Afdeling 8.
Wijzigingen van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid


Art. 136.

In artikel 2.1.16 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1 wordt het woord “bestendige” opgeheven;
in paragraaf 2 wordt het woord “milieuvergunningscommissie” vervangen door het woord “omgevingsvergunningscommissie”.

 


Art. 137.

In artikel 2.1.17 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1 wordt het woord “milieuvergunningscommissie” vervangen door het woord “omgevingsvergunningscommissie”;
in paragraaf 1 en 2 wordt het woord “bestendige” telkens opgeheven.

 


Art. 138.

In artikel 2.1.19, § 1, van hetzelfde decreet wordt het woord “bestendige” opgeheven.


Art. 139.

In artikel 2.1.23 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1 wordt het woord “milieuvergunningscommissie” vervangen door het woord “omgevingsvergunningscommissie”;
in paragraaf 1, paragraaf 3, tweede lid, en paragraaf 6 wordt het woord “bestendige” telkens opgeheven.

 


Art. 140.

In artikel 2.1.23bis, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 28 april 2006, wordt het woord “bestendige” opgeheven.


Art. 141.

In artikel 3.1.2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij de decreten van 18 december 2002 en 21 december 2007, worden punt 1° en 2° vervangen door wat volgt:

 

“1° inrichtingen en activiteiten: de inrichtingen en activiteiten, vermeld in artikel 5.1.1, 8°, en artikel 5.1.1, 1°;

2° vergunningverlenende overheid: de overheid die de omgevingsvergunning, vermeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, kan afleveren;”.


Art. 142.

In artikel 3.2.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij de decreten van 27 maart 2009 en 23 december 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1, 3, 4, 5, eerste lid, en paragraaf 11 wordt het woord “inrichtingen” telkens vervangen door de woorden “inrichtingen of activiteiten”;
paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt: “§ 2. De Vlaamse Regering wijst de inrichtingen of activiteiten van de tweede klasse aan waarvoor de exploitant een milieucoördinator moet aanstellen.”;
in paragraaf 3 wordt het woord “inrichting” vervangen door de woorden “inrichting of activiteit”;
in paragraaf 11, tweede lid, wordt de zinsnede “hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “titel V, hoofdstuk 6”.

Art. 143.

In artikel 3.2.2, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2011 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in punt e) wordt het woord “inrichting” vervangen door de woorden “inrichting of activiteit”;

er wordt een punt f) toegevoegd, dat luidt als volgt:

“f) medewerking te verlenen en informatie aan te reiken bij de uitvoering van de evaluaties, vermeld in artikel 5.4.11.”.

 


Art. 144.

In artikel 3.2.3, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995, worden de woorden “sectorale voorwaarden” vervangen door de woorden “sectorale milieuvoorwaarden”.


Art. 145.

Aan hoofdstuk II van titel III van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij de decreten van 27 maart 2009, 23 december 2010 en 23 december 2011, wordt een artikel 3.2.6 toegevoegd dat luidt als volgt:

 

“Art. 3.2.6. De Vlaamse Regering bepaalt de informatie die in het kader van de toepassing van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en van titel V door de vergunningverlenende overheid, de exploitant of de milieucoördinator aan het Comité voor preventie en bescherming op het werk, bij ontstentenis daarvan aan de vakbondsafvaardiging of de werknemers, ter beschikking moet worden gesteld.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels uitvaardigen met het oog op het overleg over de bedrijfsinterne milieuzorg in de onderneming tussen de exploitant, afgevaardigde of de milieucoördinator enerzijds en het Comité voor preventie en bescherming op het werk, bij ontstentenis daarvan de vakbondsafvaardiging of de werknemers, anderzijds.”.


Art. 146.

In artikel 3.3.2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij de decreten van 6 februari 2004 en 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1 wordt het woord “inrichtingen” telkens vervangen door de woorden “inrichtingen of activiteiten”;
in paragraaf 5 wordt de zinsnede “hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “titel V, hoofdstuk 6”.

 


Art. 147.

In artikel 3.4.1, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995, wordt het woord “inrichting” telkens vervangen door de woorden “inrichting of activiteit” en worden de woorden “sectorale voorwaarden” vervangen door de woorden “sectorale milieuvoorwaarden”.


Art. 148.

In artikel 3.4.2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij het decreet van 21 december 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1 wordt het woord “inrichting” telkens vervangen door de woorden “inrichting of activiteit” en worden de woorden “sectorale voorwaarden” vervangen door de woorden “sectorale milieuvoorwaarden”;
in paragraaf 2 wordt het woord “inrichting” vervangen door de woorden “inrichting of activiteit”.

 


Art. 149.

In artikel 3.4.3, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2011, wordt de zinsnede “sectorale voorwaarden of in de vergunning, de exploitant van een inrichting” vervangen door de zinsnede “sectorale milieuvoorwaarden of in de omgevingsvergunning, de exploitant van een inrichting of activiteit”.


Art. 150.

In artikel 3.5.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in het eerste lid wordt het woord “inrichtingen” vervangen door de woorden “inrichtingen of activiteiten” en worden de woorden “sectorale voorwaarden” vervangen door de woorden “sectorale milieuvoorwaarden”;
in het tweede lid wordt het woord “inrichtingen” vervangen door de woorden “inrichtingen of activiteiten”.

 


Art. 151.

In artikel 3.7.1, § 1 en § 3, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij het decreet van 21 december 2007, wordt het woord “inrichting” vervangen door de woorden “inrichting of activiteit”.


Art. 152.

In artikel 4.1.1, § 1, 13°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij het decreet van 12 december 2008, wordt in punt 13° de zinsnede “overeenkomstig artikelen 41, 44 en 48 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening” telkens vervangen door de zinsnede “overeenkomstig de artikelen 2.2.6, 2.2.9 en 2.2.13 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening”.


Art. 153.

In artikel 4.1.6, § 1, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij het decreet van 27 april 2007, wordt de zinsnede “4.3.5, § 1, en 4.5.3, § 1” vervangen door de zinsnede “of in voorkomend geval bij haar advies als vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid, en artikel 4.5.2, § 4”.


Art. 154.

In artikel 4.1.7, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt het woord “daarover” vervangen door de woorden “over het rapport of de rapporten”.


Art. 155.

In artikel 4.3.2, § 1, § 2, § 2bis, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 23 maart 2012, wordt het tweede lid telkens vervangen door wat volgt:

 

“De verplichting tot het uitvoeren van een project-m.e.r. geldt niet voor de loutere hernieuwing van de omgevingsvergunning en de omzetting, vermeld in artikel 70 respectievelijk 390 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, tenzij de loutere hernieuwing van de vergunning of de omzetting betrekking heeft op activiteiten die fysieke ingrepen in het leefmilieu tot gevolg hebben.”.


Art. 156.

In artikel 4.3.3, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 23 maart 2012, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Er moet geen milieueffectrapport over het project worden opgesteld als de overheid, vermeld in het eerste lid, oordeelt dat:

een toetsing aan de criteria van bijlage II uitwijst dat het voorgenomen project geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu en een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten; of
vroeger al een plan-MER werd goedgekeurd betreffende een plan of programma waarin een project met vergelijkbare effecten beoordeeld werd of een project-MER werd goedgekeurd betreffende een project waarvan het voorgenomen initiatief een herhaling, voortzetting of alternatief is, en een nieuw project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten.”.

Art. 157.

