Art. 26.

1.

De bouw en de exploitatie van vervoerinstallaties die, op de datum van inwerkingtreding van artikel 5 van deze wet, het voorwerp uitmaken van een vergunning of toelating toegekend krachtens voornoemde wet van 12 april 1965, worden geacht te zijn vergund krachtens deze wet.

2.

De bouw en de exploitatie van vervoerinstallaties die, op de datum van inwerkingtreding van artikel 5, niet onderworpen zijn aan een vergunning of toelating krachtens voornoemde wet van 12 april 1965, worden geacht te zijn vergund krachtens deze wet, indien zij werden aangevat vr de inwerkingtreding van artikel 5.

3.

De Koning bepaalt de nadere regels voor de toepassing van 1 en 2, met inbegrip van de duur van de bij wijze van overgangsmaatregel geldende vergunning.