HOOFDSTUK 6.
Het bijstellen van de omgevingsvergunning


Afdeling 1.
Bijstelling van in de omgevingsvergunning opgelegde milieuvoorwaarden


Art. 82.

De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, kan de milieuvoorwaarden die in de omgevingsvergunning zijn opgelegd, wijzigen of aanvullen:

ambtshalve via een gemotiveerd initiatief;
op gemotiveerd verzoek van:
a) de bevoegde dienst van de gemeente, de provinciale omgevingsvergunningscommissie of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie als gevolg van een evaluatie die zij hebben uitgevoerd als vermeld in artikel 5.4.11 van het DABM;
b) de vergunninghouder of de exploitant;
c) het betrokken publiek;
d) de toezichthouder die met toepassing van titel XVI van het DABM is aangewezen om op de ingedeelde inrichting of activiteit toezicht uit te oefenen;
e) de leidend ambtenaar van een adviesinstantie die met toepassing van de bepalingen, vermeld in artikel 24, eerste lid, is aangewezen om voor de ingedeelde inrichting of activiteit advies uit te brengen.
f) de leidend ambtenaar van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.

 

Het verzoek, vermeld in punt 2°, e), wordt ingediend bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, binnen een termijn van dertig dagen voorafgaand aan de maand waarin de evaluatie, vermeld in artikel 5.4.11 van het DABM, zou plaatsvinden.


Het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in dit artikel, verloopt overeenkomstig de bepalingen van afdeling 4 en 5.


Afdeling 2.
Bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit


Art. 83.

§ 1.

De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, kan het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit beperken:

ambtshalve via een gemotiveerd initiatief;
op gemotiveerd verzoek van:
  a) het betrokken publiek;
  b)

de leidend ambtenaar van een adviesinstantie die met toepassing van de bepalingen, vermeld in artikel 24, eerste lid, is aangewezen om voor de ingedeelde inrichting of activiteit advies uit te brengen.


Het verzoek of het initiatief tot ambtshalve bijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt op straffe van onontvankelijkheid ingediend respectievelijk genomen binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de bekendmaking van het verstrijken van elke geldigheidsperiode van twintig jaar van een omgevingsvergunning van onbepaalde duur.


De bekendmaking, vermeld in het tweede lid, gebeurt op initiatief van de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, binnen een termijn van zes maanden voor het verstrijken van elke geldigheidsperiode van twintig jaar van een omgevingsvergunning van onbepaalde duur. De geldigheidsperiode van twintig jaar vangt een eerste keer aan op de dag na de datum waarop de lopende initiële omgevingsvergunning is verleend of in het geval van omzetting van een milieuvergunning naar een vergunning van onbepaalde duur op de dag van de aktename, vermeld in artikel 390, § 2, en vervolgens telkens op de eerste dag die volgt op de einddatum van een nieuwe twintigjarige geldigheidsperiode van een omgevingsvergunning van onbepaalde duur.


De Vlaamse Regering kan het indienen van een verzoek als vermeld in het eerste lid aan bijkomende ontvankelijkheidsvoorwaarden onderwerpen.

 

§ 2.

De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, kan in haar beslissing over het verzoek of het initiatief tot ambtshalve bijstelling als vermeld in paragraaf 1:

de milieuvoorwaarden wijzigen of aanvullen;
het voorwerp van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit beperken voor zover de risico’s en de hinder niet via milieuvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden herleid;
de duur van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit beperken voor zover deze niet verder verenigbaar is met de ruimtelijke bestemming. In dat geval zal de resterende duur van de omgevingsvergunning niet minder dan zeven jaar bedragen.

 

§ 3.

Het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in dit artikel, verloopt overeenkomstig de bepalingen van afdeling 4 en 5.


Afdeling 3.
Bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden


Art. 84.

Een niet-vervallen omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden kan worden bijgesteld ingevolge de definitieve vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan op voorwaarde dat dit bij de voorlopige en de definitieve vaststelling van het plan uitdrukkelijk aangegeven is, ten minste op het grafische plan.


In het geval, vermeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan dat met toepassing van titel II, hoofdstuk II, van de VCRO bevoegd is voor de planopmaak, de schorsing gelasten van de verkoop of van de verhuring voor meer dan negen jaar en van de vestiging van een erfpacht of opstalrecht op het geheel of een gedeelte van de verkaveling.


Afdeling 4 - en 5 zijn niet van toepassing op dit artikel.


Art. 85.

§ 1.

Op initiatief van het college van burgemeester en schepenen kan een niet-vervallen omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden voor wat het niet-vervallen gedeelte betreft, worden bijgesteld na verloop van vijftien jaar na de afgifte van deze omgevingsvergunning in laatste administratieve aanleg.


