Titel V.
Exploitatie van inrichtingen en activiteiten en erkende personen


HOOFDSTUK I.
Definities en doelstelling


Afdeling 1.
Algemene definities


Art. 5.1.1.

In deze titel wordt verstaan onder:

activiteiten: de werken en handelingen, vermeld in de indelingslijst;
decreet van 25 april 2014: het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
emissie: de directe of indirecte uitstoot van stoffen, trillingen, warmte, licht of geluid uit puntbronnen of diffuse bronnen van inrichtingen en activiteiten in de lucht, het water of de bodem;
exploitant: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een ingedeelde inrichting exploiteert of voor de rekening van wie ze wordt geëxploiteerd;
exploiteren: het installeren, in werking stellen, gebruiken of in stand houden van ingedeelde inrichtingen of het aanvangen en uitvoeren van ingedeelde activiteiten;
GPBV-installatie: een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten en processen, vermeld in de indelingslijst, en aangeduid met de letter X in de vierde kolom van de indelingslijst, alsook andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met de voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;
indelingslijst: de lijst, vastgesteld door de Vlaamse Regering bestaande uit rubrieken die een omschrijving omvatten van de inrichtingen en activiteiten die ernstige risico’s of hinder voor de mens en het milieu kunnen inhouden;
ingedeelde inrichting of activiteit: één inrichting of activiteit en de aanhorigheden ervan op een bepaalde locatie of, in voorkomend geval, meerdere inrichtingen of activiteiten en de aanhorigheden ervan op een bepaalde locatie die voor hun exploitatie als een samenhangend technisch geheel moeten worden beschouwd. Het feit dat verschillende inrichtingen en activiteiten een verschillend eigendomsstatuut hebben belet niet dat ze door hun onderlinge technische samenhang als één ingedeelde inrichting of activiteit kunnen worden beschouwd;
inrichtingen: de bedrijven, werkplaatsen, opslagplaatsen, installaties, machines en toestellen, als omschreven in de indelingslijst;
10° mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten: de door de Vlaamse Regering aangewezen inrichtingen of activiteiten die vanwege hun aard op verschillende locaties al dan niet binnen een vergunde inrichting, kunnen worden ingezet;
11° tijdelijke inrichtingen en activiteiten: de door de Vlaamse Regering aangewezen inrichtingen en activiteiten die op tijdelijke basis, gedurende maximaal één jaar als ze verband houden met een bouwwerf of maximaal drie maanden in de overige gevallen, worden ingezet en waarvan de exploitatie geen blijvende gevolgen heeft voor de mens en het milieu;
12° veranderen van een ingedeelde inrichting of activiteit:
  a) het wijzigen: het verplaatsen binnen de vergunde of gemelde ingedeelde inrichting of activiteit, of het aanwenden van een andere exploitatiemethode;
  b) het uitbreiden: het vergroten in capaciteit, in drijfkracht of in oppervlakte op percelen waarop de geldende vergunning of melding betrekking heeft;
  c) het toevoegen: het vergroten in opslagcapaciteit, in drijfkracht of in oppervlakte op percelen waarop de geldende vergunning of melding geen betrekking heeft;
  d) het splitsen van een ingedeelde inrichting of activiteit in meerdere ingedeelde inrichtingen of activiteiten voor zover geen afbreuk wordt gedaan aan de definitie van een ingedeelde inrichting of activiteit, vermeld in punt 8°.
13° verontreiniging: de directe of indirecte inbreng door menselijke activiteiten van stoffen, trillingen, warmte of geluid in lucht, water of bodem, die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kan aantasten, schade kan toebrengen aan materiële goederen, of de belevingswaarde van het milieu of een ander rechtmatig milieugebruik kan aantasten of in de weg kan staan.

 


Afdeling 2.
Definities van genetisch gemodificeerde organismen of pathogene organismen


Art. 5.1.2.

