Afdeling 27.
Wijzigingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening


Art. 283. In titel I, hoofdstuk IV, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden afdeling 2, die bestaat uit artikel 1.4.4 en 1.4.5, en afdeling 3, die bestaat uit artikel 1.4.6, 1.4.7 en 1.4.8, opgeheven.

Art. 284.

In artikel 2.1.2 van dezelfde codex wordt paragraaf 7 vervangen door wat volgt:

 

“§ 7. De ruimtelijke structuurplannen vormen geen beoordelingsgrond voor aanvragen tot stedenbouwkundig attest of omgevingsvergunning, behalve voor wat betreft de toepassing van artikel 68, tweede lid, 7°, a), van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.”.


Art. 285. In artikel 2.3.1, eerste lid, 6°, van dezelfde codex worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning”.

Art. 286.

In artikel 2.3.2, § 2, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:


“Gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen kunnen de aanvrager van een omgevingsvergunning technische en financiële lasten opleggen. Alle lasten die in artikel 75 tot en met 77 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning vermeld worden, kunnen door middel van een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening op algemene wijze opgelegd worden.”.


Art. 287. In artikel 2.4.2, 2°, van dezelfde codex wordt het woord “verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”.

Art. 288.

In artikel 2.6.1 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in paragraaf 2 worden de woorden “of te verkavelen” telkens vervangen door de woorden “of voor het verkavelen van gronden”;


2° in paragraaf 4, 3°, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”;


3° in paragraaf 4, 6°, wordt het woord “verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”.


Art. 289.

In artikel 2.6.2, § 1, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in het derde lid, 2°, worden de woorden “een vergunning om te bouwen of een verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “een vergunning om te bouwen of voor het verkavelen van gronden”;


2° in het zesde lid worden de woorden “een vergunning om te bouwen of een verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “een vergunning om te bouwen of voor het verkavelen van gronden”.


Art. 290. In artikel 2.6.5, 1°, van dezelfde codex worden de woorden “een verkavelingsvergunning of een stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning”.

Art. 291.

In artikel 2.6.14, § 1, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 18 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° [...]


2° in het eerste lid, 2°, b), worden de woorden “een verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”;


3° in het tweede lid worden de woorden “een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning”.


Art. 292. In artikel 2.6.17, § 3, tweede lid, van dezelfde codex wordt de zinsnede “de verwezenlijking van de ontvoogdingsvoorwaarden, vermeld in artikel 7.2.1, § 1,” opgeheven.

Art. 293.

In artikel 3.1.2, § 1, van dezelfde codex, worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° punt 2° wordt opgeheven;

 

2° er wordt een punt 14° toegevoegd, dat luidt als volgt: “14° het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.”.


Art. 294.

In artikel 4.1.1 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in punt 7° wordt de zinsnede “een stedenbouwkundige vergunningstoestand, waarbij geldt dat” vervangen door de zinsnede “een vergunningstoestand, waarbij voor de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen geldt dat”;


2° punt 8° en punt 13° worden opgeheven.


Art. 295.

In titel IV, hoofdstuk II, afdeling 1, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010, 11 mei 2012 en 6 juli 2012, wordt het opschrift van onderafdeling 1 vervangen door wat volgt:


“Onderafdeling 1. Vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen”.


Art. 296. In artikel 4.2.1 van dezelfde codex worden de woorden “voorafgaande stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “voorafgaande omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 297.

Artikel 4.2.2 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:


“Art. 4.2.2. § 1. De Vlaamse Regering bepaalt de gevallen waarin de vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen vervangen wordt door een verplichte melding van de handelingen. De meldingsplicht betreft gevallen waarin de beoordelingsruimte van het bestuur minimaal is vanwege het eenvoudige en gangbare karakter van de handelingen in kwestie, of de onderworpenheid van de handelingen aan nauwkeurige stedenbouwkundige voorschriften, verkavelingsvoorschriften of integrale  ruimtelijke voorwaarden als vermeld in artikel 4.3.1, § 2, tweede lid.


De Vlaamse Regering kan de werken die vrijgesteld zijn van de vergunningsplicht, vermeld in artikel 4.2.1, 5°, c), ook aan de meldingsplicht onderwerpen.

