Afdeling I.
Periodes die niet geschikt zijn voor het op of in de bodem brengen van meststoffen


Art. 8.

§ 1

Het op of in de bodem brengen van meststoffen type 1 op niet permanent overkapte landbouwgronden is verboden vanaf 16 november tot en met 15 januari.


De hoeveelheid meststoffen type 1 die in een bepaald jaar opgebracht mag worden na 31 augustus is beperkt tot 50 kg werkzame stikstof per hectare.

 

§ 2

Het op of in de bodem brengen van meststoffen type 2 op niet permanent overkapte landbouwgronden is verboden:

op akkers op zware kleigronden vanaf 16 oktober tot en met 15 februari. De hoeveelheid meststoffen type 2 die in een bepaald jaar na 31 augustus opgebracht wordt, is beperkt tot 100 kg werkzame stikstof per hectare;
op andere percelen dan vermeld in 1°, vanaf 1 september tot en met 15 februari.


Op akkers op zware kleigronden is het verboden om na de oogst van de hoofdteelt, meststoffen type 2 op te brengen, tenzij na de oogst van de hoofdteelt en uiterlijk op 31 augustus, een nateelt ingezaaid wordt. Als de meststoffen opgebracht worden, na 16 augustus, moet uiterlijk de veertiende dag na het opbrengen van de meststoffen een nateelt ingezaaid worden of aanwezig zijn.

 

Op andere percelen dan akkers op zware kleigronden is het verboden om na de oogst van de hoofdteelt, meststoffen type 2 op te brengen, tenzij na de hoofdteelt:

hetzij uiterlijk op 31 juli een nateelt ingezaaid wordt;
hetzij na 31 juli en uiterlijk op 31 augustus een vanggewas of een specifieke teelt ingezaaid wordt en op voorwaarde dat de hoeveelheid meststoffen type 2 die na de oogst van de hoofdteelt opgebracht wordt, beperkt wordt tot 36 kg werkzame stikstof per hectare.

 

 

§ 3

Het op of in de bodem brengen van meststoffen type 3 op niet permanent overkapte landbouwgronden is verboden vanaf 1 september tot en met 15 februari.


Het is verboden om na de oogst van de hoofdteelt, meststoffen type 3 op te brengen, tenzij na de hoofdteelt:

a) hetzij uiterlijk op 31 juli een nateelt ingezaaid wordt;
b) hetzij na 31 juli en uiterlijk op 31 augustus een vanggewas ingezaaid wordt en op voorwaarde dat de hoeveelheid meststoffen type 3 die na de oogst van de hoofdteelt opgebracht wordt, beperkt wordt tot 36 kg werkzame stikstof per hectare;
c) hetzij na 31 juli en uiterlijk op 31 augustus een specifieke teelt ingezaaid wordt.

 

§ 4

In afwijking van paragraaf 3, eerste lid, is het voor specifieke teelten, andere dan fruit, toegelaten om meststoffen type 3 op te brengen:



 
in de periode vanaf 1 september tot en met 15 november op voorwaarde dat aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:
a) de hoeveelheid meststoffen type 3, met inbegrip van meststoffen type 3 waarvan de stikstofinhoud laag is, die in deze periode opgebracht wordt, is beperkt tot 100 kg werkzame stikstof per hectare en de hoeveelheid die binnen een periode van twee weken opgebracht wordt, is beperkt tot 60 kg werkzame stikstof per hectare;
b) voorafgaand aan het opbrengen van de meststoffen is een bodemanalyse met bijhorende bemestingsadvies uitgevoerd. De hoeveelheid meststoffen die in de periode vanaf 1 september tot en met 15 november opgebracht mag worden, is beperkt tot de hoeveelheid opgenomen in het bemestingsadvies;
vanaf 16 januari tot en met 15 februari op voorwaarde dat de hoeveelheid meststoffen type 3 die in deze periode opgebracht wordt, beperkt wordt tot 50 kg werkzame stikstof per hectare.

 

In afwijking van paragraaf 3, eerste lid, is het voor fruit toegelaten om meststoffen type 3 op te brengen vanaf 1 september tot en met 15 november op voorwaarde dat de hoeveelheid meststoffen type 3, met inbegrip van meststoffen type 3 waarvan de stikstofinhoud laag is, die in deze periode opgebracht wordt, beperkt wordt tot 40 kg werkzame stikstof per hectare.


In afwijking van paragraaf 3, eerste lid, is het voor meststoffen type 3, waarvan de stikstofinhoud laag is, toegelaten om deze op te brengen in de periode vanaf 1 september tot en met 15 november en vanaf 16 januari tot en met 15 februari, op voorwaarde dat er een gewas aanwezig is op het moment van de opbrenging. In afwijking hiervan mogen er in de periode vanaf 1 september tot en met 15 oktober meststoffen type 3, waarvan de stikstofinhoud laag is, opgebracht worden als er een gewas ingezaaid wordt uiterlijk de zevende dag na het opbrengen van de meststoffen. De hoeveelheid meststoffen type 3 waarvan de stikstofinhoud laag is, die in de periode vanaf 1 september tot en met 15 november opgebracht wordt, samen met de hoeveelheid die in de daarop volgende periode vanaf 16 januari tot en met 15 februari opgebracht wordt, is beperkt tot 30 kg stikstof per hectare waarvan maximaal 10 kg minerale stikstof. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen en bepaalt welke meststoffen een meststof zijn waarvan de stikstofinhoud laag is.

 

Op een akker op een niet-zware kleigrond, waarop na de oogst van de hoofdteelt en na 31 juli een vanggewas is ingezaaid, is de hoeveelheid meststoffen type 2 en type 3, die na de oogst van de hoofdteelt mag opgebracht worden, beperkt tot 36 kg werkzame stikstof per hectare.

 

§ 5

Het op of in de bodem brengen van meststoffen is tevens verboden:

op alle zon- en feestdagen. Deze verbodsbepaling geldt niet voor kunstmest;
voor zonsopgang en na zonsondergang.

 

 

§ 6.

Het op of in de bodem brengen van stikstof uit meststof type 3 op overkapte landbouwgronden is steeds toegelaten.

 

§ 7

De opslag van vaste dierlijke mest of andere meststoffen op landbouwgrond is toegestaan, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:

de meststof is opgeslagen om te worden uitgespreid op het perceel waarop de mest opgeslagen is;
de afstand van de opslag tot de perceelsgrens en oppervlaktewater bedraagt ten minste 10 meter;
de afstand van de opslag tot woningen van derden bedraagt ten minste 100 meter.


De opslag van vaste dierlijke mest:

is verboden in de periode van 16 november tot en met 15 januari;
gebeurt maximaal gedurende twee maanden vóór het spreiden.


Opslag van dierlijke mest of andere meststoffen op landbouwgrond die niet voldoet aan de voorwaarden vermeld in deze paragraaf is verboden.


De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen.


De Vlaamse Regering kan in afwijking van het tweede lid, na verder onderzoek en mits goedkeuring van de Europese Commissie, bepalen dat de opslag van vaste dierlijke mest op landbouwgrond in de periode van 16 november tot en met 15 januari toegelaten wordt of toegelaten wordt voor een langere periode dan vermeld in het tweede lid, 2°, en kan aan deze toelating voorwaarden verbinden.

 

§ 8.

Voor de toepassing van dit artikel wordt, op percelen met als hoofdteelt grasland, het scheuren van de hoofdteelt grasland beschouwd als het oogsten van de hoofdteelt.


Voor de toepassing van dit artikel worden percelen grasland, waar het grasland geteeld wordt voor zaaizaadvermeerdering, als akkers beschouwd.

 

§ 9.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de toepassing van dit artikel.


In afwijking van § 2, derde lid, 2°, en § 3, tweede lid, b), kan de Vlaamse Regering in geval van uitzonderlijke weersomstandigheden bepalen dat het vanggewas of de specifieke teelt slechts moet worden ingezaaid uiterlijk op 10 september van hetzelfde jaar.


In afwijking van § 2, eerste lid, 2°, en § 3, eerste lid, kan de Vlaamse Regering in geval van uitzonderlijke weersomstandigheden bepalen dat voor de betreffende types meststoffen, het toegestaan wordt om deze op te brengen tot en met 10 september. De Vlaamse Regering kan aan deze verlenging van de bemestingsperiode voorwaarden verbinden.


De Vlaamse Regering kan bepalen dat in geval van maatregelen genomen in toepassing van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, educatieve demonstraties en wetenschappelijke proefnemingen, er afgeweken mag worden van de bepalingen van dit artikel en van artikel 14, § 9.


De Vlaamse Regering kan extra voorwaarden aan deze afwijkingen verbinden en kan deze afwijkingen onder meer beperken tot bepaalde gebieden.