: cultuurgrasland met waardevolle kleine landschapselementen in de grasland-, moeras- of waterrijke sfeer, b.v. Hp+Mr, Hp+Kn, Hp+Hc, Hp+K(Ae), Hp+K(Hc), Hp+K(Mr);
  b) Hp+ fauna: overdruk;
  c) Hp-graslanden op lemige en kleiige, relatief vochtige bodems in valleien met een hoge ecologische prioriteit (Hpriv); 
  d) Hpr: weilandcomplex met veel sloten en/of microreliëf;
20° specifieke teelt: fruit, sierteelt of boomkweek, aardbeien, groenten van groep I, groenten van groep II, groenten van groep III, spruitkool of graszoden. De Vlaamse Regering kan deze lijst wijzigen;
21° teelt met lage stikstofbehoefte: cichorei, sjalotten, ui, vlas, witloof of fruit met uitzondering van aardbeien. De Vlaamse Regering kan deze lijst aanvullen;
22° vanggewas: een groenbedekker uit de teeltenlijst, zoals van toepassing in het gemeenschappelijk landbouwbeleid, die niet-vlinderbloemig is, een mengsel van dergelijke groenbedekkers of een mengsel van gras en klaver. De Vlaamse Regering kan deze teeltenlijst wijzigen en nadere regels bepalen;
23° voorteelt: de teelt die vóór de hoofdteelt op hetzelfde perceel en in hetzelfde jaar verbouwd wordt.

 

§ 7.

De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema “de bodemeigenschappen”. Het betreft de volgende definities:

landbouwstreek: landbouwstreek als vermeld in het koninklijk besluit van 24 februari 1951 houdende grensbepaling van de landbouwstreken van het Rijk;
textuurklasse P: textuurklasse Licht Zandleem als vermeld in de Belgische textuurdriehoek;
textuurklasse S: textuurklasse Lemig Zand als vermeld in de Belgische textuurdriehoek;
textuurklasse Z: textuurklasse Zand als vermeld in de Belgische textuurdriehoek;
zandgronden: de landbouwgronden die gelegen zijn in de landbouwstreek Vlaamse Zandstreek of de landbouwstreek Kempen, met uitzondering van de landbouwgronden die zowel gelegen zijn in de provincie Vlaams-Brabant als in de landbouwstreek Vlaamse Zandstreek. In afwijking hiervan wordt een perceel landbouwgrond niet aanzien als een zandgrond, als de landbouwer door een textuuranalyse van het betreffende perceel aantoont dat de textuurklasse van dat perceel niet textuurklasse P, S of Z is. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels aangaande de wijze waarop landbouwers kunnen aantonen dat percelen geen zandgronden zijn;
zure zandgrond: een bodem met een textuurklasse P, S of Z en een pH-KCl van maximum 6;
zware kleigronden: al de landbouwgronden die gelegen zijn in de landbouwstreek Polders en de landbouwgronden gelegen in een door de Vlaamse Regering afgebakend gebied, waarvan de landbouwer aantoont dat deze vergelijkbare bodemkarakteristieken hebben. De Vlaamse Regering stelt nadere regels aangaande wat onder vergelijkbare bodemkarakteristieken wordt verstaan en aangaande de wijze waarop landbouwers uit het afgebakende gebied kunnen aantonen dat landbouwgronden vergelijkbare bodemkarakteristieken hebben.

 

§ 8.

De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan het thema “de dierlijke productie”. Het betreft de volgende definities:

diercategorie: een onderverdeling van een diersoort als vermeld in de tabel in artikel 27;
diersoort: verzameling van dieren als vermeld in de tabel in artikel 27. Hierbij worden de volgende diersoorten onderscheiden:
  a) rundvee;                                                                                                                
  b) varkens;
  c) pluimvee;
  d) paarden;
  e) andere;
gemiddelde veebezetting: het gemiddeld aantal dieren dat op jaarbasis aanwezig is;
GVE: grootvee-eenheid: een landbouwkundige omrekeningsfactor voor dieren. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, en stelt voor elke diercategorie de omrekeningsregels vast;
vee: alle voor gebruiks- of winstdoeleinden gehouden dieren die voorkomen op de lijst in artikel 27.

 

§ 9.

De onder deze paragraaf vermelde definities zijn gerelateerd aan andere aspecten van dit decreet. Het betreft de volgende definities:

erkend laboratorium: een laboratorium dat krachtens artikel 61, § 7, erkend is;
Mestbank: de afdeling Mestbank van de bij decreet van 21 december 1988 opgerichte Vlaamse Landmaatschappij;
Meststoffendecreet: het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen;
onlinepositiebepaling: een systeem dat op een geautomatiseerde wijze een plaatsbepaling van voorwerpen of personen verricht en deze informatie onmiddellijk ter beschikking stelt;
productiejaar: het jaar waarin de meststoffen werden geproduceerd, gebruikt of ingevoerd;
waterkwaliteitsgroep: een duurzaam samenwerkingsverband tussen landbouwers dat erop gericht is binnen de betrokken VHA-zone, VHA-zones of delen ervan de realisatie van de doelstellingen van dit decreet mogelijk te maken.