Afdeling 2.
Overgangsmaatregelen voor vergunningen, meldingen of erkenningen met toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning


Art. 387.

Een aanvraag van een milieuvergunning of een erkenning, een mededeling van een kleine verandering, een melding van een derdeklasse-inrichting, een overname of een verzoek tot verlenging overeenkomstig artikel 45ter, § 3, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, ingediend met toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, wordt behandeld op grond van de bepalingen die geldig waren op het tijdstip waarop de aanvraag is ingediend.


Hetzelfde geldt voor de procedures tot aanvulling, wijziging of afwijking van milieuvoorwaarden, schorsing of opheffing van de vergunning en inzake genetisch gemodificeerde of pathogene organismen.


De vergunningverlenende overheid kan beslissen om de vergunning voor onbepaalde duur te verlenen. De vergunningen die voor onbepaalde duur worden verleend, vermelden de geactualiseerde vergunningssituatie. De bijzondere milieuvoorwaarden die als gevolg van hun tijdelijk karakter, van een veranderde exploitatie of van enige wettelijke of reglementaire bepaling geen uitwerking meer hebben, worden in de geactualiseerde vergunningssituatie niet vermeld. De bevoegde overheid bezorgt de voormelde vergunningen aan de afdeling Milieu, bevoegd voor omgevingsvergunning. De Vlaamse Regering kan hierover verdere regels vaststellen.

 

Artikel 18, tweede lid, en artikel 106 zijn niet van toepassing voor aspecten van exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten waarvoor voor de datum van inwerkingtreding van het decreet een melding voor een derde klasse inrichting is gebeurd of een milieuvergunningsaanvraag werd ingediend waarvoor nog geen definitieve beslissing werd genomen of waarvoor een milieuvergunning werd of wordt verleend.


Art. 388.

§ 1.

De vergunningen en milieuvergunningen die nog geldig waren alsook de milieuvergunningen die nog worden verleend op grond van de bepalingen van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, zijn geldig voor de vastgestelde duur, met behoud van de toepassing van artikel 43, 44 en 45ter van het voormelde decreet en artikel 390 van dit decreet.


Een melding van een derdeklasse-inrichting gedaan krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, blijft geldig.

 

§ 2.

De erkenningen die zijn of worden verleend op grond van de bepalingen die van toepassing zijn voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, blijven geldig voor de vastgestelde duur van de erkenning. Op de houders van die erkenningen kan binnen het voorwerp van hun erkenning een beroep worden gedaan.

 

§ 3.

De vergunning en de milieuvergunning, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, en de melding, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, worden voor de toepassing van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en titel V van het DABM beschouwd als de omgevingsvergunning respectievelijk de melding, waarvan akte is genomen.

 

Voor de toepassing van de bepalingen van titel V van het DABM wordt een erkenning als vermeld in paragraaf 2, beschouwd als een erkenning als vermeld in hoofdstuk 6 van dezelfde titel V.

 

Voor de toepassing van de bepalingen van titel V van het DABM wordt:

een afwijking als vermeld in paragraaf 1, derde lid, beschouwd als een afwijking vermeld in artikel 5.4.8 van dezelfde titel V;
een kennisgeving en een toelating als vermeld in paragraaf 1, derde lid, beschouwd als de kennisgeving en de toelating vermeld in artikel 5.5.2, § 1, van dezelfde titel V.

 

§ 4.

De bijzondere milieuvoorwaarden opgelegd in de milieuvergunning of in een besluit betreffende een in de derde klasse ingedeelde inrichting of activiteit blijven in de mate dat zij van toepassing waren of worden gebracht op de ingedeelde inrichting of activiteit van toepassing tot zij worden gewijzigd of opgeheven.


De krachtens artikel 20 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning door de Vlaamse Regering goedgekeurde algemene en sectorale milieuvoorwaarden blijven in de mate dat zij van toepassing waren of worden gebracht op de ingedeelde inrichting of activiteit van toepassing tot zij worden gewijzigd of opgeheven.


Artikel 5.4.5 en 5.4.6 van titel V van het DABM gelden uitsluitend voor milieuvoorwaarden die vanaf de datum van inwerkingtreding van titel V van het DABM door de Vlaamse Regering worden goedgekeurd respectievelijk door de bevoegde overheid worden opgelegd.