In titel IV, hoofdstuk III, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij de decreten van 12 december 2008 en 23 maart 2012, wordt het opschrift van afdeling II vervangen door wat volgt: “Afdeling II. — Aanmelding en inhoudsafbakening van het voorgenomen project-MER”.


Art. 158.

Artikel 4.3.4 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt vervangen door wat volgt:

 

“Art. 4.3.4. § 1. Voor de initiatiefnemer de vergunningsaanvraag of in voorkomend geval de vergunningsaanvragen indient, meldt hij aan de administratie zijn voornemen om een project-MER op te stellen.

Die aanmelding bevat ten minste:

een beschrijving van het project, met inbegrip van een beknopte beschrijving van de overwogen alternatieven voor het project of voor onderdelen ervan;
de vergunningen die moeten worden aangevraagd en in voorkomend geval de bestaande vergunningstoestand;
een beschrijving van de te onderzoeken aanzienlijke effecten voor mens en milieu die het project vermoedelijk zal hebben;
een beschrijving van het procesverloop, met in voorkomend geval een beschrijving van het participatietraject;
in voorkomend geval alle beschikbare informatie over de mogelijke aanzienlijke grensoverschrijdende effecten van het project;
de relevante gegevens over de voorgestelde erkende MER-coördinator en het voorgestelde team van erkende MER-deskundigen, vermeld in artikel 4.3.6, en de taakverdeling tussen de deskundigen, op basis van de beschrijving, vermeld in punt 3°;
in voorkomend geval een verzoek tot advies over de te verstrekken informatie, vermeld in artikel 4.3.7;
in voorkomend geval de gronden voor de vraag tot onttrekking aan bekendmaking van de aanmelding of aangeduide delen ervan.

De administratie kan aan de initiatiefnemer steeds vragen om aanvullende informatie te verstrekken. De procedure kan pas worden voortgezet nadat de administratie de door haar gevraagde informatie heeft ontvangen.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de informatie die in de aanmelding opgenomen moet worden. Dit kan zowel gaan om aanvullende informatie die niet wordt vermeld in het tweede lid als om een verdere verduidelijking van de informatie vermeld in het tweede lid.

 

§ 2. Als uit de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, blijkt dat het project aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie of in verdragspartijen bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, ondertekend in Espoo op 25 februari 1991, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken, meldt de administratie het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie, met de vraag of ze hun commentaar aan de administratie kunnen meedelen. Die melding omvat ten minste de volgende informatie:

een afschrift van de aanmelding, vermeld in paragraaf 1;
een beschrijving van de rapportageprocedure die op het voorgenomen project van toepassing is; 3° informatie over de vergunningsplicht waaraan het voorgenomen project onderworpen is. De administratie brengt de initiatiefnemer ervan op de hoogte dat het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie gemeld werd.

 

§ 3. De administratie neemt een beslissing over de opstellers van het project-MER, vermeld in artikel 4.3.6, en deelt haar beslissing aan de initiatiefnemer mee binnen de termijn en op de wijze die wordt bepaald door de Vlaamse Regering.

 

§ 4. Als de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, een verzoek tot advies als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 7°, bevat, bezorgt de administratie een afschrift van de aanmelding voor advies aan de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen die de Vlaamse Regering heeft aangewezen.

 

Na ontvangst van de adviezen van de instanties, vermeld in het eerste lid, verleent de administratie een advies over de informatie die de initiatiefnemer overeenkomstig artikel 4.3.7 moet verstrekken. De administratie houdt bij haar advies rekening met de opmerkingen en commentaren van de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen in kwestie.

 

§ 5. De administratie maakt de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, binnen de door de Vlaamse Regering bepaalde termijn bekend op haar website.

 

Als de initiatiefnemer in de aanmelding een vraag stelde tot onttrekking aan bekendmaking van de aanmelding of delen ervan, maakt de administratie in haar beslissing een belangenafweging overeenkomstig artikel 15 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur. De administratie kan de gegevens in kwestie geheel of gedeeltelijk onttrekken aan bekendmaking. Als ze beslist tot gehele of gedeeltelijke onttrekking aan bekendmaking van de aangeduide gegevens, moet ze de gegevens die aan bekendmaking worden onttrokken, opnemen in een bijlage. De bijlage wordt niet bekendgemaakt.

 

Tegen de beslissing tot onttrekking aan bekendmaking staat beroep open overeenkomstig artikel 22 tot en met 27 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur.

 

§ 6. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de aanmeldingsprocedure, de grens- en gewestgrensoverschrijdende procedure en de procedure van adviesverlening vanwege de adviesinstanties en de administratie.

 

§ 7. De initiatiefnemer kan voorafgaand aan het indienen van de vergunningsaanvraag of vergunningsaanvragen aan de administratie vragen dat het project-MER inhoudelijk op zijn kwaliteit wordt getoetst. In de gevallen, vermeld in het eerste lid, toetst de administratie het project-MER inhoudelijk aan:

de beslissing, vermeld in paragraaf 3;
in voorkomend geval het advies, vermeld in paragraaf 4, tweede lid;
de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.3.7;
in voorkomend geval de adviezen, opmerkingen en commentaren van de bevoegde autoriteiten, vermeld in paragraaf 2.

 

Het resultaat van de toetsing leidt tot de voorlopige goed- of afkeuring van het project-MER. De administratie bezorgt haar beslissing over de voorlopige goed- of afkeuring van het project-MER binnen een door de Vlaamse Regering bepaalde termijn aan de initiatiefnemer.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de voorlopige goed- of afkeuring van het project-MER en voor de bekendmaking ervan.”.


Art. 159.

Artikel 4.3.5 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt opgeheven.


Art. 160.

In artikel 4.3.6 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zinsnede “de in artikel 4.3.5, § 1, bedoelde inhoudsafbakening en bijzondere richtlijnen” vervangen door de zinsnede “in voorkomend geval met het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid”;
in paragraaf 3 wordt de zin “De MER-coördinator en zijn team moeten in voorkomend geval de aanvullende bijzondere schriftelijke richtlijnen van de administratie, als aanvulling op de afgebakende inhoud en de bijzondere richtlijnen bedoeld in artikel 4.3.5, § 1, in acht nemen.” opgeheven.

Art. 161.

In artikel 4.3.7, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt de zinsnede “de beslissing, bedoeld in artikel 4.3.5, § 1,” vervangen door de zinsnede “het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid,”.


Art. 162.

Artikel 4.3.8 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt vervangen door wat volgt:

 

“Art. 4.3.8. § 1. Op de wijze, vermeld in de wetgeving van de desbetreffende vergunningsprocedure of -procedures, bezorgt de initiatiefnemer het project-MER aan de overheid die in eerste aanleg een beslissing zal nemen over de vergunningsaanvraag voor het project.

 

De initiatiefnemer kan aan de overheid, vermeld in het eerste lid, vragen dat bepaalde delen uit het project-MER aan het openbaar onderzoek binnen de vergunningsprocedure worden onttrokken. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de samenwerking en informatie-uitwisseling van de administratie met de administraties betrokken in de vergunningsprocedure.

