HOOFDSTUK 11.
Wijzigingsbepalingen


Afdeling 1.
Wijzigingen van de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging


Art. 114.

In artikel 5 van de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging, vervangen bij het decreet van 27 maart 2009, wordt de zinsnede “hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”.


Afdeling 2.
Wijzigingen van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging


Art. 115.

In artikel 2, 1°, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, vervangen bij het decreet van 23 december 2010, wordt de zinsnede “decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”.


Art. 116.

In artikel 32septies van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 1988, vervangen bij het decreet van 12 september 1990 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 1 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 

in paragraaf 4, eerste en vijfde lid, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”;
in paragraaf 4 wordt de zinsnede “milieu-” vervangen door de zinsnede “omgevings-”;
in paragraaf 5, eerste, derde en negende lid, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”;
in paragraaf 6 wordt de zinsnede “decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, alle uitvoeringsbesluiten van dit decreet, evenals de bepalingen uit de betreffende milieuvergunning, door de exploitant van de hinderlijke inrichting” vervangen door de zinsnede “decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, alle uitvoeringsbesluiten van dit decreet, alsook de bepalingen uit de betreffende omgevingsvergunning, door de exploitant van de hinderlijke inrichting of activiteit”.

 


Art. 117.

In artikel 35bis, § 6, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 27 juni 2003, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.


Art. 118.

In artikel 35ter van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 1990 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 

in paragraaf 2, eerste lid, a), wordt de zinsnede “het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid” en wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”;
in paragraaf 2, eerste lid, b), paragraaf 4, 1°, tweede alinea, en paragraaf 4, 2°, tweede alinea, e), wordt de zinsnede “milieu-” vervangen door de zinsnede “omgevings-”;
in paragraaf 4, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in punt 1°, tweede lid, wordt de zinsnede “milieu-” vervangen door de zinsnede “omgevings-”;
  b) in punt 2°, eerste lid, wordt de zinsnede “een milieudeskundige in de discipline water vermeld in hoofdstuk 1.3 van titel II van het Vlarem, die daarvoor is erkend overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater, die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid”;
  c) in punt 2°, tweede lid, e), wordt de zinsnede “milieu-” vervangen door de zinsnede “omgevings-”;
in paragraaf 7, 3°, a), en 5°, a), wordt de zinsnede “een overeenkomstig titel I van het Vlarem als hinderlijk ingedeelde inrichting” vervangen door de zinsnede “een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel van 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”;
in paragraaf 8, tweede lid, a), en vierde lid, a), wordt de zinsnede “een overeenkomstig titel I van het Vlarem als hinderlijk ingedeelde inrichting” vervangen door de zinsnede “een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”;
in paragraaf 10 wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.

 


Art. 119.

In artikel 35quinquies van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 1990 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 

in paragraaf 1 wordt de zinsnede “milieu-” vervangen door de zinsnede “omgevings-” en wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”;
in paragraaf 2 wordt de zinsnede “hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”.

Art. 120.

In artikel 35sexies, § 4, van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 1990 en vervangen bij het decreet van 25 juni 1992, wordt de zinsnede “door een door de regering erkend laboratorium, zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “door een laboratorium dat daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”.


Afdeling 3.
Wijzigingen van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder


Art. 121.

In artikel 5 van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder, vervangen bij het decreet van 27 maart 2009, wordt de zinsnede “hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”.


Art. 122.

In artikel 7 van dezelfde wet, vervangen bij het decreet van 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in het eerste lid wordt de zinsnede “hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”;
in het tweede lid wordt de zinsnede “hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”.

Afdeling 4.
Wijzigingen van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten


Art. 123.

In artikel 11 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het laatst gewijzigd bij het decreet van 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 4 worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”;
in paragraaf 4, derde lid, wordt de zinsnede “de stedenbouwkundige melding, vermeld in artikelen 94 en 96, § 1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening” telkens vervangen door de zinsnede “de melding voor stedenbouwkundige handelingen, vermeld in artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening”;
in paragraaf 4/1, 4/2 en 4/3 worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”;
in paragraaf 4/2, derde lid, wordt de zinsnede “door het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening” vervangen door de zinsnede “door het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”.

Art. 124.

In artikel 12/2, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in het eerste lid worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning voor het slopen” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor het slopen”;
in het tweede lid wordt de zinsnede “artikelen 119 en 120 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening” vervangen door de zinsnede “artikel 4.3.3 en 4.3.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening” en worden de woorden “stedenbouwkundige vergunningsprocedure” vervangen door het woord “omgevingsvergunningsprocedure”.

Afdeling 5.
Wijzigingen van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer


Art. 125.

In artikel 7, § 2, vijfde lid, van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, worden de woorden “Bestendige Deputatie van de provincie” vervangen door het woord “deputatie”.


Art. 126.

In artikel 9, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 20 december 1996 en vervangen bij het decreet van 1 maart 2013, wordt de zinsnede “hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”.


Art. 127.

In artikel 12 van hetzelfde decreet, hersteld bij het decreet van 1 maart 2013, wordt de zinsnede “hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”.


Art. 128.

In artikel 28ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 20 december 1996, vervangen bij het decreet van 22 december 1999 en gewijzigd bij de decreten van 21 december 2001, 7 mei 2004, 18 december 2009 en 23 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 2, 7°, a), wordt de zinsnede “een milieudeskundige die overeenkomstig titel II van het Vlarem is erkend in de discipline grondwater” vervangen door de zinsnede “een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”;
in paragraaf 3, eerste lid, 1°, a) en b), wordt de zinsnede “het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”.

Art. 129.

In artikel 28quater, § 2, 2°, 1) en 2), van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 20 december 1996 en vervangen bij het decreet van 23 december 2010, worden de woorden “van het Vlarem” vervangen door de zinsnede “van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”.


Art. 130.

In artikel 28quinquies, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 20 december 1996, vervangen bij het decreet van 22 december 2000 en gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2010, wordt de zinsnede “het decreet betreffende de milieuvergunning d.d. 28 juni 1985” vervangen door de zinsnede “titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”.


Afdeling 6.
Wijzigingen van het Bosdecreet van 13 juni 1990


Art. 131.

In artikel 47, tweede lid, van het Bosdecreet van 13 juni 1990, vervangen bij het decreet van 21 oktober 1997 en gewijzigd bij de decreten van 10 maart 2006, 12 december 2008, 20 april 2012 en 11 mei 2012, worden de woorden “de stedenbouwkundige vergunningsplicht voor ontbossing” vervangen door de woorden “de vergunningsplicht voor ontbossing”.


Art. 132.

In artikel 87, vijfde lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 10 maart 2006, 7 december 2007, 20 april 2012 en 11 mei 2012, worden de woorden “de stedenbouwkundige vergunningsplicht voor ontbossing” vervangen door de woorden “de vergunningsplicht voor ontbossing”.


Art. 133.

In artikel 90bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 oktober 1997, vervangen bij het decreet van 17 juli 2000 en gewijzigd bij de decreten van 21 december 2001, 7 december 2007, 12 december 2008, 23 december 2010 en 20 april 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “een stedenbouwkundige vergunning” vervangen door het woord “een omgevingsvergunning”, worden de woorden “Een stedenbouwkundige vergunning voor ontbossing of een verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “Een omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden” en wordt de zinsnede “de artikelen 4.1.1, 5°, 4.4.7, § 2, en 4.7.1, § 2,” vervangen door de zinsnede “artikel 4.1.1, 5°, en artikel 4.4.7, § 2,”; 
in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing of de verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden”;
in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing of een verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden”;
in paragraaf 2, 1°, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor ontbossing”;
in paragraaf 3, derde lid, worden de woorden “De stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing” vervangen door de woorden “De vergunning tot ontbossing”;
in paragraaf 5, eerste lid, worden de woorden “de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossen” vervangen door de woorden “de vergunning tot ontbossing”;
in paragraaf 5, derde lid, wordt de zinsnede “adviestermijn, zoals bepaald in artikelen 4.7.16 en 4.7.26, § 4, 2°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening,” vervangen door de zinsnede “adviestermijn, vermeld in artikel 26 en 43 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning,”.

Afdeling 7.
Wijzigingen van het decreet van 14 juli 1993 tot oprichting van het Grindfonds en tot regeling van de grindwinning


Art. 134.

In artikel 14bis, derde lid, van het decreet van 14 juli 1993 tot oprichting van het Grindfonds en tot regeling van de grindwinning, ingevoegd bij het decreet van 3 april 2009, worden de woorden “houder van de stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “houder van de omgevingsvergunning”.


Art. 135.

In artikel 20bis, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 3 april 2009, worden de woorden “houder van de stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “houder van de omgevingsvergunning”.


Afdeling 8.
Wijzigingen van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid


Art. 136.

In artikel 2.1.16 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1 wordt het woord “bestendige” opgeheven;
in paragraaf 2 wordt het woord “milieuvergunningscommissie” vervangen door het woord “omgevingsvergunningscommissie”.

 


Art. 137.

In artikel 2.1.17 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1 wordt het woord “milieuvergunningscommissie” vervangen door het woord “omgevingsvergunningscommissie”;
in paragraaf 1 en 2 wordt het woord “bestendige” telkens opgeheven.

 


Art. 138.

In artikel 2.1.19, § 1, van hetzelfde decreet wordt het woord “bestendige” opgeheven.


Art. 139.

In artikel 2.1.23 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1 wordt het woord “milieuvergunningscommissie” vervangen door het woord “omgevingsvergunningscommissie”;
in paragraaf 1, paragraaf 3, tweede lid, en paragraaf 6 wordt het woord “bestendige” telkens opgeheven.

 


Art. 140.

In artikel 2.1.23bis, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 28 april 2006, wordt het woord “bestendige” opgeheven.


Art. 141.

In artikel 3.1.2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij de decreten van 18 december 2002 en 21 december 2007, worden punt 1° en 2° vervangen door wat volgt:

 

“1° inrichtingen en activiteiten: de inrichtingen en activiteiten, vermeld in artikel 5.1.1, 8°, en artikel 5.1.1, 1°;

2° vergunningverlenende overheid: de overheid die de omgevingsvergunning, vermeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, kan afleveren;”.


Art. 142.

In artikel 3.2.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij de decreten van 27 maart 2009 en 23 december 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1, 3, 4, 5, eerste lid, en paragraaf 11 wordt het woord “inrichtingen” telkens vervangen door de woorden “inrichtingen of activiteiten”;
paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt: “§ 2. De Vlaamse Regering wijst de inrichtingen of activiteiten van de tweede klasse aan waarvoor de exploitant een milieucoördinator moet aanstellen.”;
in paragraaf 3 wordt het woord “inrichting” vervangen door de woorden “inrichting of activiteit”;
in paragraaf 11, tweede lid, wordt de zinsnede “hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “titel V, hoofdstuk 6”.

Art. 143.

In artikel 3.2.2, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2011 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in punt e) wordt het woord “inrichting” vervangen door de woorden “inrichting of activiteit”;

er wordt een punt f) toegevoegd, dat luidt als volgt:

“f) medewerking te verlenen en informatie aan te reiken bij de uitvoering van de evaluaties, vermeld in artikel 5.4.11.”.

 


Art. 144.

In artikel 3.2.3, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995, worden de woorden “sectorale voorwaarden” vervangen door de woorden “sectorale milieuvoorwaarden”.


Art. 145.

Aan hoofdstuk II van titel III van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij de decreten van 27 maart 2009, 23 december 2010 en 23 december 2011, wordt een artikel 3.2.6 toegevoegd dat luidt als volgt:

 

“Art. 3.2.6. De Vlaamse Regering bepaalt de informatie die in het kader van de toepassing van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en van titel V door de vergunningverlenende overheid, de exploitant of de milieucoördinator aan het Comité voor preventie en bescherming op het werk, bij ontstentenis daarvan aan de vakbondsafvaardiging of de werknemers, ter beschikking moet worden gesteld.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels uitvaardigen met het oog op het overleg over de bedrijfsinterne milieuzorg in de onderneming tussen de exploitant, afgevaardigde of de milieucoördinator enerzijds en het Comité voor preventie en bescherming op het werk, bij ontstentenis daarvan de vakbondsafvaardiging of de werknemers, anderzijds.”.


Art. 146.

In artikel 3.3.2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij de decreten van 6 februari 2004 en 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1 wordt het woord “inrichtingen” telkens vervangen door de woorden “inrichtingen of activiteiten”;
in paragraaf 5 wordt de zinsnede “hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “titel V, hoofdstuk 6”.

 


Art. 147.

In artikel 3.4.1, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995, wordt het woord “inrichting” telkens vervangen door de woorden “inrichting of activiteit” en worden de woorden “sectorale voorwaarden” vervangen door de woorden “sectorale milieuvoorwaarden”.


Art. 148.

In artikel 3.4.2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij het decreet van 21 december 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1 wordt het woord “inrichting” telkens vervangen door de woorden “inrichting of activiteit” en worden de woorden “sectorale voorwaarden” vervangen door de woorden “sectorale milieuvoorwaarden”;
in paragraaf 2 wordt het woord “inrichting” vervangen door de woorden “inrichting of activiteit”.

 


Art. 149.

In artikel 3.4.3, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2011, wordt de zinsnede “sectorale voorwaarden of in de vergunning, de exploitant van een inrichting” vervangen door de zinsnede “sectorale milieuvoorwaarden of in de omgevingsvergunning, de exploitant van een inrichting of activiteit”.


Art. 150.

In artikel 3.5.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in het eerste lid wordt het woord “inrichtingen” vervangen door de woorden “inrichtingen of activiteiten” en worden de woorden “sectorale voorwaarden” vervangen door de woorden “sectorale milieuvoorwaarden”;
in het tweede lid wordt het woord “inrichtingen” vervangen door de woorden “inrichtingen of activiteiten”.

 


Art. 151.

In artikel 3.7.1, § 1 en § 3, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij het decreet van 21 december 2007, wordt het woord “inrichting” vervangen door de woorden “inrichting of activiteit”.


Art. 152.

