Afdeling 1.
Algemene bepalingen


Art. 68.

De omgevingsvergunning geldt voor onbepaalde duur.

 

In afwijking van het eerste lid kan de bevoegde overheid een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk voor een bepaalde duur verlenen in de volgende gevallen:

op verzoek van de vergunningsaanvrager;
voor projecten die uitsluitend tijdelijke inrichtingen of activiteiten omvatten, vermeld in artikel 5.2.1, § 2, tweede lid, van het DABM;
als de exploitatie betrekking heeft op een grondwaterwinning of een ontginning;
als een omgevingsvergunning op proef noodzakelijk is;
met het oog op de herlokalisatie van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die niet verenigbaar is met de ruimtelijke bestemming;
als met toepassing van artikel 4.4.4 of 4.4.23 van de VCRO een omgevingsvergunning voor bepaalde duur mogelijk wordt geacht voor een project dat in strijd is met een stedenbouwkundig voorschrift;
om rekening te kunnen houden met:
  a) de localiseerbare gebiedsspecifieke ontwikkelingsperspectieven opgenomen in een voorafgaand aan de indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning definitief vastgesteld ruimtelijk structuurplan of ruimtelijk beleidsplan;
  b) de stedenbouwkundige voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan;
voor constructies die door de aard ervan een tijdelijk karakter hebben;
voor veranderingen van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor de initiėle omgevingsvergunning voor een bepaalde duur is verleend.
10° voor projecten die kleinhandelsactiviteiten omvatten en voor niet langer dan 12 maanden vergund worden in een bestaand, vergund of hoofdzakelijk vergund gebouw of in tijdelijke vergunde of van vergunning vrijgestelde constructies.


De vergunning van bepaalde duur die verleend wordt op basis van het tweede lid, 7°, a), wordt geacht voor onbepaalde duur te zijn verleend als bij het verstrijken van de duur van de vergunning de gebiedsspecifieke ontwikkelingsperspectieven niet zijn verankerd in een definitief vastgesteld ruimtelijk uitvoeringsplan.


De Vlaamse Regering kan voor de toepassing van het tweede lid de minimale en maximale geldigheidsduur van de omgevingsvergunning vaststellen.