Art. 13.

Een hoofdstuk IVquater, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :


" Hoofdstuk IVquater. - Tarifering, openbare dienstverplichtingen, boekhouding

 

Art. 15/10.§ 1. Na advies van de commissie en beraadslaging in Ministerraad kan de federale minister bevoegd voor economie, maximumprijzen vaststellen voor de levering van aardgas aan eindafnemers en voor het aandeel van de aardgaslevering aan distributiebedrijven [...].


§ 2. Na advies van de commissie en overleg met de gewesten kan de federale minister bevoegd voor economie, na beraadslaging in Ministerraad, maximumprijzen vaststellen per kWh die op het gehele grondgebied gelden voor de levering van aardgas aan residentiėle beschermde klanten met een laag inkomen of in een kwetsbare situatie. Deze maximumprijzen omvatten geen enkel forfaitair bedrag of vergoeding.


aardgasondernemingen verzekeren de bevoorrading van residentiėle beschermde klanten tegen de maximumprijzen bepaald krachtens het eerste lid en voeren een afzonderlijke boekhouding voor deze activiteit.


De reėle nettokost die voortvloeit uit deze activiteit wordt gefinancierd door toeslagen op de tarieven bedoeld in artikel 15/5 of door heffingen op alle of objectief bepaalde categorieėn van energieverbruikers of marktoperatoren.


Op voorstel van de commissie stelt de Koning de regels vast voor de bepaling van deze kost en de tussenkomst ten gunste van de betrokken marktoperatoren voor het ten laste nemen ervan. Zijn financiering wordt georganiseerd door een fonds onder beheer van de commissie, volgens de regels bepaald bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad.


Elk besluit dat een toeslag of heffing zoals bedoeld in het derde lid invoert, wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien het niet bij wet is bekrachtigd binnen de twaalf maanden na de datum van zijn inwerkingtreding.


De bepalingen van de wet van 22 januari 1945 op de economische reglementering en de prijzen zijn van toepassing, met uitzondering van artikel 2, § 4, laatste lid, en § 5, voor de bepaling van de maximumprijzen bedoeld in paragraaf 1 en in het eerste lid.


§ 3. De maximumprijzen bedoeld in § § 1 en 2 worden zodanig vastgesteld dat :

 

1. kruissubsidies tussen categorieėn van afnemers worden vermeden;
2. wordt gewaarborgd dat een billijk deel van de productiviteitsstijging ingevolge de openstelling van de aardgasmarkt op evenwichtige wijze ten goede komt van residentiėle en professionele afnemers, waaronder de kleine en middelgrote ondernemingen, in de vorm van een vermindering van de tarieven;
3. de tarieven voor de in 2° bedoelde afnemers worden behouden op het niveau van de beste tariefpraktijken in hetzelfde marktsegment in de andere lidstaten van de Europese Unie, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de distributiesector;
4. het principe wordt geėerbiedigd volgens welk de prijzen bedoeld in § 2 worden afgestemd op de marktwaarde van aardgas in verhouding tot vervangingsproducten.
5. het recht van toegang tot energie, goed van eerste levensbehoefte, wordt gewaarborgd daar waar aardgasnetten bestaan of op een economisch redelijke wijze ontwikkeld kunnen worden, waarbij in het bijzonder, in het kader van de openstelling van de aardgasmarkt voor concurrentie, de continuļteit van de sociale voordelen toepasbaar op bepaalde categorieėn residentiėle verbruikers inzake aansluitingen en tarieven wordt verzekerd;
6. erop wordt toegezien dat eindafnemers genieten van de voordelen die uit het afschrijvingsbeleid gevoerd in het gereguleerde systeem zullen voortvloeien;
7. de transparantie in termen van tarieven wordt gewaarborgd en de rationele consumptiegedragingen worden bevorderd.


Art. 15/11. § 1. Bij een in Ministerraad overlegd besluit, na advies van de Commissie, kan de Koning :

 

de houders van een vervoersvergunning openbare dienstverplichtingen opleggen inzake investeringen, ten gunste van afnemers die geen in aanmerking komende afnemers zijn, op basis van een voorafgaande studie met betrekking tot de capaciteit van het aardgasvervoersnet en in de mate dat deze investeringen economisch verantwoord zijn;
de houders van een leveringsvergunning openbare dienstverplichtingen opleggen inzake regelmaat en kwaliteit van leveringen van aardgas en inzake bevoorrading van distributieondernemingen, en andere afnemers, in de mate dat zij niet in aanmerking komen.
een fonds oprichten, onder beheer van de Commissie, dat :
  a) de volledige of een deel van de reėle netto-kosten van de openbare dienstverplichtingen bedoeld in het 1° en het 2° ten laste neemt, voor zover deze kosten een onbillijke last zou vertegenwoordigen voor de ondernemingen die tot deze verplichtingen gehouden zijn. In voorkomend geval wordt de berekening van de kosten bedoeld in 3°, a), door elke betrokken onderneming gedaan, overeenkomstig de door de Commissie opgestelde methodologie, en door deze laatste geverifieerd;
  b) wordt gefinancierd door de houders van een leveringsvergunning, bedoeld in artikel 15/3, door middel van heffingen, uitgevoerd in het kader van de hiervoor vermelde leveringsvergunning, op de hoeveelheden, uitgedrukt in energie-eenheden, geleverd aan alle of aan objectief bepaalde categorieėn van aardgasverbruikers, volgens de nadere regels bepaald door hetzelfde besluit. Elk besluit dat krachtens 3°, b), wordt vastgesteld, wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien het niet bij wet is bekrachtigd binnen de twaalf  maanden na de datum van zijn inwerkingtreding.