In artikel 4.1.1, § 1, 13°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij het decreet van 12 december 2008, wordt in punt 13° de zinsnede “overeenkomstig artikelen 41, 44 en 48 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening” telkens vervangen door de zinsnede “overeenkomstig de artikelen 2.2.6, 2.2.9 en 2.2.13 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening”.


Art. 153.

In artikel 4.1.6, § 1, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij het decreet van 27 april 2007, wordt de zinsnede “4.3.5, § 1, en 4.5.3, § 1” vervangen door de zinsnede “of in voorkomend geval bij haar advies als vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid, en artikel 4.5.2, § 4”.


Art. 154.

In artikel 4.1.7, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt het woord “daarover” vervangen door de woorden “over het rapport of de rapporten”.


Art. 155.

In artikel 4.3.2, § 1, § 2, § 2bis, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 23 maart 2012, wordt het tweede lid telkens vervangen door wat volgt:

 

“De verplichting tot het uitvoeren van een project-m.e.r. geldt niet voor de loutere hernieuwing van de omgevingsvergunning en de omzetting, vermeld in artikel 70 respectievelijk 390 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, tenzij de loutere hernieuwing van de vergunning of de omzetting betrekking heeft op activiteiten die fysieke ingrepen in het leefmilieu tot gevolg hebben.”.


Art. 156.

In artikel 4.3.3, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 23 maart 2012, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Er moet geen milieueffectrapport over het project worden opgesteld als de overheid, vermeld in het eerste lid, oordeelt dat:

een toetsing aan de criteria van bijlage II uitwijst dat het voorgenomen project geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu en een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten; of
vroeger al een plan-MER werd goedgekeurd betreffende een plan of programma waarin een project met vergelijkbare effecten beoordeeld werd of een project-MER werd goedgekeurd betreffende een project waarvan het voorgenomen initiatief een herhaling, voortzetting of alternatief is, en een nieuw project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten.”.

Art. 157.

In titel IV, hoofdstuk III, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij de decreten van 12 december 2008 en 23 maart 2012, wordt het opschrift van afdeling II vervangen door wat volgt: “Afdeling II. — Aanmelding en inhoudsafbakening van het voorgenomen project-MER”.


Art. 158.

Artikel 4.3.4 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt vervangen door wat volgt:

 

“Art. 4.3.4. § 1. Voor de initiatiefnemer de vergunningsaanvraag of in voorkomend geval de vergunningsaanvragen indient, meldt hij aan de administratie zijn voornemen om een project-MER op te stellen.

Die aanmelding bevat ten minste:

een beschrijving van het project, met inbegrip van een beknopte beschrijving van de overwogen alternatieven voor het project of voor onderdelen ervan;
de vergunningen die moeten worden aangevraagd en in voorkomend geval de bestaande vergunningstoestand;
een beschrijving van de te onderzoeken aanzienlijke effecten voor mens en milieu die het project vermoedelijk zal hebben;
een beschrijving van het procesverloop, met in voorkomend geval een beschrijving van het participatietraject;
in voorkomend geval alle beschikbare informatie over de mogelijke aanzienlijke grensoverschrijdende effecten van het project;
de relevante gegevens over de voorgestelde erkende MER-coördinator en het voorgestelde team van erkende MER-deskundigen, vermeld in artikel 4.3.6, en de taakverdeling tussen de deskundigen, op basis van de beschrijving, vermeld in punt 3°;
in voorkomend geval een verzoek tot advies over de te verstrekken informatie, vermeld in artikel 4.3.7;
in voorkomend geval de gronden voor de vraag tot onttrekking aan bekendmaking van de aanmelding of aangeduide delen ervan.

De administratie kan aan de initiatiefnemer steeds vragen om aanvullende informatie te verstrekken. De procedure kan pas worden voortgezet nadat de administratie de door haar gevraagde informatie heeft ontvangen.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de informatie die in de aanmelding opgenomen moet worden. Dit kan zowel gaan om aanvullende informatie die niet wordt vermeld in het tweede lid als om een verdere verduidelijking van de informatie vermeld in het tweede lid.

 

§ 2. Als uit de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, blijkt dat het project aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie of in verdragspartijen bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, ondertekend in Espoo op 25 februari 1991, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken, meldt de administratie het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie, met de vraag of ze hun commentaar aan de administratie kunnen meedelen. Die melding omvat ten minste de volgende informatie:

een afschrift van de aanmelding, vermeld in paragraaf 1;
een beschrijving van de rapportageprocedure die op het voorgenomen project van toepassing is; 3° informatie over de vergunningsplicht waaraan het voorgenomen project onderworpen is. De administratie brengt de initiatiefnemer ervan op de hoogte dat het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie gemeld werd.

 

§ 3. De administratie neemt een beslissing over de opstellers van het project-MER, vermeld in artikel 4.3.6, en deelt haar beslissing aan de initiatiefnemer mee binnen de termijn en op de wijze die wordt bepaald door de Vlaamse Regering.

 

§ 4. Als de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, een verzoek tot advies als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 7°, bevat, bezorgt de administratie een afschrift van de aanmelding voor advies aan de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen die de Vlaamse Regering heeft aangewezen.

 

Na ontvangst van de adviezen van de instanties, vermeld in het eerste lid, verleent de administratie een advies over de informatie die de initiatiefnemer overeenkomstig artikel 4.3.7 moet verstrekken. De administratie houdt bij haar advies rekening met de opmerkingen en commentaren van de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen in kwestie.

 

§ 5. De administratie maakt de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, binnen de door de Vlaamse Regering bepaalde termijn bekend op haar website.

 

Als de initiatiefnemer in de aanmelding een vraag stelde tot onttrekking aan bekendmaking van de aanmelding of delen ervan, maakt de administratie in haar beslissing een belangenafweging overeenkomstig artikel 15 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur. De administratie kan de gegevens in kwestie geheel of gedeeltelijk onttrekken aan bekendmaking. Als ze beslist tot gehele of gedeeltelijke onttrekking aan bekendmaking van de aangeduide gegevens, moet ze de gegevens die aan bekendmaking worden onttrokken, opnemen in een bijlage. De bijlage wordt niet bekendgemaakt.

 

Tegen de beslissing tot onttrekking aan bekendmaking staat beroep open overeenkomstig artikel 22 tot en met 27 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur.

 

§ 6. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de aanmeldingsprocedure, de grens- en gewestgrensoverschrijdende procedure en de procedure van adviesverlening vanwege de adviesinstanties en de administratie.

 

§ 7. De initiatiefnemer kan voorafgaand aan het indienen van de vergunningsaanvraag of vergunningsaanvragen aan de administratie vragen dat het project-MER inhoudelijk op zijn kwaliteit wordt getoetst. In de gevallen, vermeld in het eerste lid, toetst de administratie het project-MER inhoudelijk aan:

de beslissing, vermeld in paragraaf 3;
in voorkomend geval het advies, vermeld in paragraaf 4, tweede lid;
de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.3.7;
in voorkomend geval de adviezen, opmerkingen en commentaren van de bevoegde autoriteiten, vermeld in paragraaf 2.

 

Het resultaat van de toetsing leidt tot de voorlopige goed- of afkeuring van het project-MER. De administratie bezorgt haar beslissing over de voorlopige goed- of afkeuring van het project-MER binnen een door de Vlaamse Regering bepaalde termijn aan de initiatiefnemer.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de voorlopige goed- of afkeuring van het project-MER en voor de bekendmaking ervan.”.


Art. 159.

Artikel 4.3.5 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt opgeheven.


Art. 160.

In artikel 4.3.6 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zinsnede “de in artikel 4.3.5, § 1, bedoelde inhoudsafbakening en bijzondere richtlijnen” vervangen door de zinsnede “in voorkomend geval met het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid”;
in paragraaf 3 wordt de zin “De MER-coördinator en zijn team moeten in voorkomend geval de aanvullende bijzondere schriftelijke richtlijnen van de administratie, als aanvulling op de afgebakende inhoud en de bijzondere richtlijnen bedoeld in artikel 4.3.5, § 1, in acht nemen.” opgeheven.

Art. 161.

In artikel 4.3.7, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt de zinsnede “de beslissing, bedoeld in artikel 4.3.5, § 1,” vervangen door de zinsnede “het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid,”.


Art. 162.

Artikel 4.3.8 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt vervangen door wat volgt:

 

“Art. 4.3.8. § 1. Op de wijze, vermeld in de wetgeving van de desbetreffende vergunningsprocedure of -procedures, bezorgt de initiatiefnemer het project-MER aan de overheid die in eerste aanleg een beslissing zal nemen over de vergunningsaanvraag voor het project.

 

De initiatiefnemer kan aan de overheid, vermeld in het eerste lid, vragen dat bepaalde delen uit het project-MER aan het openbaar onderzoek binnen de vergunningsprocedure worden onttrokken. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de samenwerking en informatie-uitwisseling van de administratie met de administraties betrokken in de vergunningsprocedure.

 

§ 2. Na raadpleging van de adviesverlenende instanties, vermeld in het derde lid, en na afsluiting van het openbaar onderzoek van de vergunningsprocedure, toetst de administratie het project-MER inhoudelijk:

aan de beslissing, vermeld in artikel 4.3.4, § 3;
in voorkomend geval aan het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid;
aan de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.3.7;
aan de adviezen, opmerkingen en commentaren van de instanties en het publiek over het project-MER, verstrekt naar aanleiding van het openbaar onderzoek;
in voorkomend geval aan de adviezen, opmerkingen en commentaren van de bevoegde autoriteiten, vermeld in artikel 4.3.4, § 2, en het publiek over het project-MER, verstrekt naar aanleiding van het openbaar onderzoek in grensoverschrijdend verband.

 

Het resultaat van de toetsing wordt opgenomen in het project-MER-verslag en leidt tot de goed- of afkeuring van het project-MER.

 

De adviesverlenende instanties, vermeld in het eerste lid, zijn de instanties die de Vlaamse Regering heeft aangewezen en die vermeld zijn in de wetgeving van de desbetreffende vergunningsprocedure.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de wijze van raadpleging van de adviesverlenende instanties, vermeld in het eerste lid, en van de bevoegde autoriteiten, vermeld in het eerste lid, 5°, door de administratie.

 

§ 3. De administratie bezorgt haar beslissing over de goed- of afkeuring van het project-MER:

aan de initiatiefnemer;
in voorkomend geval aan de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, eerste lid;
aan de adviesverlenende instanties, vermeld in paragraaf 2, derde lid;
in voorkomend geval aan de bevoegde autoriteiten, vermeld in artikel 4.3.4, § 2;
aan de overheid die in eerste aanleg een beslissing over de vergunningsaanvraag voor het project zal nemen.

  

De beslissing bevat ook een afschrift van het project-MER-verslag, vermeld in paragraaf 2, tweede lid.

 

§ 4. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de goed- of afkeuring van het project-MER en voor de bekendmaking ervan.”.


Art. 163.

In artikel 4.3.9 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

 

1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:

 

“§ 1. Vanaf de betekening van de beslissing, vermeld in artikel 4.3.8, § 3, liggen het project-MER, het project-MER-verslag, vermeld in artikel 4.3.8, § 2, tweede lid, en in voorkomend geval het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid, ter inzage bij de administratie.”;

 

2° in paragraaf 2 wordt de zinsnede “artikel 8, § 5, van het decreet van 18 mei 1999” vervangen door de zinsnede “artikel 15 van het decreet van 26 maart 2004”;

 

3° in paragraaf 4 wordt de zinsnede “bedoeld in artikel 4.3.4, § 5” telkens vervangen door de zinsnede “vermeld in artikel 4.3.4, § 2”.


Art. 164.

In artikel 4.4.1, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt de zinsnede “het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening” vervangen door de zinsnede “de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening”.


Art. 165.

In artikel 4.5.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

  

1° in paragraaf 1, 2°, wordt de zinsnede “decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”;

 

2° aan paragraaf 1 wordt een tweede lid toegevoegd dat luidt als volgt:

 

“Voor de loutere hernieuwing van de omgevingsvergunning moet geen omgevingsveiligheidsrapport opgemaakt worden.”;

 

3° in paragraaf 3 worden de woorden “een reeds voor deze inrichting goedgekeurd omgevingsveiligheidsrapport kan worden gebruikt om te worden gevoegd bij de vergunningsaanvraag” vervangen door de woorden “er geen bijwerking nodig is van een reeds voor deze inrichting goedgekeurd omgevingsveiligheidsrapport”;

 

4° in paragraaf 6 worden de woorden “, het omgevingsveiligheidsrapport vermeld in paragraaf 3” opgeheven.


Art. 166.

Artikel 4.5.2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt vervangen door wat volgt:

 

“Art. 4.5.2. § 1. Voor de initiatiefnemer de vergunningsaanvraag indient, meldt hij aan de administratie zijn voornemen om een OVR op te stellen.

 

Die aanmelding bevat ten minste:

 

1° een beschrijving van het project, met inbegrip van een beknopte beschrijving van de overwogen alternatieven voor het project of voor onderdelen ervan;

 

2° de reden van de rapportageplicht van de inrichting;

 

3° de vergunningen die moeten worden aangevraagd en in voorkomend geval de bestaande vergunningstoestand;

 

4° een beschrijving van het procesverloop, met in voorkomend geval een beschrijving van het participatietraject;

 

5° in voorkomend geval de gegevens die de administratie nodig heeft voor het aanvangen van de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling, vermeld in paragraaf 2;

 

6° de relevante gegevens over de voorgestelde erkende deskundige, vermeld in artikel 4.5.5, in voorkomend geval aangevuld met de lijst van deskundigen die de erkende deskundige zullen bijstaan en de taakverdeling tussen de deskundigen;

 

7° overeenkomstig de vereisten van artikel 4.5.6 en van het v.r.-richtlijnenboek, een beschrijving van de inhoudelijke aanpak, met inbegrip van de methodologie van het OVR;

 

8° in voorkomend geval een verzoek tot advies over de te verstrekken informatie, vermeld in artikel 4.5.6;

 

9° in voorkomend geval de gronden voor de vraag tot onttrekking aan bekendmaking van de aanmelding of aangeduide delen ervan.