 

§ 2. Na raadpleging van de adviesverlenende instanties, vermeld in het derde lid, en na afsluiting van het openbaar onderzoek van de vergunningsprocedure, toetst de administratie het project-MER inhoudelijk:

aan de beslissing, vermeld in artikel 4.3.4, § 3;
in voorkomend geval aan het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid;
aan de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.3.7;
aan de adviezen, opmerkingen en commentaren van de instanties en het publiek over het project-MER, verstrekt naar aanleiding van het openbaar onderzoek;
in voorkomend geval aan de adviezen, opmerkingen en commentaren van de bevoegde autoriteiten, vermeld in artikel 4.3.4, § 2, en het publiek over het project-MER, verstrekt naar aanleiding van het openbaar onderzoek in grensoverschrijdend verband.

 

Het resultaat van de toetsing wordt opgenomen in het project-MER-verslag en leidt tot de goed- of afkeuring van het project-MER.

 

De adviesverlenende instanties, vermeld in het eerste lid, zijn de instanties die de Vlaamse Regering heeft aangewezen en die vermeld zijn in de wetgeving van de desbetreffende vergunningsprocedure.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de wijze van raadpleging van de adviesverlenende instanties, vermeld in het eerste lid, en van de bevoegde autoriteiten, vermeld in het eerste lid, 5°, door de administratie.

 

§ 3. De administratie bezorgt haar beslissing over de goed- of afkeuring van het project-MER:

aan de initiatiefnemer;
in voorkomend geval aan de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, eerste lid;
aan de adviesverlenende instanties, vermeld in paragraaf 2, derde lid;
in voorkomend geval aan de bevoegde autoriteiten, vermeld in artikel 4.3.4, § 2;
aan de overheid die in eerste aanleg een beslissing over de vergunningsaanvraag voor het project zal nemen.

  

De beslissing bevat ook een afschrift van het project-MER-verslag, vermeld in paragraaf 2, tweede lid.

 

§ 4. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de goed- of afkeuring van het project-MER en voor de bekendmaking ervan.”.


Art. 163.

In artikel 4.3.9 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

 

1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:

 

“§ 1. Vanaf de betekening van de beslissing, vermeld in artikel 4.3.8, § 3, liggen het project-MER, het project-MER-verslag, vermeld in artikel 4.3.8, § 2, tweede lid, en in voorkomend geval het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid, ter inzage bij de administratie.”;

 

2° in paragraaf 2 wordt de zinsnede “artikel 8, § 5, van het decreet van 18 mei 1999” vervangen door de zinsnede “artikel 15 van het decreet van 26 maart 2004”;

 

3° in paragraaf 4 wordt de zinsnede “bedoeld in artikel 4.3.4, § 5” telkens vervangen door de zinsnede “vermeld in artikel 4.3.4, § 2”.


Art. 164.

In artikel 4.4.1, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt de zinsnede “het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening” vervangen door de zinsnede “de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening”.


Art. 165.

In artikel 4.5.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

  

1° in paragraaf 1, 2°, wordt de zinsnede “decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”;

 

2° aan paragraaf 1 wordt een tweede lid toegevoegd dat luidt als volgt:

 

“Voor de loutere hernieuwing van de omgevingsvergunning moet geen omgevingsveiligheidsrapport opgemaakt worden.”;

 

3° in paragraaf 3 worden de woorden “een reeds voor deze inrichting goedgekeurd omgevingsveiligheidsrapport kan worden gebruikt om te worden gevoegd bij de vergunningsaanvraag” vervangen door de woorden “er geen bijwerking nodig is van een reeds voor deze inrichting goedgekeurd omgevingsveiligheidsrapport”;

 

4° in paragraaf 6 worden de woorden “, het omgevingsveiligheidsrapport vermeld in paragraaf 3” opgeheven.


Art. 166.

Artikel 4.5.2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt vervangen door wat volgt:

 

“Art. 4.5.2. § 1. Voor de initiatiefnemer de vergunningsaanvraag indient, meldt hij aan de administratie zijn voornemen om een OVR op te stellen.

 

Die aanmelding bevat ten minste:

 

1° een beschrijving van het project, met inbegrip van een beknopte beschrijving van de overwogen alternatieven voor het project of voor onderdelen ervan;

 

2° de reden van de rapportageplicht van de inrichting;

 

3° de vergunningen die moeten worden aangevraagd en in voorkomend geval de bestaande vergunningstoestand;

 

4° een beschrijving van het procesverloop, met in voorkomend geval een beschrijving van het participatietraject;

 

5° in voorkomend geval de gegevens die de administratie nodig heeft voor het aanvangen van de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling, vermeld in paragraaf 2;

 

6° de relevante gegevens over de voorgestelde erkende deskundige, vermeld in artikel 4.5.5, in voorkomend geval aangevuld met de lijst van deskundigen die de erkende deskundige zullen bijstaan en de taakverdeling tussen de deskundigen;

 

7° overeenkomstig de vereisten van artikel 4.5.6 en van het v.r.-richtlijnenboek, een beschrijving van de inhoudelijke aanpak, met inbegrip van de methodologie van het OVR;

 

8° in voorkomend geval een verzoek tot advies over de te verstrekken informatie, vermeld in artikel 4.5.6;

 

9° in voorkomend geval de gronden voor de vraag tot onttrekking aan bekendmaking van de aanmelding of aangeduide delen ervan.

 

De administratie kan aan de initiatiefnemer steeds vragen om aanvullende informatie te verstrekken. De procedure kan pas worden voortgezet nadat de administratie de door haar gevraagde informatie heeft ontvangen.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de informatie die in aanmelding opgenomen moet worden. Dit kan zowel gaan om aanvullende informatie die niet wordt vermeld in het tweede lid als om een verdere verduidelijking van de informatie vermeld in het tweede lid.

 

§ 2. Als uit de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, blijkt dat het project ten gevolge van een zwaar ongeval betekenisvolle effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie of in verdragspartijen bij het verdrag betreffende de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen dat op 17 maart 1992 in Helsinki werd ondertekend, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken, meldt de administratie het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie, met de vraag of ze hun commentaar aan de administratie kunnen meedelen. Die melding omvat ten minste de volgende informatie:

een afschrift van de aanmelding, vermeld in paragraaf 1;
een beschrijving van de rapportageprocedure die op het voorgenomen project van toepassing is;
informatie over de vergunningsplicht waaraan het voorgenomen project onderworpen is.

 

De administratie brengt de initiatiefnemer ervan op de hoogte dat het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie werd gemeld.

 

§ 3. De administratie neemt een beslissing over de opstellers van het OVR, vermeld in artikel 4.5.5, en deelt haar beslissing aan de initiatiefnemer mee binnen de termijn en op de wijze die wordt bepaald door de Vlaamse Regering.

 

§ 4. Als de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, een verzoek tot advies als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 8°, bevat, verleent de administratie een advies over de informatie die de initiatiefnemer overeenkomstig artikel 4.5.6 moet verstrekken.

 

§ 5. De administratie maakt de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, binnen de door de Vlaamse Regering bepaalde termijn bekend op haar website.

 

Als de initiatiefnemer in de aanmelding een vraag stelde tot onttrekking aan bekendmaking van de aanmelding of delen ervan, maakt de administratie in haar beslissing een belangenafweging overeenkomstig artikel 15 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur. De administratie kan de gegevens in kwestie geheel of gedeeltelijk onttrekken aan bekendmaking. Als ze beslist tot gehele of gedeeltelijke onttrekking aan bekendmaking van de aangeduide gegevens, moet ze de gegevens die aan bekendmaking worden onttrokken, opnemen in een bijlage. De bijlage wordt niet bekendgemaakt.