Artikel 5.4.7 van titel V van het DABM is niet van toepassing op algemene en sectorale milieuvoorwaarden die voor de datum van inwerkingtreding van titel V van het DABM door de Vlaamse Regering werden goedgekeurd.


Art. 389.

De bepalingen van artikel 5 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en van artikel 4.5.1 van de VCRO gelden onverkort voor de inrichtingen of activiteiten en stedenbouwkundige handelingen die met toepassing van een van de decreten vergund of gemeld zijn, als voor de exploitatie of de uitvoering ervan nog een bijkomende vergunning of melding noodzakelijk is.


Art. 390.

§ 1.

De milieuvergunning die is verleend voor een termijn van twintig jaar, wordt geacht voor onbepaalde duur verleend te zijn als aan de volgende voorwaarden cumulatief is voldaan:

tussen de achtenveertig en zesendertig maanden voor het verstrijken van de vergunningstermijn van de milieuvergunning deelt de vergunninghouder of exploitant bij middel van een meldingsformulier waarvan de inhoud door de Vlaamse Regering wordt bepaald aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, per beveiligde zending mee dat hij van de regeling, vermeld in deze paragraaf, toepassing wil maken;

het betrokken publiek dient geen kennelijk gegrond bezwaar in tegen de omzetting tijdens het openbaar onderzoek. De omgevingsvergunningscommissie onderzoekt de kennelijke gegrondheid van de bezwaren binnen een termijn van vijftig dagen die aanvangt de dag na de datum waarop de mededeling, vermeld in punt 1°, door de bevoegde overheid naar de commissie is gestuurd;

2°/1 de leidende ambtenaren van de adviesinstanties aangewezen krachtens artikel 24 of artikel 42, verlenen geen negatief advies over de mededeling van de vraag tot omzetting binnen een termijn van 30 dagen die aanvangt de dag na de datum waarop de mededeling, vermeld in punt 1°, door de bevoegde overheid naar de adviesinstantie is gestuurd.

de stedenbouwkundige handelingen die noodzakelijk zijn voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn op het tijdstip van de mededeling, vermeld in punt 1°, hoofdzakelijk vergund;
de vraag tot omzetting vereist geen milieueffectrapport of passende beoordeling.


De gemeente of de gemeentelijke omgevingsambtenaar staat in voor de organisatie van het openbaar onderzoek, vermeld in het eerste lid, 2°.


Als met toepassing van het eerste lid de milieuvergunning geacht wordt voor onbepaalde duur verleend te zijn, wordt de milieuvergunning voor de verandering van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit ook voor onbepaalde duur geacht verleend te zijn, behalve als in het vergunningsbesluit van die milieuvergunning in een kortere vergunningstermijn is voorzien dan die welke op dat ogenblik gold voor de inrichting waarvoor de verandering toegelaten is.

 

§ 1/1.

Als met toepassing van artikel 4.3.3, § 2, van het DABM bij het meldingsformulier een project-m.e.r.-screeningsnota is gevoegd, onderzoekt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar die nota en beslist of er over het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld.

Het resultaat van het onderzoek, vermeld in het eerste lid, wordt bij beveiligde zending aan de aanvrager meegedeeld binnen een termijn van negentig dagen vanaf de dag na de datum waarop het meldingsformulier is ingediend hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten.


De beslissing dat er voor het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld, heeft van rechtswege de stopzetting van de omzettingsprocedure tot gevolg.


Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar, beslist dat er een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld, kan de aanvrager een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting indienen bij de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 4.3.3, § 3 tot en met § 9, van het DABM. De beslissing van de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage, vermeld in artikel 4.3.3, § 6, van hetzelfde decreet, is bindend voor de bevoegde overheid, vermeld in het eerste lid.”;
 

 

§ 2.

De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, neemt akte van de mededeling, vermeld in paragraaf 1, punt 1°. De akte geeft de geactualiseerde vergunningssituatie op het vlak van de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten weer. De bijzondere milieuvoorwaarden die als gevolg van hun tijdelijke karakter, van een veranderde exploitatie of van enige wettelijke of reglementaire bepaling geen uitwerking meer hebben, worden in de geactualiseerde vergunningssituatie niet vermeld.


De akte geldt als bewijs dat de milieuvergunning voortaan van onbepaalde duur is. Tegen die akte kan geen administratief beroep worden ingediend.

 

§ 3.