De houders van een leveringsvergunning heffen een toeslag, genaamd « federale bijdrage », die mag worden doorgerekend aan de eindafnemers, tot financiering van sommige openbare dienstverplichtingen en van de kosten verbonden aan de regulering van en de controle op de gasmarkt. In het kader van wat in het eerste lid wordt bepaald houdt de Koning rekening met het investeringsprogramma omvat in het indicatief plan bedoeld in artikel 15/13, § 2, 3°.


De opbrengst van deze toeslag is bestemd voor :

 

de gedeeltelijke financiering van de werkingskosten van de commissie zoals bedoeld in artikel 15/15, § 4, en dit onverminderd de overige bepalingen van artikel 15/15, § 4;
de gedeeltelijke financiering van de uitvoering van de maatregelen van begeleiding en maatschappelijke steunverlening inzake energie voorzien door de wet van 4 september 2002 houdende toewijzing van een opdracht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn inzake de begeleiding en de financieØle maatschappelijke steunverlening
aan de meest hulpbehoevenden inzake energielevering.

 

De federale bijdrage bedoeld in het vorige lid wordt geļnd door de houders van een leveringsvergunning onder de vorm van een toeslag op hun tarieven. De houders van een leveringsvergunning storten de ontvangen sommen, overeenkomstig een verdeelsleutel, bepaald bij een koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, respectievelijk :

 

in een fonds voor de financiering van haar werkingskosten overeenkomstig artikel 15/15, § 4, dat beheerd wordt door de commissie;
in het fonds bedoeld in het eerste lid, 3°, met het oog op de gedeeltelijke financiering van de uitvoering van de maatregelen bedoeld in het tweede lid, 2°, waarvan de middelen te dien einde ter beschikking gesteld worden van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 4 september 2002 houdende toewijzing van een opdracht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn inzake de begeleiding en de financiėle maatschappelijke steunverlening aan de meest hulpbehoevenden inzake energielevering.


De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad :

 

het bedrag en de berekeningswijze van de federale bijdrage bedoeld in het tweede lid;
de verdeelsleutel voor de verdeling van de opbrengst van de federale bijdrage over de fondsen bedoeld in het vorige lid en de modaliteiten van storting in deze fondsen;
de nadere regels voor het beheer van deze fondsen door de commissie.


Elk besluit tot vaststelling van het bedrag en de berekeningswijze van de bijdrage bedoeld in dit artikel, wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien het niet bij wet is bekrachtigd binnen de twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding.

 

§ 2. De houders van een vervoersvergunning gebruiken de capaciteiten van de bestaande opslaginstallaties bij voorrang ten gunste van een distributieonderneming of van een niet in aanmerking komende afnemer.


Art. 15/12. - § 1. De wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen en de uitvoeringsbesluiten ervan, alsmede de artikelen 64 tot 66, 77 (met uitzondering van het zesde lid), 80, 80bis en 177bis van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen zijn van toepassing op de aardgasondernemingen die vennootschappen of organismen naar Belgisch recht zijn, ongeacht hun rechtsvorm. De jaarrekening van deze ondernemingen specifieert in de toelichting alle significante verrichtingen met verbonden of geassocieerde ondernemingen tijdens het betrokken boekjaar.


§ 2. De ondernemingen bedoeld in § 1 die verticaal of horizontaal geļntegreerd zijn, houden in hun interne boekhouding afzonderlijke rekeningen voor hun activiteiten van vervoer, distributie en opslag van aardgas en, in voorkomend geval, voor het geheel van hun activiteiten die niet verbonden zijn met het aardgasvervoer, de aardgasdistributie, LNG- activiteiten en aardgasopslag, zoals zij zouden moeten doen indien deze activiteiten door juridisch onderscheiden ondernemingen werden uitgevoerd.

 

De interne boekhouding van de ondernemingen bedoeld in het eerste lid bevat een balans en een resultatenrekening voor elke categorie van activiteiten en specifieert de regels voor de toerekening van de activa en passiva en de opbrengsten en kosten die bij de opstelling van de afzonderlijke rekeningen werden toegepast. Deze regels mogen slechts in uitzonderlijke gevallen worden gewijzigd en deze wijzigingen moeten worden vermeld en naar behoren gemotiveerd.


§ 3. De commissie kan bepalen dat de ondernemingen bedoeld in § 1 of bepaalde categorieėn ervan haar periodiek cijfermatige of descriptieve gegevens overmaken betreffende hun financiėle of commerciėle betrekkingen met verbonden of geassocieerde ondernemingen, teneinde de commissie in de mogelijkheid te stellen na te gaan of deze relaties niet van aard zijn de wezenlijke belangen van de consumenten of de correcte uitvoering van de openbare dienstverplichtingen van de betrokken onderneming te schaden.


Elk besluit dat voor de aardgassector wordt vastgesteld krachtens artikel 11, 2°, van voornoemde wet van 17juli 1975, en elke afwijking die aan aardgasondernemingen wordt toegestaan met toepassing van artikel 15 van dezelfde wet, is onderworpen aan het voorafgaande advies van de commissie.

 

§ 4. De gecombineerde netbeheerder voert een afzonderlijke boekhouding voor elk type van activiteit.".