 

De meldingsplichten, vermeld in het eerste en het tweede lid, kunnen nooit worden ingevoerd voor handelingen die in een ruimtelijk kwetsbaar gebied liggen.


§ 2. Een melding wordt als een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen beschouwd voor de toepassing van regelgeving binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening. Een melding wordt ook gelijkgesteld met een voorafgaande toelating om te bouwen wat betreft de toepassing van artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, tenzij de melding alleen betrekking heeft op handelingen die niet gebouwd worden.”.


Art. 298. In artikel 4.2.3 van dezelfde codex worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 299. In artikel 4.2.4, § 2, van dezelfde codex worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning”.

Art. 300. In artikel 4.2.6 van dezelfde codex worden de woorden “vrijgestelde handelingen” vervangen door de woorden “vrijgestelde stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 301. In artikel 4.2.7, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden “de stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “de omgevingsvergunning”.

Art. 302. In artikel 4.2.12, § 2, eerste lid, 1°, van dezelfde codex worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 303.

In titel IV, hoofdstuk II, afdeling 1, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010, 11 mei 2012 en 6 juli 2012, wordt het opschrift van onderafdeling 2 vervangen door wat volgt:

 

“Onderafdeling 2. Vergunningsplicht voor het verkavelen van gronden”.


Art. 304. In artikel 4.2.15 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, wordt het woord “verkavelingsvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”.

Art. 305.

Artikel 4.2.17 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, wordt vervangen door wat volgt:


“Art. 4.2.17. Een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden geldt als omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen wat betreft alle handelingen die zijn opgenomen in de vergunning en die de verkaveling bouwrijp maken, zoals in het bijzonder:

de aanleg van nieuwe verkeerswegen, of de tracéwijziging, verbreding of opheffing daarvan;
de wijziging van het reliëf van de bodem;
de ontbossing, met behoud van de toepassing van artikel 90bis van het Bosdecreet van 13 juni 1990;
het afbreken van constructies.


Het eerste lid geldt als de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden ook wat betreft de handelingen die het voorwerp uitmaken van de vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen, voldoet aan de vereisten inzake ontvankelijkheid en volledigheid.”.


Art. 306.

Artikel 4.2.18 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:


“Art. 4.2.18. De bepalingen van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden worden niet opgeheven door de inwerkingtreding van een stedenbouwkundig voorschrift waarmee ze onverenigbaar zijn, met behoud van de toepassing van artikel 84 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.”.


Art. 307. In titel IV, hoofdstuk II, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010 en 23 december 2011, wordt afdeling 2, die bestaat uit artikel 4.2.19 tot artikel 4.2.25, opgeheven.

Art. 308.

In artikel 4.3.1 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
"Een aanpassing van de plannen, zoals vermeld in het tweede lid, is slechts mogelijk overeenkomstig artikel 30 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.";


2° in paragraaf 2, eerste lid, 3°, worden de woorden “een verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”;


3° in paragraaf 4 worden de woorden "een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden".


Art. 309.

In artikel 4.3.5 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in paragraaf 1 worden de woorden “een stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning”;


2° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden “de stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “de omgevingsvergunning”.


Art. 310. In artikel 4.3.6 van dezelfde codex worden de woorden “een stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning”.

Art. 311. In artikel 4.3.7 van dezelfde codex wordt de zinsnede “stedenbouwkundige vergunning voor de handelingen, vermeld in” vervangen door de zinsnede “omgevingsvergunning voor de handelingen, vermeld in”.

Art. 312. In artikel 4.3.8, § 1 en § 2, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.

Art. 313.

In artikel 4.4.1, § 3, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 16 juli 2010 en gewijzigd bij het decreet van 11 mei 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° de woorden “van de vergunningsplicht” worden telkens vervangen door de woorden “van de vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen”;


2° in het tweede lid wordt het woord “verkavelingsvergunningen” vervangen door het woord “verkavelingen”.


Art. 314. In artikel 4.4.2, § 1 en § 2, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 11 mei 2012, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.

Art. 315. In artikel 4.4.3, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 11 mei 2012, worden de woorden “een verkavelingsvergunning of een stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden”.

Art. 316.

In artikel 4.4.4, § 1, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in het tweede lid worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door het woord “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”;


2° in het derde lid worden de woorden “onderworpen zijn aan de milieuvergunningsplicht” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereisen”.