 

De administratie kan aan de initiatiefnemer steeds vragen om aanvullende informatie te verstrekken. De procedure kan pas worden voortgezet nadat de administratie de door haar gevraagde informatie heeft ontvangen.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de informatie die in aanmelding opgenomen moet worden. Dit kan zowel gaan om aanvullende informatie die niet wordt vermeld in het tweede lid als om een verdere verduidelijking van de informatie vermeld in het tweede lid.

 

§ 2. Als uit de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, blijkt dat het project ten gevolge van een zwaar ongeval betekenisvolle effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie of in verdragspartijen bij het verdrag betreffende de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen dat op 17 maart 1992 in Helsinki werd ondertekend, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken, meldt de administratie het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie, met de vraag of ze hun commentaar aan de administratie kunnen meedelen. Die melding omvat ten minste de volgende informatie:

een afschrift van de aanmelding, vermeld in paragraaf 1;
een beschrijving van de rapportageprocedure die op het voorgenomen project van toepassing is;
informatie over de vergunningsplicht waaraan het voorgenomen project onderworpen is.

 

De administratie brengt de initiatiefnemer ervan op de hoogte dat het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie werd gemeld.

 

§ 3. De administratie neemt een beslissing over de opstellers van het OVR, vermeld in artikel 4.5.5, en deelt haar beslissing aan de initiatiefnemer mee binnen de termijn en op de wijze die wordt bepaald door de Vlaamse Regering.

 

§ 4. Als de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, een verzoek tot advies als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 8°, bevat, verleent de administratie een advies over de informatie die de initiatiefnemer overeenkomstig artikel 4.5.6 moet verstrekken.

 

§ 5. De administratie maakt de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, binnen de door de Vlaamse Regering bepaalde termijn bekend op haar website.

 

Als de initiatiefnemer in de aanmelding een vraag stelde tot onttrekking aan bekendmaking van de aanmelding of delen ervan, maakt de administratie in haar beslissing een belangenafweging overeenkomstig artikel 15 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur. De administratie kan de gegevens in kwestie geheel of gedeeltelijk onttrekken aan bekendmaking. Als ze beslist tot gehele of gedeeltelijke onttrekking aan bekendmaking van de aangeduide gegevens, moet ze de gegevens die aan bekendmaking worden onttrokken, opnemen in een bijlage. De bijlage wordt niet bekendgemaakt.

 

Tegen de beslissing tot onttrekking aan bekendmaking staat beroep open overeenkomstig artikel 22 tot en met 27 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur.

 

§ 6. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de aanmeldingsprocedure, de grens- en gewestgrensoverschrijdende procedure en de procedure van adviesverlening vanwege de administratie.

 

§ 7. De initiatiefnemer kan voorafgaand aan het indienen van de vergunningsaanvraag aan de administratie vragen dat het OVR inhoudelijk op zijn kwaliteit wordt getoetst.

 

In de gevallen, vermeld in het eerste lid, toetst de administratie het OVR inhoudelijk aan:

de beslissing, vermeld in paragraaf 3;
de beschrijving van de inhoudelijke aanpak van het OVR, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 7°;
in voorkomend geval het advies, vermeld in paragraaf 4;
de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.5.6;
in voorkomend geval de adviezen, opmerkingen en commentaren van de bevoegde autoriteiten, vermeld in paragraaf 2.

Het resultaat van de toetsing leidt tot de voorlopige goed- of afkeuring van het OVR.

 

De administratie bezorgt haar beslissing over de voorlopige goed- of afkeuring van het OVR binnen een door de Vlaamse Regering bepaalde termijn aan de initiatiefnemer.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de voorlopige goed- of afkeuring van het OVR en voor de bekendmaking ervan.".


Art. 167.

Artikel 4.5.3 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt opgeheven.


Art. 168.

In artikel 4.5.5, § 3, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt de zinsnede “de aanvullende bijzondere schriftelijke richtlijnen van de administratie als aanvulling op de afgebakende inhoud, bedoeld in artikel 4.5.3, § 1, 1° en 2°,” vervangen door de zinsnede “het advies, vermeld in artikel 4.5.2, § 4,”.


Art. 169.

Artikel 4.5.7 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt vervangen door wat volgt:

 

“Art. 4.5.7. § 1. Op de wijze, vermeld in de wetgeving van de desbetreffende vergunningsprocedure, bezorgt de initiatiefnemer het OVR aan de overheid die in eerste aanleg een beslissing zal nemen over de vergunningsaanvraag voor het project.

 

De initiatiefnemer kan aan de overheid, vermeld in het eerste lid, vragen dat bepaalde delen uit het OVR aan het openbaar onderzoek binnen de vergunningsprocedure worden onttrokken. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de samenwerking en informatie-uitwisseling van de administratie met de administraties betrokken in de vergunningsprocedure.

 

§ 2. Na raadpleging van de adviesverlenende instanties en na afsluiting van het openbaar onderzoek van de vergunningsprocedure, toetst de administratie het OVR inhoudelijk:

aan de beslissing, vermeld in artikel 4.5.2, § 3;
aan de beschrijving van de inhoudelijke aanpak van het OVR, vermeld in artikel 4.5.2, § 1, tweede lid, 7°;
in voorkomend geval aan het advies, vermeld in artikel 4.5.2, § 4;
aan de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.5.6;
aan de adviezen, opmerkingen en commentaren van de instanties en het publiek over het OVR, verstrekt naar aanleiding van het openbaar onderzoek;
in voorkomend geval aan de adviezen, opmerkingen en commentaren van de bevoegde autoriteiten, vermeld in artikel 4.5.2, § 2, en het publiek over het OVR, verstrekt naar aanleiding van het openbaar onderzoek in grensoverschrijdend verband.

 

Het resultaat van de toetsing wordt opgenomen in het OVR-verslag en leidt tot de goed- of afkeuring van het OVR.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de wijze van raadpleging van de adviesverlenende instanties, vermeld in het eerste lid, en van de bevoegde autoriteiten, vermeld in het eerste lid, 5°, door de administratie.

 

§ 3. De administratie bezorgt haar beslissing over de goed- of afkeuring van het OVR:

aan de initiatiefnemer;
aan de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen die de Vlaamse Regering heeft aangewezen;
in voorkomend geval aan de bevoegde autoriteiten, vermeld in artikel 4.5.2, § 2;
aan de overheid die in eerste aanleg een beslissing zal nemen over de vergunningsaanvraag voor het project.

De beslissing bevat ook een afschrift van het OVR-verslag, vermeld in paragraaf 2, tweede lid.

 

§ 4. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de goed- of afkeuring van het OVR en de bekendmaking ervan.”.


Art. 170.

In artikel 4.5.8 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

 

1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:

 “§ 1. Vanaf de betekening van de beslissing, vermeld in artikel 4.5.7, § 3, liggen het OVR, het OVR-verslag, vermeld in artikel 4.5.7, § 2, tweede lid, en in voorkomend geval het advies, vermeld in artikel 4.5.2, § 4, ter inzage bij de administratie.”;

 

2° in paragraaf 2 wordt de zinsnede “artikel 8, § 5, van het decreet van 18 mei 1999” vervangen door de zinsnede “artikel 15 van het decreet van 26 maart 2004”;

 

3° in paragraaf 4 wordt de zinsnede “bedoeld in artikel 4.5.2, § 4” telkens vervangen door de zinsnede “vermeld in artikel 4.5.2, § 2”.


Art. 171.

In artikel 4.6.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en vervangen bij het decreet van 27 maart 2009, wordt de zinsnede “hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “titel V, hoofdstuk 6”.


Art. 172.

In artikel 4.6.2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

 

1° aan paragraaf 1 wordt een derde lid toegevoegd dat luidt als volgt:

“Het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid, omvat de bijzondere en in voorkomend geval de aanvullende bijzondere richtlijnen, vermeld in het tweede lid.”;

 

2° aan paragraaf 2 wordt een derde lid toegevoegd dat luidt als volgt:

“Het advies, vermeld in artikel 4.5.2, § 4, omvat de bijzondere en in voorkomend geval de aanvullende bijzondere richtlijnen, vermeld in het tweede lid.”.


Art. 173.

In artikel 4.6.4 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij de decreten van 27 april 2007 en 23 maart 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

 

in paragraaf 1, 1°, wordt punt b) opgeheven;
in paragraaf 1, 1°, wordt punt c) vervangen door wat volgt:
  “c) de afkeuring van het plan-MER, vermeld in artikel 4.2.10, § 2;”;
in paragraaf 1, 2°, wordt punt a) opgeheven;
in paragraaf 1, 2°, wordt punt b) vervangen door wat volgt:
  “b) de afkeuring van het ruimtelijk veiligheidsrapport, vermeld in artikel 4.4.4, § 2.”.

 


Art. 174.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt een titel V ingevoegd, die luidt als volgt:


“TITEL V. — Exploitatie van inrichtingen en activiteiten en erkende personen”.


Art. 175.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, ingevoegd bij artikel 174, een hoofdstuk 1 ingevoegd, dat luidt als volgt:


“HOOFDSTUK 1. — Definities en doelstelling”.


Art. 176.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 175, een afdeling 1 ingevoegd, die luidt als volgt:


“Afdeling 1. — Algemene definities”.


Art. 177.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 november 2012, wordt in titel V, hoofdstuk 1, afdeling 1, ingevoegd bij artikel 176, een artikel 5.1.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.1.1. In deze titel wordt verstaan onder:

1° activiteiten: de werken en handelingen, vermeld in de indelingslijst;

 

 2° decreet van 25 april 2014: het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;

 

3° emissie: de directe of indirecte uitstoot van stoffen, trillingen, warmte, licht of geluid uit puntbronnen of diffuse bronnen van inrichtingen en activiteiten in de lucht, het water of de bodem;

 

4° exploitant: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een ingedeelde inrichting exploiteert of voor de rekening van wie ze wordt geëxploiteerd;

 

5° exploiteren: het installeren, in werking stellen, gebruiken of in stand houden van ingedeelde inrichtingen of het aanvangen en uitvoeren van ingedeelde activiteiten;

 

6° GPBV-installatie: een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten en processen, vermeld in de indelingslijst, en aangeduid met de letter X in de vierde kolom van de indelingslijst, alsook andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met de voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;

 

7° indelingslijst: de lijst, vastgesteld door de Vlaamse Regering bestaande uit rubrieken die een omschrijving omvatten van de inrichtingen en activiteiten die ernstige risico’s of hinder voor de mens en het milieu kunnen inhouden;

 

8° ingedeelde inrichting of activiteit: één inrichting of activiteit en de aanhorigheden ervan op een bepaalde locatie of, in voorkomend geval, meerdere inrichtingen of activiteiten en de aanhorigheden ervan op een bepaalde locatie die voor hun exploitatie als een samenhangend technisch geheel moeten worden beschouwd. Het feit dat verschillende inrichtingen en activiteiten een verschillend eigendomsstatuut hebben belet niet dat ze door hun onderlinge technische samenhang als één ingedeelde inrichting of activiteit kunnen worden beschouwd;

 

9° inrichtingen: de bedrijven, werkplaatsen, opslagplaatsen, installaties, machines en toestellen, als omschreven in de indelingslijst;

 

10° mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten: de door de Vlaamse Regering aangewezen inrichtingen of activiteiten die vanwege hun aard op verschillende locaties al dan niet binnen een vergunde inrichting, kunnen worden ingezet;

 

11° tijdelijke inrichtingen en activiteiten: de door de Vlaamse Regering aangewezen inrichtingen en activiteiten die op tijdelijke basis, gedurende maximaal één jaar als ze verband houden met een bouwwerf of maximaal drie maanden in de overige gevallen, worden ingezet en waarvan de exploitatie geen blijvende gevolgen heeft voor de mens en het milieu;

 

12° veranderen van een ingedeelde inrichting of activiteit:

a) het wijzigen: het verplaatsen binnen de vergunde of gemelde inrichting of activiteit, of het aanwenden van een andere exploitatiemethode;
b) het uitbreiden: het vergroten in capaciteit, in drijfkracht of in oppervlakte op percelen waarop de geldende vergunning of melding betrekking heeft;
c) het toevoegen: het vergroten in opslagcapaciteit, in drijfkracht of in oppervlakte op percelen waarop de geldende vergunning of melding geen betrekking heeft;

 

13° verontreiniging: de directe of indirecte inbreng door menselijke activiteiten van stoffen, trillingen, warmte of geluid in lucht, water of bodem, die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kan aantasten, schade kan toebrengen aan materiële goederen, of de belevingswaarde van het milieu of een ander rechtmatig milieugebruik kan aantasten of in de weg kan staan.”.


Art. 178.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 175, een afdeling 2 ingevoegd, die luidt als volgt:


“Afdeling 2. — Definities van genetisch gemodificeerde organismen of pathogene organismen”.


Art. 179.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 1, afdeling 2, ingevoegd bij artikel 178, een artikel 5.1.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Artikel 5.1.2. In hoofdstuk V wordt verstaan onder:

 

1° genetisch gemodificeerd micro-organisme (ggm) of organisme (ggo): een micro-organisme of een organisme waarvan het genetische materiaal gewijzigd is op een wijze die van nature of door voortplanting of natuurlijke recombinatie niet mogelijk is;

  

2° pathogene organismen: fytopathogenen, menselijke pathogenen of zoöpathogenen;

  

3° ingeperkt gebruik: elke activiteit waarbij organismen genetisch worden gemodificeerd of waarbij dergelijke ggo’s of pathogene organismen worden gekweekt, opgeslagen, getransporteerd, vernietigd, verwijderd of anderszins gebruikt en waarbij specifieke inperkingsmaatregelen worden gebruikt om het contact van die organismen met de bevolking in het algemeen en het milieu te beperken;

 

4° kennisgeving: het indienen van documenten met de vereiste gegevens met het oog op het uitoefenen van activiteiten van risiconiveau 1 of 2;

 

5° toelating: het indienen van documenten met de vereiste gegevens met het oog op het verkrijgen van een toelating voor de uitoefening van activiteiten met risiconiveau 3 of 4.”.


Art. 180.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 175, een afdeling 3 ingevoegd, die luidt als volgt:


“Afdeling 3. — Doelstelling”.