 

Tegen de beslissing tot onttrekking aan bekendmaking staat beroep open overeenkomstig artikel 22 tot en met 27 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur.

 

§ 6. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de aanmeldingsprocedure, de grens- en gewestgrensoverschrijdende procedure en de procedure van adviesverlening vanwege de administratie.

 

§ 7. De initiatiefnemer kan voorafgaand aan het indienen van de vergunningsaanvraag aan de administratie vragen dat het OVR inhoudelijk op zijn kwaliteit wordt getoetst.

 

In de gevallen, vermeld in het eerste lid, toetst de administratie het OVR inhoudelijk aan:

de beslissing, vermeld in paragraaf 3;
de beschrijving van de inhoudelijke aanpak van het OVR, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 7°;
in voorkomend geval het advies, vermeld in paragraaf 4;
de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.5.6;
in voorkomend geval de adviezen, opmerkingen en commentaren van de bevoegde autoriteiten, vermeld in paragraaf 2.

Het resultaat van de toetsing leidt tot de voorlopige goed- of afkeuring van het OVR.

 

De administratie bezorgt haar beslissing over de voorlopige goed- of afkeuring van het OVR binnen een door de Vlaamse Regering bepaalde termijn aan de initiatiefnemer.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de voorlopige goed- of afkeuring van het OVR en voor de bekendmaking ervan.".


Art. 167.

Artikel 4.5.3 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt opgeheven.


Art. 168.

In artikel 4.5.5, § 3, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt de zinsnede “de aanvullende bijzondere schriftelijke richtlijnen van de administratie als aanvulling op de afgebakende inhoud, bedoeld in artikel 4.5.3, § 1, 1° en 2°,” vervangen door de zinsnede “het advies, vermeld in artikel 4.5.2, § 4,”.


Art. 169.

Artikel 4.5.7 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, wordt vervangen door wat volgt:

 

“Art. 4.5.7. § 1. Op de wijze, vermeld in de wetgeving van de desbetreffende vergunningsprocedure, bezorgt de initiatiefnemer het OVR aan de overheid die in eerste aanleg een beslissing zal nemen over de vergunningsaanvraag voor het project.

 

De initiatiefnemer kan aan de overheid, vermeld in het eerste lid, vragen dat bepaalde delen uit het OVR aan het openbaar onderzoek binnen de vergunningsprocedure worden onttrokken. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de samenwerking en informatie-uitwisseling van de administratie met de administraties betrokken in de vergunningsprocedure.

 

§ 2. Na raadpleging van de adviesverlenende instanties en na afsluiting van het openbaar onderzoek van de vergunningsprocedure, toetst de administratie het OVR inhoudelijk:

aan de beslissing, vermeld in artikel 4.5.2, § 3;
aan de beschrijving van de inhoudelijke aanpak van het OVR, vermeld in artikel 4.5.2, § 1, tweede lid, 7°;
in voorkomend geval aan het advies, vermeld in artikel 4.5.2, § 4;
aan de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.5.6;
aan de adviezen, opmerkingen en commentaren van de instanties en het publiek over het OVR, verstrekt naar aanleiding van het openbaar onderzoek;
in voorkomend geval aan de adviezen, opmerkingen en commentaren van de bevoegde autoriteiten, vermeld in artikel 4.5.2, § 2, en het publiek over het OVR, verstrekt naar aanleiding van het openbaar onderzoek in grensoverschrijdend verband.

 

Het resultaat van de toetsing wordt opgenomen in het OVR-verslag en leidt tot de goed- of afkeuring van het OVR.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de wijze van raadpleging van de adviesverlenende instanties, vermeld in het eerste lid, en van de bevoegde autoriteiten, vermeld in het eerste lid, 5°, door de administratie.

 

§ 3. De administratie bezorgt haar beslissing over de goed- of afkeuring van het OVR:

aan de initiatiefnemer;
aan de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen die de Vlaamse Regering heeft aangewezen;
in voorkomend geval aan de bevoegde autoriteiten, vermeld in artikel 4.5.2, § 2;
aan de overheid die in eerste aanleg een beslissing zal nemen over de vergunningsaanvraag voor het project.

De beslissing bevat ook een afschrift van het OVR-verslag, vermeld in paragraaf 2, tweede lid.

 

§ 4. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de goed- of afkeuring van het OVR en de bekendmaking ervan.”.


Art. 170.

In artikel 4.5.8 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

 

1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:

 “§ 1. Vanaf de betekening van de beslissing, vermeld in artikel 4.5.7, § 3, liggen het OVR, het OVR-verslag, vermeld in artikel 4.5.7, § 2, tweede lid, en in voorkomend geval het advies, vermeld in artikel 4.5.2, § 4, ter inzage bij de administratie.”;

 

2° in paragraaf 2 wordt de zinsnede “artikel 8, § 5, van het decreet van 18 mei 1999” vervangen door de zinsnede “artikel 15 van het decreet van 26 maart 2004”;

 

3° in paragraaf 4 wordt de zinsnede “bedoeld in artikel 4.5.2, § 4” telkens vervangen door de zinsnede “vermeld in artikel 4.5.2, § 2”.


Art. 171.

In artikel 4.6.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en vervangen bij het decreet van 27 maart 2009, wordt de zinsnede “hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “titel V, hoofdstuk 6”.


Art. 172.

In artikel 4.6.2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

 

1° aan paragraaf 1 wordt een derde lid toegevoegd dat luidt als volgt:

“Het advies, vermeld in artikel 4.3.4, § 4, tweede lid, omvat de bijzondere en in voorkomend geval de aanvullende bijzondere richtlijnen, vermeld in het tweede lid.”;

 

2° aan paragraaf 2 wordt een derde lid toegevoegd dat luidt als volgt:

“Het advies, vermeld in artikel 4.5.2, § 4, omvat de bijzondere en in voorkomend geval de aanvullende bijzondere richtlijnen, vermeld in het tweede lid.”.


Art. 173.

In artikel 4.6.4 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij de decreten van 27 april 2007 en 23 maart 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

 

in paragraaf 1, 1°, wordt punt b) opgeheven;
in paragraaf 1, 1°, wordt punt c) vervangen door wat volgt:
  “c) de afkeuring van het plan-MER, vermeld in artikel 4.2.10, § 2;”;
in paragraaf 1, 2°, wordt punt a) opgeheven;
in paragraaf 1, 2°, wordt punt b) vervangen door wat volgt:
  “b) de afkeuring van het ruimtelijk veiligheidsrapport, vermeld in artikel 4.4.4, § 2.”.

 


Art. 174.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt een titel V ingevoegd, die luidt als volgt:


“TITEL V. — Exploitatie van inrichtingen en activiteiten en erkende personen”.


Art. 175.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, ingevoegd bij artikel 174, een hoofdstuk 1 ingevoegd, dat luidt als volgt:


“HOOFDSTUK 1. — Definities en doelstelling”.


Art. 176.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 175, een afdeling 1 ingevoegd, die luidt als volgt:


“Afdeling 1. — Algemene definities”.


