Afdeling II.
Inning van de heffing op de afnamepunten van elektriciteit door de toegangshouders


Art. 14.2.2.

§ 1

De heffing, vermeld in hoofdstuk I, wordt voor rekening van het Vlaamse Gewest geïnd door de toegangshouder van het afnamepunt via diens afrekeningsfacturen en slotfacturen.
Indien er gedurende een bepaalde kalendermaand voor een afnamepunt echter meerdere achtereenvolgende toegangshouders in het toegangsregister zijn opgenomen, dan wordt de heffing voor die maand pro rata temporis door elk van die toegangshouders aangerekend en geïnd.
De factuur die naar de afnemer wordt verstuurd, vermeldt de precieze vergoeding die de afnemer verschuldigd is en geldt als verzoek tot betaling van de verschuldigde heffing. De betalingstermijn bedraagt ten minste vijftien dagen en begint te lopen op de verzendingsdatum van het verzoek tot betaling.

[§ 1/1

Voor het toepassen van het tarief, vermeld in artikel 14.1.2, eerste lid, 1°, brengt elke elektriciteitsdistributienetbeheerder tegen uiterlijk de vijftiende dag van elke maand en dit voor het eerst uiterlijk op 15 april 2018 iedere toegangshouder op de hoogte van het feit of er op het adres van de afnamepunten waarvoor die toegangshouder als dusdanig in het toegangsregister van die elektriciteitsdistributienetbeheerder staat geregistreerd op de eerste dag van de vorige maand minstens één natuurlijke persoon was gedomicilieerd.
In afwijking van eerste lid brengt elke elektriciteitsdistributienetbeheerder voor het toepassen van het tarief, vermeld in artikel 14.1.2, eerste lid, 1°, vanaf 1 januari 2019 tegen uiterlijk de eerste dag van elke maand iedere toegangshouder op de hoogte van het feit of er op het adres van de afnamepunten waarvoor die toegangshouder als dusdanig in het toegangsregister van die elektriciteitsdistributienetbeheerder staat geregistreerd op de eerste dag van de vorige maand minstens één natuurlijke persoon was gedomicilieerd.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder doet voor de taak, vermeld in het eerste lid, een beroep op de gegevens uit een authentieke gegevensbron als vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer. Hieronder wordt minstens verstaan de Kruispuntdatabank van de Sociale Zekerheid en het Rijksregister. De elektriciteitsdistributienetbeheerders bekomen van het Rijksregister voor die afnamepunten de NAW-gegevens, te weten naam, adres en woonplaats, en het rijksregisternummer en kunnen die gebruiken bij de volgende periodieke koppelingen met het Rijksregister. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de procedure van bovenvermelde kennisgevingen.
Als een residentiële afnemer op basis van de gegevens, vermeld in het eerste lid, onterecht het tarief, vermeld in artikel 14.1.2, eerste lid, 1°, b, werd aangerekend, dan bezorgt de betrokken residentiële afnemer aan diens toegangshouder een bewijs waarin aangegeven is dat hij of een andere natuurlijke persoon op de eerste dag van de betrokken heffingsmaand op het adres van het afnamepunt gedomicilieerd was. De toegangshouder corrigeert de aanrekening van de heffing overeenkomstig en stuurt een correctie naar het toegangsregister.
]

§ 2

Elke toegangshouder bezorgt uiterlijk de twintigste dag van elke [maand] aan de Vlaamse Belastingdienst een overzicht van de ten laste van de afnemers aangerekende heffingen die hij in de loop van de vorige [maand] heeft geboekt.
Het model en de wijze van indienen van dit overzicht wordt door de Vlaamse Regering vastgesteld maar bevat minstens:
de benaming van de toegangshouder;
zijn maatschappelijke zetel en exploitatiezetel;
de personalia van de persoon die instaat voor de inning en de storting van de heffing.
De toegangshouder stort uiterlijk de dertigste dag van elke [maand] de in de vorige [maand] geïnde heffingen ten gunste van het Energiefonds op de rekening van de Vlaamse Belastingdienst.

§ 3

Om rekening te houden met de heffingen die hem niet volledig gestort zouden worden door afnemers, mag elke toegangshouder een forfait van 0,5 procent afhouden van de heffingen die in rekening worden gebracht op de afrekeningsfacturen en slotfacturen.
Bij de jaarlijkse afsluiting van de rekeningen, uiterlijk op [1 juli], deelt de toegangshouder aan de Vlaamse Belastingdienst het bedrag van de boekhoudkundig geregistreerde niet-invorderbare schuldvorderingen van de heffing mee dat betrekking heeft op de leveringen onderworpen aan deze heffing.
Als het totaal bedrag van de niet-invorderbare schuldvorderingen hoger is dan het jaarlijks bedrag van het forfait bedoeld in het eerste lid, wordt het verschil door de toegangshouder in mindering gebracht van het bedrag van de heffing dat de toegangshouder op de volgende vervaldatum moet storten.
Als het totaal bedrag van de niet-invorderbare schuldvorderingen lager is dan het jaarlijks bedrag van het forfait bedoeld in het eerste lid, wordt het verschil door de toegangshouder opgeteld bij het bedrag van de heffing dat de toegangshouder op de volgende vervaldatum moet storten.

Art. 14.2.3.

§ 1

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen betreffende de procedure en de modaliteiten voor de vordering van de heffing door de toegangshouder, de betaling van de geïnde bedragen aan het Energiefonds en de invordering. Ze bepaalt welke informatie aan de Vlaamse Belastingdienst moet worden meegedeeld en de inlichtingen die nodig zijn voor de controle en de invordering van de heffing.

§ 2 [

In afwijking van artikel 14.2.2, dienen de eerste doorstortingen door de toegangshouders op de rekening van het Vlaamse Gewest van alle door hen conform artikel 14.2.2, § 1, voor het heffingsjaar 2018 reeds geïnde heffingen pas tegen uiterlijk 30 juli 2018 te geschieden.
]