Art. 181.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 1, afdeling 3, ingevoegd bij artikel 180, een artikel 5.1.3 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.1.3. Deze titel heeft tot doel:

 

1° de mens en het milieu te beschermen tegen onaanvaardbare risico’s en hinder, afkomstig van de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten.

  

De hinder en risico’s omvatten:

 

a) de hinder en risico’s als gevolg van de directe of indirecte inbreng van stoffen, trillingen, warmte, licht of geluid in lucht, water of bodem die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kunnen aantasten;

 

b) de risico’s op ongevallen als gevolg van de exploitatie en de gevolgen daarvan voor de gezondheid van de mens en het milieu;

 

c) de risico’s en de hinder door uitputting van hernieuwbare en niet-hernieuwbare hulpbronnen, de verspilling van materialen en energie in het algemeen alsook de schadelijke gevolgen voor mens en milieu, verbonden aan materiaalgebruik en -verbruik;

 

d) mobiliteitshinder.

 

De bescherming geldt eveneens ten aanzien van personen die zich binnen de inrichting bevinden en die niet dezelfde bescherming genieten als de werknemers of hun gelijkgestelden, vermeld in artikel 2 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitoefening van hun werk;

 

2° een erkenning in te stellen voor het uitoefenen van bepaalde functies, het verstrekken van opleidingen, het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses door rechtspersonen of natuurlijke personen.

 

Deze titel draagt bij tot de realisatie van de doelstellingen omschreven in artikel 1.2.1 van dit decreet.

 

Deze titel beoogt tevens een proces van permanente verbetering aan te moedigen bij de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten.”.


Art. 182.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, ingevoegd bij artikel 174, een hoofdstuk 2 ingevoegd, dat luidt als volgt:


“HOOFDSTUK 2. — Algemene beginselen inzake vergunnings- en meldingsplicht”.


Art. 183.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 182, een artikel 5.2.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.2.1. § 1. De Vlaamse Regering stelt de indelingslijst vast.

 

§ 2. In de indelingslijst bepaalt de Vlaamse Regering voor elke inrichting of activiteit of ze van de eerste, tweede of derde klasse is. Van de eerste klasse zijn de inrichtingen of activiteiten met de grootste risico’s of hinder. Van de derde klasse zijn de inrichtingen of activiteiten met de minste risico’s of hinder.

 

In de indelingslijst wijst de Vlaamse Regering ook de inrichtingen en activiteiten aan die tijdelijk, mobiel of verplaatsbaar zijn.

 

§ 3. Een ingedeelde inrichting of activiteit is van de eerste klasse als ze bestaat uit minstens één inrichting of activiteit die van de eerste klasse is.

 

In voorkomend geval omvat een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste klasse ook alle inrichtingen of activiteiten van de tweede en de derde klasse die samen op de locatie worden geëxploiteerd.

 

§ 4. Een ingedeelde inrichting of activiteit is van de tweede klasse als ze bestaat uit minstens één inrichting of activiteit die van de tweede klasse is, maar geen inrichting of activiteit omvat die van de eerste klasse is.

 

In voorkomend geval omvat een ingedeelde inrichting of activiteit van de tweede klasse ook alle inrichtingen of activiteiten van de derde klasse die samen op de locatie worden geëxploiteerd.

 

§ 5. Een ingedeelde inrichting of activiteit van de derde klasse bestaat uitsluitend uit inrichtingen of activiteiten van de derde klasse.

 

§ 6. Voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste of de tweede klasse of voor de verandering ervan is een omgevingsvergunning vereist als vermeld in artikel 6, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.

 

Voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de derde klasse of voor de verandering ervan is een meldingsakte vereist als vermeld in artikel 6, tweede lid, van het voormelde decreet.”.


Art. 184.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 2 van titel V, een artikel 5.2.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.2.2. De Vlaamse overheid houdt een databank bij van de omgevingsvergunningen die toelating verlenen voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten.

 

De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van die databank, de gegevens die door de gemeenten en de provincies aan de voormelde afdeling worden aangeleverd en de wijze waarop dat gebeurt.”.


Art. 185.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, ingevoegd bij artikel 174, een hoofdstuk 3 ingevoegd, dat luidt als volgt:


“Hoofdstuk 3. Beoordelingscriteria”.


Art. 186.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 3, ingevoegd bij artikel 185, een artikel 5.3.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.3.1. De vergunningverlenende overheid weigert de omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ingedeelde inrichting of activiteit, als de exploitatie:

 

onaanvaardbare risico’s of hinder voor de mens en het milieu inhoudt die niet door algemene, sectorale of bijzondere milieuvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden herleid;
in strijd is met:
  a) een wettelijke, decretale of reglementaire bepaling, ingesteld ter bescherming van de mens en het milieu tegen de risico’s en de hinder, afkomstig van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, voor zover daarvan niet op geldige wijze kan worden afgeweken;
  b) een stedenbouwkundig voorschrift of een verkavelingsvoorschrift, voor zover daarvan niet op geldige wijze kan worden afgeweken;
  c) de goede ruimtelijke ordening.”.

 


Art. 187.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, ingevoegd bij artikel 174, een hoofdstuk 4 ingevoegd, dat luidt als volgt:


“Hoofdstuk 4. Milieuvoorwaarden en evaluaties”.


Art. 188.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 187, een afdeling 1 ingevoegd, die luidt als volgt:


“Afdeling 1. — Algemeen”.


Art. 189.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, afdeling 1, ingevoegd bij artikel 188, een artikel 5.4.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.4.1. De Vlaamse Regering stelt de algemene en sectorale milieuvoorwaarden vast. De algemene en sectorale milieuvoorwaarden beogen het voorkomen en beperken van onaanvaardbare hinder en risico’s die de betrokken inrichtingen en activiteiten kunnen veroorzaken. In voorkomend geval beogen ze tevens het ongedaan maken van de schade die de exploitatie van de inrichting of activiteit heeft toegebracht aan het milieu.

 

De Vlaamse Regering kan voorwaarden vaststellen ter bescherming van de mens en het milieu tegen bepaalde vormen van hinder en risico’s afkomstig van niet-ingedeelde inrichtingen of activiteiten.”.


Art. 190.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 1 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.4.2. De algemene milieuvoorwaarden gelden voor alle ingedeelde inrichtingen of activiteiten.

 

De sectorale milieuvoorwaarden gelden voor bepaalde types van ingedeelde inrichtingen of activiteiten.

 

De milieuvoorwaarden voor niet-ingedeelde inrichtingen of activiteiten gelden voor de niet-ingedeelde inrichtingen of activiteiten die de Vlaamse Regering aanwijst.”.


Art. 191.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 1 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.3 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.4.3. § 1. Bij de vaststelling van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden wordt voor een geïntegreerde aanpak gezorgd en wordt een hoog niveau van bescherming van de mens en het milieu gewaarborgd tegen de risico’s en de hinder afkomstig van de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten.

 

De milieuvoorwaarden, vermeld in het eerste lid, worden op de beste beschikbare technieken gebaseerd. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de beste beschikbare technieken vastgesteld worden.

 

§ 2. Bij de vaststelling van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden houdt de Vlaamse Regering rekening met:

 

1° de geldende milieukwaliteitsnormen, met inbegrip van de bijzondere milieukwaliteitsnormen;

 

2° de bestaande toestand van het milieu en van de gezondheid van de mens, voor zover die gezondheid wordt beïnvloed door de toestand van het milieu, telkens voor zover de betrokken inrichtingen en activiteiten hier risico’s of hinder voor kunnen veroorzaken;

 

3° de ligging van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten in of nabij gebieden die een bijzondere bescherming behoeven of hindergevoelige objecten;

 

4° het feit dat de hinder en de risico’s afkomstig van de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen en activiteiten moeten worden beperkt tot een aanvaardbaar niveau.

 

§ 3. Met het oog op de bescherming van de mens en het milieu kunnen de milieuvoorwaarden bepalingen bevatten die de toelaatbaarheid van bepaalde ingedeelde inrichtingen en activiteiten in of nabij sommige gebieden of hindergevoelige objecten beperken of verbieden.

 

§ 4. Waar mogelijk geven de algemene en sectorale milieuvoorwaarden de concrete doelstellingen aan die de betrokkenen op de door hen te bepalen wijze moeten verwezenlijken. Zij kunnen ook aangeven welke middelen moeten worden aangewend. Waar mogelijk geven ze dan ook aan welk beschermingsniveau of welke doelstelling hiermee wordt nagestreefd.”.


Art. 192.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 1 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.4 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.4.4. Het voorontwerp van besluit van de Vlaamse Regering inzake vaststelling van algemene en sectorale milieuvoorwaarden wordt gedurende een termijn van dertig dagen gepubliceerd op de website van de afdeling bevoegd voor de omgevingsvergunning van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie.

 

Het voorontwerp van besluit is gedurende dezelfde termijn ter inzage bij de afdeling bevoegd voor de omgevingsvergunning van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie.

 

Gedurende deze termijn kan elke persoon zijn opmerkingen aan deze afdeling meedelen.

 

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels inzake bekendmaking en inspraak van de bevolking.”.


Art. 193.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 187, een afdeling 2 ingevoegd, die luidt als volgt:

 

“Afdeling 2. — Onderlinge verhouding tussen de algemene milieuvoorwaarden, de sectorale milieuvoorwaarden en de bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 72 en 113 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”.


Art. 194.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, afdeling 2, ingevoegd bij artikel 193, een artikel 5.4.5 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.4.5. De sectorale milieuvoorwaarden kunnen de algemene milieuvoorwaarden aanvullen of stellen bijkomende eisen.

 

De sectorale milieuvoorwaarden kunnen strenger zijn dan de algemene milieuvoorwaarden.

 

De sectorale milieuvoorwaarden kunnen om technische redenen in minder strenge zin afwijken van de algemene milieuvoorwaarden, in de gevallen die door de Vlaamse Regering worden bepaald.”.


Art. 195.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 2 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.6 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.4.6. De bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 72 en 113 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning vullen de algemene en sectorale milieuvoorwaarden aan of stellen bijkomende eisen.

 

De voormelde bijzondere milieuvoorwaarden kunnen strenger zijn dan de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, behalve als het andersluidend bepaald is door de Vlaamse Regering.

 

De voormelde bijzondere milieuvoorwaarden kunnen om technische redenen in minder strenge zin afwijken van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden in de gevallen die door de Vlaamse Regering worden bepaald in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden.”.


Art. 196.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 2 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.7 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.4.7. Tenzij anders bepaald door de Vlaamse Regering zijn de algemene en sectorale milieuvoorwaarden al dan niet na afloop van een door de Vlaamse Regering te bepalen overgangstermijn van toepassing op inrichtingen en activiteiten die op de datum van inwerkingtreding van het besluit houdende milieuvoorwaarden zijn vergund of waarvoor een meldingsakte bestaat. In afwijking hiervan blijven de strengere bijzondere milieuvoorwaarden uit de op die datum lopende vergunning of uit de geldende beslissing verder gelden.”.


Art. 197.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 187, een afdeling 3 ingevoegd, die luidt als volgt:


“Afdeling 3. — Afwijking van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden”.


Art. 198.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, afdeling 3, ingevoegd bij artikel 197, een artikel 5.4.8 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.4.8. De Vlaamse Regering bepaalt door wie, in welke gevallen, de voorwaarden waaronder en de grenzen waarbinnen een afwijking van de algemene of sectorale milieuvoorwaarden toegestaan kan worden en stelt de verdere regels voor de indiening en de behandeling van en de beslissing over de afwijkingsaanvraag, met inbegrip van de bekendmaking ervan, vast.”.


Art. 199.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 187, een afdeling 4 ingevoegd, die luidt als volgt:


“Afdeling 4. — Verplichtingen van de exploitant”.


Art. 200.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, afdeling 4, ingevoegd bij artikel 199, een artikel 5.4.9 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.4.9. § 1. De exploitant van een ingedeelde inrichting of activiteit is verplicht de algemene, sectorale en bijzondere milieuvoorwaarden na te leven.

 

§ 2. Ongeacht de verleende omgevingsvergunning treft de exploitant altijd de nodige maatregelen om schade, hinder, incidenten en ongevallen die de mens of het milieu aanzienlijk beïnvloeden, te voorkomen.

 

Ongeacht de verleende omgevingsvergunning treft de exploitant, in geval van incidenten en ongevallen die de mens of het milieu aanzienlijk beïnvloeden, onmiddellijk de nodige maatregelen om de gevolgen ervan voor de mens en het milieu te beperken en om verdere mogelijke incidenten en ongevallen te voorkomen.”.


Art. 201.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 4 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.10 ingevoegd, dat luidt als volgt:


“Art. 5.4.10. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de verplichtingen van de exploitant, vermeld in artikel 5.4.9.”.


Art. 202.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 187, een afdeling 5 ingevoegd, die luidt als volgt:


“Afdeling 5. — Evaluaties”.


Art. 203. [...]

Art. 204.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 5 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.12 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.4.12. § 1. De bevoegde dienst van de gemeente wordt belast met de coördinatie en de uitvoering van de evaluaties van ingedeelde inrichtingen of activiteiten die behoren tot projecten waarvoor het college van burgemeester en schepenen bevoegd is om in eerste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing te nemen.

 

De Vlaamse Regering bepaalt de gevallen waarin de provinciale omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, voor het uitvoeren van de evaluaties een advies verleent aan het college van burgemeester en schepenen.

 

§ 2. De provinciale en de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, worden belast met de coördinatie en de uitvoering van de evaluaties van ingedeelde inrichtingen of activiteiten die behoren tot projecten waarvoor respectievelijk de deputatie en het Vlaamse Gewest bevoegd zijn om in eerste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing te nemen.

 

De adviesinstanties die overeenkomstig artikel 24, eerste lid, [...] van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning zijn aangewezen om voor de ingedeelde inrichting of activiteit een advies te verlenen, verlenen advies in het kader van een evaluatie van de provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie.

 

§ 3. De Vlaamse Regering stelt de termijnen vast waarbinnen de in paragraaf 1 en 2 vermelde adviezen moeten worden uitgebracht. Als geen advies wordt uitgebracht binnen de vastgestelde termijn wordt de adviesinstantie of de adviserende provinciale omgevingsvergunningscommissie geacht van oordeel te zijn dat er geen bijstelling van de milieuvoorwaarden moet plaatsvinden.”.