Art. 177.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 november 2012, wordt in titel V, hoofdstuk 1, afdeling 1, ingevoegd bij artikel 176, een artikel 5.1.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.1.1. In deze titel wordt verstaan onder:

1° activiteiten: de werken en handelingen, vermeld in de indelingslijst;

 

 2° decreet van 25 april 2014: het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;

 

3° emissie: de directe of indirecte uitstoot van stoffen, trillingen, warmte, licht of geluid uit puntbronnen of diffuse bronnen van inrichtingen en activiteiten in de lucht, het water of de bodem;

 

4° exploitant: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een ingedeelde inrichting exploiteert of voor de rekening van wie ze wordt geëxploiteerd;

 

5° exploiteren: het installeren, in werking stellen, gebruiken of in stand houden van ingedeelde inrichtingen of het aanvangen en uitvoeren van ingedeelde activiteiten;

 

6° GPBV-installatie: een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten en processen, vermeld in de indelingslijst, en aangeduid met de letter X in de vierde kolom van de indelingslijst, alsook andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met de voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;

 

7° indelingslijst: de lijst, vastgesteld door de Vlaamse Regering bestaande uit rubrieken die een omschrijving omvatten van de inrichtingen en activiteiten die ernstige risico’s of hinder voor de mens en het milieu kunnen inhouden;

 

8° ingedeelde inrichting of activiteit: één inrichting of activiteit en de aanhorigheden ervan op een bepaalde locatie of, in voorkomend geval, meerdere inrichtingen of activiteiten en de aanhorigheden ervan op een bepaalde locatie die voor hun exploitatie als een samenhangend technisch geheel moeten worden beschouwd. Het feit dat verschillende inrichtingen en activiteiten een verschillend eigendomsstatuut hebben belet niet dat ze door hun onderlinge technische samenhang als één ingedeelde inrichting of activiteit kunnen worden beschouwd;

 

9° inrichtingen: de bedrijven, werkplaatsen, opslagplaatsen, installaties, machines en toestellen, als omschreven in de indelingslijst;

 

10° mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten: de door de Vlaamse Regering aangewezen inrichtingen of activiteiten die vanwege hun aard op verschillende locaties al dan niet binnen een vergunde inrichting, kunnen worden ingezet;

 

11° tijdelijke inrichtingen en activiteiten: de door de Vlaamse Regering aangewezen inrichtingen en activiteiten die op tijdelijke basis, gedurende maximaal één jaar als ze verband houden met een bouwwerf of maximaal drie maanden in de overige gevallen, worden ingezet en waarvan de exploitatie geen blijvende gevolgen heeft voor de mens en het milieu;

 

12° veranderen van een ingedeelde inrichting of activiteit:

a) het wijzigen: het verplaatsen binnen de vergunde of gemelde inrichting of activiteit, of het aanwenden van een andere exploitatiemethode;
b) het uitbreiden: het vergroten in capaciteit, in drijfkracht of in oppervlakte op percelen waarop de geldende vergunning of melding betrekking heeft;
c) het toevoegen: het vergroten in opslagcapaciteit, in drijfkracht of in oppervlakte op percelen waarop de geldende vergunning of melding geen betrekking heeft;

 

13° verontreiniging: de directe of indirecte inbreng door menselijke activiteiten van stoffen, trillingen, warmte of geluid in lucht, water of bodem, die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kan aantasten, schade kan toebrengen aan materiële goederen, of de belevingswaarde van het milieu of een ander rechtmatig milieugebruik kan aantasten of in de weg kan staan.”.


Art. 178.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 175, een afdeling 2 ingevoegd, die luidt als volgt:


“Afdeling 2. — Definities van genetisch gemodificeerde organismen of pathogene organismen”.


Art. 179.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 1, afdeling 2, ingevoegd bij artikel 178, een artikel 5.1.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Artikel 5.1.2. In hoofdstuk V wordt verstaan onder:

 

1° genetisch gemodificeerd micro-organisme (ggm) of organisme (ggo): een micro-organisme of een organisme waarvan het genetische materiaal gewijzigd is op een wijze die van nature of door voortplanting of natuurlijke recombinatie niet mogelijk is;

  

2° pathogene organismen: fytopathogenen, menselijke pathogenen of zoöpathogenen;

  

3° ingeperkt gebruik: elke activiteit waarbij organismen genetisch worden gemodificeerd of waarbij dergelijke ggo’s of pathogene organismen worden gekweekt, opgeslagen, getransporteerd, vernietigd, verwijderd of anderszins gebruikt en waarbij specifieke inperkingsmaatregelen worden gebruikt om het contact van die organismen met de bevolking in het algemeen en het milieu te beperken;

 

4° kennisgeving: het indienen van documenten met de vereiste gegevens met het oog op het uitoefenen van activiteiten van risiconiveau 1 of 2;

 

5° toelating: het indienen van documenten met de vereiste gegevens met het oog op het verkrijgen van een toelating voor de uitoefening van activiteiten met risiconiveau 3 of 4.”.


Art. 180.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 175, een afdeling 3 ingevoegd, die luidt als volgt:


“Afdeling 3. — Doelstelling”.


Art. 181.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 1, afdeling 3, ingevoegd bij artikel 180, een artikel 5.1.3 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.1.3. Deze titel heeft tot doel:

 

1° de mens en het milieu te beschermen tegen onaanvaardbare risico’s en hinder, afkomstig van de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten.

  

De hinder en risico’s omvatten:

 

a) de hinder en risico’s als gevolg van de directe of indirecte inbreng van stoffen, trillingen, warmte, licht of geluid in lucht, water of bodem die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kunnen aantasten;

 

b) de risico’s op ongevallen als gevolg van de exploitatie en de gevolgen daarvan voor de gezondheid van de mens en het milieu;

 

c) de risico’s en de hinder door uitputting van hernieuwbare en niet-hernieuwbare hulpbronnen, de verspilling van materialen en energie in het algemeen alsook de schadelijke gevolgen voor mens en milieu, verbonden aan materiaalgebruik en -verbruik;

 

d) mobiliteitshinder.

 

De bescherming geldt eveneens ten aanzien van personen die zich binnen de inrichting bevinden en die niet dezelfde bescherming genieten als de werknemers of hun gelijkgestelden, vermeld in artikel 2 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitoefening van hun werk;

 

2° een erkenning in te stellen voor het uitoefenen van bepaalde functies, het verstrekken van opleidingen, het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses door rechtspersonen of natuurlijke personen.

 

Deze titel draagt bij tot de realisatie van de doelstellingen omschreven in artikel 1.2.1 van dit decreet.

 

Deze titel beoogt tevens een proces van permanente verbetering aan te moedigen bij de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten.”.


Art. 182.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, ingevoegd bij artikel 174, een hoofdstuk 2 ingevoegd, dat luidt als volgt:


“HOOFDSTUK 2. — Algemene beginselen inzake vergunnings- en meldingsplicht”.


Art. 183.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 182, een artikel 5.2.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.2.1. § 1. De Vlaamse Regering stelt de indelingslijst vast.

 

§ 2. In de indelingslijst bepaalt de Vlaamse Regering voor elke inrichting of activiteit of ze van de eerste, tweede of derde klasse is. Van de eerste klasse zijn de inrichtingen of activiteiten met de grootste risico’s of hinder. Van de derde klasse zijn de inrichtingen of activiteiten met de minste risico’s of hinder.

 

In de indelingslijst wijst de Vlaamse Regering ook de inrichtingen en activiteiten aan die tijdelijk, mobiel of verplaatsbaar zijn.

 

§ 3. Een ingedeelde inrichting of activiteit is van de eerste klasse als ze bestaat uit minstens één inrichting of activiteit die van de eerste klasse is.

 

In voorkomend geval omvat een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste klasse ook alle inrichtingen of activiteiten van de tweede en de derde klasse die samen op de locatie worden geëxploiteerd.

 

§ 4. Een ingedeelde inrichting of activiteit is van de tweede klasse als ze bestaat uit minstens één inrichting of activiteit die van de tweede klasse is, maar geen inrichting of activiteit omvat die van de eerste klasse is.

 

In voorkomend geval omvat een ingedeelde inrichting of activiteit van de tweede klasse ook alle inrichtingen of activiteiten van de derde klasse die samen op de locatie worden geëxploiteerd.

 

§ 5. Een ingedeelde inrichting of activiteit van de derde klasse bestaat uitsluitend uit inrichtingen of activiteiten van de derde klasse.

 

§ 6. Voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste of de tweede klasse of voor de verandering ervan is een omgevingsvergunning vereist als vermeld in artikel 6, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.

 

Voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de derde klasse of voor de verandering ervan is een meldingsakte vereist als vermeld in artikel 6, tweede lid, van het voormelde decreet.”.


Art. 184.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 2 van titel V, een artikel 5.2.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.2.2. De Vlaamse overheid houdt een databank bij van de omgevingsvergunningen die toelating verlenen voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten.

 

De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van die databank, de gegevens die door de gemeenten en de provincies aan de voormelde afdeling worden aangeleverd en de wijze waarop dat gebeurt.”.


Art. 185.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, ingevoegd bij artikel 174, een hoofdstuk 3 ingevoegd, dat luidt als volgt:


“Hoofdstuk 3. Beoordelingscriteria”.


Art. 186.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 3, ingevoegd bij artikel 185, een artikel 5.3.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.3.1. De vergunningverlenende overheid weigert de omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ingedeelde inrichting of activiteit, als de exploitatie:

 

onaanvaardbare risico’s of hinder voor de mens en het milieu inhoudt die niet door algemene, sectorale of bijzondere milieuvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden herleid;
in strijd is met:
  a) een wettelijke, decretale of reglementaire bepaling, ingesteld ter bescherming van de mens en het milieu tegen de risico’s en de hinder, afkomstig van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, voor zover daarvan niet op geldige wijze kan worden afgeweken;
  b) een stedenbouwkundig voorschrift of een verkavelingsvoorschrift, voor zover daarvan niet op geldige wijze kan worden afgeweken;
  c) de goede ruimtelijke ordening.”.

 


Art. 187.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, ingevoegd bij artikel 174, een hoofdstuk 4 ingevoegd, dat luidt als volgt:


“Hoofdstuk 4. Milieuvoorwaarden en evaluaties”.


Art. 188.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 187, een afdeling 1 ingevoegd, die luidt als volgt:


“Afdeling 1. — Algemeen”.


Art. 189.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, afdeling 1, ingevoegd bij artikel 188, een artikel 5.4.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.4.1. De Vlaamse Regering stelt de algemene en sectorale milieuvoorwaarden vast. De algemene en sectorale milieuvoorwaarden beogen het voorkomen en beperken van onaanvaardbare hinder en risico’s die de betrokken inrichtingen en activiteiten kunnen veroorzaken. In voorkomend geval beogen ze tevens het ongedaan maken van de schade die de exploitatie van de inrichting of activiteit heeft toegebracht aan het milieu.

 

De Vlaamse Regering kan voorwaarden vaststellen ter bescherming van de mens en het milieu tegen bepaalde vormen van hinder en risico’s afkomstig van niet-ingedeelde inrichtingen of activiteiten.”.


Art. 190.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 1 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.4.2. De algemene milieuvoorwaarden gelden voor alle ingedeelde inrichtingen of activiteiten.

 

De sectorale milieuvoorwaarden gelden voor bepaalde types van ingedeelde inrichtingen of activiteiten.

 

De milieuvoorwaarden voor niet-ingedeelde inrichtingen of activiteiten gelden voor de niet-ingedeelde inrichtingen of activiteiten die de Vlaamse Regering aanwijst.”.


Art. 191.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 1 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.3 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.4.3. § 1. Bij de vaststelling van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden wordt voor een geïntegreerde aanpak gezorgd en wordt een hoog niveau van bescherming van de mens en het milieu gewaarborgd tegen de risico’s en de hinder afkomstig van de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten.

 

De milieuvoorwaarden, vermeld in het eerste lid, worden op de beste beschikbare technieken gebaseerd. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de beste beschikbare technieken vastgesteld worden.

 

§ 2. Bij de vaststelling van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden houdt de Vlaamse Regering rekening met:

 

1° de geldende milieukwaliteitsnormen, met inbegrip van de bijzondere milieukwaliteitsnormen;

 

2° de bestaande toestand van het milieu en van de gezondheid van de mens, voor zover die gezondheid wordt beïnvloed door de toestand van het milieu, telkens voor zover de betrokken inrichtingen en activiteiten hier risico’s of hinder voor kunnen veroorzaken;

 

3° de ligging van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten in of nabij gebieden die een bijzondere bescherming behoeven of hindergevoelige objecten;

 

4° het feit dat de hinder en de risico’s afkomstig van de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen en activiteiten moeten worden beperkt tot een aanvaardbaar niveau.

 

§ 3. Met het oog op de bescherming van de mens en het milieu kunnen de milieuvoorwaarden bepalingen bevatten die de toelaatbaarheid van bepaalde ingedeelde inrichtingen en activiteiten in of nabij sommige gebieden of hindergevoelige objecten beperken of verbieden.

 

§ 4. Waar mogelijk geven de algemene en sectorale milieuvoorwaarden de concrete doelstellingen aan die de betrokkenen op de door hen te bepalen wijze moeten verwezenlijken. Zij kunnen ook aangeven welke middelen moeten worden aangewend. Waar mogelijk geven ze dan ook aan welk beschermingsniveau of welke doelstelling hiermee wordt nagestreefd.”.


Art. 192.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 1 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.4 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.4.4. Het voorontwerp van besluit van de Vlaamse Regering inzake vaststelling van algemene en sectorale milieuvoorwaarden wordt gedurende een termijn van dertig dagen gepubliceerd op de website van de afdeling bevoegd voor de omgevingsvergunning van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie.

 

Het voorontwerp van besluit is gedurende dezelfde termijn ter inzage bij de afdeling bevoegd voor de omgevingsvergunning van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie.

 

Gedurende deze termijn kan elke persoon zijn opmerkingen aan deze afdeling meedelen.

 

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels inzake bekendmaking en inspraak van de bevolking.”.


Art. 193.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 187, een afdeling 2 ingevoegd, die luidt als volgt:

 

“Afdeling 2. — Onderlinge verhouding tussen de algemene milieuvoorwaarden, de sectorale milieuvoorwaarden en de bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 72 en 113 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”.


Art. 194.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, afdeling 2, ingevoegd bij artikel 193, een artikel 5.4.5 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.4.5. De sectorale milieuvoorwaarden kunnen de algemene milieuvoorwaarden aanvullen of stellen bijkomende eisen.

 

De sectorale milieuvoorwaarden kunnen strenger zijn dan de algemene milieuvoorwaarden.

 

De sectorale milieuvoorwaarden kunnen om technische redenen in minder strenge zin afwijken van de algemene milieuvoorwaarden, in de gevallen die door de Vlaamse Regering worden bepaald.”.


Art. 195.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 2 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.6 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.4.6. De bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 72 en 113 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning vullen de algemene en sectorale milieuvoorwaarden aan of stellen bijkomende eisen.