Art. 317. In artikel 4.4.6, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.

Art. 318. In artikel 4.4.7/1 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 11 mei 2012, worden de woorden “aanvragen voor een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsaanvragen” vervangen door de woorden “aanvragen voor een omgevingsvergunning”.

Art. 319. In artikel 4.4.9, § 1, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden de woorden “een stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 320. In artikel 4.4.12 van dezelfde codex worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.

Art. 321. In artikel 4.4.13, § 1, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.

Art. 322. In artikel 4.4.14, § 1, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.

Art. 323.

In artikel 4.4.16 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in het eerste lid worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”;


2° in het tweede lid, inleidende zin, worden de woorden “milieuvergunningsplichtige inrichtingen” vervangen door de woorden “projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is”;


3° in het tweede lid, 1°, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.


Art. 324.

In artikel 4.4.17, § 1, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in het eerste lid worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”;


2° in het tweede lid, inleidende zin, worden de woorden “milieuvergunningsplichtige inrichtingen” vervangen door de woorden “projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is”;


3° in het tweede lid, 1°, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.


Art. 325.

In artikel 4.4.18, § 1, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in het eerste lid worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”;


2° in het tweede lid, inleidende zin, worden de woorden “milieuvergunningsplichtige inrichtingen” vervangen door de woorden “projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is”;


3° in het tweede lid, 1°, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.


Art. 326.

In artikel 4.4.19, § 1, tweede lid, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in het tweede lid worden de woorden “milieuvergunningsplichtige inrichtingen” vervangen door de woorden “projecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is”;


2° in het tweede lid, 1°, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.


Art. 327. In artikel 4.4.20, § 1, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.

Art. 328. In artikel 4.4.22, tweede lid, van dezelfde codex worden de woorden “milieuvergunningsplichtige activiteiten” vervangen door de woorden “activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vereist is,”.

Art. 329. In artikel 4.4.23, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.

Art. 330.

In artikel 4.4.24 van dezelfde codex wordt het vierde lid vervangen door wat volgt:


“Het planologisch attest kan worden aangevraagd door en voor een bedrijf dat voldoet aan een van de volgende voorwaarden:


1° het bedrijf is onderworpen aan de vergunnings- of meldingsplicht, voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, vermeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;


2° het bedrijf betreft een volwaardig land- of tuinbouwbedrijf.”.


Art. 331.

In artikel 4.4.25, § 2, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° de woorden “de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar” worden telkens vervangen door de woorden “het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar”;


2° de woorden “biedt de ambtenaar de aanvrager de gelegenheid” worden vervangen door de woorden “wordt de aanvrager de gelegenheid geboden”;


3° het zesde lid wordt opgeheven.


Art. 332. In artikel 4.4.26, § 2, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden “een stedenbouwkundige vergunning of een milieuvergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning”.

Art. 333. In artikel 4.4.28, tweede lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 334. In titel IV van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 12 juli 2013, wordt hoofdstuk V, dat bestaat uit artikel 4.5.1, opgeheven.

Art. 335. In titel IV van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 12 juli 2013, wordt hoofdstuk VI, dat bestaat uit artikel 4.6.1 tot en met 4.6.8, opgeheven.

Art. 336. In titel IV van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 12 juli 2013, wordt hoofdstuk VII, dat bestaat uit artikel 4.7.1 tot en met 4.7.26/1, opgeheven.

Art. 337. In artikel 4.8.2, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij decreet van 6 juli 2012 en 4 april 2014, worden punt 1° en 4° opgeheven.

Art. 338.

Artikel 4.8.11 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 6 juli 2012, wordt vervangen door wat volgt:


“Art. 4.8.11. § 1. De beroepen bij de Raad inzake validerings- of registratiebeslissingen kunnen door de volgende personen worden ingesteld:

de aanvrager van het as-builtattest, respectievelijk de persoon die beschikt over zakelijke of persoonlijke rechten ten aanzien van een constructie die het voorwerp uitmaakt van een registratiebeslissing, of die deze constructie feitelijk gebruikt;
elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden als gevolg van de validerings- of registratiebeslissing;
procesbekwame verenigingen die optreden namens een groep wiens collectieve belangen door de validerings- of registratiebeslissing zijn bedreigd of geschaad, voor zover zij beschikken over een duurzame en effectieve werking overeenkomstig de statuten.