Als de mededeling niet binnen de termijn, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, is gedaan of als niet aan de voorwaarde, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, is voldaan, wordt de vergunninghouder of exploitant daarvan door de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, op de hoogte gebracht. In dat geval vervalt de milieuvergunning de dag na het verstrijken van de vergunningstermijn.

 

§ 4.

Als door het betrokken publiek of een adviesinstantie een bezwaar als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, wordt ingediend of in het geval er een milieueffectrapport of passende beoordeling vereist is, wordt de vraag tot omzetting van de milieuvergunning van bepaalde duur in een vergunning van onbepaalde duur behandeld overeenkomstig de gewone vergunningsprocedure.


De Vlaamse Regering regelt de samenstelling van het dossier betreffende een vraag tot omzetting dat aan de gewone vergunningsprocedure wordt onderworpen.


De termijnen, vermeld in artikel 32, gaan in op de dag na de datum dat de vergunninghouder of de exploitant per beveiligde zending op de hoogte wordt gebracht van het opstarten van de gewone vergunningsprocedure voor de omzetting van de milieuvergunning van bepaalde duur in een vergunning van onbepaalde duur.


Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of, in voorkomend geval, verlengde termijn als vermeld in artikel 32, wordt de omzetting van de milieuvergunning van bepaalde duur in een vergunning van onbepaalde duur geacht te zijn geweigerd.

 

§ 5.

Tegen de uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing, vermeld in paragraaf 4, van het college van burgemeester en schepenen of van de deputatie kan beroep worden ingesteld bij de deputatie respectievelijk de Vlaamse Regering.

 

Het beroep schorst de beslissing.


De bepalingen van hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing op het instellen, behandelen en beslissen over het beroep.


Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of, in voorkomend geval, verlengde termijn als vermeld in artikel 66, wordt het beroep geacht te zijn afgewezen en wordt de bestreden beslissing als definitief aangezien.


De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de toepassing van de bepalingen van dit artikel.

 

§ 6.

De exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor de vraag tot omzetting van de milieuvergunning van bepaalde duur in een vergunning van onbepaalde duur overeenkomstig artikel 390, § 4 of § 5, wordt behandeld, kan na de einddatum van de milieuvergunning in afwachting van een definitieve beslissing over de vraag tot omzetting worden voortgezet.


De exploitatie gebeurt onder naleving van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en de tot dan toe geldende bijzondere milieuvoorwaarden uit de vergunning.


Art. 390/1.

§ 1.

De vergunningstermijn van een milieuvergunning verleend voor de exploitatie van een inrichting met een stikstofdepositie, die overeenkomstig artikel 388, § 1, verstrijkt voor 31 december 2018, wordt verlengd tot uiterlijk 31 december 2019, mits voldaan wordt aan paragraaf 2, tenzij bij het ontbreken van een operationele programmatische aanpak stikstofdeposities deze laatste datum wordt vervangen door een latere datum die wordt vastgesteld door de Vlaamse Regering.

 

Onder inrichting met een stikstofdepositie, vermeld in het eerste lid, wordt verstaan een inrichting waarvan de stikstofdepositie volgens de depositiescan een risico inhoudt op een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, vermeld in artikel 2, 43°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.

 

Deze depositiescan, zoals aanvaard door de Vlaamse Regering, geeft als onderdeel van de online-voortoets aan of er een risico is op een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszones, vermeld in artikel 2, 43°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, voor wat betreft de gevolgen van stikstofneerslag via de lucht onder vorm van verzuring en vermesting in de betrokken speciale beschermingszone. In dit artikel wordt verstaan onder de online-voortoets: een via het internet beschikbaar gesteld instrument dat op een gestandaardiseerde en geautomatiseerde wijze een berekening maakt van de milieudruk vanuit een voorgenomen vergunningsplichtige activiteit en deze milieudruk onder vorm van mathematische grootheden uitzet ten opzichte van de gevoeligheid van de habitats en soorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen voor de betreffende speciale beschermingszone zijn vastgesteld volgens artikel 36ter, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. De online-voortoets levert levert een rapport af waarin de ingevoerde gegevens en de beoordeling van het hierboven vermelde risico vermeld worden. Dit gebeurt in termen van het al dan niet uitsluiten van een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone, met name in de zone waar het voor de berekende milieudruk gevoelige habitat of leefgebied van een soort voorkomt, of gecreëerd wordt of tot doel kan worden gesteld in het kader van de instandhoudingsdoelen overeenkomstig de daartoe in het kader van de instandhoudingsdoelstellingen toe te passen zoekzone. De toetsing gebeurt vanuit de locatie van de voorgenomen vergunningsplichtige activiteit.

