Onderafdeling II.
Beperking van het op of in de bodem brengen van meststoffen


Art. 13.

§ 1

De hoeveelheid nutriënten die met meststoffen per jaar op landbouwgrond mag opgebracht worden, met inbegrip van de uitscheiding door dieren bij begrazing, moet zodanig beperkt worden dat de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen zowel in grond- als in oppervlaktewater kleiner blijft dan 50 mg nitraat per liter en de eutrofiëring van natuurlijke zoetwatermeren, andere zoetwatermassa’s, estuaria, kustwater en zeewater vermeden wordt en verdere verontreiniging van die aard voorkomen wordt.


De hoeveelheid nutriënten die met meststoffen mag opgebracht worden, met inbegrip van de rechtstreekse uitscheiding door dieren bij begrazing, moet rekening houden met de bodemvoorraad en de mineralisatie.


Per jaar mag op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond maximaal een hoeveelheid nutriënten opgebracht worden, die overeenkomt met de som van de maximale hoeveelheid nutriënten die op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond mag opgebracht worden, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet.

 

§ 2

De stikstofbemestingsnormen, uitgedrukt respectievelijk in kg N uit dierlijke mest per hectare en per jaar en in kg werkzame N per hectare en per jaar voor teelten op zandgronden of op niet-zandgronden worden vermeld in onderstaande tabel:


Tabel 2. Stikstofbemestingsnormen voor teeltgroepen

 

Teeltgroep

Op zandgronden Op niet-zandgronden
  kg N kg kg N kg
  uit dierlijke werkzame uit dierlijke werkzame
  mest/ha N/ha mest/ha N/ha
Grasland dat enkel gemaaid wordt, met inbegrip van de graszodenteelt 170 300 170 310
Grasland dat niet enkel gemaaid wordt 170 235 170 245
Wintertarwe of triticale 100 160 100 175
Wintergerst of andere granen 100 110 100 125
Suikerbieten   170 135  170 150 
Voederbieten  170  235  170  260 
Aardappelen  170 190  170  210 
Maïs  170  135  170  150 
Groente van groep I  170  225  170 250 
Groente van groep II  170 160  170  180 
Groente van groep III  170 115  170  125 
Sierteelt en boomkweek  170 160  170  180 
Aardbeien  170  160  170 160
Spruitkool  170 225 170 250
Teelten met lage stikstofbehoefte  125  115 125 125
Leguminosen met uitzondering van erwten en bonen 120  70  125 75
Overige teelten met inbegrip van voederkool en bladrammenas 170 130 170 145

 

In afwijking van het eerste lid kunnen voor de teeltcombinaties, vermeld in de onderstaande tabel, de stikstofbemestingsnormen, uitgedrukt respectievelijk in kg N uit dierlijke mest per hectare en per jaar en in kg werkzame N per hectare en per jaar op zandgronden of op niet-zandgronden, verhoogd worden tot de hoeveelheden vermeld in onderstaande tabel:


Tabel 3. Stikstofbemestingsnormen voor teeltcombinaties

 

Teeltcombinatie Op zandgronden Op niet-zandgronden
  kg N kg kg N kg
  uit dierlijke werkzame uit dierlijke werkzame
  mest/ha N/ha mest/ha N/ha
Wintertarwe gevolgd door een nateelt of triticale gevolgd door een nateelt 170 180  170 195
Wintergerst gevolgd door een nateelt of andere granen gevolgd door een nateelt 170 130  170 145
Maïs voorafgegaan door een snede gras of door een snede snijrogge  170  200 170 230 
2 teelten groenten van groep I  170  315  170  350 
Een groente van groep I en een groente van groep II  170  270  170  300 
Een groente van groep I en een groente van groep III  170  250  170  275 
2 teelten groenten van groep II  170  250  170  275 
Een groente van groep II en een groente van groep III 170 205 170  225 
2 teelten groenten van groep III  170  180 170  200
3 teelten groenten waarvan minstens een groente van groep II  170 250 170  275 
3 teelten groenten waarvan geen enkele een groente van groep II  170  180 170 200

 

§ 3.

Landbouwgronden worden ingedeeld in vier klassen, afhankelijk van de hoeveelheid plantbeschikbare fosfaat in de bodem uitgedrukt in mg P per 100 gr luchtdroge grond. Voor de indeling in klassen maakt men een onderscheid tussen akkers en grasland. Voor elk van de verschillende klassen worden de volgende criteria onderscheiden:

 

Klasse Plantbeschikbare fosfaat in akker
(mg P per 100 g luchtdroge grond)
Plantbeschikbare fosfaat in grasland
(mg P per 100 g luchtdroge grond)
I kleiner dan of gelijk aan 12 kleiner dan of gelijk aan 19
II groter dan 12 en kleiner dan of gelijk aan 18 groter dan 19 en kleiner dan of gelijk aan 25
III groter dan 18 en kleiner dan of gelijk aan 40 groter dan 25 en kleiner dan of gelijk aan 50
IV groter dan 40 groter dan 50

 

De hoeveelheid plantbeschikbare fosfaat in de bodem wordt bepaald via een bodemanalyse, uitgevoerd door een erkend laboratorium als vermeld in artikel 61, § 7, in opdracht van de Mestbank of van de betrokken landbouwer. De bodemanalyse moet de X-Y-coördinaten vermelden van het perceel dat geanalyseerd is.


De bodemanalyse wordt aan de Mestbank overgemaakt via een door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket. De bodemanalyse is op het moment dat ze overgemaakt wordt aan de Mestbank maximaal vijf jaar oud.  Voor bodemanalyses uitgevoerd in het kalenderjaar 2017 of later, wordt enkel rekening gehouden met de analyseresultaten van de monsternemingen die voorafgaand zijn aangemeld bij de Mestbank, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. Het erkend laboratorium bezorgt van elke aangemelde monsterneming de analyseresultaten aan de Mestbank.


De kosten van de bodemanalyse zijn ten laste van de overheid, als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:

de bodemanalyse is uitgevoerd in het kalenderjaar 2015 of later;
op basis van de bodemanalyse wordt het perceel in klasse I of II als vermeld in het eerste lid, ingedeeld;

het perceel wordt, in het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de bodemanalyse is uitgevoerd, op basis van de betreffende bodemanalyse, ingedeeld in een klasse die lager is dan de klasse waarin het, zonder deze bodemanalyse, ingedeeld zou zijn.


De Vlaamse Regering stelt nadere regels en kan onder meer de kosten van de bodemanalyse forfaitair bepalen.


Op basis van de hoeveelheid plantbeschikbare fosfaat in de bodem, die op basis van de bodemanalyse is bepaald, en op basis van de hoofdteelt die in het jaar waarin de bodemanalyse is uitgevoerd, op het perceel werd geteeld, wordt het perceel in één van de vier klassen als vermeld in het eerste lid, ingedeeld. Als voor eenzelfde perceel er meerdere bodemanalyses ter bepaling van de hoeveelheid plantbeschikbare fosfaat zijn uitgevoerd, gebeurt de indeling in één van de vier klassen op basis van de meest recente analyse.


De indeling in één van de vier klassen gaat in:

als de bodemanalyse bezorgd is aan de Mestbank uiterlijk op 31 augustus van een bepaald jaar, vanaf het jaar dat volgt op het jaar waarin de bodemanalyse aan de Mestbank werd bezorgd;
als de bodemanalyse bezorgd is aan de Mestbank na 31 augustus van een bepaald jaar, vanaf het tweede jaar dat volgt op het jaar waarin de bodemanalyse aan de Mestbank werd bezorgd.

 

De indeling in één van de vier klassen volgt op het jaar waarin de bodemanalyse door de Mestbank werd gevalideerd.


In afwijking van het achtste lid, wordt, als een perceel op basis van de bodemanalyse was ingedeeld in klasse I als vermeld in het eerste lid, dat perceel:

in het zesde tot en met het tiende kalenderjaar, volgend op het kalenderjaar waarin de bodemanalyse, op basis waarvan de indeling in klasse I is gebeurd, uitgevoerd werd, ingedeeld in klasse II als vermeld in het eerste lid;
in het elfde tot en met het vijftiende kalenderjaar, volgend op het kalenderjaar waarin de bodemanalyse, op basis waarvan de indeling in klasse I is gebeurd, uitgevoerd werd, ingedeeld in klasse III als vermeld in het eerste lid.


In afwijking van het achtste lid, wordt, als een perceel op basis van de bodemanalyse was ingedeeld in klasse II als vermeld in het eerste lid, dat perceel in het zesde tot en met het tiende kalenderjaar, volgend op het kalenderjaar waarin de bodemanalyse, op basis waarvan de indeling in klasse II is gebeurd, uitgevoerd werd, ingedeeld in klasse III als vermeld in het eerste lid.


Landbouwgronden die niet ingedeeld zijn in een klasse, op basis van een bodemanalyse, worden in de jaren 2015 en 2016 als klasse III beschouwd en vanaf het jaar 2017 als klasse IV beschouwd.

 

De fosfaatbemestingsnormen, uitgedrukt in kg P2O5 per hectare en per jaar voor teelten en teeltcombinaties worden vermeld in de onderstaande tabel:


Tabel 4. Fosfaatbemestingsnormen

 

Teeltgroep
of teeltcombinatie

Toegestane
hoeveelheid,
uitgedrukt in kg
P2O5 per ha en
per jaar voor
klasse I
gronden 
Toegestane
hoeveelheid,
uitgedrukt in kg
P2O5 per ha en
per jaar voor
klasse II
gronden 
Toegestane
hoeveelheid,
uitgedrukt in kg
P2O5 per ha en
per jaar voor
klasse III
gronden 
Toegestane
hoeveelheid,
uitgedrukt in kg
P2O5 per ha en
per jaar voor
klasse IV
gronden 
Grasland dat enkel gemaaid wordt, met inbegrip van graszodenteelt  115 95 90 70 
Grasland dat niet enkel gemaaid wordt 115 95  90  70
Wintertarwe of triticale  95 75  70 55
Wintergerst of andere granen  95 75 70  55
Suikerbieten  85  65 55 45
Voederbieten  85 65 55 45
Aardappelen 95  75 70  55
Maïs voorafgegaan door een snede gras of door een snede snijrogge  115  95 90 70
Maïs niet voorafgegaan door een snede gras of door een snede snijrogge  100 80  70 55 
Groente van groep I  85  65 55 45
Groente van groep II  85  65 55  45 
Groente van groep III  85  65 55 45
Sierteelt en boomkweek  85  65  55  45 
Aardbeien  85 65 55 45
Spruitkool  85 65 55 45
Teelten met lage stikstofbehoefte  85 65 55 45
Leguminosen met uitzondering van erwten en bonen  85 65 55 45
Overige teelten met inbegrip van voederkool en bladrammenas  85 65 55 45

 

§ 4

De Vlaamse Regering kan, in afwijking van dit artikel, en ter uitvoering van een besluit van de Europese Commissie tot verlening van een door de lidstaat België op grond van de Nitraatrichtlijn gevraagde derogatie, de stikstofbemestingsnormen voor dierlijke mest wijzigen onder de voorwaarden bepaald in de beschikking van de Commissie. Deze voorwaarden kunnen afwijken van de bepalingen van dit decreet.

 

§ 5

Als de landbouwer gecertificeerde gft- of groencompost op een perceel gebruikt, wordt, in afwijking van de bepalingen van dit decreet, slechts 50 % van de hoeveelheid P2O5, afkomstig van de gecertificeerde gft- of groencompost, als opgebracht beschouwd.


Op landbouwgronden die, overeenkomstig paragraaf 3, als klasse I of klasse II zijn ingedeeld, wordt in afwijking van de bepalingen van dit decreet, slechts 50 % van de hoeveelheid P2O5, afkomstig van stalmest of boerderijcompost, als opgebracht beschouwd.

 

§ 6

Een niet-focusbedrijf als vermeld in artikel 14, § 3, kan in het jaar X een aanvraag indienen voor een verhoging van de bemestingsnormen, uitgedrukt in kg werkzame N/ha, vermeld in paragraaf 2.


Een niet-focusbedrijf kan enkel een aanvraag voor een verhoging van de stikstofbemestingsnormen, vermeld in paragraaf 2, indienen, als voldaan is aan de volgende voorwaarden:

in het geval dat het bedrijf in het jaar X-1 verplicht was om een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uit te voeren in uitvoering van artikel 14 of omdat het bedrijf in het jaar X-1 eveneens een aanvraag had ingediend als vermeld in deze paragraaf, moet het bedrijf, bij de beoordeling van deze nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau op basis van de overeenkomstige nitraatresidudrempelwaarden voor focusbedrijven, als categorie nul beoordeeld zijn als vermeld in artikel 15;


 
in het jaar X-1, is:
a) hetzij door de betrokken landbouwer, hetzij op het betrokken bedrijf of op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden, geen overtreding van de bepalingen van de artikelen 8, 12, 13, 20, 21 of 22, begaan;
b) aan de betrokken landbouwer geen maatregel, correctie, andere mestsamenstelling, beperking van de afvoer, bijkomende mestverwerking of reductie als vermeld in artikel 62, opgelegd, en is geen administratieve geldboete als vermeld in artikel 63, § 1 tot en met § 3, of § 5, opgelegd.


De landbouwer die een verhoging van de stikstofbemestingsnormen wil verkrijgen, vraagt dit aan de Mestbank. De aanvraag wordt uiterlijk op 15 februari van het jaar X bij de Mestbank ingediend via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. In afwijking hiervan, worden landbouwers die in het jaar X-1 een verhoging van de stikstofbemestingsnormen hebben verkregen, in uitvoering van deze paragraaf, en die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, van rechtswege geacht om terug een aanvraag in te dienen voor het jaar X.


De landbouwer kan tot uiterlijk 1 juni van het jaar X zijn aanvraag, vermeld in het derde lid, intrekken via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket.


Na 1 juni duidt de Mestbank de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond aan waarop de landbouwer de nitraatresidubepalingen moet laten uitvoeren. Een landbouwer die uiterlijk op 1 juni van het jaar X zijn aanvraag tot verhoging van de stikstofbemestingsnormen niet heeft ingetrokken, is verplicht om de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uit te voeren. De beoordeling van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau gebeurt overeenkomstig de bepalingen van artikel 15.


Voor landbouwers die een niet-ingetrokken aanvraag ingediend hebben en voldoen aan de voorwaarden, wordt, in afwijking van dit artikel, op de tot het betrokken bedrijf behorende landbouwgronden, de hoeveelheid werkzame stikstof die in het jaar X mag opgebracht worden, overeenkomstig dit artikel, met 10 % verhoogd.


Voor de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, 2°, wordt enkel rekening gehouden met feiten begaan in het jaar 2015 of later.

 

§ 7

Voor percelen waarop in volle grond sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II, of aardbeien worden geteeld, geldt de toegelaten stikstofbemestingsnorm, vermeld in paragraaf 2, enkel als de landbouwer tot wiens bedrijf er percelen landbouwgrond behoren waarop sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II, of aardbeien worden geteeld, een voldoende aantal stikstofanalyses met bijhorend bemestingsadvies laat uitvoeren.

 

Als de landbouwer tot wiens bedrijf er percelen landbouwgrond behoren waarop sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II, of aardbeien worden geteeld, in een bepaald jaar, niet de nodige stikstofanalyses met bijhorend bemestingsadvies laat uitvoeren, wordt voor de betreffende landbouwer het volgende jaar, de toegelaten stikstofbemestingsnorm, vermeld in paragraaf 2, met 20 % verminderd, voor percelen waarop in dat volgende jaar sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II, of aardbeien worden geteeld. In afwijking hiervan wordt, voor percelen waarop in dat volgende jaar een teeltcombinatie geteeld wordt waarbij minstens één van de teelten van deze teeltcombinatie sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II, of aardbeien betreft, de toegelaten stikstofbemestingsnorm, vermeld in paragraaf 2, verminderd tot de hoeveelheid die op basis van tabel 2, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, op dat perceel mag opgebracht worden op basis van de hoofdteelt die op dat perceel geteeld wordt.

 

De Vlaamse Regering bepaalt hoeveel staalnames met bijhorend bemestingsadvies een voldoende aantal zijn als vermeld in het eerste lid, en kan, in afwijking van deze paragraaf, een regeling uitwerken waarbij landbouwers kunnen kiezen om zich te laten begeleiden in plaats van een voldoende aantal stikstofanalyses met bijhorend bemestingsadvies te laten uitvoeren. De Vlaamse Regering kan bepalen dat deze paragraaf niet van toepassing is voor bepaalde, door de Vlaamse Regering aan te duiden, specifieke teeltmethodes.

 

§ 8

Voor de toepassing van dit artikel wordt, voor het bepalen van de stikstofbemestingsnorm van een perceel:

een teeltcombinatie van een hoofdteelt die niet behoort tot de teeltgroep groente van groep I, groente van groep II of groente van groep III, met een nateelt of voorteelt die behoort tot de teeltgroep groente van groep I, gelijkgesteld met een teeltcombinatie van twee teelten behorende tot de teeltgroep groente van groep I;
een teeltcombinatie van een hoofdteelt die niet behoort tot de teeltgroep groente van groep I, groente van groep II of groente van groep III, met een nateelt of voorteelt die behoort tot de teeltgroep sierteelt of boomkweek, groente van groep II of aardbeien, gelijkgesteld met een teeltcombinatie van een teelt behorende tot de teeltgroep groente van groep I en een teelt behorende tot de teeltgroep groente van groep II;
een teeltcombinatie van een hoofdteelt die niet behoort tot de teeltgroep groente van groep I, groente van groep II of groente van groep III, met een nateelt of voorteelt die behoort tot de teeltgroep groente van groep III, gelijkgesteld met een teeltcombinatie van een teelt behorende tot de teeltgroep groente van groep I en een teelt behorende tot de teeltgroep groente van groep III.

 

De gelijkstelling, vermeld in het eerste lid, geldt niet voor percelen landbouwgrond waar de bemesting beperkt wordt, in toepassing van paragraaf 7, tweede lid.