 

De voormelde bijzondere milieuvoorwaarden kunnen strenger zijn dan de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, behalve als het andersluidend bepaald is door de Vlaamse Regering.

 

De voormelde bijzondere milieuvoorwaarden kunnen om technische redenen in minder strenge zin afwijken van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden in de gevallen die door de Vlaamse Regering worden bepaald in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden.”.


Art. 196.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 2 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.7 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.4.7. Tenzij anders bepaald door de Vlaamse Regering zijn de algemene en sectorale milieuvoorwaarden al dan niet na afloop van een door de Vlaamse Regering te bepalen overgangstermijn van toepassing op inrichtingen en activiteiten die op de datum van inwerkingtreding van het besluit houdende milieuvoorwaarden zijn vergund of waarvoor een meldingsakte bestaat. In afwijking hiervan blijven de strengere bijzondere milieuvoorwaarden uit de op die datum lopende vergunning of uit de geldende beslissing verder gelden.”.


Art. 197.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 187, een afdeling 3 ingevoegd, die luidt als volgt:


“Afdeling 3. — Afwijking van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden”.


Art. 198.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, afdeling 3, ingevoegd bij artikel 197, een artikel 5.4.8 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.4.8. De Vlaamse Regering bepaalt door wie, in welke gevallen, de voorwaarden waaronder en de grenzen waarbinnen een afwijking van de algemene of sectorale milieuvoorwaarden toegestaan kan worden en stelt de verdere regels voor de indiening en de behandeling van en de beslissing over de afwijkingsaanvraag, met inbegrip van de bekendmaking ervan, vast.”.


Art. 199.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 187, een afdeling 4 ingevoegd, die luidt als volgt:


“Afdeling 4. — Verplichtingen van de exploitant”.


Art. 200.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, afdeling 4, ingevoegd bij artikel 199, een artikel 5.4.9 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.4.9. § 1. De exploitant van een ingedeelde inrichting of activiteit is verplicht de algemene, sectorale en bijzondere milieuvoorwaarden na te leven.

 

§ 2. Ongeacht de verleende omgevingsvergunning treft de exploitant altijd de nodige maatregelen om schade, hinder, incidenten en ongevallen die de mens of het milieu aanzienlijk beïnvloeden, te voorkomen.

 

Ongeacht de verleende omgevingsvergunning treft de exploitant, in geval van incidenten en ongevallen die de mens of het milieu aanzienlijk beïnvloeden, onmiddellijk de nodige maatregelen om de gevolgen ervan voor de mens en het milieu te beperken en om verdere mogelijke incidenten en ongevallen te voorkomen.”.


Art. 201.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 4 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.10 ingevoegd, dat luidt als volgt:


“Art. 5.4.10. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de verplichtingen van de exploitant, vermeld in artikel 5.4.9.”.


Art. 202.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 187, een afdeling 5 ingevoegd, die luidt als volgt:


“Afdeling 5. — Evaluaties”.


Art. 203. [...]

Art. 204.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 5 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.12 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.4.12. § 1. De bevoegde dienst van de gemeente wordt belast met de coördinatie en de uitvoering van de evaluaties van ingedeelde inrichtingen of activiteiten die behoren tot projecten waarvoor het college van burgemeester en schepenen bevoegd is om in eerste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing te nemen.

 

De Vlaamse Regering bepaalt de gevallen waarin de provinciale omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, voor het uitvoeren van de evaluaties een advies verleent aan het college van burgemeester en schepenen.

 

§ 2. De provinciale en de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, worden belast met de coördinatie en de uitvoering van de evaluaties van ingedeelde inrichtingen of activiteiten die behoren tot projecten waarvoor respectievelijk de deputatie en het Vlaamse Gewest bevoegd zijn om in eerste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing te nemen.

 

De adviesinstanties die overeenkomstig artikel 24, eerste lid, [...] van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning zijn aangewezen om voor de ingedeelde inrichting of activiteit een advies te verlenen, verlenen advies in het kader van een evaluatie van de provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie.

 

§ 3. De Vlaamse Regering stelt de termijnen vast waarbinnen de in paragraaf 1 en 2 vermelde adviezen moeten worden uitgebracht. Als geen advies wordt uitgebracht binnen de vastgestelde termijn wordt de adviesinstantie of de adviserende provinciale omgevingsvergunningscommissie geacht van oordeel te zijn dat er geen bijstelling van de milieuvoorwaarden moet plaatsvinden.”.


Art. 205.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 5 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.13 ingevoegd, dat luidt als volgt:


“Art. 5.4.13. De bevoegde dienst van de gemeente, de provinciale en de gewestelijke omgevingvergunningscommissie kunnen voor de uitvoering van de evaluaties informatie vragen bij de exploitant of bij de bevoegde
toezichthouder, vermeld in titel XVI.”.


Art. 206.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in dezelfde afdeling 5 van titel V, hoofdstuk 4, een artikel 5.4.14 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.4.14. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van de evaluaties.”.


Art. 207.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, ingevoegd bij artikel 174, een hoofdstuk 5 ingevoegd, dat luidt als volgt:


“Hoofdstuk 5. — Genetisch gemodificeerde organismen of pathogene organismen”.


Art. 208.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 5, ingevoegd bij artikel 207, een artikel 5.5.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:


‘‘Art. 5.5.1. § 1. Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een kennisgevingsdossier of toelatingsaanvraag met betrekking tot genetisch gemodificeerde organismen, genetisch gemodificeerde micro-organismen of pathogenen indient, is een dossiertaks verschuldigd.


De opbrengst van de dossiertaks, vermeld in het eerste lid, wordt rechtstreeks en integraal in het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur gestort.


§ 2. De dossiertaks bedraagt:
1° voor een toelatingsaanvraag bij een eerste of een volgend ingeperkt gebruik van niveau 2, 3 of 4: 500 euro;
2° voor een kennisgeving van een eerste ingeperkt gebruik risiconiveau 1 of een kennisgeving van een volgend ingeperkt gebruik van risiconiveau 2: 100 euro.


§ 3. De Vlaamse Regering kan nadere regels inzake de dossiertaks vaststellen.”.


Art. 209.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 5 van titel V een artikel 5.5.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.5.2. § 1. Voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, ingedeeld in de eerste of de tweede klasse is, naast de omgevingsvergunning voor de inrichting bestemd voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, een kennisgeving of toelating vereist.

 

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de kennisgeving gebeurt en de toelating wordt aangevraagd en behandeld. De Vlaamse Regering wijst de overheid aan die de toelatingen verleent en de kennisgevingen ontvangt. De overheid die de toelating verleent, kan voorwaarden aan de toelating verbinden.

 

§ 2. De toelating kan alleen verleend worden zodra de omgevingsvergunning voor de inrichting, bestemd voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, verleend is.

 

De kennisgeving voor het ingeperkte gebruik, ingedeeld in de eerste of de tweede klasse, heeft op zijn vroegst uitwerking nadat de omgevingsvergunning voor de inrichting, bestemd voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen, verleend is.

 

§ 3. Als de omgevingsvergunning, vermeld in paragraaf 1, vervalt, vervalt het recht om het ingeperkte gebruik voort te zetten.

 

Als de omgevingsvergunning, vermeld in paragraaf 1, afloopt, ingetrokken, geschorst, opgeheven of vernietigd is, wordt het recht om het ingeperkte gebruik voort te zetten geschorst zolang de omgevingsvergunning is geschorst of totdat de omgevingsvergunning, vermeld in paragraaf 1, verkregen is.