Art. 205.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 5 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.13 ingevoegd, dat luidt als volgt:


“Art. 5.4.13. De bevoegde dienst van de gemeente, de provinciale en de gewestelijke omgevingvergunningscommissie kunnen voor de uitvoering van de evaluaties informatie vragen bij de exploitant of bij de bevoegde
toezichthouder, vermeld in titel XVI.”.


Art. 206.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 5 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.14 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.4.14. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van de evaluaties.”.


Art. 207.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, ingevoegd bij artikel 174, een hoofdstuk 5 ingevoegd, dat luidt als volgt:


“Hoofdstuk 5. — Genetisch gemodificeerde organismen of pathogene organismen”.


Art. 208.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 5, ingevoegd bij artikel 207, een artikel 5.5.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:


‘‘Art. 5.5.1. § 1. Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een kennisgevingsdossier of toelatingsaanvraag met betrekking tot genetisch gemodificeerde organismen, genetisch gemodificeerde micro-organismen of pathogenen indient, is een dossiertaks verschuldigd.


De opbrengst van de dossiertaks, vermeld in het eerste lid, wordt rechtstreeks en integraal in het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur gestort.


§ 2. De dossiertaks bedraagt:
1° voor een toelatingsaanvraag bij een eerste of een volgend ingeperkt gebruik van niveau 2, 3 of 4: 500 euro;
2° voor een kennisgeving van een eerste ingeperkt gebruik risiconiveau 1 of een kennisgeving van een volgend ingeperkt gebruik van risiconiveau 2: 100 euro.


§ 3. De Vlaamse Regering kan nadere regels inzake de dossiertaks vaststellen.”.


Art. 209.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 5 van titel V een artikel 5.5.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.5.2. § 1. Voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, ingedeeld in de eerste of de tweede klasse is, naast de omgevingsvergunning voor de inrichting bestemd voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, een kennisgeving of toelating vereist.

 

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de kennisgeving gebeurt en de toelating wordt aangevraagd en behandeld. De Vlaamse Regering wijst de overheid aan die de toelatingen verleent en de kennisgevingen ontvangt. De overheid die de toelating verleent, kan voorwaarden aan de toelating verbinden.

 

§ 2. De toelating kan alleen verleend worden zodra de omgevingsvergunning voor de inrichting, bestemd voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, verleend is.

 

De kennisgeving voor het ingeperkte gebruik, ingedeeld in de eerste of de tweede klasse, heeft op zijn vroegst uitwerking nadat de omgevingsvergunning voor de inrichting, bestemd voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, verleend is.

 

§ 3. Als de omgevingsvergunning, vermeld in paragraaf 1, vervalt, vervalt het recht om het ingeperkte gebruik voort te zetten.

 

Als de omgevingsvergunning, vermeld in paragraaf 1, afloopt, ingetrokken, geschorst, opgeheven of vernietigd is, wordt het recht om het ingeperkte gebruik voort te zetten geschorst zolang de omgevingsvergunning is geschorst of totdat de omgevingsvergunning, vermeld in paragraaf 1, verkregen is.

 

In ieder geval vervalt het recht het ingeperkte gebruik voort te zetten als de einddatum, vermeld in de toelating, verstreken is.

 

§ 4. De voorwaarden die door de bevoegde overheid aan de toelating verbonden worden, worden beschouwd als de voorwaarden, vermeld in artikel 72 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.”.


Art. 210.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, ingevoegd bij artikel 174, een hoofdstuk 6 ingevoegd, dat luidt als volgt:


“HOOFDSTUK 6. — Erkenningen”.


Art. 211.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 6, ingevoegd bij artikel 210, een artikel 5.6.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.6.1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de erkenningen voorgeschreven bij of krachtens titel V en de andere titels van dit decreet, voor zover die titels naar de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk verwijzen.

 

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn ook van toepassing op de erkenningen, voorgeschreven bij of krachtens andere wetten en decreten, voor zover die wetten en decreten naar de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk verwijzen.”.


Art. 212.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 6 van titel V een artikel 5.6.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.6.2. De uitoefening van bepaalde functies, het verstrekken van opleidingen, het nemen van monsters en de uitvoering van metingen, beproevingen en analyses door rechtspersonen of natuurlijke personen kan afhankelijk worden gemaakt van het voorafgaand verkrijgen van een erkenning.

 

De erkenningen, vermeld in het eerste lid, worden op grond van de aard ervan in categorieën ingedeeld.

 

De rechtspersonen of natuurlijke personen die in het bezit zijn van een bepaalde titel die door de Vlaamse overheid of door een door haar erkende organisatie is uitgereikt, krijgen van rechtswege een erkenning als vermeld in het eerste lid.

 

Rechtspersonen of natuurlijke personen die in het bezit zijn van een bepaalde titel die in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in België is uitgereikt door een andere overheid of organisatie dan de overheid of organisatie, vermeld in het derde lid, en waarvan ten aanzien van een bepaalde erkenning voorafgaandelijk de gelijkwaardigheid is vastgesteld, krijgen van rechtswege een erkenning als vermeld in het eerste lid.

 

In afwijking van het eerste lid kan bij een tijdelijke en incidentele uitoefening van de erkenningsplichtige handelingen, vermeld in het eerste lid, voor een persoon die niet is gevestigd in het Vlaamse Gewest alleen een voorafgaande kennisgeving worden vereist. Die procedure wordt ingesteld op voorwaarde dat door de aard van de specifieke handelingen een tijdelijke en incidentele uitoefening in redelijkheid mogelijk is en de voorwaarden alleen betrekking hebben op het bezit van beroepskwalificaties.

 

De Vlaamse Regering bepaalt voor welke functies, opleidingen en handelingen als vermeld in het eerste lid, de erkenningsplicht en, in voorkomend geval, de kennisgevingsplicht, vermeld in het vijfde lid, geldt. Ze stelt tevens de nadere regels vast met het oog op de uitvoering van de bepalingen van de leden 2 tot en met 5.”.


Art. 213.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 6 van titel V een artikel 5.6.3 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.6.3. De Vlaamse Regering stelt voor de verschillende categorieën van erkenningen de nadere regels vast voor de aanvraag, weigering of verlening en bekendmaking van erkenningen. Ze bepaalt de adviezen die worden ingewonnen en de wijze waarop ze worden uitgebracht. Ze wijst ook de overheden en organisaties aan die uitspraak doen over de erkenningsaanvragen met een met redenen omkleed besluit.

 

Op zijn verzoek wordt de aanvrager van een erkenning gehoord door de overheden of organisaties, vermeld in het eerste lid. Die overheden of organisaties kunnen zelf het initiatief nemen om de aanvrager over zijn aanspraken op een erkenning te horen.

 

De erkenning wordt verleend als voldaan is aan de voorwaarden die per categorie van erkenning of per erkenning door de Vlaamse Regering zijn vastgesteld en die voorafgaand aan de erkenningsaanvraag zijn bekendgemaakt.

 

Bij de toepassing van de voorwaarden, vermeld in het derde lid, wordt rekening gehouden met gelijkwaardige voorwaarden waaraan de aanvrager in een andere Europese lidstaat of in een ander gewest in België al heeft voldaan.”.


Art. 214.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 6 van titel V een artikel 5.6.4 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.6.4. § 1. De overheid of organisatie die over de erkenningsaanvraag uitspraak moet doen, bevestigt binnen dertig dagen de ontvangst van het dossier van de aanvrager en deelt in voorkomend geval mee welke documenten ontbreken. Binnen een termijn van negentig dagen na de indiening van het volledige dossier wordt door de bevoegde overheid of organisatie uitspraak gedaan. De bevoegde overheid of organisatie kan die termijn met maximaal dertig dagen verlengen.

 

§ 2. De Vlaamse Regering kan de erkenningen aanwijzen die geacht worden stilzwijgend te zijn verkregen als geen beslissing over de erkenningsaanvraag wordt betekend binnen de door haar vastgestelde termijn.

 

De Vlaamse Regering kan daartoe alleen besluiten nadat ze tot de vaststelling is gekomen dat de belangenafweging door de overheden en organisaties, vermeld in artikel 5.6.3, eerste lid, bij hun beslissingen over erkenningsaanvragen, niet in alle gevallen noodzakelijk is om dwingende reden van algemeen belang, met inbegrip van een rechtmatig belang van een derde partij.”.


Art. 215.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 6 van titel V een artikel 5.6.5 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.6.5. Het gebruik van erkenningen kan aan gebruikseisen worden onderworpen. Die gebruikseisen kunnen periodieke evaluaties inhouden waarvan het resultaat het verval van rechtswege van de erkenning tot gevolg kan hebben.

 

De Vlaamse Regering stelt de gebruikseisen vast, alsook de nadere regels voor het verval van rechtswege van de erkenningen.”.


Art. 216.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 6 van titel V een artikel 5.6.6 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.6.6. Met behoud van de toepassing van de bepalingen van titel XVI kunnen de door de Vlaamse Regering aangewezen overheden de erkenning schorsen of opheffen.

 

De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen tot schorsing of opheffing kan worden overgegaan. De houder van de erkenning wordt gehoord op zijn verzoek. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de procedure die gevolgd moet worden bij schorsing of opheffing van de erkenning.”.


Art. 217.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 6 van titel V een artikel 5.6.7 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.6.7. Aan elke rechtspersoon of natuurlijke persoon die een erkenningsaanvraag indient, kan voor de behandeling van de erkenningsaanvraag een retributie worden gevraagd. Dezelfde retributie kan worden gevraagd voor de uitoefening van het toezicht op de erkennings- en gebruikseisen. De Vlaamse Regering bepaalt voor welke erkenningen of toezichtverplichtingen een retributie is verschuldigd en stelt de bedragen vast, alsook de wijze waarop aan de retributie moet worden voldaan.”.


Art. 218.

In artikel 10.2.3, § 4, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 7 mei 2004 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2005, wordt de zinsnede “decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”.


Art. 219.

In artikel 10.3.3, § 2, 6°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 7 mei 2004, wordt de zinsnede "het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V".


Art. 220. [...]

Afdeling 9.
Wijzigingen van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten


Art. 221. In artikel 44, § 2, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, hernummerd bij het decreet van 20 december 1996 en gewijzigd bij het decreet van 10 maart 2006, wordt de zinsnede “het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende de vaststelling van het Vlaamse Reglement betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”.

Afdeling 10.
Wijzigingen van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996


Art. 222. In artikel 42, § 2, 1°, van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, gewijzigd bij het decreet van 24 maart 2006, worden de woorden “geen stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “geen omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 223.

In artikel 43 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 8 juli 1997 en gewijzigd bij de decreten van 7 juli 1998, 7 mei 2004, 24 december 2004 en 23 december 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

 

1° de woorden “stedenbouwkundige vergunning” worden telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”;

 

2° in het eerste lid worden de woorden “de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar” telkens vervangen door de woorden “de gemeentelijke omgevingsambtenaar”.


Afdeling 11.
Wijzigingen van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg


Art. 224.

Artikel 25 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, ingevoegd bij het decreet van 13 februari 2004, wordt vervangen door wat volgt:

 

“Art. 25. Als een vergunningsaanvraag niet uitgaat van een administratieve overheid en de ankerplaatsen niet zijn opgenomen in de ruimtelijke uitvoeringsplannen of de plannen van aanleg, vormen de ankerplaatsen geen beoordelingsgrond voor:

 

1° de omgevingsvergunning, vermeld in artikel 6, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;

 

2° het planologisch of stedenbouwkundig attest, vermeld in de artikelen 4.4.24 en 5.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;

 

3° de natuurvergunning, vermeld in de artikelen 9, § 2, tweede lid, 1°, en 13, § 3 tot § 5, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.”.


Afdeling 12.
Wijzigingen van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode


Art. 225. In artikel 33, § 1, vierde lid, 8°, e), van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, ingevoegd bij het decreet van 27 maart 2009, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Afdeling 13.
Wijzigingen aan het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu


Art. 226. [... vernietigd bij arrest 125/2016 van het Grondwettelijk Hof van 6 oktober 2016 ]

Afdeling 14.
Wijzigingen van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending


Art. 227.

In artikel 16sexies, § 4, van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending, ingevoegd bij het decreet 21 december 2007 en gewijzigd bij het decreet van 19 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

 

1° in het derde lid wordt punt a) vervangen door wat volgt:

 

“a) als het gaat om een krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ingedeelde inrichting of activiteit moet de exploitatie gemeld of vergund zijn conform de bepalingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;”;

 

2° in het zevende lid wordt punt a) vervangen door wat volgt:

 

“a) als het gaat om een krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ingedeelde inrichting of activiteit, een afschrift van de melding of lopende vergunning voor de exploitatie van de individuele behandelingsinstallatie(s) voor afvalwater;”.


Afdeling 15.
Wijziging van het decreet van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen


Art. 228.

In artikel 2, 4°, van het decreet van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen, wordt het woord “milieuvergunningsplichtige” vervangen door de zinsnede “krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ingedeelde”.


Afdeling 16.
Wijzigingen van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid


Art. 229.

In artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

 

1° in paragraaf 1, derde lid, wordt de zinsnede “stedenbouwkundig of planologisch attest, vermeld in artikelen 135, § 2, en 145ter, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening” vervangen door de zinsnede “planologisch of stedenbouwkundig attest, vermeld in artikelen 4.4.24 en 5.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening”;

 

2° in paragraaf 5, eerste lid, worden punt 1° en 2° vervangen door wat volgt:

“1° de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden van een project, vermeld in artikel 5, 1°, a) en b), van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;

 

2° als dat relevant is, gelet op het voorwerp van de vergunningsaanvraag, de omgevingsvergunning voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten van een project, vermeld in artikel 5, 1°, c), van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;”;

 

3° in paragraaf 5, tweede lid, 1°, wordt de zinsnede “in het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996” vervangen door de zinsnede “in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening”.


Art. 230.