Als op een perceel, een hoofdteelt die behoort tot de teeltgroep “wintertarwe of triticale” of “wintergerst of andere granen” gevolgd wordt door een teelt behorende tot de teeltgroep sierteelt of boomkweek, groente van groep I, groente van groep II, groente van groep III of aardbeien, geldt de regeling vermeld in deze paragraaf en zijn de stikstofbemestingsnormen voor de hoofdteeltcombinaties “wintertarwe gevolgd door een nateelt of triticale gevolgd door een nateelt” en voor “wintergerst gevolgd door een nateelt of andere granen gevolgd door een nateelt” niet van toepassing. In afwijking hiervan geldt voor een dergelijk perceel dat de stikstofbemestingsnormen voor de hoofdteeltcombinaties “wintertarwe gevolgd door een nateelt of triticale gevolgd door een nateelt” en voor “wintergerst gevolgd door een nateelt of andere granen gevolgd door een nateelt” van toepassing zijn in het jaar waarin er voor de landbouwer tot wiens bedrijf het betreffende perceel behoort, een bemestingsbeperking als vermeld in paragraaf 7, tweede lid, van toepassing is.

 

§ 9

Het is verboden om in een bepaald jaar meststoffen op te brengen op percelen landbouwgrond die gedurende dat volledige jaar braak liggen.


Op een individueel perceel landbouwgrond, mag een hoeveelheid stikstof, uitgedrukt in kg werkzame stikstof per hectare en in kg stikstof uit dierlijke mest per hectare, opgebracht worden, die maximaal gelijk is aan het dubbele van de hoeveelheid stikstof, uitgedrukt in kg werkzame stikstof per hectare en in kg stikstof uit dierlijke mest per hectare, die op dat perceel mag opgebracht worden, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet. In afwijking hiervan wordt, op percelen landbouwgrond waar de hoeveelheid nutriënten die opgebracht mag worden, beperkt wordt door de toepassing van de artikelen 16, 41bis of 41ter of door een beheerovereenkomst, de hoeveelheid nutriënten die opgebracht mag worden, beperkt tot de hoeveelheid die overeenkomstig de artikelen 16, 41bis of 41ter of overeenkomstig de op dat perceel van toepassing zijnde beheerovereenkomst, op dat perceel mag opgebracht worden.

 

§ 10.

De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de toepassing van dit artikel.


De Vlaamse Regering kan de teelt of teelten bepalen die onder een bepaalde teeltgroep of teeltcombinatie vallen. De Vlaamse Regering kan hierbij een onderscheid maken op basis van de teeltmethode of de bijkomende bestemmingen. De op een perceel toegelaten hoeveelheid meststoffen wordt bepaald op basis van de teeltgroep waartoe de hoofdteelt, die op dat perceel wordt verbouwd, behoort.


De Vlaamse Regering kan bepalen dat voor de teelt op groeimedium die gebeurt op niet permanent overkapte landbouwgronden, onder bepaalde voorwaarden, afgeweken kan worden van de bemestingsnormen voor kunstmest, vermeld in dit artikel.


De Vlaamse Regering kan, in afwijking van paragraaf 3, derde lid, een andere werkwijze opleggen voor de bepaling van het perceel dat geanalyseerd wordt.


De Vlaamse Regering kan bepalen dat op landbouwgronden die permanent overkapt zijn, er, in afwijking van dit artikel, kunstmest opgebracht mag worden tot de hoeveelheden opgenomen in de bemestingsadviezen, opgemaakt voor de percelen landbouwgrond in kwestie.
De Vlaamse Regering kan bepalen dat op landbouwgronden met een beperkte oppervlakte, er onder bepaalde voorwaarden mag afgeweken worden van de bepalingen van paragraaf 3.

De Vlaamse Regering kan bepalen dat onder welbepaalde voorwaarden voor wetenschappelijke proefnemingen de toelating gegeven kan worden om af te wijken van de bemestingsnormen, vermeld in dit decreet.

 

De Vlaamse Regering kan de datum van 31 augustus, als vermeld in paragraaf 3, zevende lid, wijzigen in een latere datum.

 

§ 11.

De Vlaamse Regering kan bepalen dat onder welbepaalde voorwaarden voor wetenschappelijke proefnemingen de toelating gegeven kan worden om af te wijken van voorgaande paragrafen.

 

§ 12.

In afwijking van § 2 en § 3, kan voor aardappelen, met uitzondering van vroege aardappelen, per perceel, afgeweken worden van de hoeveelheden stikstof die per hectare landbouwgrond en per jaar opgebracht mogen worden, als voldaan is aan de volgende voorwaarden :

de landbouwer moet aantonen dat een minimale gewasopbrengst van 55 ton aardappelen per hectare wordt overschreden, rekening houdend met de opbrengst van alle percelen aardappelen die tot zijn bedrijf behoren;
voor alle percelen aardappelen, moet in het voorjaar een bodemanalyse worden uitgevoerd door een erkend laboratorium en een hierop gesteund bemestingsadvies worden opgemaakt door een erkend laboratorium;
voor alle percelen aardappelen moet de landbouwer, in ieder kalenderjaar waarin gebruik wordt gemaakt van deze afwijking, door een erkend laboratorium het nitraatresidu laten bepalen in de periode van 1 oktober tot en met 15 november.

 

De op basis van deze afwijking toegestane hoeveelheden stikstof die per hectare landbouwgrond en per jaar mogen opgebracht worden, mogen de in het bemestingsadvies vastgestelde maximale hoeveelheid op te brengen werkzame kg N per hectare niet overschrijden en :

als de landbouwer op zijn bedrijf het systeem van bemestingsnormen, gebaseerd op de totale opgebrachte hoeveelheid stikstof, als vermeld in § 2, toepast, is :
a) de toegestane kg totale N per hectare maximaal 10 % hoger dan de op grond van § 2 toegestane kg totale N per hectare voor aardappelen, met uitzondering van vroege aardappelen;
b) de toegestane kg kunstmest per hectare maximaal de toegestane kg totale N per hectare, overeenkomstig a), verminderd met de op grond van § 2 toegestane kg dierlijke mest per hectare voor aardappelen, met uitzondering van vroege aardappelen; 
als de landbouwer op zijn bedrijf het systeem van bemestingsnormen, gebaseerd op de opgebrachte hoeveelheid werkzame stikstof, als vermeld in § 3, toepast, is de toegestane kg werkzame N maximaal 10 % hoger dan de op grond van § 3 toegestane kg werkzame N per hectare voor aardappelen, met uitzondering van vroege aardappelen.

 

Als op een perceel waarop deze afwijking wordt toegepast, de nitraatresidudrempelwaarde, vastgesteld op basis van de staalname als vermeld in het eerste lid, 3°, de overeenkomstige nitraatresidudrempelwaarde voor aardappelen zoals bepaald in uitvoering van artikel 14, overschrijdt, kan de landbouwer voor het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin gebruik werd gemaakt van deze afwijking, op geen enkel tot het bedrijf behorend perceel landbouwgrond gebruik maken van deze afwijking.

 

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast, onder meer over de wijze waarop de landbouwer deze afwijking op de bemestingsnormen aan de Mestbank aanvraagt, de wijze waarop de gewasopbrengst moet worden aangetoond, het aantal staalnames en bodemanalyses en het systeem en de waarden waarop de advisering gestoeld moet zijn.

 

§ 13.

In afwijking van §§ 2 en 3, kan, per perceel, afgeweken worden van de hoeveelheden stikstof die per hectare landbouwgrond en per jaar opgebracht mogen worden, als voldaan is aan de volgende voorwaarden :

per teelt waarop deze afwijking zal worden toegepast, moet de landbouwer aantonen dat een door de Vlaamse Regering, voor de betrokken teelt, vast te stellen minimum gewasopbrengst wordt overschreden;
op elk tot het bedrijf behorend perceel landbouwgrond waarop hij dezelfde hoofdteelt verbouwt als het perceel waarop hij de afwijking vermeld in deze paragraaf toepast, moet in het voorjaar een bodemanalyse en een hierop gesteund bemestingsadvies worden opgemaakt door een erkend laboratorium; 
op drie tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, door de Mestbank aangeduid, moet de landbouwer, in ieder kalenderjaar waarin gebruik wordt gemaakt van de afwijking, door een erkend laboratorium het nitraatresidu laten bepalen in de periode van 1 oktober tot en met 15 november.

 

De op basis van deze afwijking toegestane hoeveelheden stikstof die per hectare landbouwgrond en per jaar mogen opgebracht worden, mogen de in het bemestingsadvies vastgestelde maximale hoeveelheid op te brengen werkzame kg N per hectare niet overschrijden en :

als de landbouwer op zijn bedrijf het systeem van bemestingsnormen, gebaseerd op de totale opgebrachte hoeveelheid stikstof, als vermeld in § 2, toepast, is :
a) de toegestane kg totale N per hectare maximaal 10 % hoger dan de voor de overeenkomstige teelt op grond van § 2 toegestane kg totale N per hectare;
b) de toegestane kg kunstmest per hectare maximaal de toegestane kg totale N per hectare, overeenkomstig a), verminderd met de op grond van § 2 toegestane kg dierlijke mest per hectare voor de overeenkomstige teelt; 
als de landbouwer op zijn bedrijf het systeem van bemestingsnormen, gebaseerd op de opgebrachte hoeveelheid werkzame stikstof, als vermeld in § 3, toepast, is de toegestane kg werkzame N maximaal 10 % hoger dan de op grond van § 3 toegestane kg werkzame N per hectare voor de overeenkomstige teelt.

