HOOFDSTUK 4.
Duur van de omgevingsvergunning


Afdeling 1.
Algemene bepalingen


Art. 68.

De omgevingsvergunning geldt voor onbepaalde duur.

 

In afwijking van het eerste lid kan de bevoegde overheid een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk voor een bepaalde duur verlenen in de volgende gevallen:

op verzoek van de vergunningsaanvrager;
voor projecten die uitsluitend tijdelijke inrichtingen of activiteiten omvatten, vermeld in artikel 5.2.1, § 2, tweede lid, van het DABM;
als de exploitatie betrekking heeft op een grondwaterwinning of een ontginning;
als een omgevingsvergunning op proef noodzakelijk is;
met het oog op de herlokalisatie van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die niet verenigbaar is met de ruimtelijke bestemming;
als met toepassing van artikel 4.4.4 of 4.4.23 van de VCRO een omgevingsvergunning voor bepaalde duur mogelijk wordt geacht voor een project dat in strijd is met een stedenbouwkundig voorschrift;
om rekening te kunnen houden met:
  a) de localiseerbare gebiedsspecifieke ontwikkelingsperspectieven opgenomen in een voorafgaand aan de indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning definitief vastgesteld ruimtelijk structuurplan of ruimtelijk beleidsplan;
  b) de stedenbouwkundige voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan;
voor constructies die door de aard ervan een tijdelijk karakter hebben;
voor veranderingen van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor de initiële omgevingsvergunning voor een bepaalde duur is verleend.
10° voor projecten die kleinhandelsactiviteiten omvatten en voor niet langer dan 12 maanden vergund worden in een bestaand, vergund of hoofdzakelijk vergund gebouw of in tijdelijke vergunde of van vergunning vrijgestelde constructies.


De vergunning van bepaalde duur die verleend wordt op basis van het tweede lid, 7°, a), wordt geacht voor onbepaalde duur te zijn verleend als bij het verstrijken van de duur van de vergunning de gebiedsspecifieke ontwikkelingsperspectieven niet zijn verankerd in een definitief vastgesteld ruimtelijk uitvoeringsplan.


De Vlaamse Regering kan voor de toepassing van het tweede lid de minimale en maximale geldigheidsduur van de omgevingsvergunning vaststellen.


Afdeling 2.
Bijzondere bepalingen voor omgevingsvergunningen van bepaalde duur


Onderafdeling 1.
Omgevingsvergunning op proef


Art. 69.

§ 1.

De bevoegde overheid kan voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project waarvoor geen vergunningsplichtige stedenbouwkundige handeling is vereist, een omgevingsvergunning op proef verlenen voor minimaal zes maanden en ten hoogste twee jaar om na te gaan of de exploitatie na de proefperiode verder aanvaardbaar is voor de mens en het milieu.

 

§ 2.

Voor het verstrijken van de proefperiode neemt de vergunningverlenende overheid een beslissing over de verdere exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.


Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, geen beslissing neemt voor het verstrijken van de proefperiode, wordt de omgevingsvergunning geacht te zijn geweigerd.


Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, geen beslissing neemt voor het verstrijken van de proefperiode van een door haar verleende omgevingsvergunning op proef, wordt de bestreden beslissing uit eerste administratieve aanleg als definitief beschouwd.

 

§ 3.

De Vlaamse Regering stelt de procedure vast voor de uitspraak na de proefperiode.


Onderafdeling 2.
Hernieuwen van de omgevingsvergunning van bepaalde duur


Art. 70.

§ 1.

De hernieuwing van een omgevingsvergunning die of van een gedeelte ervan dat voor bepaalde duur is verleend, kan op zijn vroegst 24 maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning aangevraagd worden.


Als de vergunningsaanvraag ten minste twaalf maanden voor de einddatum van een omgevingsvergunning van bepaalde duur wordt ingediend, mag de stedenbouwkundige handeling in stand worden gehouden of mag de ingedeelde inrichting of activiteit verder geëxploiteerd worden na de einddatum in afwachting van een definitieve beslissing over de aanvraag.

De exploitatie gebeurt onder naleving van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en de tot dan toe geldende bijzondere milieuvoorwaarden uit de vergunning.

 

§ 2.

In afwijking van paragraaf 1 kan een omgevingsvergunning voor de verdere exploitatie vroeger dan 24 maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning worden aangevraagd als:

een overname van de vergunde ingedeelde inrichting of activiteit door een andere exploitant is gepland;
de exploitant een belangrijke verandering van de vergunde ingedeelde inrichting beoogt. In dat geval heeft de vergunningsaanvraag zowel betrekking op de delen van de inrichting of activiteit die verder in exploitatie blijven als op de geplande verandering.

 

§ 3.

Voor een tijdelijke inrichting of activiteit als vermeld in artikel 5.1.1, 11°, van het DABM, kan de bevoegde overheid de omgevingsvergunning slechts eenmaal verlengen voor maximaal dezelfde duur als die van de initiële omgevingsvergunning.

 

§ 4.

De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de hernieuwing van de omgevingsvergunning van bepaalde duur.