Afdeling 5.
Evaluatie, uitvoering en inwerkingtreding


Art. 395.

De Vlaamse Regering evalueert de werking van dit decreet drie jaar na de inwerkingtreding ervan.


Het evaluatierapport dat mogelijke beleidsaanbevelingen bevat, wordt ter informatie voorgelegd aan het Vlaams Parlement.


Art. 396.

De besluiten vastgesteld door de Vlaamse Regering ter uitvoering van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, blijven geldig tot ze worden opgeheven door besluiten ter uitvoering van dit decreet of titel V van het DABM.


De besluiten vastgesteld door de Vlaamse Regering ter uitvoering van de VCRO, blijven geldig tot ze worden opgeheven door besluiten ter uitvoering van dit decreet.


Art. 397.

1.

Dit decreet treedt in werking op 23 februari 2017, met uitzondering van:

1 artikel 2, dat al in werking is getreden met toepassing van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2015 tot aanwijzing van de Vlaamse en provinciale projecten ter uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
2 artikel 9, 10 en 16 die uitwerking hebben vanaf 28 november 2016;
3 artikel 204 tot en met 206, die in werking treden op 1 januari 2018;
4 paragraaf 2 en 3 die in werking treden op 1 februari 2017.

2.

Als het college van burgemeester en schepenen de bevoegde overheid is, worden aanvragen, meldingen, verzoeken of initiatieven, vermeld in dit decreet, ingediend of opgestart vanaf 23 februari 2017 behandeld op grond van de procedureregels die geldig waren op 22 februari 2017, op voorwaarde dat akte is genomen, overeenkomstig paragraaf 3.

Er wordt evenwel gebruikgemaakt van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, 1, van het DABM, zoals deze zal gelden op 23 februari 2017.

De bepalingen van het eerste en tweede lid gelden ook voor de procedures tot bijstelling of afwijking van de milieuvoorwaarden, schorsing of opheffing van de vergunning en inzake genetisch gemodificeerde of pathogene organismen.

Vergunningen die worden verleend op basis van aanvragen gedaan vanaf 23 februari 2017 die behandeld worden op grond van de procedureregels die geldig waren op 22 februari 2017, gelden voor onbepaalde duur. In afwijking op de onbepaalde duur kan de bevoegde overheid beslissen een vergunning geheel of gedeeltelijk voor een bepaalde duur te verlenen in de gevallen, vermeld in artikel 68.

De verplichtingen, vermeld in artikel 387, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. De Vlaamse Regering kan hierover verdere regels vaststellen.

Procedures in beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen worden behandeld op grond van de procedureregels die van toepassing waren in eerste administratieve aanleg.

3.

Het college van burgemeester en schepenen kan slechts gebruikmaken van de mogelijkheid om aanvragen, meldingen, verzoeken of initiatieven te behandelen op grond van de bepalingen die geldig waren op 22 februari 2017, als vermeld in paragraaf 2, als de bevoegde ministers hiervan akte hebben genomen.

Het verzoek tot aktename, vermeld in het eerste lid, wordt behandeld als volgt:

1 het college van burgemeester en schepenen deelt, op straffe van onontvankelijkheid, uiterlijk op 14 februari 2017, haar beslissing tot toepassing van de mogelijkheid, vermeld in paragraaf 1, mee aan het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed, met een aangetekend schrijven;
2 het college van burgemeester en schepenen vermeldt in haar beslissing tot wanneer zij de bepalingen die geldig waren op 22 februari 2017 wenst toe te passen, met als uiterste datum 1 juni 2017;
3 de Vlaamse minister, bevoegd voor Ruimtelijke Ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor Leefmilieu, nemen gezamenlijk akte van deze mededeling.

4.

Aanvragen, meldingen, verzoeken of initiatieven, vermeld in dit decreet, ingediend of opgestart vanaf 1 juni 2017 tot en met 31 december 2017, worden van rechtswege behandeld op grond van de procedureregels die geldig waren op 22 februari 2017, op voorwaarde dat:

1 het college van burgemeester en schepenen de bevoegde overheid is;
2 het college van burgemeester en schepenen besloten heeft toepassing te maken van de mogelijkheid, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, tot 1 juni 2017;
3 de Vlaamse minister, bevoegd voor Ruimtelijke Ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, gezamenlijk akte hebben genomen van de beslissing, vermeld in punt 2.


De bepalingen van paragraaf 2, tweede tot en met zesde lid, zijn van toepassing.