In hoofdstuk V wordt verstaan onder:

genetisch gemodificeerd micro-organisme (ggm) of organisme (ggo): een micro-organisme of een organisme waarvan het genetische materiaal gewijzigd is op een wijze die van nature of door voortplanting of natuurlijke recombinatie niet mogelijk is;
pathogene organismen: fytopathogenen, menselijke pathogenen of zoöpathogenen;
ingeperkt gebruik: elke activiteit waarbij organismen genetisch worden gemodificeerd of waarbij dergelijke ggo’s of pathogene organismen worden gekweekt, opgeslagen, getransporteerd, vernietigd, verwijderd of anderszins gebruikt en waarbij specifieke inperkingsmaatregelen worden gebruikt om het contact van die organismen met de bevolking in het algemeen en het milieu te beperken;
kennisgeving: het indienen van documenten met de vereiste gegevens met het oog op het uitoefenen van activiteiten van risiconiveau 1 of 2;
toelating: het indienen van documenten met de vereiste gegevens met het oog op het verkrijgen van een toelating voor de uitoefening van activiteiten met risiconiveau 3 of 4.

Afdeling 3.
Doelstelling


Art. 5.1.3.

Deze titel heeft tot doel:

de mens en het milieu te beschermen tegen onaanvaardbare risico’s en hinder, afkomstig van de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten.

De hinder en risico’s omvatten:

a) de hinder en risico’s als gevolg van de directe of indirecte inbreng van stoffen, trillingen, warmte, licht of geluid in lucht, water of bodem die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kunnen aantasten;
b) de risico’s op ongevallen als gevolg van de exploitatie en de gevolgen daarvan voor de gezondheid van de mens en het milieu;
c) de risico’s en de hinder door uitputting van hernieuwbare en niet-hernieuwbare hulpbronnen, de verspilling van materialen en energie in het algemeen alsook de schadelijke gevolgen voor mens en milieu, verbonden aan materiaalgebruik en -verbruik;
d) mobiliteitshinder.
De bescherming geldt eveneens ten aanzien van personen die zich binnen de inrichting bevinden en die niet dezelfde bescherming genieten als de werknemers of hun gelijkgestelden, vermeld in artikel 2 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitoefening van hun werk;
een erkenning in te stellen voor het uitoefenen van bepaalde functies, het verstrekken van opleidingen, het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses door rechtspersonen of natuurlijke personen.

 

Deze titel draagt bij tot de realisatie van de doelstellingen omschreven in artikel 1.2.1 van dit decreet.


Deze titel beoogt tevens een proces van permanente verbetering aan te moedigen bij de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten.


HOOFDSTUK 2.
Algemene beginselen inzake vergunnings- en meldingsplicht


Art. 5.2.1.

§ 1.

De Vlaamse Regering stelt de indelingslijst vast.

 

§ 2.

In de indelingslijst bepaalt de Vlaamse Regering voor elke inrichting of activiteit of ze van de eerste, tweede of derde klasse is. Van de eerste klasse zijn de inrichtingen of activiteiten met de grootste risico’s of hinder. Van de derde klasse zijn de inrichtingen of activiteiten met de minste risico’s of hinder.


In de indelingslijst wijst de Vlaamse Regering ook de inrichtingen en activiteiten aan die tijdelijk, mobiel of verplaatsbaar zijn.

 

§ 3.

Een ingedeelde inrichting of activiteit is van de eerste klasse als ze bestaat uit minstens één inrichting of activiteit die van de eerste klasse is.


In voorkomend geval omvat een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste klasse ook alle inrichtingen of activiteiten van de tweede en de derde klasse die samen op de locatie worden geëxploiteerd.

 

§ 4.

Een ingedeelde inrichting of activiteit is van de tweede klasse als ze bestaat uit minstens één inrichting of activiteit die van de tweede klasse is, maar geen inrichting of activiteit omvat die van de eerste klasse is.


In voorkomend geval omvat een ingedeelde inrichting of activiteit van de tweede klasse ook alle inrichtingen of activiteiten van de derde klasse die samen op de locatie worden geëxploiteerd.

 

§ 5.

Een ingedeelde inrichting of activiteit van de derde klasse bestaat uitsluitend uit inrichtingen of activiteiten van de derde klasse.

 

§ 6.

Voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste of de tweede klasse of voor de verandering ervan is een omgevingsvergunning vereist als vermeld in artikel 6, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.


Voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de derde klasse of voor de verandering ervan is een meldingsakte vereist als vermeld in artikel 6, tweede lid, van het voormelde decreet.