In artikel 60, § 3, 2°, c), van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 16 juli 2010, wordt de zinsnede “de inrichtingen, vermeld in artikel 41bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning,” vervangen door de zinsnede “de GPBV-installaties, aangewezen in de indelingslijst, vermeld in artikel 7.2.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid,”.


Afdeling 17.
Wijziging van het decreet van 6 februari 2004 tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid voor wat betreft de milieuaudit en tot aanvulling ervan met een titel milieuvoorwaarden


Art. 231.

De artikelen 2, 3, 10 en punt 1° en 2° van artikel 11, van het decreet van 6 februari 2004 tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid voor wat betreft de milieuaudit en tot aanvulling ervan met een titel milieuvoorwaarden, worden opgeheven.


Afdeling 18.
Wijzigingen van het decreet van 30 april 2004 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel "Strategische adviesraad" en tot wijziging van diverse andere decreten


Art. 232. Artikel 5 van het decreet van 30 april 2004 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel “Strategische adviesraad” en tot wijziging van diverse andere decreten, wordt ingetrokken.

Afdeling 19.
Wijzigingen van het decreet van 7 juli 2006 betreffende de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur


Art. 233. In artikel 41, § 1, van het decreet van 7 juli 2006 betreffende de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Afdeling 20.
Wijzigingen van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming


Art. 234.

In artikel 2 van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, gewijzigd bij de decreten van 12 december 2008 en 25 mei 2012, wordt punt 31° opgeheven.


Art. 235.

In artikel 7, § 1, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt het woord “Bestendige” opgeheven.


Art. 236.

In artikel 11 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2012, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:


“1° als op de grond waar de bodemverontreiniging tot stand is gekomen, een inrichting of activiteit gevestigd is die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid: de exploitant, vermeld in titel V;”.


Art. 237.

In artikel 16 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 12 december 2008 en 25 mei 2012, wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt:


“§ 2. Als de emissie waardoor de bodemverontreiniging tot stand is gebracht afkomstig is van een inrichting of activiteit die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, is de exploitant van de inrichting of activiteit, vermeld in titel V, echter aansprakelijk.”.


Art. 238.

In artikel 22, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2012, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:


“1° als op de grond waar de bodemverontreiniging tot stand is gekomen, een inrichting of activiteit gevestigd is die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid: de exploitant vermeld in titel V;”.


Art. 239.

In artikel 33bis, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 mei 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in het eerste lid wordt de zinsnede “risico-inrichtingen die vergunningsplichtig zijn overeenkomstig artikel 4, § 1, van het Milieuvergunningsdecreet” vervangen door de zinsnede “risico-inrichtingen die vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”;


2° in het tweede lid wordt het woord “milieuvergunningsaanvraag” vervangen door het woord “omgevingsvergunningsaanvraag”.


Art. 240.

In titel III, hoofdstuk V, afdeling I, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2012, wordt in het opschrift van onderafdeling V de zinsnede “melding, milieuvergunning of stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “meldingsakte of omgevingsvergunning”.


Art. 241.

Artikel 54 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2012, wordt vervangen door wat volgt:


“Art. 54. Als de bodemsaneringswerken handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of krachtens titel IV, hoofdstuk II, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, geldt het conformiteitsattest als meldingsakte of omgevingsvergunning.”.


Art. 242.

In hoofdstuk V, afdeling II, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 12 december 2008, wordt in het opschrift van onderafdeling V het woord “milieuvergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.


Art. 243.

In artikel 69 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2012, wordt paragraaf 3 vervangen door wat volgt:


“§ 3. Als de veiligheidsmaatregelen handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of krachtens titel IV, hoofdstuk II, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, geldt het conformiteitsattest als meldingsakte of omgevingsvergunning.”.


Art. 244.

In artikel 70 van hetzelfde decreet wordt paragraaf 3 vervangen door wat volgt:


“§ 3. Als de voorzorgsmaatregelen handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of krachtens titel IV, hoofdstuk II, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, geldt het conformiteitsattest als meldingsakte of omgevingsvergunning.”.


Art. 245.

In artikel 75, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2012, wordt punt 2° vervangen door wat volgt:


“2° een grond waarop een inrichting of activiteit is gevestigd die krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ingedeeld wordt in de eerste klasse;”.


Art. 246.

Artikel 77 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2012, wordt vervangen door wat volgt:


“Art. 77. Als de maatregelen, vermeld in artikel 76, § 2, handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of krachtens titel IV, hoofdstuk II, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, geldt de beslissing van de bevoegde overheid, vermeld in artikel 76, § 2, als meldingsakte of omgevingsvergunning.”.


Art. 247.

In artikel 80 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2012, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:


“1° de exploitant, vermeld in titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, als op de grond waar de bodemverontreiniging tot stand is gekomen een inrichting of activiteit gevestigd is die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens titel V;”.


Art. 248.

In artikel 146, tweede lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 12 december 2008 en 25 mei 2012, wordt punt 3° vervangen door wat volgt:


“3° de personen, vermeld in artikel 53 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.”.


Afdeling 21.
Wijzigingen van het Mestdecreet van 22 december 2006


Art. 249.

In artikel 35, eerste lid, 5°, van het Mestdecreet van 22 december 2006 wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.


Art. 250.

In artikel 47, § 2, 1°, van hetzelfde decreet, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.


Afdeling 22.
Wijzigingen van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten


Art. 251. In artikel 13, § 1, van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten, gewijzigd bij de decreten van 27 maart 2009 en 18 maart 2011, wordt punt 2° opgeheven.

Afdeling 23.
Wijzigingen van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het toeristische logies


Art. 252. In artikel 4, 4°, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het toeristische logies worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 253. In artikel 8, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 23 december 2010 en gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2011, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Afdeling 24.
Wijzigingen van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid


Art. 254.

In artikel 1.2, eerste lid, van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, gewijzigd bij de decreten van 9 juli 2010, 23 december 2011 en 31 mei 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in punt 10° wordt het woord “verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”;
in punt 19° wordt het woord “verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”.

 


Art. 255.

In artikel 2.2.6 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 december 2009, 9 juli 2010 en 23 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zinsnede “afgeleverde of gedane stedenbouwkundige vergunning, melding in de zin van artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, milieuvergunning of melding in de zin van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “uitgereikte omgevingsvergunning of meldingsakte als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”;


2° in paragraaf 4 worden de woorden “een stedenbouwkundige vergunning in laatste administratieve aanleg” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen in laatste administratieve aanleg”.


Art. 256. In artikel 3.2.11 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 december 2011, wordt het woord “verkavelingsvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”.

Art. 257.

In artikel 3.2.21, tweede lid, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in punt 2° worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”;


2° in punt 7° worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning voor stabiliteitswerken of sloopwerkzaamheden” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stabiliteitswerken of sloopwerkzaamheden” en worden de woorden “de stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “deze omgevingsvergunning”.


Art. 258. In artikel 4.1.4, § 2, derde lid, 2°, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 9 juli 2010 en 23 december 2011, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunningen” vervangen door de woorden “omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 259. In artikel 4.2.1, eerste lid, 4°, van hetzelfde decreet worden de woorden “een verkavelingsvergunning of een stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden of een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 260. In artikel 4.2.4/1, 3°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 9 juli 2010, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning uitvoering geeft aan een verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen uitvoering geeft aan een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”.

Art. 261. In artikel 4.2.5, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 december 2011, wordt de zinsnede “verkavelingsvergunning, respectievelijk de stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de zinsnede “omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, respectievelijk de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen” en de zinsnede “van artikel 4.2.20 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening” door de zinsnede “van artikel 75 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”.

Art. 262.

In artikel 4.2.6, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 23 december 2011 en 31 mei 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in het eerste lid worden de woorden “de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening” vervangen door de zinsnede “het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”;


2° in het derde lid worden de woorden “de verkavelingsvergunning of de stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.


Art. 263.

In artikel 7.3.11 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in het eerste lid worden de woorden “specifieke stedenbouwkundige en verkavelingsvergunningen” vervangen door de zinsnede “specifieke stedenbouwkundige en verkavelingsvergunningen, omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen en omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden”;


2° in het tweede lid wordt het woord “verkavelingswijzigingen” vervangen door de woorden “verkavelingswijzigingen of bijstellingen van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden” en wordt het woord “verkavelingswijziging” vervangen door de woorden “verkavelingswijziging of bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”.


Art. 264. In artikel 7.3.12, derde lid, van hetzelfde decreet worden de woorden “stedenbouwkundige of verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”.

Art. 265. In artikel 7.3.13/1, eerste lid, 1°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 9 juli 2010, wordt het woord “verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “verkavelingsvergunning of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”.

Afdeling 25.
Wijzigingen van het decreet van 8 mei 2009 houdende vaststelling en realisatie van de rooilijnen


Art. 266. In artikel 7, § 3, tweede lid, 5°, van het decreet van 8 mei 2009 houdende vaststelling en realisatie van de rooilijnen worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 267. In artikel 9, § 2, tweede lid, 4°, van hetzelfde decreet worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 268. In artikel 15 van hetzelfde decreet worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden”.

Art. 269. In artikel 16, tweede en derde lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 23 maart 2012, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 270. In artikel 17, § 2, van hetzelfde decreet worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 271. In artikel 21 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 maart 2012, wordt de zinsnede “stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning, zoals bedoeld in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening” vervangen door de zinsnede “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden als vermeld in artikel 5, 1°, a) en b), van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”.

Afdeling 26.
Wijzigingen van het Energiedecreet van 8 mei 2009


Art. 272.

In artikel 1.1.3 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, het laatst gewijzigd bij het decreet van 1 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° punt 19° wordt vervangen door wat volgt:
“19° BKG-installatie: een vaste technische eenheid met inrichtingen of activiteiten die in de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, als BKG-inrichting of activiteit zijn aangeduid, alsook andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende inrichtingen of activiteiten die technisch in verband staan met de voormelde inrichtingen of activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;”;


2° in punt 51° wordt het woord “milieuvergunning(en)” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie”;


3° in punt 113°/2 worden de woorden “een stedenbouwkundige of milieuvergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning”;


4° in punt 113°/2 worden de zinsnede “stedenbouwkundige en/of milieuvergunning” en de woorden “stedenbouwkundige en milieuvergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”;


5° in punt 113°/2 worden de woorden “de stedenbouwkundige en de milieuvergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning”;


6° in punt 126°/1 worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.


Art. 273.

In artikel 4.1.14, a), van hetzelfde decreet worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.


Art. 274.

In artikel 4.1.15, a), van hetzelfde decreet worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.


Art. 275.

In artikel 4.1.27 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 16 maart 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in paragraaf 2, eerste lid, worden telkens de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”;


2° in paragraaf 2, tweede lid, 1°, worden de woorden “de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009” vervangen door de woorden “het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”;


3° in paragraaf 2, vierde lid, worden de woorden “de stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “de omgevingsvergunning” en de zinsnede “artikel 1.1.2, 3°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009” door de woorden “artikel 2, 2°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”.


Art. 276.

In artikel 7.1.1, § 2, tweede lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 13 juli 2012, worden de woorden “de stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.


Art. 277.

In artikel 7.1.6, § 1, negende lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 13 juli 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° de woorden “een stedenbouwkundige vergunning en een milieuvergunning” worden vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning”;


2° tussen de woorden “op het moment dat” en de woorden “de laatste van die vergunningen” wordt de zinsnede “de omgevingsvergunning of als er voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van het project enerzijds en het uitvoeren van de stedenbouwkundige handelingen anderzijds een afzonderlijke omgevingsvergunning werd verleend,” ingevoegd.


Art. 278.

In artikel 11.1.1 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 november 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de zinsnede “stedenbouwkundige vergunning wordt ingediend, als vermeld in artikel 4.2.1, 1°, 6° en 7°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009” vervangen door de zinsnede “de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, als vermeld in artikel 4.2.1, 1°, 6° en 7°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, wordt ingediend”;


2° in paragraaf 1, vijfde lid, worden de woorden “een stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning”;


3° in paragraaf 2 wordt de zinsnede “stedenbouwkundige vergunning moet worden ingediend, als vermeld in artikel 4.2.1, 1°, 6° en 7°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009” vervangen door de zinsnede “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, als vermeld in artikel 4.2.1, 1°, 6° en 7°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, moet worden ingediend”.


Art. 279.

In artikel 11.1.4, 3°, van hetzelfde decreet worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning”.


Art. 280.

In artikel 11.1.9, § 1, van hetzelfde decreet worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.


Art. 281.

In artikel 11.1.14, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 november 2011, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen” en de woorden “stedenbouwkundige vergunningen” door de woorden “omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen”.


Art. 282.

In artikel 13.1.4, § 2, van hetzelfde decreet worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.


Afdeling 27.
Wijzigingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening


Art. 283. In titel I, hoofdstuk IV, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden afdeling 2, die bestaat uit artikel 1.4.4 en 1.4.5, en afdeling 3, die bestaat uit artikel 1.4.6, 1.4.7 en 1.4.8, opgeheven.

Art. 284.

In artikel 2.1.2 van dezelfde codex wordt paragraaf 7 vervangen door wat volgt:

 

“§ 7. De ruimtelijke structuurplannen vormen geen beoordelingsgrond voor aanvragen tot stedenbouwkundig attest of omgevingsvergunning, behalve voor wat betreft de toepassing van artikel 68, tweede lid, 7°, a), van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.”.


Art. 285. In artikel 2.3.1, eerste lid, 6°, van dezelfde codex worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning”.

Art. 286.

In artikel 2.3.2, § 2, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:


“Gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen kunnen de aanvrager van een omgevingsvergunning technische en financiële lasten opleggen. Alle lasten die in artikel 75 tot en met 77 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning vermeld worden, kunnen door middel van een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening op algemene wijze opgelegd worden.”.


Art. 287. In artikel 2.4.2, 2°, van dezelfde codex wordt het woord “verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”.

Art. 288.

In artikel 2.6.1 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in paragraaf 2 worden de woorden “of te verkavelen” telkens vervangen door de woorden “of voor het verkavelen van gronden”;


2° in paragraaf 4, 3°, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”;


3° in paragraaf 4, 6°, wordt het woord “verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”.