 

In ieder geval vervalt het recht het ingeperkte gebruik voort te zetten als de einddatum, vermeld in de toelating, verstreken is.

 

§ 4. De voorwaarden die door de bevoegde overheid aan de toelating verbonden worden, worden beschouwd als de voorwaarden, vermeld in artikel 72 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.”.


Art. 210.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, ingevoegd bij artikel 174, een hoofdstuk 6 ingevoegd, dat luidt als volgt:


“HOOFDSTUK 6. — Erkenningen”.


Art. 211.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in titel V, hoofdstuk 6, ingevoegd bij artikel 210, een artikel 5.6.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.6.1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de erkenningen voorgeschreven bij of krachtens titel V en de andere titels van dit decreet, voor zover die titels naar de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk verwijzen.

 

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn ook van toepassing op de erkenningen, voorgeschreven bij of krachtens andere wetten en decreten, voor zover die wetten en decreten naar de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk verwijzen.”.


Art. 212.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 6 van titel V een artikel 5.6.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.6.2. De uitoefening van bepaalde functies, het verstrekken van opleidingen, het nemen van monsters en de uitvoering van metingen, beproevingen en analyses door rechtspersonen of natuurlijke personen kan afhankelijk worden gemaakt van het voorafgaand verkrijgen van een erkenning.

 

De erkenningen, vermeld in het eerste lid, worden op grond van de aard ervan in categorieën ingedeeld.

 

De rechtspersonen of natuurlijke personen die in het bezit zijn van een bepaalde titel die door de Vlaamse overheid of door een door haar erkende organisatie is uitgereikt, krijgen van rechtswege een erkenning als vermeld in het eerste lid.

 

Rechtspersonen of natuurlijke personen die in het bezit zijn van een bepaalde titel die in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in België is uitgereikt door een andere overheid of organisatie dan de overheid of organisatie, vermeld in het derde lid, en waarvan ten aanzien van een bepaalde erkenning voorafgaandelijk de gelijkwaardigheid is vastgesteld, krijgen van rechtswege een erkenning als vermeld in het eerste lid.

 

In afwijking van het eerste lid kan bij een tijdelijke en incidentele uitoefening van de erkenningsplichtige handelingen, vermeld in het eerste lid, voor een persoon die niet is gevestigd in het Vlaamse Gewest alleen een voorafgaande kennisgeving worden vereist. Die procedure wordt ingesteld op voorwaarde dat door de aard van de specifieke handelingen een tijdelijke en incidentele uitoefening in redelijkheid mogelijk is en de voorwaarden alleen betrekking hebben op het bezit van beroepskwalificaties.

 

De Vlaamse Regering bepaalt voor welke functies, opleidingen en handelingen als vermeld in het eerste lid, de erkenningsplicht en, in voorkomend geval, de kennisgevingsplicht, vermeld in het vijfde lid, geldt. Ze stelt tevens de nadere regels vast met het oog op de uitvoering van de bepalingen van de leden 2 tot en met 5.”.


Art. 213.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 6 van titel V een artikel 5.6.3 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.6.3. De Vlaamse Regering stelt voor de verschillende categorieën van erkenningen de nadere regels vast voor de aanvraag, weigering of verlening en bekendmaking van erkenningen. Ze bepaalt de adviezen die worden ingewonnen en de wijze waarop ze worden uitgebracht. Ze wijst ook de overheden en organisaties aan die uitspraak doen over de erkenningsaanvragen met een met redenen omkleed besluit.

 

Op zijn verzoek wordt de aanvrager van een erkenning gehoord door de overheden of organisaties, vermeld in het eerste lid. Die overheden of organisaties kunnen zelf het initiatief nemen om de aanvrager over zijn aanspraken op een erkenning te horen.

 

De erkenning wordt verleend als voldaan is aan de voorwaarden die per categorie van erkenning of per erkenning door de Vlaamse Regering zijn vastgesteld en die voorafgaand aan de erkenningsaanvraag zijn bekendgemaakt.

 

Bij de toepassing van de voorwaarden, vermeld in het derde lid, wordt rekening gehouden met gelijkwaardige voorwaarden waaraan de aanvrager in een andere Europese lidstaat of in een ander gewest in België al heeft voldaan.”.


Art. 214.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 6 van titel V een artikel 5.6.4 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.6.4. § 1. De overheid of organisatie die over de erkenningsaanvraag uitspraak moet doen, bevestigt binnen dertig dagen de ontvangst van het dossier van de aanvrager en deelt in voorkomend geval mee welke documenten ontbreken. Binnen een termijn van negentig dagen na de indiening van het volledige dossier wordt door de bevoegde overheid of organisatie uitspraak gedaan. De bevoegde overheid of organisatie kan die termijn met maximaal dertig dagen verlengen.

 

§ 2. De Vlaamse Regering kan de erkenningen aanwijzen die geacht worden stilzwijgend te zijn verkregen als geen beslissing over de erkenningsaanvraag wordt betekend binnen de door haar vastgestelde termijn.

 

De Vlaamse Regering kan daartoe alleen besluiten nadat ze tot de vaststelling is gekomen dat de belangenafweging door de overheden en organisaties, vermeld in artikel 5.6.3, eerste lid, bij hun beslissingen over erkenningsaanvragen, niet in alle gevallen noodzakelijk is om dwingende reden van algemeen belang, met inbegrip van een rechtmatig belang van een derde partij.”.


Art. 215.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 6 van titel V een artikel 5.6.5 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.6.5. Het gebruik van erkenningen kan aan gebruikseisen worden onderworpen. Die gebruikseisen kunnen periodieke evaluaties inhouden waarvan het resultaat het verval van rechtswege van de erkenning tot gevolg kan hebben.

 

De Vlaamse Regering stelt de gebruikseisen vast, alsook de nadere regels voor het verval van rechtswege van de erkenningen.”.


Art. 216.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 6 van titel V een artikel 5.6.6 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.6.6. Met behoud van de toepassing van de bepalingen van titel XVI kunnen de door de Vlaamse Regering aangewezen overheden de erkenning schorsen of opheffen.

 

De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen tot schorsing of opheffing kan worden overgegaan. De houder van de erkenning wordt gehoord op zijn verzoek. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de procedure die gevolgd moet worden bij schorsing of opheffing van de erkenning.”.


Art. 217.

In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 februari 2013, wordt in hetzelfde hoofdstuk 6 van titel V een artikel 5.6.7 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 5.6.7. Aan elke rechtspersoon of natuurlijke persoon die een erkenningsaanvraag indient, kan voor de behandeling van de erkenningsaanvraag een retributie worden gevraagd. Dezelfde retributie kan worden gevraagd voor de uitoefening van het toezicht op de erkennings- en gebruikseisen. De Vlaamse Regering bepaalt voor welke erkenningen of toezichtverplichtingen een retributie is verschuldigd en stelt de bedragen vast, alsook de wijze waarop aan de retributie moet worden voldaan.”.


Art. 218.

In artikel 10.2.3, § 4, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 7 mei 2004 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2005, wordt de zinsnede “decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”.


Art. 219.

In artikel 10.3.3, § 2, 6°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 7 mei 2004, wordt de zinsnede "het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning" vervangen door de zinsnede "titel V".


Art. 220. [...]