 

Voor geen enkel tot het bedrijf behorend perceel landbouwgrond mag de in het bemestingsadvies vastgestelde maximale hoeveelheid op te brengen werkzame stikstof worden overschreden.

 

Als op een perceel de nitraatresidudrempelwaarde, vastgesteld op basis van de staalname als vermeld in het eerste lid, 3°, de overeenkomstige nitraatresidudrempelwaarde zoals bepaald in uitvoering van artikel 14, overschrijdt, kan de landbouwer voor het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin gebruik werd gemaakt van deze afwijking, op geen enkele tot het bedrijf behorende landbouwgrond waarop hij dezelfde hoofdteelt verbouwt als het perceel waarop het te hoge nitraatresidu werd gemeten, gebruik maken van deze afwijking.

 

Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, worden graslanden die enkel gemaaid worden en graslanden die niet enkel gemaaid worden, als twee verschillende teelten beschouwd.

 

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast, onder meer over de wijze waarop de landbouwer deze afwijking op de bemestingsnormen aan de Mestbank aanvraagt, de wijze waarop de gewasopbrengst moet worden aangetoond, het aantal staalnames en bodemanalyses en het systeem en de waarden waarop de advisering gestoeld moet zijn en kan het toepassingsgebied van de afwijking, vermeld in deze paragraaf, beperken.

 

§ 14.

In afwijking van § 1, § 2 en § 3, is het op of in de bodem brengen van meststoffen op percelen waarop groenten van groep I of groenten van groep II worden geteeld, met uitzondering van vroege aardappelen en spruitkool, vanaf 1 januari 2013 verboden, tenzij de landbouwer zich laat adviseren door een erkend laboratorium, een producentenorganisatie of een erkend praktijkcentrum.

 

In het kader van die advisering moet elke landbouwer die groenten van groep I of groenten van groep II teelt, met uitzondering van vroege aardappelen en spruitkool, stikstofanalyses met bijhorend bemestingsadvies laten uitvoeren. De stikstofanalyses, als vermeld in dit lid, moeten worden uitgevoerd door een erkend laboratorium in een voor de teelt in kwestie relevante periode. De in het bemestingsadvies geadviseerde bemestingspraktijk moet in overeenstemming zijn met de bepalingen van dit decreet en de in het bemestingsadvies opgenomen maximale hoeveelheid op te brengen werkzame stikstof per hectare mag de overeenkomstige toegelaten bemestingsnorm, vermeld in dit artikel, niet overschrijden.

 

Als de landbouwer beschikt over een verplicht bemestingsadvies, als vermeld in het tweede lid, dan is de hoeveelheid nutriënten die de landbouwer voor het perceel in kwestie maximaal mag opbrengen beperkt tot enerzijds de voor de teelt in kwestie overeenkomstige bemestingsnorm, als vermeld in dit artikel, en anderzijds tot de in het bemestingsadvies vastgestelde maximale hoeveelheid op te brengen werkzame stikstof per hectare. De landbouwer die op zijn bedrijf het systeem van bemestingsnormen gebaseerd op de totale opgebrachte hoeveelheid stikstof, als vermeld in § 2, toepast, moet hiervoor de in het bemestingsadvies vastgestelde maximale hoeveelheid op te brengen werkzame stikstof per hectare omrekenen naar totale stikstof, op basis van de uitgevoerde bemesting.

 

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast, onder meer over de wijze waarop de landbouwer deze afwijking op de bemestingsnormen aan de Mestbank aanvraagt, het minimum aantal staalnames per landbouwer, de periode waarin de laatste stikstofanalyse moet plaatsvinden en het systeem en de waarden waarop de advisering gestoeld moet zijn.

 

De Vlaamse Regering kan afwijkingen voorzien op het bemestingsverbod, vermeld in deze paragraaf, in geval het een perceel betreft dat in de loop van een kalenderjaar overgedragen wordt naar een andere landbouwer.

 

§ 15.

Voor de toepassing van dit artikel wordt :

een teeltcombinatie van een hoofdteelt die geen groente van groep I, geen groente van groep II of geen groente van groep III, is met anderzijds een nateelt groente van groep I, gelijkgesteld met een teeltcombinatie van 2 teelten groente van groep I;
een teeltcombinatie van een hoofdteelt die geen groente van groep I, geen groente van groep II of geen groente van groep III, is met anderzijds een nateelt groente van groep II, gelijkgesteld met een teeltcombinatie van een groente van groep I en een groente van groep II;
een teeltcombinatie van een hoofdteelt die geen groente van groep I, geen groente van groep II of geen groente van groep III, is met anderzijds een nateelt groente van groep III, gelijkgesteld met een teeltcombinatie van een groente van groep I en een groente van groep III.

 

Vanaf het kalenderjaar 2013 kan de gelijkstelling vermeld in het eerste lid enkel toegepast worden als de landbouwer voor het betrokken perceel een stikstofanalyse laat nemen en een bijhorend bemestingsadvies laat opmaken.

 

Als de landbouwer beschikt over een verplicht bemestingsadvies, als vermeld in het tweede lid, dan is de hoeveelheid nutriënten die de landbouwer voor het perceel in kwestie maximaal mag opbrengen beperkt tot enerzijds de voor de teelt in kwestie overeenkomstige bemestingsnorm, als vermeld in dit artikel, en anderzijds tot de in het bemestingsadvies vastgestelde maximale hoeveelheid op te brengen werkzame stikstof per hectare. De landbouwer die op zijn bedrijf het systeem van bemestingsnormen gebaseerd op de totale opgebrachte hoeveelheid stikstof, als vermeld in § 2, toepast, moet hiervoor de in het bemestingsadvies vastgestelde maximale hoeveelheid op te brengen werkzame stikstof per hectare omrekenen naar totale stikstof, op basis van de uitgevoerde bemesting.

 

Als een hoofdteelt wintertarwe, triticale, wintergerst of andere granen gevolgd wordt door een groente van groep I, een groente van groep II of een groente van groep III, geldt de regeling vermeld in deze paragraaf en zijn de bemestingsnormen voor « Wintertarwe gevolgd door een nateelt of triticale gevolgd door een nateelt » en voor « Wintergerst gevolgd door een nateelt of andere granen gevolgd door een nateelt » niet van toepassing.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen.

 

§ 16.

Voor de toepassing van dit artikel wordt :

een teeltcombinatie van een hoofdteelt die geen groente van groep I, geen groente van groep II of geen groente van groep III is, met een voorteelt groente van groep I gezaaid of geplant in hetzelfde kalenderjaar, gelijkgesteld met een teeltcombinatie van 2 teelten groente van groep I;
een teeltcombinatie van een hoofdteelt die geen groente van groep I, geen groente van groep II of geen groente van groep III is, met een voorteelt groente van groep II gezaaid of geplant in hetzelfde kalenderjaar, gelijkgesteld met een teeltcombinatie van een groente van groep I en een groente van groep II; 
een teeltcombinatie van een hoofdteelt die geen groente van groep I, geen groente van groep II of geen groente van groep III is, met een voorteelt groente van groep III gezaaid of geplant in hetzelfde kalenderjaar, gelijkgesteld met een teeltcombinatie van een groente van groep I en een groente van groep III.

 

Vanaf het kalenderjaar 2013 kan de gelijkstelling vermeld in het eerste lid enkel toegepast worden als de landbouwer voor het betrokken perceel een stikstofanalyse laat nemen en een bijhorend bemestingsadvies laat opmaken.

 

Als de landbouwer beschikt over een verplicht bemestingsadvies, als vermeld in het tweede lid, dan is de hoeveelheid nutriënten die de landbouwer voor het perceel in kwestie maximaal mag opbrengen beperkt tot enerzijds de voor de teelt in kwestie overeenkomstige bemestingsnorm, als vermeld in dit artikel, en anderzijds tot de in het bemestingsadvies vastgestelde maximale hoeveelheid op te brengen werkzame stikstof per hectare. De landbouwer die op zijn bedrijf het systeem van bemestingsnormen gebaseerd op de totale opgebrachte hoeveelheid stikstof, als vermeld in paragraaf 2, toepast, moet hiervoor de in het bemestingsadvies vastgestelde maximale hoeveelheid op te brengen werkzame stikstof per hectare omrekenen naar totale stikstof, op basis van de uitgevoerde bemesting.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen. 


Art. 14.

§ 1

Onverminderd de bepalingen van artikel 13 en van de artikelen 61 tot en met 72 worden, met het oog op het begeleiden van landbouwers tot het behalen van de waterkwaliteitsdoelstellingen geformuleerd in artikel 2, nitraatresidudrempelwaarden vastgesteld.


De volgende 9 types nitraatresidudrempelwaarden worden onderscheiden:

Nitraatresidu
type
 
Teelttype Bodemtype Focusbedrijf Niet-focusbedrijf
    eerste tweede
drempelwaarde
eerste
drempelwaarde

tweede
drempelwaarde
1 Gras Zand of
Niet-zand
70 200 90 260
2 Maïs Zand 70 140 90 180
3 Maïs Niet-Zand 80 160 90 180
4 Granen Zand 70 155 90 200
5 Granen Niet-Zand 80 180 90 200
6 Aardappelen Zand of
Niet-zand
85 155 90 165
7 Specifieke
teelten
Zand of
Niet-zand
85 190 90 200
8 Overige teelten met inbegrip
van voederkool en
bladrammenas
Zand 70 155 90 200
9 Overige teelten met inbegrip
van voederkool en
bladrammenas
Niet-zand 80 180 90 200

 

Het teelttype als vermeld in de tabel in het tweede lid betreft de hoofdteelt die op het betrokken perceel, overeenkomstig de verzamelaanvraag, geteeld zal worden, tenzij de hoofdteelt in dat jaar wordt gevolgd door een specifieke teelt of door de teelt van aardappelen. In voorkomend geval wordt voor de toepassing van de tabel, vermeld in het tweede lid, rekening gehouden met de specifieke teelt of de teelt van aardappelen, die op dat perceel als nateelt uitgevoerd zal worden.


Jaarlijks worden er, op basis van de gegevens aangaande de waterkwaliteit, focusgebieden aangeduid. De aanduiding van focusgebieden is van belang om te bepalen of een bedrijf focusbedrijf is.


De bemonsteringen voor de nitraatresidubepalingen, uitgevoerd in toepassing van dit decreet, gebeuren in de periode van 1 oktober tot en met 15 november. De nitraatresidubepalingen worden uitgevoerd door een erkend laboratorium als vermeld in artikel 61, § 7, overeenkomstig de bepalingen van het methodenboek als vermeld in artikel 61, § 8.

 

§ 2

De Mestbank laat jaarlijks het nitraatresidu bepalen op percelen landbouwgrond gelegen in het Vlaamse Gewest.


De Mestbank zorgt ervoor dat de landbouwer tot wiens bedrijf het betreffende perceel behoort minstens een week voor de bemonstering in kennis wordt gesteld van de dag waarop de bemonstering zal uitgevoerd worden en van het perceel waarop de nitraatresidubepaling zal gebeuren. Bij betwistingen aangaande deze inkennisstelling kan de landbouwer de nietigheid van het resultaat van de uitgevoerde nitraatresidubepaling niet inroepen.


De landbouwer kan in zijn opdracht en op zijn kosten door een erkend laboratorium naar zijn keuze een nitraatresidubepaling laten uitvoeren op het perceel waarop een nitraatresidubepaling wordt uitgevoerd in opdracht van de Mestbank als vermeld in het eerste lid. In voorkomend geval wordt het laagste resultaat van de nitraatresidubepalingen in aanmerking genomen. Deze nitraatresidubepaling moet gebeuren in de periode van 1 oktober tot en met 15 november in hetzelfde jaar als de nitraatresidubepaling in opdracht van de Mestbank.


Onverminderd de nitraatresidubepalingen opgelegd in uitvoering van § 4, § 5, § 6, § 7 en § 8, kan de Mestbank een landbouwer opleggen in opdracht en op kosten van de landbouwer in kwestie door een erkend laboratorium op één of meerdere percelen landbouwgrond die behoren tot zijn bedrijf, een nitraatresidubepaling te laten uitvoeren.


De Mestbank kan de verplichting tot het laten uitvoeren van één of meerdere nitraatresidubepalingen of van een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau opleggen aan de volgende landbouwers:

landbouwers die op hun bedrijf gebruikmaken van de mogelijkheden die voortvloeien uit de uitvoering van een besluit van de Europese Commissie tot verlening van een door de lidstaat België op grond van de Nitraatrichtlijn gevraagde derogatie;
landbouwers aan wie één of meerdere administratieve geldboetes of strafrechtelijke veroordelingen zijn opgelegd wegens overtreding van één of meerdere bepalingen van dit decreet;
landbouwers van wie het bedrijf niet beschikt over voldoende mestopslagcapaciteit als vermeld in artikel 9;
landbouwers aan wie een maatregel, correctie, andere mestsamenstelling, beperking van de afvoer, bijkomende mestverwerking of reductie als vermeld in artikel 62, werd opgelegd, of één of meerdere administratieve geldboetes als vermeld in artikel 63, § 1 tot en met § 3, of § 5.

 

§ 3

Een bedrijf is hetzij een focusbedrijf, hetzij een niet-focusbedrijf. Er zijn drie types van focusbedrijven, met name een focusbedrijf met maatregelen van categorie 1, een focusbedrijf met maatregelen van categorie 2 en een focusbedrijf met maatregelen van categorie 3.


Een bedrijf wordt in een betreffend jaar omwille van zijn ligging als focusbedrijf gekwalificeerd als vermeld in het derde lid, 1°, als meer dan 50 % van de in het vorige jaar tot zijn bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond gelegen is in een gebied dat in het betreffende jaar als focusgebied is afgebakend. Voor het bepalen van het percentage van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond die gelegen is in focusgebied, wordt geen rekening gehouden met landbouwgrond die permanent overkapt is of met landbouwgronden waarop een teelt van de teeltgroep houtachtige gewassen wordt verbouwd.


Een bedrijf krijgt in een bepaald jaar de kwalificatie focusbedrijf met maatregelen van categorie 1, hetzij:

omwille van zijn ligging in focusgebied, tenzij het bedrijf over een niet ingetrokken vrijstelling als vermeld in paragraaf 5 beschikt;
omdat het betrokken bedrijf in het betrokken jaar als categorie I is geclassificeerd als vermeld in artikel 15, § 5;
omdat het betrokken bedrijf in het vorige jaar een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau moest uitvoeren, en deze niet uitgevoerd heeft;
omdat het een bedrijf als vermeld in paragraaf 4, derde lid, betreft;
omwille van het in het voorgaande jaar niet-laten uitvoeren van één of meerdere nitraatresidubepalingen die het in uitvoering van paragraaf 2 of paragraaf 4 moest uitvoeren of omwille van het hinderen in het voorgaande jaar van de uitvoering van één of meerdere nitraatresidubepalingen.


Een bedrijf krijgt in een bepaald jaar de kwalificatie focusbedrijf met maatregelen van categorie 2, omdat het betrokken bedrijf hetzij:

in het betrokken jaar als categorie II is geclassificeerd als vermeld in artikel 15, § 5;
in het vorige jaar een focusbedrijf met maatregelen van categorie 1 was, en in het vorige jaar de maatregelen, vermeld in paragraaf 6, niet uitgevoerd heeft;
in het vorige jaar en in het betrokken jaar als categorie I is geclassificeerd als vermeld in artikel 15, § 5;
in het vorige jaar een focusbedrijf met maatregelen van categorie 1 was, dat in het vorige jaar een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau moest uitvoeren in toepassing van paragraaf 4, en deze nitraatresiduevaluatie op bedrijfsniveau niet uitgevoerd heeft.


Een bedrijf krijgt in een bepaald jaar de kwalificatie focusbedrijf met maatregelen van categorie 3, omdat het betrokken bedrijf hetzij:

in het betrokken jaar als categorie III is geclassificeerd als vermeld in artikel 15, § 5;
in het vorige jaar een focusbedrijf met maatregelen van categorie 2 was, en:
  a) ofwel in het vorige jaar de maatregelen, vermeld in paragraaf 7, niet uitgevoerd heeft;
  b) ofwel in het betrokken jaar in categorie II is geclassificeerd als vermeld in artikel 15, § 5;
in het vorige jaar een focusbedrijf met maatregelen van categorie 3 was, en:
  a) ofwel in het vorige jaar de maatregelen, vermeld in paragraaf 8, niet uitgevoerd heeft;
  b) ofwel in het vorige jaar en in het betrokken jaar in categorie II is geclassificeerd als vermeld in artikel 15, § 5.

 

Als een bedrijf, in een bepaald jaar, meerdere van bovenstaande kwalificaties krijgt, geldt enkel de hoogste kwalificatie.

 

§ 4

Als op een niet-focusbedrijf in een bepaald jaar X op een tot het bedrijf behorend perceel landbouwgrond een nitraatresidu wordt gemeten dat hoger is dan de overeenkomstige eerste nitraatresidudrempelwaarde doch de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde niet overschrijdt, moet de betrokken landbouwer in het jaar X+1 in zijn opdracht en op zijn kosten op één door de Mestbank aangeduid perceel S een nitraatresidubepaling laten uitvoeren. Als het nitraatresidu van het perceel landbouwgrond in jaar X meerdere malen bepaald werd, dan wordt het laagste resultaat van de nitraatresidubepalingen in aanmerking genomen.


Als in het jaar X+1 bij de nitraatresidubepaling op het perceel S een nitraatresidu wordt gemeten dat hoger is dan de overeenkomstige eerste nitraatresidudrempelwaarde doch de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde niet overschrijdt, moet de betrokken landbouwer in het jaar X+2 in zijn opdracht en op zijn kosten een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15, laten uitvoeren.


Als in het jaar X+1 bij de nitraatresidubepaling op het perceel S een nitraatresidu wordt gemeten dat hoger is dan de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde, of als de landbouwer de nitraatresidubepaling die hij in het jaar X+1 moet laten uitvoeren, niet uitvoert, moet de betrokken landbouwer in het jaar X+2 in zijn opdracht en op zijn kosten een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15 laten uitvoeren en is het bedrijf in het jaar X+2 focusbedrijf.