Het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in dit artikel, verloopt overeenkomstig de bepalingen van de gewone vergunningsprocedure, met dien verstande dat de vergunningsaanvraag of de aanvraag gelezen moet worden als de aanvraag of het verzoek tot bijstelling en de aanvrager als aanvrager of verzoeker van de bijstelling.


De gemeente brengt voor de start van het openbaar onderzoek alle eigenaars van een kavel met een gewone brief of beveiligde zending op de hoogte van het openbaar onderzoek en van de bepalingen van paragraaf 2.


De gemeente brengt eveneens alle eigenaars van buiten de verkaveling gelegen percelen die palen aan de kavels die het voorwerp uitmaken van de bijstelling, voor de start van het openbaar onderzoek met een gewone brief of beveiligde zending op de hoogte van het openbaar onderzoek.

 

§ 2.

De bevoegde overheid weigert de bijstelling als de eigenaars van meer dan één vierde van de in de omgevingsvergunning waarvoor bijstelling wordt gevraagd, toegestane kavels een ontvankelijk, gegrond en op ruimtelijke motieven gebaseerd schriftelijk of digitaal bezwaar hebben ingediend tijdens het openbaar onderzoek.


Dit bezwaar geeft duidelijk aan dat het bezwaar afkomstig is van een eigenaar van een of meer in de omgevingsvergunning waarvoor bijstelling wordt gevraagd, toegestane kavels, zoniet houdt de bevoegde overheid geen rekening met dit bezwaar voor de berekening, vermeld in het eerste lid.


De bevoegde overheid die zich uitspreekt over de bijstelling, kan de schorsing gelasten van de verkoop of van de verhuring voor meer dan negen jaar en van de vestiging van een erfpacht of opstalrecht op het geheel of een gedeelte van de verkaveling.

 

§ 3.

[...]


Art. 86.

§ 1.

De eigenaar van een kavel die begrepen is in een niet-vervallen omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, kan gemotiveerd om een bijstelling van deze omgevingsvergunning verzoeken voor het deel dat hij in eigendom heeft.


De aanvraag doorloopt dezelfde procedure als een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, met dien verstande dat de vergunningsaanvraag of de aanvraag gelezen moet worden als de aanvraag of het verzoek tot bijstelling en de aanvrager als aanvrager of verzoeker van de bijstelling.


De gemeente brengt alle eigenaars van een kavel die geen aanvrager zijn op de hoogte van de bepalingen van paragraaf 2, en, in voorkomend geval, van het openbaar onderzoek: 
1° als een openbaar onderzoek vereist is, voor de start ervan;
2° als er geen openbaar onderzoek vereist is, binnen tien dagen na de dag waarop de gemeente het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek aan de aanvrager heeft verstuurd.


In het geval een openbaar onderzoek vereist is, brengt de gemeente de eigenaars van percelen die buiten de verkaveling liggen maar die palen aan de kavels die het voorwerp uitmaken van de bijstelling, op de hoogte van het openbaar onderzoek voor de start ervan.
De mededeling, vermeld in het derde en vierde lid, wordt op volgende wijze gedaan:
1° met een beveiligde zending voor de eigenaars van aanpalende percelen;
2° met een gewone brief of beveiligde zending in de andere gevallen.

 

§ 2.

De bevoegde overheid weigert de bijstelling als de eigenaars van meer dan de helft van de in de omgevingsvergunning waarvoor bijstelling wordt gevraagd, toegestane kavels een ontvankelijk, gegrond en op ruimtelijke motieven gebaseerd schriftelijk of digitaal bezwaar hebben ingediend [...]. Dat bezwaar moet worden ingediend:

1° als een openbaar onderzoek vereist is, tijdens het openbaar onderzoek;
2° als er geen openbaar onderzoek vereist is, binnen een vervaltermijn van dertig dagen die ingaat de dag na de datum van de verzending van de mededeling, vermeld in paragraaf 1, derde lid.


Dit bezwaar geeft duidelijk aan dat het bezwaar afkomstig is van een eigenaar van een of meer in de omgevingsvergunning waarvoor bijstelling wordt gevraagd, toegestane kavels, zoniet houdt de bevoegde overheid geen rekening met dit bezwaar voor de berekening, vermeld in het eerste lid.

 

§ 3.

[...]


Afdeling 4.
Procedure voor het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in afdeling 1 en 2, in eerste administratieve aanleg


Onderafdeling 1.
Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek


Art. 87.

§ 1.

De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, of de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar onderzoekt de ontvankelijkheid en volledigheid van het verzoek tot bijstelling van de omgevingsvergunning.


Voor elk ambtshalve initiatief en elk verzoek tot bijstelling, vermeld in artikel 83, § 1, 1°, respectievelijk 83, § 1, 2°, b), dat niet de individuele toepassing van een door de Vlaamse Regering ter bescherming van de mens en het milieu goedgekeurd programma of plan als voorwerp heeft, evenals voor elk verzoek, vermeld in artikel 83, § 1, 2°, a), wordt door de omgevingsvergunningscommissie onderzocht of de aangevoerde motieven tot bijstelling kennelijk ongegrond zijn. Als de omgevingsvergunningscommissie bij haar onderzoek vaststelt dat het ambtshalve initiatief of het verzoek tot bijstelling uitsluitend gebaseerd is op motieven die kennelijk ongegrond zijn, wordt de procedure tot bijstelling definitief stopgezet.