 

§ 2.

Voor de verlenging van de vergunning, vermeld in paragraaf 1, moet de vergunninghouder vóór het verstrijken van de vergunningstermijn een verzoek indienen bij de bevoegde vergunningverlenende overheid.

 

De bevoegde vergunningverlenende overheid neemt akte van het verzoek als aan de toepassingsvoorwaarden van paragraaf 1 en 2 is voldaan.

 

De aktename geldt als bevestiging dat de milieuvergunning is verlengd overeenkomstig paragraaf 1.

 

Tegen die akte kan geen administratief beroep worden ingediend als aan de toepassingsvoorwaarden vermeld in paragraaf 1 en 2 is voldaan.

 

Het ingediende verzoek, bevat het rapport van de uitgevoerde depositiescan op datum van het indienen van het verzoek, met daarin minstens vermeld, de ingevoerde gegevens en het eindresultaat van deze depositiescan. De invoer van de gegevens is in overeenstemming met de milieuvergunning vigerend op datum van het indienen van het verzoek.

 

§ 3.

Deze bepalingen laten het verval van de vergunning, vermeld in artikel 99, § 2 en § 3, onverkort bestaan.


Art. 390/2.

§ 1.

De vergunningstermijn van een milieuvergunning, verleend voor de exploitatie van een inrichting met een stikstofdepositie die minstens 50 procent bijdraagt aan de kritische depositiewaarde van een habitat, en die overeenkomstig artikel 388, § 1, of artikel 390/1 vergund is, wordt verlengd met maximaal zeven jaar als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

 

op het moment van het verstrijken van de verlengde vergunningstermijn is de exploitant ofwel een natuurlijke persoon die 65 jaar of ouder is, ofwel een personenvennootschap waarvan alle aandelen op naam zijn en waarbij minstens één van de zaakvoerders of bestuurders die sinds minstens vijf jaar voor de aanvang van de verlengde vergunningstermijn van maximaal zeven jaar meerderheidsaandeelhouder is, 65 jaar of ouder is;
de exploitant van de inrichting deelt de gevraagde duur van de verlenging mee en geeft uitdrukkelijk aan dat hij de exploitatie uiterlijk zeven jaar na het verstrijken van de lopende vergunning zal stopzetten; 
de exploitatie stoot gedurende de termijn van de verlenging geen bijkomende stikstofemissies uit;
tijdens de verlenging van de vergunning en op het einde van de verlengde vergunning kan de exploitant van de inrichting alleen nog beroep doen op de maatregelen bedrijfsbeëindiging, koopplicht of erfdienstbaarheid.

 

 

§ 2.

Voor de verlenging van de vergunning, vermeld in paragraaf 1, moet de vergunninghouder uiterlijk vier maanden vóór het verstrijken van de lopende vergunning een verzoek indienen bij de bevoegde vergunningverlenende overheid.


Het ingediende verzoek bevat het resultaat van de impactscoreberekening uitgevoerd met de onlinetoepassing ‘impactscore NH3’, zoals beschikbaar op de website Natura 2000 die maximaal één maand vóór het indienen van het verzoek is uitgevoerd op basis van de gegevens uit de lopende milieuvergunning. 


De bevoegde vergunningverlenende overheid neemt akte van het verzoek als aan de toepassingsvoorwaarden van paragraaf 1 en 2 is voldaan.


Tegen die akte kan geen administratief beroep worden ingediend als aan de toepassingsvoorwaarden van paragraaf 1 en 2 is voldaan.

 

§ 3.

Deze bepalingen laten het verval van de vergunning, vermeld in artikel 99, § 2 en § 3, onverkort bestaan.


Art. 391.

In afwijking van artikel 70, § 1, kan in de gevallen en volgens het tijdschema dat de Vlaamse Regering bepaalt, de vroegtijdige hernieuwing van een milieuvergunning op ontvankelijke wijze worden ingediend.


Art. 392.

De inrichtingen die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet vergund of gemeld zijn, worden van rechtswege ingedeeld op grond van de indelingslijst, vastgesteld krachtens titel V van het DABM.