Als in een bepaald jaar X op een niet-focusbedrijf op een tot het bedrijf behorend perceel landbouwgrond een nitraatresidu wordt gemeten dat hoger is dan de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde of als op een focusbedrijf op een tot het bedrijf behorend perceel landbouwgrond een nitraatresidu wordt gemeten dat hoger is dan de overeenkomstige eerste nitraatresidudrempelwaarde moet de betrokken landbouwer in het jaar X+1 in zijn opdracht en op zijn kosten een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15, laten uitvoeren.


Als in een bepaald jaar op een bedrijf een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau moet gebeuren, is deze paragraaf niet van toepassing.


Als het nitraatresidu van het perceel S in jaar X+1 meerdere malen bepaald werd, dan wordt het laagste resultaat van de nitraatresidubepalingen in aanmerking genomen.

 

§ 6

Een landbouwer van wie het bedrijf in een bepaald jaar als focusbedrijf met maatregelen van categorie 1 is gekwalificeerd, moet in dat jaar de volgende maatregelen naleven:

als de teelt en de bodem in kwestie het toelaten moet de landbouwer een vanggewas telen op elk perceel landbouwgrond dat tot zijn bedrijf behoort. Het vanggewas moet tijdig ingezaaid worden en moet geruime tijd op het perceel aanwezig zijn;
de voorwaarden voor het op of in de bodem brengen van meststoffen, vermeld in paragraaf 9, naleven;
als het bedrijf, in toepassing van § 3, derde lid, 2°, 3°, 4° of 5°, als focusbedrijf met maatregelen van categorie 1 is gekwalificeerd, een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15 laten uitvoeren.

 

§ 7

Een landbouwer van wie het bedrijf in een bepaald jaar als focusbedrijf met maatregelen van categorie 2 is gekwalificeerd, moet in dat jaar de volgende maatregelen naleven:

een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15 laten uitvoeren;
de voorwaarden voor het op of in de bodem brengen van meststoffen, vermeld in paragraaf 9, naleven;
als de teelt en de bodem in kwestie het toelaten moet de landbouwer een vanggewas telen op elk perceel landbouwgrond dat tot zijn bedrijf behoort. Het vanggewas moet tijdig ingezaaid worden en moet geruime tijd op het perceel aanwezig zijn;
de toegelaten bemesting in kg N uit dierlijke mest en in kg werkzame N wordt beperkt tot 90 % van de hoeveelheid die mag opgebracht worden met toepassing van dit decreet en de van toepassing zijnde beheerovereenkomsten die de hoeveelheid meststoffen die op een perceel mogen opgebracht worden verminderen;
elk vervoer van dierlijke mest of andere meststoffen vanuit een tot het bedrijf behorende exploitatie of naar een tot het bedrijf behorende exploitatie, dat gebeurt in uitvoering van artikel 49, § 1, 3°, b), c), d), e), f) of g), moet voorgemeld en nagemeld worden bij de Mestbank;
een bemestingsplan bijhouden;
een verplichte bodembalans voor tuinbouw.

 

§ 8.

Een landbouwer van wie het bedrijf in een bepaald jaar als focusbedrijf met maatregelen van categorie 3 is gekwalificeerd, moet in dat jaar de volgende maatregelen naleven:

een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15 laten uitvoeren;
de voorwaarden voor het op of in de bodem brengen van meststoffen, vermeld in paragraaf 9, naleven;
een vanggewas telen op al de tot het bedrijf behorende landbouwgronden waarvan de teelt en de bodem in kwestie het telen van een vanggewas toelaten en minimaal op 20 % van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond. Voor het bepalen van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond wordt geen rekening gehouden met landbouwgrond die permanent overkapt is of met landbouwgronden waarop een blijvende teelt wordt verbouwd. Het vanggewas moet tijdig ingezaaid worden en moet geruime tijd op het perceel aanwezig zijn;
de toegelaten bemesting in kg N uit dierlijke mest en in kg werkzame N wordt beperkt tot 80 % van de hoeveelheid die mag opgebracht worden met toepassing van dit decreet en de van toepassing zijnde beheerovereenkomsten die de hoeveelheid meststoffen die op een perceel mogen opgebracht worden verminderen;
elk vervoer van dierlijke mest of andere meststoffen vanuit een tot het bedrijf behorende exploitatie of naar een tot het bedrijf behorende exploitatie, met inbegrip van het vervoer vanuit een bepaalde exploitatie naar de landbouwgronden van dezelfde exploitatie, gebeurt door een erkende mestvoerder;
een bemestingsplan bijhouden;
een verplichte bodembalans voor tuinbouw.

 

Als een bedrijf twee of meer jaren na elkaar als focusbedrijf met maatregelen van categorie 3 is gekwalificeerd, wordt het percentage van de toegelaten bemesting als vermeld in het eerste lid, 4°, telkens met 10 verlaagd ten opzichte van het vorige jaar en wordt het percentage van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond waarop een vanggewas geteeld moet worden telkens met 10 verhoogd ten opzichte van het vorige jaar.


Als een bedrijf in een bepaald jaar als focusbedrijf met maatregelen van categorie 3 is gekwalificeerd, en op dat bedrijf één of meerdere beheerovereenkomsten gelden als vermeld in artikel 42, die de hoeveelheid meststoffen die op een perceel mag opgebracht worden, verminderen, worden deze beheerovereenkomsten van rechtswege beëindigd.

 

§ 9.

Voor focusbedrijven geldt, in afwijking van artikel 8, § 2, § 3 en § 4, de onderstaande regeling.


Op niet permanent overkapte landbouwgronden is het verboden om meststoffen type 2 op te brengen:

op akkers op zware kleigronden vanaf 16 oktober tot en met 28 februari. De hoeveelheid meststoffen type 2 die in een bepaald jaar na 31 augustus opgebracht wordt, is beperkt tot 100 kg werkzame stikstof per hectare;
op andere percelen dan vermeld in 1°, vanaf 16 augustus tot en met 28 februari;
na de oogst van de hoofdteelt, tenzij na de oogst van de hoofdteelt en uiterlijk op 31 juli een nateelt ingezaaid wordt.

 

In afwijking van het tweede lid, 1° en 2°, is het voor grasland en beteeld akkerland toegelaten om meststoffen type 2 op te brengen vanaf 16 februari.


Het op of in de bodem brengen van meststoffen type 3 op niet permanent overkapte landbouwgronden is verboden:

op akkers vanaf 16 augustus;
op grasland vanaf 1 september;
op grasland, beteelde akkers en niet-beteelde akkers waar als eerstvolgende teelt een specifieke teelt ingezaaid wordt, tot en met 15 februari;
op niet-beteelde akkers, met uitzondering van niet-beteelde akkers waar als eerstvolgende teelt een specifieke teelt ingezaaid wordt, tot en met 28 februari;

 
na de oogst van de hoofdteelt, tenzij na de hoofdteelt:
a) hetzij uiterlijk op 31 juli een nateelt ingezaaid wordt;
b) hetzij na 31 juli en uiterlijk op 15 augustus een specifieke teelt ingezaaid wordt.


In afwijking van het vierde lid, is het voor specifieke teelten, andere dan fruit, toegelaten om meststoffen type 3 op te brengen:



 
in de periode vanaf 16 augustus tot en met 15 november op voorwaarde dat aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:
a) de hoeveelheid meststoffen type 3, met inbegrip van meststoffen type 3 waarvan de stikstofinhoud laag is, die in deze periode opgebracht wordt, is beperkt tot 100 kg werkzame stikstof per hectare en de hoeveelheid die binnen een periode van twee weken opgebracht wordt, is beperkt tot 60 kg werkzame stikstof per hectare;
b) voorafgaand aan het opbrengen van de meststoffen is een bodemanalyse met bijhorende bemestingsadvies uitgevoerd. De hoeveelheid meststoffen die in de periode vanaf 16 augustus tot en met 15 november opgebracht mag worden, is beperkt tot de hoeveelheid opgenomen in het bemestingsadvies;
vanaf 16 januari tot en met 15 februari op voorwaarde dat de hoeveelheid meststoffen type 3 die in deze periode opgebracht wordt, beperkt wordt tot 50 kg werkzame stikstof per hectare.

 

In afwijking van het vierde lid, is het voor fruit toegelaten om meststoffen type 3 op te brengen vanaf 16 augustus tot en met 15 november op voorwaarde dat de hoeveelheid meststoffen type 3, met inbegrip van meststoffen type 3 waarvan de stikstofinhoud laag is, die in deze periode opgebracht wordt, beperkt wordt tot 40 kg werkzame stikstof per hectare.


In afwijking van het vierde lid, is het voor een focusbedrijf met maatregelen van categorie 1 toegelaten op akkerland met meststoffen type 3, waarvan de stikstofinhoud laag is, 30 kg stikstof per hectare waarvan maximaal 10 kg minerale stikstof op te brengen in een van de volgende twee gevallen:

na de oogst van de hoofdteelt en ten laatste op 31 augustus, op voorwaarde dat uiterlijk op 31 augustus een vanggewas ingezaaid wordt. In afwijking hiervan kan de Vlaamse Regering in geval van uitzonderlijke weersomstandigheden bepalen dat het vanggewas slechts moet worden ingezaaid uiterlijk op 10 september van hetzelfde jaar;
in de periode van 16 augustus tot en met 15 november en vanaf 16 januari tot en met 15 februari op voorwaarde dat er een gewas aanwezig is. In afwijking hiervan mogen in de periode vanaf 1 september tot en met 15 oktober deze meststoffen opgebracht worden als er een gewas ingezaaid wordt uiterlijk de zevende dag na het opbrengen van de meststoffen.