 

§ 2.

Het resultaat van het onderzoek, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, en indien van toepassing, het resultaat van het onderzoek, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, wordt bij beveiligde zending aan de verzoeker of aan het bestuursorgaan dat het ambtshalve initiatief heeft genomen, meegedeeld binnen een termijn van vijftig dagen vanaf de dag na de datum waarop het verzoek is ingediend.


De exploitant van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt op dezelfde dag van de mededeling waarvan sprake in het eerste lid, op de hoogte gebracht van elk verzoek tot bijstelling dat hij niet zelf heeft ingediend evenals van elk initiatief tot ambtshalve bijstelling, voor zover ze niet onontvankelijk, onvolledig of indien van toepassing kennelijk ongegrond werden bevonden.

 

§ 3.

Als het verzoek tot bijstelling van de omgevingsvergunning niet bij de bevoegde overheid werd ingediend, is artikel 22 van overeenkomstige toepassing.


Onderafdeling 2.
Onderzoek van het verzoek en het initiatief tot ambtshalve bijstelling van de omgevingsvergunning


Art. 88.

Het onderzoek van het verzoek en het initiatief tot ambtshalve bijstelling van de omgevingsvergunning gebeurt overeenkomstig de bepalingen van artikel 23 tot en met 27 en 29.

 

In afwijking van artikel 23 wordt voor een bijstelling van een project dat uitsluitend een tijdelijke inrichting omvat, geen openbaar onderzoek georganiseerd.


De omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, verleent een advies over:

de bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 82, in de gevallen die de Vlaamse Regering bepaalt;
de bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning, vermeld in artikel 83.


De exploitant is verplicht aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, en de adviesinstanties die erom vragen, alle beschikbare gegevens en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling.


Onderafdeling 3.
Beslissing over het verzoek en het initiatief tot ambtshalve bijstelling van de omgevingsvergunning


Art. 89.

§ 1.

De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, neemt een beslissing over het verzoek of het initiatief tot ambtshalve bijstelling van de omgevingsvergunning binnen een termijn van:

honderdenvijf dagen als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
honderdtwintig dagen als een advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is.

 

§ 2.

De termijnen, vermeld in paragraaf 1, worden van rechtswege eenmalig met zestig dagen verlengd in het geval toepassing wordt gemaakt van de administratieve lus, vermeld in artikel 13.


De mededeling van de termijnverlenging wordt aan de aanvrager verzonden vóór de einddatum van de normale beslissingstermijn.

 

§ 3.

De termijnen, vermeld in paragraaf 1, gaan in:

in het geval van een verzoek of een ambtshalve initiatief tot bijstelling als vermeld in artikel 82 en 83 dat niet van de exploitant uitgaat, de dag na de datum dat de exploitant in toepassing van artikel 87, § 2, tweede lid, op de hoogte wordt gebracht van het ontvankelijk, volledig of in voorkomend geval niet kennelijk ongegrond bevonden verzoek of ambtshalve initiatief;
in het geval van een verzoek tot bijstelling als vermeld in artikel 82 van de vergunninghouder of de exploitant, de dag na de datum dat hij op de hoogte wordt gebracht dat zijn verzoek ontvankelijk en volledig wordt verklaard of, bij ontstentenis van een beslissing daarover, de vijftigste dag na de datum waarop het verzoek tot bijstelling is ingediend.

 

§ 4.

Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn, wordt het verzoek of het initiatief tot ambtshalve bijstelling van de omgevingsvergunning geacht te zijn afgewezen.


Afdeling 5.
Procedure voor het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in afdeling 1 en 2, in laatste administratieve aanleg


Art. 90.

§ 1.

Tegen de uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing over een verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van de omgevingsvergunning kan beroep worden ingesteld bij:

de deputatie als het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg de bevoegde overheid was;
de Vlaamse Regering als de deputatie in eerste administratieve aanleg de bevoegde overheid was.

 
Het beroep schorst de beslissing.

 

§ 2.

De bepalingen van hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing op het instellen van, behandelen van en beslissen over het beroep.


Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn als vermeld in artikel 66, § 2, 2°, wordt het beroep geacht te zijn afgewezen en wordt de bestreden beslissing als definitief aanzien.

 

Artikel 64 en artikel 66, § 2/1, zijn niet van overeenkomstige toepassing.


Afdeling 6.
Delegatiebepaling


Art. 91. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de bijstelling van de omgevingsvergunning, vermeld in dit hoofdstuk.