Art. 5.2.2.

De Vlaamse overheid houdt een databank bij van de omgevingsvergunningen die toelating verlenen voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten.


De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van die databank, de gegevens die door de gemeenten en de provincies aan de voormelde afdeling worden aangeleverd en de wijze waarop dat gebeurt.


HOOFDSTUK 3.
Beoordelingscriteria


Art. 5.3.1.

De vergunningverlenende overheid weigert de omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ingedeelde inrichting of activiteit, als de exploitatie:

onaanvaardbare risico’s of hinder voor de mens en het milieu inhoudt die niet door algemene, sectorale of bijzondere milieuvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden herleid;
in strijd is met:
  a) een wettelijke, decretale of reglementaire bepaling, ingesteld ter bescherming van de mens en het milieu tegen de risico’s en de hinder, afkomstig van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, voor zover daarvan niet op geldige wijze kan worden afgeweken;
  b) een stedenbouwkundig voorschrift of een verkavelingsvoorschrift, voor zover daarvan niet op geldige wijze kan worden afgeweken;
  c) de goede ruimtelijke ordening.

HOOFDSTUK 4.
Milieuvoorwaarden en evaluaties


Afdeling 1.
Algemeen


Art. 5.4.1.

De Vlaamse Regering stelt de algemene en sectorale milieuvoorwaarden vast. De algemene en sectorale milieuvoorwaarden beogen het voorkomen en beperken van onaanvaardbare hinder en risico’s die de betrokken inrichtingen en activiteiten kunnen veroorzaken. In voorkomend geval beogen ze tevens het ongedaan maken van de schade die de exploitatie van de inrichting of activiteit heeft toegebracht aan het milieu.


De Vlaamse Regering kan voorwaarden vaststellen ter bescherming van de mens en het milieu tegen bepaalde vormen van hinder en risico’s afkomstig van niet-ingedeelde inrichtingen of activiteiten.


Art. 5.4.2.

De algemene milieuvoorwaarden gelden voor alle ingedeelde inrichtingen of activiteiten. De sectorale milieuvoorwaarden gelden voor bepaalde types van ingedeelde inrichtingen of activiteiten.


De milieuvoorwaarden voor niet-ingedeelde inrichtingen of activiteiten gelden voor de niet-ingedeelde inrichtingen of activiteiten die de Vlaamse Regering aanwijst.


Art. 5.4.3.

§ 1.

Bij de vaststelling van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden wordt voor een geïntegreerde aanpak gezorgd en wordt een hoog niveau van bescherming van de mens en het milieu gewaarborgd tegen de risico’s en de hinder afkomstig van de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten.


De milieuvoorwaarden, vermeld in het eerste lid, worden op de beste beschikbare technieken gebaseerd. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de beste beschikbare technieken vastgesteld worden.

 

§ 2.

Bij de vaststelling van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden houdt de Vlaamse Regering rekening met:

de geldende milieukwaliteitsnormen, met inbegrip van de bijzondere milieukwaliteitsnormen;
de bestaande toestand van het milieu en van de gezondheid van de mens, voor zover die gezondheid wordt beïnvloed door de toestand van het milieu, telkens voor zover de betrokken inrichtingen en activiteiten hier risico’s of hinder voor kunnen veroorzaken;
de ligging van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten in of nabij gebieden die een bijzondere bescherming behoeven of hindergevoelige objecten;
het feit dat de hinder en de risico’s afkomstig van de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen en activiteiten moeten worden beperkt tot een aanvaardbaar niveau.

 

§ 3.

Met het oog op de bescherming van de mens en het milieu kunnen de milieuvoorwaarden bepalingen bevatten die de toelaatbaarheid van bepaalde ingedeelde inrichtingen en activiteiten in of nabij sommige gebieden of hindergevoelige objecten beperken of verbieden.

 

§ 4.

Waar mogelijk geven de algemene en sectorale milieuvoorwaarden de concrete doelstellingen aan die de betrokkenen op de door hen te bepalen wijze moeten verwezenlijken. Zij kunnen ook aangeven welke middelen moeten worden aangewend. Waar mogelijk geven ze dan ook aan welk beschermingsniveau of welke doelstelling hiermee wordt nagestreefd.