§ 2. De beroepen inzake validerings- of registratiebeslissingen worden ingesteld binnen een vervaltermijn van
vijfenveertig dagen, die ingaat als volgt:

wat betreft valideringsbeslissingen:
  a) hetzij de dag na de betekening, wanneer een dergelijke betekening vereist is;
  b) hetzij de dag na de opname in het vergunningenregister, in alle andere gevallen;
wat betreft registratiebeslissingen:
  a) hetzij de dag na de betekening, wanneer een dergelijke betekening vereist is;
  b) hetzij de dag na de opname van de constructie in het vergunningenregister, in alle andere gevallen.”.

 


Art. 339.

In artikel 5.1.2, § 1, van dezelfde codex wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:


“Het vergunningenregister omvat ten minste de volgende gegevens, geordend per kadastraal perceel:

het kadastraal nummer, het huisnummer en de straatnaam;
de uitgereikte stedenbouwkundige en planologische attesten;
elke aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen en de identiteit van de aanvrager;
elke aanvraag van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden en de identiteit van de aanvrager;
elke administratieve beslissing en rechterlijke uitspraak met betrekking tot die vergunningen, en de identiteit van de personen die beroep aantekenen;
elke melding van stedenbouwkundige handelingen en de identiteit van de persoon die de melding verricht;
de gevalideerde as-builtattesten;
het verval van de vergunningen, vermeld in punt 3° en punt 4°;
de vermelding van elke schriftelijke aanmaning, elk proces-verbaal en verslag van vaststelling dat opgemaakt wordt met betrekking tot misdrijven en inbreuken inzake ruimtelijke ordening alsook iedere navolgend proces-verbaal waarin het vrijwillig herstel of de regularisatie wordt vastgesteld, het verdere gevolg dat aan de processen-verbaal en verslagen van vaststelling gegeven wordt, iedere gerechtelijke uitspraak en ieder bestuurlijk besluit alsook iedere minnelijke schikking ter zake en de uitvoering van de herstelmaatregelen alsook elk herstelattest;
10° de vermelding van elk rechtsmiddel dat tegen de gerechtelijke uitspraken en bestuurlijke besluiten, vermeld in punt 9°, aangewend wordt, de daaropvolgende uitspraken en besluiten en het gevolg dat eraan gegeven wordt;
11° het verschuldigd zijn van een planbatenheffing en het bewijs van betaling van de planbatenheffing;
12° in voorkomend geval het declaratief attest, vermeld in artikel 5.4.3, § 5.”.

 


Art. 340. In artikel 5.1.4, § 1, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden de woorden “van deze codex” telkens vervangen door de woorden “van deze codex of van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”.

Art. 341.

In artikel 5.2.1, § 1, eerste lid, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in punt 1° worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”;


2° in punt 5° wordt het woord “verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”.


Art. 342.

In artikel 5.2.2, eerste lid, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° het woord “verkavelingsvergunning” wordt vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”;


2° de woorden “verkavelings- of stedenbouwkundige vergunning” worden vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.


Art. 343.

In artikel 5.2.3 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in paragraaf 1 wordt het woord “verkavelingsvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”;


2° in paragraaf 2 worden de woorden “wijziging van de verkavelingsvergunning” telkens vervangen door de woorden “bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”;


3° in paragraaf 4 wordt het woord “verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”.


Art. 344.

In artikel 5.2.5, eerste lid, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° de woorden “stedenbouwkundige vergunning” worden vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”;


2° het woord “verkavelingsvergunning” wordt vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”.


Art. 345.

In artikel 5.2.6, eerste lid, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in punt 1° worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”;


2° in punt 5° wordt het woord "verkavelingsvergunning" vervangen door de woorden "omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden".


Art. 346.

Artikel 5.3.1 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:


“Art. 5.3.1. § 1. Het stedenbouwkundig attest geeft op basis van een plan aan of een overwogen project voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden in redelijkheid de toets aan de stedenbouwkundige voorschriften, de eventuele verkavelingsvoorschriften en een goede ruimtelijke ordening zal kunnen doorstaan. Het wordt afgeleverd door de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.

 

Het stedenbouwkundig attest kan niet leiden tot de vrijstelling van een vergunningsaanvraag.


