Afdeling 3.
Vereenvoudigde vergunningsprocedure


Onderafdeling 1.
Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek


Art. 37.

De vergunningsaanvraag wordt per beveiligde zending ingediend bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15.


Als het project elementen bevat die onderworpen zijn aan meerdere vergunningsplichten, bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5, en die aspecten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, wordt de vergunningsaanvraag ingediend voor de betrokken aspecten gezamenlijk.

 

De verplichting tot gezamenlijke indiening, vermeld in het tweede lid, geldt niet voor het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een project enerzijds, en voor het aanvragen van een omgevingsvergunning die enkel nodig is tijdens de uitvoeringsfase van het project anderzijds.


De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van de vergunningsaanvraag.


Art. 38.

De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, of de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar onderzoekt de vergunningsaanvraag op haar ontvankelijkheid en volledigheid.


Als de vergunningsaanvraag onvolledig is, kan de bevoegde overheid, de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde de vergunningsaanvrager per beveiligde zending vragen om de ontbrekende gegevens of documenten aan de aanvraag toe te voegen en de termijn bepalen waarbinnen dit moet gebeuren.


Art. 39.

Als met toepassing van artikel 4.3.3, § 2, van het DABM bij de vergunningsaanvraag een project-m.e.r.-screeningsnota is gevoegd, onderzoekt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, of de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar die nota en beslist of er over het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld.

 

Als de aanvraag door de bevoegde overheid zelf wordt ingediend, dan verricht de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar de in het eerste lid vermelde taken.


Art. 40.

Het resultaat van het onderzoek, vermeld in artikel 38 en 39, wordt bij beveiligde zending aan de aanvrager meegedeeld binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag na de datum waarop de vergunningsaanvraag is ingediend hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten.


De beslissing dat er voor het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld, heeft van rechtswege de onvolledigheid van de vergunningsaanvraag en de stopzetting van de vergunningsprocedure tot gevolg.

 

Als het resultaat van het onderzoek, vermeld in artikel 39, niet binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, aan de indiener van de vergunningsaanvraag is verzonden, doet de bevoegde vergunningverlenende overheid binnen een termijn van negentig dagen vanaf de dag na de datum waarop de vergunningsaanvraag is ingediend hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten uitdrukkelijk uitspraak of er een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Als zij beslist dat er een milieueffectrapport moet worden opgesteld verklaart zij de vergunningsaanvraag onvolledig en zonder voorwerp en wordt de procedure stopgezet.


Tegen de beslissing dat er een milieueffectrapport moet worden opgesteld, de vergunningsaanvraag onvolledig en zonder voorwerp is en tegen de stopzetting van de procedure kan geen administratief beroep als vermeld in hoofdstuk 3 worden ingesteld.


Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, of de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar, beslist dat er een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld, kan de aanvrager een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting indienen bij de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 4.3.3, § 3 tot en met § 9, van het DABM. De beslissing van de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage, vermeld in artikel 4.3.3, § 6, van hetzelfde decreet, is bindend voor de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, of de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar.

 


Art. 41.

Als de overheid waarbij de vergunningsaanvraag is ingediend, vaststelt dat ze niet bevoegd is voor de aanvraag, stuurt ze die aanvraag onmiddellijk door naar de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15. De overheid waarbij de vergunningsaanvraag is ingediend, brengt de aanvrager er tegelijkertijd van op de hoogte dat de aanvraag is doorgestuurd. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, behandelt vervolgens de vergunningsaanvraag.


Voor de toepassing van dit decreet geldt de datum waarop de overheid de vergunningsaanvraag doorstuurt naar de bevoegde overheid als de datum waarop de aanvraag is ingediend.


Onderafdeling 2.
Onderzoek van het project


Art. 42.

De Vlaamse Regering wijst de adviesinstanties aan die over een vergunningsaanvraag advies verlenen.


Het advies van het college van burgemeester en schepenen op het ambtsgebied waarvan de vergunningsaanvraag betrekking heeft of van de gemeentelijke omgevingsambtenaar wordt altijd ingewonnen als de deputatie of de Vlaamse Regering de bevoegde overheid is tenzij de aanvraag ingediend is door het betrokken college.


De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde vraagt de instanties, vermeld in het eerste lid, om advies.


Art. 43.

De Vlaamse Regering stelt de adviestermijnen vast en kan de elementen bepalen waarop de adviezen moeten ingaan.


Als geen advies wordt uitgebracht binnen de vastgestelde termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn.


Art. 43/1.

Als het project vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten omvat met een netto handelsoppervlakte van meer dan 20.000 vierkante meter, gelegen op een afstand van minder dan twintig kilometer van een ander gewest of van verschillende andere gewesten, en het college van burgemeester en schepenen of de deputatie de bevoegde overheid is, dan brengt de gemeentelijke of provinciale omgevingsambtenaar de Vlaamse Regering hiervan met een beveiligde zending op de hoogte, met het oog op de vervulling van de verplichtingen, opgenomen in artikel 6, § 5bis, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.


Art. 44.

§ 1.