Art. 5.4.4.

Het voorontwerp van besluit van de Vlaamse Regering inzake vaststelling van algemene en sectorale milieuvoorwaarden wordt gedurende een termijn van dertig dagen gepubliceerd op de website van het Departement Omgeving.


Het voorontwerp van besluit is gedurende dezelfde termijn ter inzage bij het Departement Omgeving.


Gedurende deze termijn kan elke persoon zijn opmerkingen aan dit departement meedelen.

 

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels inzake bekendmaking en inspraak van de bevolking.


Afdeling 2.
Onderlinge verhouding tussen de algemene milieuvoorwaarden, de sectorale milieuvoorwaarden en de bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 72 en 113 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning


Art. 5.4.5.

De sectorale milieuvoorwaarden kunnen de algemene milieuvoorwaarden aanvullen of stellen bijkomende eisen.


De sectorale milieuvoorwaarden kunnen strenger zijn dan de algemene milieuvoorwaarden.


De sectorale milieuvoorwaarden kunnen om technische redenen in minder strenge zin afwijken van de algemene milieuvoorwaarden, in de gevallen die door de Vlaamse Regering worden bepaald.


Art. 5.4.6.

De bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 72 en 113 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning vullen de algemene en sectorale milieuvoorwaarden aan of stellen bijkomende eisen.


De voormelde bijzondere milieuvoorwaarden kunnen strenger zijn dan de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, behalve als het andersluidend bepaald is door de Vlaamse Regering.


De voormelde bijzondere milieuvoorwaarden kunnen om technische redenen in minder strenge zin afwijken van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden in de gevallen die door de Vlaamse Regering worden bepaald in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden.


Art. 5.4.6/1.

De omzetting met het oog op de naleving van de beste beschikbare technieken, van nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies en van maatregelen in omzetting van Europese richtlijnen of uit de door de Vlaamse Regering goedgekeurde plannen en programma’s voor wat betreft de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten gebeurt waar mogelijk en bij voorrang door middel van algemene of sectorale milieuvoorwaarden of andere sectorale regelgeving.

Met het oog op de omzetting, vermeld in het eerste lid, stelt de Vlaamse Regering voor de betrokken overheden beleidstaken en richtlijnen vast die aanwijzen welke voorschriften en normen hetzij via algemene of sectorale milieuvoorwaarden hetzij via bijzondere milieuvoorwaarden in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit worden opgelegd.


De richtlijnen over bijzondere milieuvoorwaarden vermelden de criteria in welke gevallen het aangewezen is een gerichte evaluatie uit te voeren met het oog op de eventuele toepassing van artikel 82, eerste lid, 2°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.


Art. 5.4.7. Tenzij anders bepaald door de Vlaamse Regering zijn de algemene en sectorale milieuvoorwaarden al dan niet na afloop van een door de Vlaamse Regering te bepalen overgangstermijn van toepassing op inrichtingen en activiteiten die op de datum van inwerkingtreding van het besluit houdende milieuvoorwaarden zijn vergund of waarvoor een meldingsakte bestaat. In afwijking hiervan blijven de strengere bijzondere milieuvoorwaarden uit de op die datum lopende vergunning of uit de geldende beslissing verder gelden.

Afdeling 3.
Afwijking van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden


Art. 5.4.8. De Vlaamse Regering bepaalt door wie, in welke gevallen, de voorwaarden waaronder en de grenzen waarbinnen een afwijking van de algemene of sectorale milieuvoorwaarden toegestaan kan worden en stelt de verdere regels voor de indiening en de behandeling van en de beslissing over de afwijkingsaanvraag, met inbegrip van de bekendmaking ervan, vast.

Afdeling 4.
Verplichtingen van de exploitant


Art. 5.4.9.

§ 1.

De exploitant van een ingedeelde inrichting of activiteit is verplicht de algemene, sectorale en bijzondere milieuvoorwaarden na te leven.

 

§ 2.

Ongeacht de verleende omgevingsvergunning treft de exploitant altijd de nodige maatregelen om schade, hinder, incidenten en ongevallen die de mens of het milieu aanzienlijk beïnvloeden, te voorkomen.


Ongeacht de verleende omgevingsvergunning treft de exploitant, in geval van incidenten en ongevallen die de mens of het milieu aanzienlijk beïnvloeden, onmiddellijk de nodige maatregelen om de gevolgen ervan voor de mens en het milieu te beperken en om verdere mogelijke incidenten en ongevallen te voorkomen.


Art. 5.4.10.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de verplichtingen van de exploitant, vermeld in artikel 5.4.9.


Afdeling 5.
Evaluaties


Art. 5.4.11.

§ 1.

De milieuvoorwaarden van toepassing op een ingedeelde inrichting of activiteit worden onderworpen aan:

een algemene evaluatie in de gevallen en voor de aspecten die de Vlaamse Regering ter omzetting van Europese regelgeving bepaalt;
een gerichte evaluatie in de gevallen en voor de aspecten die de Vlaamse Regering ter omzetting van Europese regelgeving of in de richtlijnen, vermeld in artikel 5.4.6/1, derde lid, bepaalt.

 

Bij de uitvoering van een evaluatie, vermeld in het eerste lid, wordt nagegaan of de milieuvoorwaarden moeten worden bijgesteld en hiertoe overeenkomstig artikel 82, 2°, a), van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning bij de bevoegde overheid een verzoek moet worden ingediend. De conclusie van een evaluatie doet geen afbreuk aan de toepassing van artikel 82, 1°, 2°, b) tot en met f), van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.

 

§ 2.

De uitvoering van de algemene evaluaties, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, van GPBV-installaties als gevolg van ontwikkelingen op het gebied van beste beschikbare technieken of van de bekendmaking van nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies gebeurt op basis van een voortschrijdend meerjarenprogramma voor vijf opeenvolgende kalenderjaren dat door het Departement Omgeving, wordt vastgesteld. Het voortschrijdend meerjarenprogramma wordt jaarlijks geactualiseerd en afgestemd op de programmatorische aanpak van de milieuhandhaving.


Het voortschrijdend meerjarenprogramma en de uitvoeringsgraad ervan worden jaarlijks openbaar gemaakt op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt.


Art. 5.4.12.

§ 1.

De bevoegde dienst van de gemeente wordt belast met de coördinatie en de uitvoering van de evaluaties van ingedeelde inrichtingen of activiteiten die behoren tot projecten waarvoor het college van burgemeester en schepenen bevoegd is om in eerste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing te nemen.


De Vlaamse Regering bepaalt de gevallen waarin de provinciale omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, voor het uitvoeren van de evaluaties een advies verleent aan het college van burgemeester en schepenen.

 

§ 2.

De provinciale en de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, worden belast met de coördinatie en de uitvoering van de evaluaties van ingedeelde inrichtingen of activiteiten die behoren tot projecten waarvoor respectievelijk de deputatie en het Vlaamse Gewest bevoegd zijn om in eerste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing te nemen.


De adviesinstanties die overeenkomstig artikel 24, eerste lid, [...] van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning zijn aangewezen om voor de ingedeelde inrichting of activiteit een advies te verlenen, verlenen advies in het kader van een evaluatie van de provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie.

 

§ 3.

De Vlaamse Regering stelt de termijnen vast waarbinnen de in paragraaf 1 en 2 vermelde adviezen moeten worden uitgebracht. Als geen advies wordt uitgebracht binnen de vastgestelde termijn wordt de adviesinstantie of de adviserende provinciale omgevingsvergunningscommissie geacht van oordeel te zijn dat er geen bijstelling van de milieuvoorwaarden moet plaatsvinden.


Art. 5.4.13.

De bevoegde dienst van de gemeente, de provinciale en de gewestelijke omgevingvergunningscommissie kunnen voor de uitvoering van de evaluaties informatie vragen bij de exploitant of bij de bevoegde toezichthouder, vermeld in titel XVI.


Art. 5.4.14. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van de evaluaties.

Hoofdstuk 5.
Genetisch gemodificeerde organismen of pathogene organismen


Art. 5.5.1.

§ 1.

Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een kennisgevingsdossier of toelatingsaanvraag met betrekking tot genetisch gemodificeerde organismen, genetisch gemodificeerde micro-organismen of pathogenen indient, is een dossiertaks verschuldigd.


De opbrengst van de dossiertaks, vermeld in het eerste lid, wordt rechtstreeks en integraal in het Omgevingsfonds gestort.

 

§ 2.

De dossiertaks bedraagt:

voor een toelatingsaanvraag bij een eerste of een volgend ingeperkt gebruik van niveau 2, 3 of 4: 500 euro;
voor een kennisgeving van een eerste ingeperkt gebruik risiconiveau 1 of een kennisgeving van een volgend ingeperkt gebruik van risiconiveau 2: 100 euro.

 

§ 3.

De Vlaamse Regering kan nadere regels inzake de dossiertaks vaststellen.


Art. 5.5.2.

§ 1.

Voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, ingedeeld in de eerste of de tweede klasse is, naast de omgevingsvergunning voor de inrichting bestemd voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, een kennisgeving of toelating vereist.


De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de kennisgeving gebeurt en de toelating wordt aangevraagd en behandeld. De Vlaamse Regering wijst de overheid aan die de toelatingen verleent en de kennisgevingen ontvangt. De overheid die de toelating verleent, kan voorwaarden aan de toelating verbinden.

 

§ 2.

De toelating kan alleen verleend worden zodra de omgevingsvergunning voor de inrichting, bestemd voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, verleend is.


De kennisgeving voor het ingeperkte gebruik, ingedeeld in de eerste of de tweede klasse, heeft op zijn vroegst uitwerking nadat de omgevingsvergunning voor de inrichting, bestemd voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, verleend is.

 

§ 3.

Als de omgevingsvergunning, vermeld in paragraaf 1, vervalt, vervalt het recht om het ingeperkte gebruik voort te zetten.


Als de omgevingsvergunning, vermeld in paragraaf 1, afloopt, ingetrokken, geschorst, opgeheven of vernietigd is, wordt het recht om het ingeperkte gebruik voort te zetten geschorst zolang de omgevingsvergunning is geschorst of totdat de omgevingsvergunning, vermeld in paragraaf 1, verkregen is.


In ieder geval vervalt het recht het ingeperkte gebruik voort te zetten als de einddatum, vermeld in de toelating, verstreken is.

 

§ 4.

De voorwaarden die door de bevoegde overheid aan de toelating verbonden worden, worden beschouwd als de voorwaarden, vermeld in artikel 72 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.


HOOFDSTUK 6.
Erkenningen


Art. 5.6.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de erkenningen voorgeschreven bij of krachtens titel V en de andere titels van dit decreet, voor zover die titels naar de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk verwijzen.


De bepalingen van dit hoofdstuk zijn ook van toepassing op de erkenningen, voorgeschreven bij of krachtens andere wetten en decreten, voor zover die wetten en decreten naar de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk verwijzen.


Art. 5.6.2.

De uitoefening van bepaalde functies, het verstrekken van opleidingen, het nemen van monsters en de uitvoering van metingen, beproevingen en analyses door rechtspersonen of natuurlijke personen kan afhankelijk worden gemaakt van het voorafgaand verkrijgen van een erkenning.


De erkenningen, vermeld in het eerste lid, worden op grond van de aard ervan in categorieën ingedeeld.


De rechtspersonen of natuurlijke personen die in het bezit zijn van een bepaalde titel die door de Vlaamse overheid of door een door haar erkende organisatie is uitgereikt, krijgen van rechtswege een erkenning als vermeld in het eerste lid.


Rechtspersonen of natuurlijke personen die in het bezit zijn van een bepaalde titel die in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in België is uitgereikt door een andere overheid of organisatie dan de overheid of organisatie, vermeld in het derde lid, en waarvan ten aanzien van een bepaalde erkenning voorafgaandelijk de gelijkwaardigheid is vastgesteld, krijgen van rechtswege een erkenning als vermeld in het eerste lid.


In afwijking van het eerste lid kan bij een tijdelijke en incidentele uitoefening van de erkenningsplichtige handelingen, vermeld in het eerste lid, voor een persoon die niet is gevestigd in het Vlaamse Gewest alleen een voorafgaande kennisgeving worden vereist. Die procedure wordt ingesteld op voorwaarde dat door de aard van de specifieke handelingen een tijdelijke en incidentele uitoefening in redelijkheid mogelijk is en de voorwaarden alleen betrekking hebben op het bezit van beroepskwalificaties.


De Vlaamse Regering bepaalt voor welke functies, opleidingen en handelingen als vermeld in het eerste lid, de erkenningsplicht en, in voorkomend geval, de kennisgevingsplicht, vermeld in het vijfde lid, geldt. Ze stelt tevens de nadere regels vast met het oog op de uitvoering van de bepalingen van de leden 2 tot en met 5.


Art. 5.6.3.

De Vlaamse Regering stelt voor de verschillende categorieën van erkenningen de nadere regels vast voor de aanvraag, weigering of verlening en bekendmaking van erkenningen. Ze bepaalt de adviezen die worden ingewonnen en de wijze waarop ze worden uitgebracht. Ze wijst ook de overheden en organisaties aan die uitspraak doen over de erkenningsaanvragen met een met redenen omkleed besluit.


Op zijn verzoek wordt de aanvrager van een erkenning gehoord door de overheden of organisaties, vermeld in het eerste lid. Die overheden of organisaties kunnen zelf het initiatief nemen om de aanvrager over zijn aanspraken op een erkenning te horen.


De erkenning wordt verleend als voldaan is aan de voorwaarden die per categorie van erkenning of per erkenning door de Vlaamse Regering zijn vastgesteld en die voorafgaand aan de erkenningsaanvraag zijn bekendgemaakt.


Bij de toepassing van de voorwaarden, vermeld in het derde lid, wordt rekening gehouden met gelijkwaardige voorwaarden waaraan de aanvrager in een andere Europese lidstaat of in een ander gewest in België al heeft voldaan.


Art. 5.6.4.

§ 1.

De overheid of organisatie die over de erkenningsaanvraag uitspraak moet doen, bevestigt binnen dertig dagen de ontvangst van het dossier van de aanvrager en deelt in voorkomend geval mee welke documenten ontbreken. Binnen een termijn van negentig dagen na de indiening van het volledige dossier wordt door de bevoegde overheid of organisatie uitspraak gedaan. De bevoegde overheid of organisatie kan die termijn met maximaal dertig dagen verlengen.

 

§ 2.

De Vlaamse Regering kan de erkenningen aanwijzen die geacht worden stilzwijgend te zijn verkregen als geen beslissing over de erkenningsaanvraag wordt betekend binnen de door haar vastgestelde termijn.


De Vlaamse Regering kan daartoe alleen besluiten nadat ze tot de vaststelling is gekomen dat de belangenafweging door de overheden en organisaties, vermeld in artikel 5.6.3, eerste lid, bij hun beslissingen over erkenningsaanvragen, niet in alle gevallen noodzakelijk is om dwingende reden van algemeen belang, met inbegrip van een rechtmatig belang van een derde partij.


Art. 5.6.5.

Het gebruik van erkenningen kan aan gebruikseisen worden onderworpen. Die gebruikseisen kunnen periodieke evaluaties inhouden waarvan het resultaat de schorsing of het verval van rechtswege van de erkenning tot gevolg kan hebben.


De Vlaamse Regering stelt de gebruikseisen vast, alsook de nadere regels voor de schorsing of het verval van rechtswege van de erkenningen.


Art. 5.6.6.

Met behoud van de toepassing van de bepalingen van titel XVI kunnen de door de Vlaamse Regering aangewezen overheden de erkenning schorsen of opheffen.


De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen tot schorsing of opheffing kan worden overgegaan. De houder van de erkenning wordt gehoord op zijn verzoek. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de procedure die gevolgd moet worden bij schorsing of opheffing van de erkenning.


Art. 5.6.7. Aan elke rechtspersoon of natuurlijke persoon die een erkenningsaanvraag indient, kan voor de behandeling van de erkenningsaanvraag een retributie worden gevraagd. Dezelfde retributie kan worden gevraagd voor de uitoefening van het toezicht op de erkennings- en gebruikseisen. De Vlaamse Regering bepaalt voor welke erkenningen of toezichtverplichtingen een retributie is verschuldigd en stelt de bedragen vast, alsook de wijze waarop aan de retributie moet worden voldaan.