In afwijking van het vierde lid, is het voor een focusbedrijf met maatregelen van categorie 1 toegelaten meststoffen type 3, waarvan de stikstofinhoud laag is op te brengen op grasland in de periode van 1 september tot 15 november en vanaf 16 januari tot en met 15 februari. De hoeveelheid meststoffen type 3 waarvan de stikstofinhoud laag is, die in de periode vanaf 1 september tot en met 15 november opgebracht wordt, samen met de hoeveelheid die in de daarop volgende periode vanaf 16 januari tot en met 15 februari opgebracht wordt, is beperkt tot 30 kg stikstof per hectare waarvan maximaal 10 kg minerale stikstof.


Voor de toepassing van deze paragraaf wordt, op percelen met als hoofdteelt grasland, het scheuren van de hoofdteelt grasland beschouwd als het oogsten van de hoofdteelt.


Voor de toepassing van deze paragraaf worden percelen grasland, waar het grasland geteeld wordt voor zaaizaadvermeerdering, als akkers beschouwd.

 

§ 5

Een bedrijf, waartoe landbouwgrond behoort, kan een vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf krijgen.


De landbouwer die een vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf wil verkrijgen, vraagt dit aan de Mestbank. De aanvraag wordt uiterlijk op 1 juni van het jaar bij de Mestbank ingediend via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. In afwijking hiervan wordt elke landbouwer die in een bepaald jaar een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau moet uitvoeren, van rechtswege aanzien als een landbouwer die een vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf wil verkrijgen.


Een landbouwer kan tot uiterlijk 1 juni een ingediende aanvraag intrekken. Elke landbouwer die op 2 juni een niet-ingetrokken aanvraag tot het bekomen van een vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf heeft, is verplicht om de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uit te voeren. Na 1 juni duidt de Mestbank de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond aan waarop de landbouwer de nitraatresidubepalingen moet laten uitvoeren. De beoordeling van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau gebeurt overeenkomstig de bepalingen van artikel 15.

 

Een bedrijf ontvangt een vrijstelling als voldaan is aan de volgende voorwaarden:

bij de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau, wordt het bedrijf, bij een beoordeling op basis van de overeenkomstige nitraatresidudrempelwaarden voor focusbedrijven, als categorie nul beoordeeld als vermeld in artikel 15;
in het jaar van de aanvraag of in het jaar voorafgaand aan het jaar van de aanvraag, is:
a) hetzij door de betrokken landbouwer, hetzij op het betrokken bedrijf of op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden, geen overtreding van de bepalingen van artikel 8, 12, 13, 20, 21 of 22, begaan;
b) aan de betrokken landbouwer geen maatregel, correctie, andere mestsamenstelling, beperking van de afvoer, bijkomende mestverwerking of reductie als vermeld in artikel 62, opgelegd en is geen administratieve geldboete als vermeld in artikel 63, § 1 tot en met § 3, of § 5 opgelegd.

 

Als voldaan is aan al de voorwaarden, vermeld in het vierde lid, krijgt het bedrijf een vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf vanaf 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uitgevoerd is.


De vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf wordt in de volgende situaties ingetrokken:

het bedrijf wordt bij een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau niet als categorie nul beoordeeld als vermeld in artikel 15;


 
in het jaar van vrijstelling of in het jaar voorafgaand aan het jaar van vrijstelling, is:
a) hetzij door de betrokken landbouwer, hetzij op het betrokken bedrijf of op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden, een overtreding van de bepalingen van artikel 8, 12, 13, 20, 21 of 22, begaan;
b) aan de betrokken landbouwer een maatregel, correctie, andere mestsamenstelling, beperking van de afvoer, bijkomende mestverwerking of reductie als vermeld in artikel 62, opgelegd of een administratieve geldboete als vermeld in artikel 63, § 1 tot en met § 3, of § 5, opgelegd.


De intrekking van de vrijstelling gebeurt op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin:

de nitraatresidubepalingen in het kader van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau die niet als categorie nul is beoordeeld als vermeld in artikel 15, zijn genomen of hadden moeten worden genomen;
een proces-verbaal of inspectieverslag werd opgemaakt wegens één of meerdere van de feiten, vermeld in het zesde lid, 2°, a);
een maatregel, correctie, andere mestsamenstelling, beperking van de afvoer, bijkomende mestverwerking, reductie of boete als vermeld in het zesde lid, 2°, b), werd opgelegd.

 

De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen en kan bepalen dat een vrijstelling ook ingetrokken wordt als deze niet langer representatief is voor het betrokken bedrijf.


Voor het beoordelen van een aanvraag, vermeld in het vierde lid, wordt enkel rekening gehouden met feiten als vermeld in het zevende lid, die zich voordeden in het jaar 2015 of later.

 

Een aanvraag tot vrijstelling van de kwalificatie als focusbedrijf is onontvankelijk als er geen landbouwgronden behoren tot het bedrijf dat de vrijstelling wil bekomen.

 

§ 10.

De kwalificaties als focusbedrijf met maatregelen van categorie 1, van categorie 2 of van categorie 3 als vermeld in paragraaf 3, en de toekenning van vrijstellingen als vermeld in paragraaf 5 gebeuren van rechtswege. De Mestbank vermeldt de kwalificaties en de vrijstellingen op het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De landbouwer kan tegen deze kwalificaties en deze vrijstellingen bezwaar indienen uiterlijk op 15 maart van het betrokken jaar. In afwijking hiervan wordt, als voor een bepaald bedrijf op 15 februari van een bepaald jaar de kwalificatie of vrijstelling nog niet vermeld wordt op het door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket, voor de betrokken landbouwer de termijn om bezwaar in te dienen verlengd tot de dertigste dag nadat de kwalificatie of vrijstelling voor zijn bedrijf op het internetloket vermeld werd. Het bezwaar moet per aangetekende brief gericht worden aan het afdelingshoofd van de Mestbank.


Het afdelingshoofd van de Mestbank neemt een beslissing binnen 90 dagen vanaf de afgifte op de post van de aangetekende brief, vermeld in het eerste lid. De beslissing wordt aan de indiener van het bezwaar ter kennis gebracht via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De indiening van een bezwaar schorst de aangevochten beslissing niet.

 

§ 11.

De Vlaamse Regering kan nadere regels voor de toepassing van dit artikel stellen, onder meer met betrekking tot de inhoud van de verschillende maatregelen, vermeld in paragraaf 6 tot en met 8, en de wijze waarop de naleving van deze maatregelen gestaafd moet worden, de wijze waarop een bemestingsplan als vermeld in paragraaf 7, 6°, en paragraaf 8, 6°, en een bodembalans voor tuinbouw als vermeld in paragraaf 7, 7°, en paragraaf 8, 7°, moet opgemaakt, onderbouwd en bijgehouden worden, en op welke wijze de resultaten van de nitraatresidubepalingen aan de Mestbank overgemaakt moeten worden.


De Vlaamse Regering kan bepalen dat, in het kader van de verplichting van het inzaaien van een vanggewas als vermeld in paragraaf 8, 3°, voor het bepalen van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, er ook geen rekening gehouden wordt met andere types landbouwgrond dan landbouwgronden die permanent overkapt zijn of waarop een blijvende teelt wordt verbouwd.

 

§ 12.

De Vlaamse Regering kan bepalen dat bij een overdracht, een overname, een opsplitsing of een wijziging van de bedrijfsstructuur van een bedrijf, de kwalificaties als focusbedrijf met maatregelen van categorie 1, van categorie 2 of van categorie 3 als vermeld in paragraaf 3, en de toekenning van een vrijstelling als vermeld in paragraaf 5, aan beide bedrijven of aan één van beide bedrijven toegekend worden.

 

Voor de toepassing van dit artikel kan de Vlaamse Regering een afwijkende regeling uitwerken voor landbouwers die laattijdig nog bepaalde aanpassingen doorvoeren in de verzamelaanvraag die betrekking heeft op het betreffende kalenderjaar.


Voor de toepassing van dit artikel kan de Vlaamse Regering een afwijkende regeling uitwerken voor landbouwers van wie de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgronden, over verschillende jaren heen significant wijzigt.


Art. 15.

§ 1

Voor het uitvoeren van een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau moeten er in een bepaald jaar op een minimaal aantal tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond nitraatresidubepalingen uitgevoerd worden. De resultaten van de in dat jaar uitgevoerde nitraatresidubepalingen worden vervolgens getoetst aan drie criteria. Op basis van deze drie toetsingscriteria wordt het bedrijf in een bepaalde categorie ingedeeld.


De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op alle nitraatresidu-evaluaties op bedrijfsniveau die uitgevoerd moeten worden in uitvoering van dit decreet.

 

§ 2

Een bedrijf dat, in een bepaald jaar, een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uitvoert, laat in dat jaar:

op minimaal drie tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, het nitraatresidu bepalen. Voor bedrijven met minder dan drie tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond [...] volstaat het om het nitraatresidu te bepalen op alle tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond;
minimaal op één perceel het nitraatresidu bepalen, per nitraatresidutype als vermeld in de tabel in artikel 14, § 1, tweede lid, dat op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing is.