§ 2. De bevindingen van het stedenbouwkundig attest kunnen bij het beslissende onderzoek over een aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden niet worden gewijzigd of tegengesproken, als:

1° in de periode waarin het stedenbouwkundig attest geldt, geen sprake is van substantiële wijzigingen van het betrokken terrein of wijzigingen van de stedenbouwkundige voorschriften of de eventuele verkavelingsvoorschriften;

2° de verplicht in te winnen adviezen of de tijdens het eventuele openbaar onderzoek ingediende standpunten, opmerkingen en bezwaren geen feiten of overwegingen aan het licht brengen waarmee bij de opmaak van het stedenbouwkundig attest geen rekening is gehouden;
3° het stedenbouwkundig attest niet is aangetast door manifeste materiële fouten.


§ 3. Het stedenbouwkundig attest blijft geldig gedurende twee jaar vanaf het ogenblik van de uitreiking ervan.


§ 4. De Vlaamse Regering kan nadere formele en procedurele regels bepalen voor de toepassing van dit artikel.”.


Art. 347. Artikel 5.3.2 van dezelfde codex wordt opgeheven.

Art. 348. In artikel 5.4.2, derde lid, van dezelfde codex worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.

Art. 349. In artikel 5.4.3, § 1, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.

Art. 350. In artikel 5.4.4 van dezelfde codex worden de woorden “vergunning voor handelingen” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning”.

Art. 351. Artikel 5.5.2 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 11 mei 2012, wordt opgeheven.

Art. 352.

In artikel 5.6.6 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010 en 23 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning”;


2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden “een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning”;


3° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden “een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van woningen of een verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen of voor het verkavelen van gronden”.


Art. 353.

Artikel 5.6.7 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010 en 8 juli 2011, wordt vervangen door wat volgt:


“Art. 5.6.7. § 1. Een omgevingsvergunningsaanvraag voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit kan gunstig geadviseerd worden en vergund worden, in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift, voor zover voldaan is aan de volgende cumulatieve voorwaarden:

de goede ruimtelijke ordening wordt niet geschaad, hetgeen in het bijzonder betekent dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de vastgestelde verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort;
de inrichting of activiteit is stedenbouwkundig vergunbaar in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift of, als het gaat om een bestaande inrichting of activiteit, is hoofdzakelijk vergund.

 

Als de goede ruimtelijke ordening geschaad wordt, kan rekening worden gehouden met de termijn die nodig is om de inrichting of activiteit te herlokaliseren. Die termijn is ten hoogste gelijk aan zeven jaar.


De Vlaamse Regering kan de categorieën van bedrijven bepalen die door hun aard en omvang van het eerste lid zijn uitgesloten. Ze kan de gebieden aanwijzen waarin het eerste lid niet kan worden toegepast.


§ 2. Een omgevingsvergunningsaanvraag voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit kan ongunstig geadviseerd worden en geweigerd worden om de reden, vermeld in artikel 4.3.2.


§ 3. De mogelijkheden of verplichtingen om af te wijken van stedenbouwkundige voorschriften of om rekening te houden met ontwerpen van stedenbouwkundige voorschriften, zoals die bij of krachtens deze codex zijn vastgesteld ten aanzien van de vergunningverlenende bestuursorganen en de ambtenaren van ruimtelijke ordening, gelden onder dezelfde voorwaarden ten aanzien van de instanties en organen die over een vergunningsaanvraag adviseren en ten aanzien van de instanties en organen die adviseren of beslissen over een onteigeningsplan of over een aanvraag van een onteigeningsmachtiging of een vergunning als vermeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu of in het Bosdecreet van 13 juni 1990, of andere vergunningen.”.


Art. 354. Artikel 7.2.1 van dezelfde codex wordt opgeheven.

Art. 355. In artikel 7.4.7 van dezelfde codex wordt de zin “Desalniettemin voldoet de gemeente niet aan de ontvoogdingsvoorwaarden, vermeld in artikel 7.2.1, § 1.” opgeheven.

Art. 356. In artikel 7.5.3, § 1, vierde lid, van dezelfde codex worden de woorden “stedenbouwkundige vergunningen” vervangen door het woord “omgevingsvergunningen”.

Art. 357.

