Art. 9.

§ 1

Een bedrijf beschikt over een mestopslagcapaciteit voor de opslag van dierlijke mest :

  1. van ten minste 9 maanden voor dieren die steeds op stal staan;
  2. van ten minste 6 maanden voor dieren met buitenloop;
  3. van ten minste 3 maanden voor stalmest.

De verplichting geldt niet indien de landbouwer kan aantonen dat elke hoeveelheid mest boven de werkelijke opslagcapaciteit op een voor het leefmilieu onschadelijke wijze zal worden verwijderd. Voor pluimvee waarvan de mest in de stal blijft en afgevoerd wordt na elke ronde geldt deze verplichting niet. De minimale opslagcapaciteit uitgedrukt in m3 wordt door de Vlaamse Regering bepaald in volume-eenheden naargelang de diersoort en het staltype.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, in overeenstemming met de bepalingen van bijlage II van de nitraatrichtlijn.

 

§ 2

Landbouwers die voor de teelt onder permanente overkapping gebruik maken van een groeimedium, dienen [...] te beschikken over een opslagcapaciteit minstens overeenstemmend met de spuistroom geproduceerd gedurende 6 maanden. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, in overeenstemming met de bepalingen van bijlage II van de nitraatrichtlijn. De verplichting geldt niet indien de landbouwer kan aantonen dat elke hoeveelheid spuistroom boven de werkelijke opslagcapaciteit op een voor het leefmilieu onschadelijke wijze zal worden verwijderd.

 

§ 3.

Voor elk perceel waarop planten geteeld worden in trays of containers of via een andere teeltwijze waarbij planten in open lucht doch niet in volle grond geteeld worden, beschikt de landbouwer tegen 1 januari 2021 over een firstflushsysteem met een minimale opslagcapaciteit van 100 m` per betrokken hectare.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen en kan de opslagcapaciteit aanpassen op basis van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek.