Afdeling II.
De capaciteit van de opslagtanks voor dierlijke mest en andere maatregelen ter voorkoming van waterverontreiniging


Art. 9.

§ 1

Een bedrijf beschikt over een mestopslagcapaciteit voor de opslag van dierlijke mest :

  1. van ten minste 9 maanden voor dieren die steeds op stal staan;
  2. van ten minste 6 maanden voor dieren met buitenloop;
  3. van ten minste 3 maanden voor stalmest.

De verplichting geldt niet indien de landbouwer kan aantonen dat elke hoeveelheid mest boven de werkelijke opslagcapaciteit op een voor het leefmilieu onschadelijke wijze zal worden verwijderd. Voor pluimvee waarvan de mest in de stal blijft en afgevoerd wordt na elke ronde geldt deze verplichting niet. De minimale opslagcapaciteit uitgedrukt in m3 wordt door de Vlaamse Regering bepaald in volume-eenheden naargelang de diersoort en het staltype.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, in overeenstemming met de bepalingen van bijlage II van de nitraatrichtlijn.

 

§ 2

Landbouwers die voor de teelt onder permanente overkapping gebruik maken van een groeimedium, dienen [...] te beschikken over een opslagcapaciteit minstens overeenstemmend met de spuistroom geproduceerd gedurende 6 maanden. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, in overeenstemming met de bepalingen van bijlage II van de nitraatrichtlijn. De verplichting geldt niet indien de landbouwer kan aantonen dat elke hoeveelheid spuistroom boven de werkelijke opslagcapaciteit op een voor het leefmilieu onschadelijke wijze zal worden verwijderd.


Art. 10.

De mestopslag kan op de volgende wijze gerealiseerd worden :

  1. door overeenkomsten met landbouwers, die over voldoende mestopslagcapaciteit beschikken;
  2. door het plaatsen van inrichtingen, waarin dierlijke mest of spuistroom, kan opgeslagen worden, individueel of op basis van een samenwerkingsovereenkomst;
  3. door overeenkomsten met mestverwerkingseenheden, waarbij gewaarborgd wordt dat de hoeveelheid dierlijke mest of spuistroom, die zou moeten opgeslagen worden verwerkt wordt;
  4. door zelf de mest of spuistroom te verwerken en daarvan het bewijs te leveren.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen.


Art. 11.

De Vlaamse Regering stelt de bouwvoorschriften van de gebouwen, inrichtingen of installaties die bestemd zijn voor de bewerking of verwerking van dierlijke mest, of voor de opslag van dierlijke mest, spuistroom of plantaardig materiaal zoals kuilvoeder, vast met het oog op het voorkomen van luchtverontreiniging door vervluchtiging van stikstofverbindingen en van waterverontreiniging veroorzaakt door het wegstromen en weglekken in grond- en oppervlaktewater van vloeistoffen die dierlijke mest, spuistroom of afvalwater van opgeslagen plantaardig materiaal zoals kuilvoeder bevatten.