Hoofdstuk II.
De vaststelling van de verontreinigde en potentieel verontreinigde wateren en de aanwijzing van de kwetsbare zones water


Afdeling I.
De vaststelling van de verontreinigde en potentieel verontreinigde wateren


Art. 5.

Overeenkomstig artikel 3, lid 1, van de nitraatrichtlijn worden alle wateren in het Vlaamse Gewest aangeduid als wateren die door verontreiniging worden beļnvloed of zouden kunnen worden beļnvloed indien de maatregelen overeenkomstig artikel 5 van de nitraatrichtlijn achterwege blijven.

In afwijking van het eerste lid kan de Vlaamse Regering, overeenkomstig de criteria van bijlage I van de nitraatrichtlijn, wateren aanduiden die geen wateren zijn die door verontreiniging worden beļnvloed of zouden kunnen worden beļnvloed indien de maatregelen overeenkomstig artikel 5 van de nitraatrichtlijn achterwege blijven.


Afdeling II.
De aanwijzing van de kwetsbare zones water


Art. 6.
Het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest wordt als kwetsbare zone water aangeduid. In afwijking van het eerste lid wordt door de Vlaamse Regering wanneer zulks dienstig is, doch ten minste om de vier jaar, de aanduiding van het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest als kwetsbare zone water opnieuw bezien en zo nodig herzien, teneinde rekening te houden met veranderingen en met bij de inwerkingtreding van dit decreet onvoorziene factoren.

Art. 7.

§ 1

Dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten bevatten voor de aangewezen kwetsbare zone water het actieprogramma met het oog op :

  1. een vermindering van de waterverontreiniging die wordt veroorzaakt of teweeggebracht door nitraten uit agrarische bronnen;
  2. het voorkomen van verdere verontreiniging van die aard.

 

 

§ 2

Om de doeltreffendheid van de actieprogramma's te beoordelen stelt de Vlaamse Regering passende controleprogramma's op en voert die uit.

 

§ 3

De Vlaamse Regering kan overeenkomstig de nitraatrichtlijn, nadere regels vaststellen met betrekking tot :

  1. de opstelling van de actieprogramma's;
  2. de opstelling en uitvoering van controleprogramma's;
  3. de opstelling van een code of codes van goede landbouwpraktijken;
  4. het opzetten van een programma, dat opleiding en voorlichting voor landbouwers omvat, om de toepassing van de code(s) van goede landbouwpraktijken te bevorderen;
  5. de informatie die aan de Europese Commissie dient meegedeeld te worden, alsook de wijze waarop dit dient te gebeuren.