Als het college van burgemeester en schepenen de bevoegde overheid is, maakt de gemeentelijke omgevingsambtenaar voor elke beslissing over een vergunningsaanvraag een verslag op, dat deel uitmaakt van het vergunningendossier. Het verslag toetst de aanvraag, in voorkomend geval, aan de beoordelingsgronden, bepaald bij of krachtens :
1° titel IV van de VCRO;
2° titel V van het DABM;
3° het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid.

4° het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.

 

De gemeentelijke omgevingsambtenaar stelt dit verslag ter beschikking van het college van burgemeester en schepenen uiterlijk tien dagen voor het verstrijken van de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde beslissingstermijn. Het college van burgemeester en schepenen geeft in haar motivering van de beslissing aan op welke wijze rekening wordt gehouden met het verslag. Als geen verslag wordt uitgebracht binnen de vastgestelde termijn, kan het college van burgemeester en schepenen aan de vereiste van een verslag voorbijgaan.

 

 

§ 2.

Paragraaf 1 is van overeenkomstige toepassing op de deputatie en de provinciale omgevingsambtenaar.


Art. 45.

De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, kan, op verzoek van de vergunningsaanvrager, toestaan dat er wijzigingen aan de vergunningsaanvraag worden aangebracht.


Wijzigingen aan de vergunningsaanvraag kunnen worden toegestaan als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:

de wijzigingen doen geen afbreuk aan de bescherming van de mens of het milieu of de goede ruimtelijke ordening;
de wijzigingen hebben niet tot gevolg dat een openbaar onderzoek over de gewijzigde aanvraag zou dienen te worden georganiseerd.

 


Onderafdeling 3.
Beslissing over een vergunningsaanvraag


Art. 46.

§ 1.

De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, neemt een beslissing over een vergunningsaanvraag binnen een termijn van zestig dagen.


De termijn gaat altijd in op de dag na de datum dat de vergunningsaanvraag ontvankelijk en volledig wordt verklaard of, bij ontstentenis van een beslissing daarover, de dertigste dag na de datum waarop de aanvraag is ingediend hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten.

 

§ 2.

Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde termijn, wordt de omgevingsvergunning geacht te zijn geweigerd.

 

§ 3.

De bevoegde overheid kan over een vergunningsaanvraag als vermeld in artikel 5.4.1 en 5.4.2 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, waarbij een archeologienota die is ingediend ter bekrachtiging werd toegevoegd bij de aanvraag, maar een beslissing nemen als de bekrachtigde archeologienota is bezorgd. Als er geen bekrachtigde archeologienota is bezorgd voor het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 1, dan moet de omgevingsvergunning worden geweigerd.


Art. 47.

De beslissing, vermeld in artikel 46, vermeldt de lasten en voorwaarden, met inbegrip van de bijzondere milieuvoorwaarden, die op het project van toepassing zijn. Voor de algemene en sectorale milieuvoorwaarden volstaat een verwijzing naar de regelgeving in kwestie.


Als de omgevingsvergunning voor een bepaalde duur wordt verleend, vermeldt de beslissing de duur van de vergunning en de reden daarvoor.


Als een omgevingsvergunning betrekking heeft op de verandering van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project, geeft de beslissing de geactualiseerde vergunningssituatie op het vlak van de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten weer. De bijzondere milieuvoorwaarden die als gevolg van hun tijdelijke karakter, van een veranderde exploitatie of van enige wettelijke of reglementaire bepaling geen uitwerking meer hebben, worden in de geactualiseerde vergunningssituatie niet vermeld.De Vlaamse Regering kan hierover verdere regels vaststellen.


Art. 48.

Met behoud van de toepassing van artikel 5.2.1, § 3 en § 4, van het DABM, wordt de aktename van de melding in de beslissing geacht zonder voorwerp te zijn als een project bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5, onderworpen is aan zowel de meldings- als de vergunningsplicht en de omgevingsvergunning uitdrukkelijk of stilzwijgend wordt geweigerd.


Art. 49.

Van een omgevingsvergunning mag worden gebruikgemaakt als de aanvrager niet binnen vijfendertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de aanplakking, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep als vermeld in artikel 52.


De aanvrager mag onmiddellijk gebruikmaken van de omgevingsvergunning:

in de gevallen, vermeld in artikel 55, tweede lid;
als de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar de omgevingsvergunning verleend heeft.

Art. 50. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de vereenvoudigde vergunningsprocedure, met inbegrip van de bekendmaking van de beslissing.

Onderafdeling 4.
Aanvulling of wijziging van de indelingslijst


Art. 51.

De exploitant van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst, deelt het bestaan van de exploitatie mee aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, binnen een termijn van zes maanden vanaf de dag na de datum van de inwerkingtreding van die aanvulling of wijziging.


De termijn van zestig dagen, vermeld in artikel 46, wordt voor de projecten, vermeld in het eerste lid, als een termijn van orde beschouwd.


In voorkomend geval mag de exploitatie worden voortgezet tot een definitieve beslissing is genomen over de verlening van de omgevingsvergunning.