Art. 289.

In artikel 2.6.2, § 1, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in het derde lid, 2°, worden de woorden “een vergunning om te bouwen of een verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “een vergunning om te bouwen of voor het verkavelen van gronden”;


2° in het zesde lid worden de woorden “een vergunning om te bouwen of een verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “een vergunning om te bouwen of voor het verkavelen van gronden”.


Art. 290. In artikel 2.6.5, 1°, van dezelfde codex worden de woorden “een verkavelingsvergunning of een stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning”.

Art. 291.

In artikel 2.6.14, § 1, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 18 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° [...]


2° in het eerste lid, 2°, b), worden de woorden “een verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”;


3° in het tweede lid worden de woorden “een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning”.


Art. 292. In artikel 2.6.17, § 3, tweede lid, van dezelfde codex wordt de zinsnede “de verwezenlijking van de ontvoogdingsvoorwaarden, vermeld in artikel 7.2.1, § 1,” opgeheven.

Art. 293.

In artikel 3.1.2, § 1, van dezelfde codex, worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° punt 2° wordt opgeheven;

 

2° er wordt een punt 14° toegevoegd, dat luidt als volgt: “14° het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.”.


Art. 294.

In artikel 4.1.1 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in punt 7° wordt de zinsnede “een stedenbouwkundige vergunningstoestand, waarbij geldt dat” vervangen door de zinsnede “een vergunningstoestand, waarbij voor de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen geldt dat”;


2° punt 8° en punt 13° worden opgeheven.


Art. 295.

In titel IV, hoofdstuk II, afdeling 1, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010, 11 mei 2012 en 6 juli 2012, wordt het opschrift van onderafdeling 1 vervangen door wat volgt:


“Onderafdeling 1. Vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen”.


Art. 296. In artikel 4.2.1 van dezelfde codex worden de woorden “voorafgaande stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “voorafgaande omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 297.

Artikel 4.2.2 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:


“Art. 4.2.2. § 1. De Vlaamse Regering bepaalt de gevallen waarin de vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen vervangen wordt door een verplichte melding van de handelingen. De meldingsplicht betreft gevallen waarin de beoordelingsruimte van het bestuur minimaal is vanwege het eenvoudige en gangbare karakter van de handelingen in kwestie, of de onderworpenheid van de handelingen aan nauwkeurige stedenbouwkundige voorschriften, verkavelingsvoorschriften of integrale  ruimtelijke voorwaarden als vermeld in artikel 4.3.1, § 2, tweede lid.


De Vlaamse Regering kan de werken die vrijgesteld zijn van de vergunningsplicht, vermeld in artikel 4.2.1, 5°, c), ook aan de meldingsplicht onderwerpen.

 

De meldingsplichten, vermeld in het eerste en het tweede lid, kunnen nooit worden ingevoerd voor handelingen die in een ruimtelijk kwetsbaar gebied liggen.


§ 2. Een melding wordt als een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen beschouwd voor de toepassing van regelgeving binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening. Een melding wordt ook gelijkgesteld met een voorafgaande toelating om te bouwen wat betreft de toepassing van artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, tenzij de melding alleen betrekking heeft op handelingen die niet gebouwd worden.”.


Art. 298. In artikel 4.2.3 van dezelfde codex worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 299. In artikel 4.2.4, § 2, van dezelfde codex worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning”.

Art. 300. In artikel 4.2.6 van dezelfde codex worden de woorden “vrijgestelde handelingen” vervangen door de woorden “vrijgestelde stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 301. In artikel 4.2.7, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden “de stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “de omgevingsvergunning”.

Art. 302. In artikel 4.2.12, § 2, eerste lid, 1°, van dezelfde codex worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 303.

In titel IV, hoofdstuk II, afdeling 1, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010, 11 mei 2012 en 6 juli 2012, wordt het opschrift van onderafdeling 2 vervangen door wat volgt:

 

“Onderafdeling 2. Vergunningsplicht voor het verkavelen van gronden”.


Art. 304. In artikel 4.2.15 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, wordt het woord “verkavelingsvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”.

Art. 305.

Artikel 4.2.17 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, wordt vervangen door wat volgt:


“Art. 4.2.17. Een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden geldt als omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen wat betreft alle handelingen die zijn opgenomen in de vergunning en die de verkaveling bouwrijp maken, zoals in het bijzonder:

de aanleg van nieuwe verkeerswegen, of de tracéwijziging, verbreding of opheffing daarvan;
de wijziging van het reliëf van de bodem;
de ontbossing, met behoud van de toepassing van artikel 90bis van het Bosdecreet van 13 juni 1990;
het afbreken van constructies.


Het eerste lid geldt als de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden ook wat betreft de handelingen die het voorwerp uitmaken van de vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen, voldoet aan de vereisten inzake ontvankelijkheid en volledigheid.”.


Art. 306.

Artikel 4.2.18 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:


“Art. 4.2.18. De bepalingen van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden worden niet opgeheven door de inwerkingtreding van een stedenbouwkundig voorschrift waarmee ze onverenigbaar zijn, met behoud van de toepassing van artikel 84 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.”.


Art. 307. In titel IV, hoofdstuk II, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010 en 23 december 2011, wordt afdeling 2, die bestaat uit artikel 4.2.19 tot artikel 4.2.25, opgeheven.

Art. 308.

In artikel 4.3.1 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
"Een aanpassing van de plannen, zoals vermeld in het tweede lid, is slechts mogelijk overeenkomstig artikel 30 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.";


2° in paragraaf 2, eerste lid, 3°, worden de woorden “een verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”;


3° in paragraaf 4 worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden".


Art. 309.

In artikel 4.3.5 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in paragraaf 1 worden de woorden “een stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning”;


2° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden “de stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “de omgevingsvergunning”.


Art. 310. In artikel 4.3.6 van dezelfde codex worden de woorden “een stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning”.

Art. 311. In artikel 4.3.7 van dezelfde codex wordt de zinsnede “stedenbouwkundige vergunning voor de handelingen, vermeld in” vervangen door de zinsnede “omgevingsvergunning voor de handelingen, vermeld in”.

Art. 312. In artikel 4.3.8, § 1 en § 2, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.

Art. 313.

In artikel 4.4.1, § 3, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 16 juli 2010 en gewijzigd bij het decreet van 11 mei 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° de woorden “van de vergunningsplicht” worden telkens vervangen door de woorden “van de vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen”;


2° in het tweede lid wordt het woord “verkavelingsvergunningen” vervangen door het woord “verkavelingen”.


Art. 314. In artikel 4.4.2, § 1 en § 2, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 11 mei 2012, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.

Art. 315. In artikel 4.4.3, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 11 mei 2012, worden de woorden “een verkavelingsvergunning of een stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden”.

Art. 316.

In artikel 4.4.4, § 1, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in het tweede lid worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door het woord “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”;


2° in het derde lid worden de woorden “onderworpen zijn aan de milieuvergunningsplicht” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereisen”.


Art. 317. In artikel 4.4.6, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.

Art. 318. In artikel 4.4.7/1 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 11 mei 2012, worden de woorden “aanvragen voor een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsaanvragen” vervangen door de woorden “aanvragen voor een omgevingsvergunning”.

Art. 319. In artikel 4.4.9, § 1, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden de woorden “een stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 320. In artikel 4.4.12 van dezelfde codex worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.

Art. 321. In artikel 4.4.13, § 1, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.

Art. 322. In artikel 4.4.14, § 1, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.

Art. 323.

In artikel 4.4.16 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in het eerste lid worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”;


2° in het tweede lid, inleidende zin, worden de woorden “milieuvergunningsplichtige inrichtingen” vervangen door de woorden “projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is”;


3° in het tweede lid, 1°, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.


Art. 324.

In artikel 4.4.17, § 1, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in het eerste lid worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”;


2° in het tweede lid, inleidende zin, worden de woorden “milieuvergunningsplichtige inrichtingen” vervangen door de woorden “projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is”;


3° in het tweede lid, 1°, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.


Art. 325.

In artikel 4.4.18, § 1, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in het eerste lid worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”;


2° in het tweede lid, inleidende zin, worden de woorden “milieuvergunningsplichtige inrichtingen” vervangen door de woorden “projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is”;


3° in het tweede lid, 1°, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.


Art. 326.

In artikel 4.4.19, § 1, tweede lid, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in het tweede lid worden de woorden “milieuvergunningsplichtige inrichtingen” vervangen door de woorden “projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is”;


2° in het tweede lid, 1°, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.


Art. 327. In artikel 4.4.20, § 1, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.

Art. 328. In artikel 4.4.22, tweede lid, van dezelfde codex worden de woorden “milieuvergunningsplichtige activiteiten” vervangen door de woorden “activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is,”.

Art. 329. In artikel 4.4.23, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.

Art. 330.

In artikel 4.4.24 van dezelfde codex wordt het vierde lid vervangen door wat volgt:


“Het planologisch attest kan worden aangevraagd door en voor een bedrijf dat voldoet aan een van de volgende voorwaarden:


1° het bedrijf is onderworpen aan de vergunnings- of meldingsplicht, voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, vermeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;


2° het bedrijf betreft een volwaardig land- of tuinbouwbedrijf.”.


Art. 331.

In artikel 4.4.25, § 2, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° de woorden “de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar” worden telkens vervangen door de woorden “het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar”;


2° de woorden “biedt de ambtenaar de aanvrager de gelegenheid” worden vervangen door de woorden “wordt de aanvrager de gelegenheid geboden”;


3° het zesde lid wordt opgeheven.


Art. 332. In artikel 4.4.26, § 2, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden “een stedenbouwkundige vergunning of een milieuvergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning”.

Art. 333. In artikel 4.4.28, tweede lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 334. In titel IV van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 12 juli 2013, wordt hoofdstuk V, dat bestaat uit artikel 4.5.1, opgeheven.

Art. 335. In titel IV van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 12 juli 2013, wordt hoofdstuk VI, dat bestaat uit artikel 4.6.1 tot en met 4.6.8, opgeheven.

Art. 336. In titel IV van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 12 juli 2013, wordt hoofdstuk VII, dat bestaat uit artikel 4.7.1 tot en met 4.7.26/1, opgeheven.

Art. 337. In artikel 4.8.2, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij decreet van 6 juli 2012 en 4 april 2014, worden punt 1° en 4° opgeheven.

Art. 338.

Artikel 4.8.11 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 6 juli 2012, wordt vervangen door wat volgt:


“Art. 4.8.11. § 1. De beroepen bij de Raad inzake validerings- of registratiebeslissingen kunnen door de volgende personen worden ingesteld:

de aanvrager van het as-builtattest, respectievelijk de persoon die beschikt over zakelijke of persoonlijke rechten ten aanzien van een constructie die het voorwerp uitmaakt van een registratiebeslissing, of die deze constructie feitelijk gebruikt;
elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden als gevolg van de validerings- of registratiebeslissing;
procesbekwame verenigingen die optreden namens een groep wiens collectieve belangen door de validerings- of registratiebeslissing zijn bedreigd of geschaad, voor zover zij beschikken over een duurzame en effectieve werking overeenkomstig de statuten.


§ 2. De beroepen inzake validerings- of registratiebeslissingen worden ingesteld binnen een vervaltermijn van
vijfenveertig dagen, die ingaat als volgt:

wat betreft valideringsbeslissingen:
  a) hetzij de dag na de betekening, wanneer een dergelijke betekening vereist is;
  b) hetzij de dag na de opname in het vergunningenregister, in alle andere gevallen;
wat betreft registratiebeslissingen:
  a) hetzij de dag na de betekening, wanneer een dergelijke betekening vereist is;
  b) hetzij de dag na de opname van de constructie in het vergunningenregister, in alle andere gevallen.”.

 


Art. 339.

In artikel 5.1.2, § 1, van dezelfde codex wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:


“Het vergunningenregister omvat ten minste de volgende gegevens, geordend per kadastraal perceel:

het kadastraal nummer, het huisnummer en de straatnaam;
de uitgereikte stedenbouwkundige en planologische attesten;
elke aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen en de identiteit van de aanvrager;
elke aanvraag van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden en de identiteit van de aanvrager;
elke administratieve beslissing en rechterlijke uitspraak met betrekking tot die vergunningen, en de identiteit van de personen die beroep aantekenen;
elke melding van stedenbouwkundige handelingen en de identiteit van de persoon die de melding verricht;
de gevalideerde as-builtattesten;
het verval van de vergunningen, vermeld in punt 3° en punt 4°;
de vermelding van elke schriftelijke aanmaning, elk proces-verbaal en verslag van vaststelling dat opgemaakt wordt met betrekking tot misdrijven en inbreuken inzake ruimtelijke ordening alsook iedere navolgend proces-verbaal waarin het vrijwillig herstel of de regularisatie wordt vastgesteld, het verdere gevolg dat aan de processen-verbaal en verslagen van vaststelling gegeven wordt, iedere gerechtelijke uitspraak en ieder bestuurlijk besluit alsook iedere minnelijke schikking ter zake en de uitvoering van de herstelmaatregelen alsook elk herstelattest;
10° de vermelding van elk rechtsmiddel dat tegen de gerechtelijke uitspraken en bestuurlijke besluiten, vermeld in punt 9°, aangewend wordt, de daaropvolgende uitspraken en besluiten en het gevolg dat eraan gegeven wordt;
11° het verschuldigd zijn van een planbatenheffing en het bewijs van betaling van de planbatenheffing;
12° in voorkomend geval het declaratief attest, vermeld in artikel 5.4.3, § 5.”.

 


Art. 340. In artikel 5.1.4, § 1, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden de woorden “van deze codex” telkens vervangen door de woorden “van deze codex of van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”.

Art. 341.

In artikel 5.2.1, § 1, eerste lid, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in punt 1° worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”;


2° in punt 5° wordt het woord “verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”.


Art. 342.

In artikel 5.2.2, eerste lid, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° het woord “verkavelingsvergunning” wordt vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”;


2° de woorden “verkavelings- of stedenbouwkundige vergunning” worden vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.


Art. 343.