In artikel 7.5.4 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:


1° in het eerste, derde en vierde lid wordt het woord “verkavelingsvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”;


2° het vijfde lid wordt vervangen door wat volgt:
“Voor die kavels gelden artikel 84 tot en met 86, artikel 97 en artikel 102 en 103 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, met dien verstande dat de termijn van tien jaar na de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 102, § 1, eerste lid, 2°, en § 2, 2°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, vervangen wordt door een termijn van vijf jaar vanaf 1 mei 2000. De termijn van vijftien jaar na de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 102, § 2, 3°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wordt vervangen door een termijn van tien jaar vanaf 1 mei 2000.”;


3° in het zesde lid wordt het woord “verkavelingsvergunningen” vervangen door de woorden “omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden”.


Art. 358.

Artikel 7.5.5 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:


“Art. 7.5.5. Het verval van een verkavelingsakkoord of van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 7.5.4, kan niet worden tegengesteld aan personen die zich op dat verkavelingsakkoord of die omgevingsvergunning beroepen, als ze kunnen aantonen dat de overheid, na het verval, hetzij op grond van of refererend aan het verkavelingsakkoord of die vergunning omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen of stedenbouwkundige attesten heeft verleend, hetzij bijstellingen aan de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden heeft toegestaan. Daarvoor moet voldaan zijn aan de volgende cumulatieve voorwaarden:

de vergunningen of attesten zijn verleend voor een of meer kavels van die personen binnen de omschrijving van het verkavelingsakkoord of de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden;
de vergunningen of attesten zijn door de hogere overheid of de rechter niet onrechtmatig bevonden.”.

 


Art. 359.

In titel VII, hoofdstuk V, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010 en 6 juli 2012, wordt het opschrift van afdeling 4 van hetzelfde decreet vervangen door wat volgt:


“Afdeling 4. Verval, bijstelling of opheffing van omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden”.


Art. 360.

Artikel 7.5.6 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2010, wordt vervangen door wat volgt:


“Art. 7.5.6. Artikel 84 tot en met 86, artikel 97 en artikel 102 en 103 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning zijn van toepassing op de omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden die verleend zijn vanaf 22 december 1970 en vóór 1 mei 2000. De beperking, vermeld in artikel 102, § 1, tweede lid, 2°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, geldt evenwel niet voor de verkopen van verkavelingen in hun geheel die een vaste datum hebben verkregen vóór 1 september 2009, op voorwaarde dat de overheid hetzij op grond van of refererend aan de omgevingsvergunning stedenbouwkundige attesten of omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen heeft verleend, hetzij bijstellingen aan de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden heeft toegestaan, als die door de hogere overheid of de rechter niet onrechtmatig zijn bevonden. Dergelijke verkopen in hun geheel konden wel het verval van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden verhinderen. Het voorgaande heeft nooit tot gevolg dat teruggekomen wordt op in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen die tot het verval van omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden hebben geleid op grond van het oordeel dat verkopen van verkavelingen in hun geheel niet het verval van een verkaveling kunnen verhinderen.


De termijn van tien jaar na de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 102, § 1, eerste lid, 2°, en § 2, 2°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wordt vervangen door een termijn van vijf jaar vanaf 1 mei 2000, voor niet-vervallen omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden die zijn uitgereikt meer dan vijf jaar vóór 1 mei 2000.


De termijn van vijftien jaar na de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 102, § 2, 3°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wordt vervangen door een termijn van tien jaar vanaf 1 mei 2000, voor niet-vervallen omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden die zijn uitgereikt meer dan vijf jaar vóór 1 mei 2000.”.


Art. 361.

Artikel 7.5.7 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:


“Art. 7.5.7. Artikel 84, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning is van toepassing op ruimtelijke uitvoeringsplannen en bijzondere plannen van aanleg die voorlopig zijn vastgesteld of aangenomen vanaf 1 september 2009.


De bijstelling of de opheffing van omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden ingevolge de definitieve vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan of een bijzonder plan van aanleg dat voorlopig is vastgesteld of aangenomen vóór 1 september 2009, wordt afgehandeld overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.”.


Art. 362. Artikel 7.5.9 van dezelfde codex wordt opgeheven.

Art. 363.

Artikel 8.1.1 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:


“Art. 8.1.1. Deze codex wordt aangehaald als “Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening” en afgekort als VCRO.”.