In artikel 5.2.3 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in paragraaf 1 wordt het woord “verkavelingsvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”;


2° in paragraaf 2 worden de woorden “wijziging van de verkavelingsvergunning” telkens vervangen door de woorden “bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”;


3° in paragraaf 4 wordt het woord “verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”.


Art. 344.

In artikel 5.2.5, eerste lid, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° de woorden “stedenbouwkundige vergunning” worden vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”;


2° het woord “verkavelingsvergunning” wordt vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”.


Art. 345.

In artikel 5.2.6, eerste lid, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in punt 1° worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”;


2° in punt 5° wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".


Art. 346.

Artikel 5.3.1 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:


“Art. 5.3.1. § 1. Het stedenbouwkundig attest geeft op basis van een plan aan of een overwogen project voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden in redelijkheid de toets aan de stedenbouwkundige voorschriften, de eventuele verkavelingsvoorschriften en een goede ruimtelijke ordening zal kunnen doorstaan. Het wordt afgeleverd door de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.

 

Het stedenbouwkundig attest kan niet leiden tot de vrijstelling van een vergunningsaanvraag.


§ 2. De bevindingen van het stedenbouwkundig attest kunnen bij het beslissende onderzoek over een aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden niet worden gewijzigd of tegengesproken, als:

1° in de periode waarin het stedenbouwkundig attest geldt, geen sprake is van substantiële wijzigingen van het betrokken terrein of wijzigingen van de stedenbouwkundige voorschriften of de eventuele verkavelingsvoorschriften;

2° de verplicht in te winnen adviezen of de tijdens het eventuele openbaar onderzoek ingediende standpunten, opmerkingen en bezwaren geen feiten of overwegingen aan het licht brengen waarmee bij de opmaak van het stedenbouwkundig attest geen rekening is gehouden;
3° het stedenbouwkundig attest niet is aangetast door manifeste materiële fouten.


§ 3. Het stedenbouwkundig attest blijft geldig gedurende twee jaar vanaf het ogenblik van de uitreiking ervan.


§ 4. De Vlaamse Regering kan nadere formele en procedurele regels bepalen voor de toepassing van dit artikel.”.


Art. 347. Artikel 5.3.2 van dezelfde codex wordt opgeheven.

Art. 348. In artikel 5.4.2, derde lid, van dezelfde codex worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.

Art. 349. In artikel 5.4.3, § 1, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.

Art. 350. In artikel 5.4.4 van dezelfde codex worden de woorden “vergunning voor handelingen” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning”.

Art. 351. Artikel 5.5.2 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 11 mei 2012, wordt opgeheven.

Art. 352.

In artikel 5.6.6 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010 en 23 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning”;


2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden “een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning”;


3° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden “een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van woningen of een verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen of voor het verkavelen van gronden”.


Art. 353.

Artikel 5.6.7 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010 en 8 juli 2011, wordt vervangen door wat volgt:


“Art. 5.6.7. § 1. Een omgevingsvergunningsaanvraag voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit kan gunstig geadviseerd worden en vergund worden, in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift, voor zover voldaan is aan de volgende cumulatieve voorwaarden:

de goede ruimtelijke ordening wordt niet geschaad, hetgeen in het bijzonder betekent dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de vastgestelde verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort;
de inrichting of activiteit is stedenbouwkundig vergunbaar in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift of, als het gaat om een bestaande inrichting of activiteit, is hoofdzakelijk vergund.

 

Als de goede ruimtelijke ordening geschaad wordt, kan rekening worden gehouden met de termijn die nodig is om de inrichting of activiteit te herlokaliseren. Die termijn is ten hoogste gelijk aan zeven jaar.


De Vlaamse Regering kan de categorieën van bedrijven bepalen die door hun aard en omvang van het eerste lid zijn uitgesloten. Ze kan de gebieden aanwijzen waarin het eerste lid niet kan worden toegepast.


§ 2. Een omgevingsvergunningsaanvraag voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit kan ongunstig geadviseerd worden en geweigerd worden om de reden, vermeld in artikel 4.3.2.


§ 3. De mogelijkheden of verplichtingen om af te wijken van stedenbouwkundige voorschriften of om rekening te houden met ontwerpen van stedenbouwkundige voorschriften, zoals die bij of krachtens deze codex zijn vastgesteld ten aanzien van de vergunningverlenende bestuursorganen en de ambtenaren van ruimtelijke ordening, gelden onder dezelfde voorwaarden ten aanzien van de instanties en organen die over een vergunningsaanvraag adviseren en ten aanzien van de instanties en organen die adviseren of beslissen over een onteigeningsplan of over een aanvraag van een onteigeningsmachtiging of een vergunning als vermeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu of in het Bosdecreet van 13 juni 1990, of andere vergunningen.”.


Art. 354. Artikel 7.2.1 van dezelfde codex wordt opgeheven.

Art. 355. In artikel 7.4.7 van dezelfde codex wordt de zin “Desalniettemin voldoet de gemeente niet aan de ontvoogdingsvoorwaarden, vermeld in artikel 7.2.1, § 1.” opgeheven.

Art. 356. In artikel 7.5.3, § 1, vierde lid, van dezelfde codex worden de woorden “stedenbouwkundige vergunningen” vervangen door het woord “omgevingsvergunningen”.

Art. 357.

In artikel 7.5.4 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in het eerste, derde en vierde lid wordt het woord “verkavelingsvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”;


2° het vijfde lid wordt vervangen door wat volgt:
“Voor die kavels gelden artikel 84 tot en met 86, artikel 97 en artikel 102 en 103 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, met dien verstande dat de termijn van tien jaar na de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 102, § 1, eerste lid, 2°, en § 2, 2°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, vervangen wordt door een termijn van vijf jaar vanaf 1 mei 2000. De termijn van vijftien jaar na de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 102, § 2, 3°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wordt vervangen door een termijn van tien jaar vanaf 1 mei 2000.”;


3° in het zesde lid wordt het woord “verkavelingsvergunningen” vervangen door de woorden “omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden”.


Art. 358.

Artikel 7.5.5 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:


“Art. 7.5.5. Het verval van een verkavelingsakkoord of van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 7.5.4, kan niet worden tegengesteld aan personen die zich op dat verkavelingsakkoord of die omgevingsvergunning beroepen, als ze kunnen aantonen dat de overheid, na het verval, hetzij op grond van of refererend aan het verkavelingsakkoord of die vergunning omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen of stedenbouwkundige attesten heeft verleend, hetzij bijstellingen aan de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden heeft toegestaan. Daarvoor moet voldaan zijn aan de volgende cumulatieve voorwaarden:

de vergunningen of attesten zijn verleend voor een of meer kavels van die personen binnen de omschrijving van het verkavelingsakkoord of de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden;
de vergunningen of attesten zijn door de hogere overheid of de rechter niet onrechtmatig bevonden.”.

 


Art. 359.

In titel VII, hoofdstuk V, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010 en 6 juli 2012, wordt het opschrift van afdeling 4 van hetzelfde decreet vervangen door wat volgt:


“Afdeling 4. Verval, bijstelling of opheffing van omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden”.


Art. 360.

Artikel 7.5.6 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, wordt vervangen door wat volgt:


“Art. 7.5.6. Artikel 84 tot en met 86, artikel 97 en artikel 102 en 103 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning zijn van toepassing op de omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden die verleend zijn vanaf 22 december 1970 en vóór 1 mei 2000. De beperking, vermeld in artikel 102, § 1, tweede lid, 2°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, geldt evenwel niet voor de verkopen van verkavelingen in hun geheel die een vaste datum hebben verkregen vóór 1 september 2009, op voorwaarde dat de overheid hetzij op grond van of refererend aan de omgevingsvergunning stedenbouwkundige attesten of omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen heeft verleend, hetzij bijstellingen aan de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden heeft toegestaan, als die door de hogere overheid of de rechter niet onrechtmatig zijn bevonden. Dergelijke verkopen in hun geheel konden wel het verval van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden verhinderen. Het voorgaande heeft nooit tot gevolg dat teruggekomen wordt op in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen die tot het verval van omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden hebben geleid op grond van het oordeel dat verkopen van verkavelingen in hun geheel niet het verval van een verkaveling kunnen verhinderen.


De termijn van tien jaar na de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 102, § 1, eerste lid, 2°, en § 2, 2°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wordt vervangen door een termijn van vijf jaar vanaf 1 mei 2000, voor niet-vervallen omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden die zijn uitgereikt meer dan vijf jaar vóór 1 mei 2000.


De termijn van vijftien jaar na de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 102, § 2, 3°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wordt vervangen door een termijn van tien jaar vanaf 1 mei 2000, voor niet-vervallen omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden die zijn uitgereikt meer dan vijf jaar vóór 1 mei 2000.”.


Art. 361.

Artikel 7.5.7 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:


“Art. 7.5.7. Artikel 84, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning is van toepassing op ruimtelijke uitvoeringsplannen en bijzondere plannen van aanleg die voorlopig zijn vastgesteld of aangenomen vanaf 1 september 2009.


De bijstelling of de opheffing van omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden ingevolge de definitieve vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan of een bijzonder plan van aanleg dat voorlopig is vastgesteld of aangenomen vóór 1 september 2009, wordt afgehandeld overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.”.


Art. 362. Artikel 7.5.9 van dezelfde codex wordt opgeheven.

Art. 363.

Artikel 8.1.1 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:


“Art. 8.1.1. Deze codex wordt aangehaald als “Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening” en afgekort als VCRO.”.


Afdeling 28.
Wijzigingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen


Art. 364.

In artikel 3 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in punt 1°, d), wordt de zinsnede “het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”;


2° punt 8° wordt vervangen door wat volgt:

“8° beste beschikbare technieken: beste beschikbare technieken als vermeld bij of krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;”.


Art. 365.

In artikel 7, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede “hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”.


Art. 366.

In artikel 11 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
“Op de vergunningen en meldingen, vermeld in paragraaf 1, zijn de bepalingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning van toepassing.”;


2° in paragraaf 3, eerste en tweede lid, wordt de zinsnede “28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning” en wordt het woord “milieuvergunningen” vervangen door het woord “omgevingsvergunningen”.


Art. 367.

In artikel 25, § 1, 1°, van hetzelfde decreet wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.


Art. 368.

In artikel 44 van hetzelfde decreet wordt de zinsnede “28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”.


Art. 369.

In artikel 46, § 1, 1°, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede “milieu-” vervangen door de zinsnede “omgevings-”.


Afdeling 29.
Wijzigingen van het decreet van 1 juni 2012 houdende de beveiliging van woningen door optische rookmelders


Art. 370. In artikel 3 van het decreet van 1 juni 2012 houdende de beveiliging van woningen door optische rookmelders worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Afdeling 30.
Wijzigingen van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed


Art. 371. In artikel 5.4.1 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 372. In artikel 5.4.2 van hetzelfde decreet wordt het woord “verkavelingsvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”.

Art. 373. In artikel 5.4.3 van hetzelfde decreet worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen” en het woord “verkavelingsvergunning” door de woorden “omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”.

Art. 374. In artikel 5.4.4 van hetzelfde decreet worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden”.

Art. 375. In artikel 5.4.5 van hetzelfde decreet worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden”.

Art. 376. In artikel 5.4.12 van hetzelfde decreet worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden”.

Art. 377.

In artikel 6.4.4 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in paragraaf 1 worden de woorden “geen stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning, geen milieuvergunning overeenkomstig het decreet van 28 juni 1995 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de woorden “geen omgevingsvergunning”;


2° in paragraaf 2 worden de woorden “een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden” en worden tussen de woorden “van de VCRO” en de zinsnede “. Dit advies heeft” de woorden “of het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning” ingevoegd;


3° in § 3, eerste lid, worden de woorden “milieuvergunning overeenkomstig het decreet van 28 juni 1995 betreffende de milieuvergunning vereist” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vereist” en worden de woorden “procedurebepalingen van het decreet van 28 juni 1995 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de woorden “procedurebepalingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”.


Art. 378. In artikel 6.4.6, tweede en derde lid, van hetzelfde decreet worden de woorden “een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning; een milieuvergunning overeenkomstig het decreet van 28 juni 1995 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning”.

Art. 379. In artikel 10.3.1 van hetzelfde decreet worden de woorden “de stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of het verkavelen van gronden”.

Art. 380. [...]

Art. 381.

In artikel 12.3.14 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in het tweede en het vijfde lid worden de woorden “geen stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “geen stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”;


2° in het zesde lid worden de woorden “van het college van burgemeester en schepenen” opgeheven en worden tussen de woorden “toekenning of weigering van” en de woorden “een stedenbouwkundige vergunning” de woorden “een omgevingsvergunning,” ingevoegd;


3° in het zevende lid worden de woorden “bij het college van burgemeester en schepenen” opgeheven en worden de woorden “voor een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “voor een omgevingsvergunning, stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning” en worden de woorden “het college nog” vervangen door de woorden “de vergunningverlenende overheid nog”;


4° het achtste lid wordt opgeheven;


5° in het negende lid, dat het achtste lid wordt, worden de woorden “in de in het vorige lid omschreven gevallen” en de woorden “bij de deputatie” opgeheven;


6° het tiende lid wordt opgeheven.


Afdeling 31.
Wijzigingen van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtcolleges


Art. 382. Aan artikel 2, 1°, b), van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtcolleges worden de woorden “en waaraan tevens bevoegdheden toegekend worden bij artikel 105 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning” toegevoegd.

Art. 383.

In artikel 20 van hetzelfde decreet wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:


“De decreten, vermeld in artikel 2, 1°, b), bepalen welke personen belanghebbende zijn.”.


Art. 384.

In artikel 21 van hetzelfde decreet wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt:


“§ 2. De leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, of bij hun afwezigheid hun gemachtigden die optreden met toepassing van artikel 105, § 2, 5°, respectievelijk 6°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning zijn vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht, behalve in het geval de Vlaamse Regering de bevoegde overheid in eerste aanleg is.”.


Art. 385. Aan artikel 42, § 2, derde lid, 1°, van hetzelfde decreet worden de woorden “of van het Vlaamse milieurecht” toegevoegd”.