Een bedrijf dat, in een bepaald jaar, een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau uitvoert, laat in dat jaar een aantal nitraatresidubepalingen uitvoeren dat minimaal gelijk is aan de vierkantswortel van het aantal hectares landbouwgrond die in het betreffend jaar tot het bedrijf behoren. Als het resultaat van de vierkantswortel geen geheel getal is wordt er afgerond naar het lagere gehele getal.

 

§ 3

De Mestbank duidt de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond aan waarvan het nitraatresidu moet bepaald worden.


Voor het beoordelen van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau wordt enkel rekening gehouden met de resultaten van de door de Mestbank aangeduide percelen en met de resultaten van de nitraatresidubepalingen die de Mestbank heeft laten uitvoeren op de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond. Als bij een landbouwer het nitraatresidu is bepaald van al zijn tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond, wordt, in afwijking hiervan, voor het beoordelen van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau, rekening gehouden met de resultaten van al de tot het bedrijf behorende percelen landbouwgrond.


Als op een door de Mestbank aangeduid perceel meerdere nitraatresidubepalingen uitgevoerd worden, dan wordt met al deze nitraatresidubepalingen rekening gehouden bij de evaluatie.

 

§ 4.

De resultaten van de uitgevoerde nitraatresidubepalingen worden beoordeeld op basis van de volgende drie criteria:

het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen vergeleken met het gewogen gemiddelde van de eerste en tweede nitraatresidudrempelwaarden overeenkomstig de nitraatresidutypes als vermeld in de tabel in artikel 14, § 1, tweede lid, die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn;
het aantal nitraatresidubepalingen die de tweede nitraatresidudrempelwaarde overschrijden;
het aantal teelttypes als vermeld in de tabel in artikel 14, § 1, tweede lid, waarvoor het gemiddelde van alle nitraatresidubepalingen voor het betreffende teelttype de tweede nitraatresidudrempelwaarde overschrijdt.

 

Voor elk nitraatresidutype dat op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing is, wordt het aantal hectares, tot op twee cijfers na de komma, bepaald waarop dat nitraatresidutype van toepassing is. Dit getal wordt vermenigvuldigd met het resultaat van de nitraatresidubepaling uitgevoerd op een perceel waarop dit nitraatresidutype van toepassing is. Als voor één nitraatresidutype er meerdere nitraatresidubepalingen zijn uitgevoerd op percelen waarop dit nitraatresidutype van toepassing is, wordt eerst het gemiddelde bepaald van de verschillende nitraatresidumetingen, alvorens dit te vermenigvuldigen met het aantal betrokken hectares. Nadat voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, de vermenigvuldiging is gebeurd, worden de bekomen getallen opgeteld en vervolgens gedeeld door het aantal hectares landbouwgrond die in het betreffende jaar tot het bedrijf behoren. Het resultaat van deze deling is het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen als vermeld in het eerste lid, 1°.


Voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, wordt het aantal hectares, tot op twee cijfers na de komma, bepaald waarop dat nitraatresidutype van toepassing is. Dit getal wordt vermenigvuldigd met de overeenkomstige eerste nitraatresidudrempelwaarde voor het betrokken nitraatresidutype. Nadat voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, de vermenigvuldiging is gebeurd, worden de bekomen getallen opgeteld en vervolgens gedeeld door het aantal hectares landbouwgrond die in het betreffende jaar tot het bedrijf behoren. Het resultaat van deze deling is de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het betrokken bedrijf in het betreffende jaar als vermeld in het eerste lid, 1°.


Voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, wordt het aantal hectares, tot op twee cijfers na de komma, bepaald waarop dat nitraatresidutype van toepassing is. Dit getal wordt vermenigvuldigd met de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde voor het betrokken nitraatresidutype. Nadat voor elk van de nitraatresidutypes die op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, de vermenigvuldiging is gebeurd, worden de bekomen getallen opgeteld en vervolgens gedeeld door het aantal hectares landbouwgrond die in het betreffende jaar tot het bedrijf behoren. Het resultaat van deze deling is de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het betrokken bedrijf in het betreffende jaar als vermeld in het eerste lid, 1°.


Als er voor een nitraatresidutype dat op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing is, geen resultaat van een nitraatresidubepaling uitgevoerd op een perceel waarop dit nitraatresidutype van toepassing is, beschikbaar is, wordt voor het bepalen van het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen en van de gewogen gemiddelde eerste en tweede nitraatresidudrempelwaarde voor het betrokken bedrijf, geen rekening gehouden met het aantal hectares, tot op twee cijfers na de komma, waarop dat nitraatresidutype van toepassing is.


Als er voor eenzelfde teelttype twee nitraatresidutypes op het betreffende bedrijf in het betreffende jaar van toepassing zijn, wordt het gemiddelde van alle nitraatresidubepalingen, uitgevoerd op een perceel waarop dit teelttype van toepassing is, bepaald. Vervolgens wordt voor elk van beide nitraatresidutypes, het aantal nitraatresidubepalingen uitgevoerd op een perceel waarop het betreffende nitraatresidutype van toepassing is, vermenigvuldigd met de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde. Beide getallen worden opgeteld en gedeeld door het aantal nitraatresidubepalingen uitgevoerd op een perceel waarop dit teelttype van toepassing is. Als het resultaat van deze deling lager is dan het gemiddelde van alle nitraatresidubepalingen uitgevoerd op een perceel waarop dit teelttype van toepassing is, is er voor het betreffende teelttype een overschrijding van de tweede nitraatresidudrempelwaarde.

 

§ 5.

De beoordeling van de nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau, op basis van de drie criteria, vermeld in paragraaf 4, leidt tot een classificatie van de betrokken bedrijven, in vier categorieën, met name categorie nul, categorie I, categorie II en categorie III.


Een bedrijf wordt in een bepaald jaar als categorie nul geclassificeerd als het gewogen gemiddelde van de in het vorige jaar bepaalde nitraatresidu ’s kleiner dan of gelijk is aan de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf.


Een bedrijf wordt in een bepaald jaar als categorie I geclassificeerd als, voor wat betreft de in het vorige jaar bepaalde nitraatresidu’s, voldaan is aan de volgende voorwaarden:

het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen is groter dan de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf en kleiner dan of gelijk aan de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf;
maximaal een derde van de nitraatresidubepalingen overschrijden de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde en voor maximaal één teelttype overschrijdt het gemiddelde van de overeenkomstige nitraatresidubepalingen de overeenkomstige tweede nitraatresidudrempelwaarde.


Een bedrijf wordt in een bepaald jaar als categorie II geclassificeerd als, voor wat betreft de in het vorige jaar bepaalde nitraatresidu’s, voldaan is aan de volgende voorwaarden:

het gewogen gemiddelde van de nitraatresidubepalingen is groter dan de gewogen gemiddelde eerste nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf en kleiner dan of gelijk aan de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf;
er is niet voldaan aan de voorwaarde, vermeld in het vorige lid, 2°.


Een bedrijf wordt in een bepaald jaar als categorie III geclassificeerd als het gewogen gemiddelde van de in het vorige jaar bepaalde nitraatresidu’s groter is dan de gewogen gemiddelde tweede nitraatresidudrempelwaarde van het bedrijf.

 

§ 6.

De classificaties in de categorieën nul, I, II en III als vermeld in paragraaf 5, gebeuren van rechtswege. De Mestbank vermeldt de classificaties op het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De landbouwer kan tegen deze classificaties bezwaar indienen uiterlijk op 15 maart van het betrokken jaar. In afwijking hiervan wordt, als voor een bepaald bedrijf op 15 februari van een bepaald jaar de classificatie nog niet vermeld wordt op het door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket, voor de betrokken landbouwer de termijn om bezwaar in te dienen, verlengd tot de dertigste dag nadat de classificatie voor zijn bedrijf op het internetloket vermeld werd. Het bezwaar moet per aangetekende brief gericht worden aan het afdelingshoofd van de Mestbank.


Het afdelingshoofd van de Mestbank neemt een beslissing binnen 90 dagen vanaf de afgifte op de post van de aangetekende brief, vermeld in het eerste lid. De beslissing wordt aan de indiener van het bezwaar ter kennis gebracht via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De indiening van een bezwaar schorst de aangevochten beslissing niet.

 

§ 7.

Voor de toepassing van de artikelen 14 en 15 wordt rekening gehouden met alle nitraatresidubepalingen die, in uitvoering van dit decreet of een andere wetgeving, uitgevoerd zijn op een perceel of op percelen waarop, in toepassing van de artikelen 14 en 15, een nitraatresidubepaling wordt genomen of moet worden genomen.

 

Het erkend laboratorium dat een nitraatresidubepaling uitvoert, in toepassing van de artikelen 14 en 15, stelt de Mestbank, uiterlijk de werkdag voor de bemonstering, hiervan in kennis, via de door de Mestbank ter beschikking gestelde webapplicatie.

 

§ 8.

De Vlaamse Regering kan nadere regels voor de toepassing van dit artikel stellen, onder meer met betrekking tot de wijze waarop de resultaten van de nitraatresidubepalingen aan de Mestbank overgemaakt moeten worden.


De Vlaamse Regering kan bepalen dat bij een overdracht, een overname, een opsplitsing of een wijziging van de bedrijfsstructuur van een bedrijf, de classificaties in de categorieën nul, I, II en III als vermeld in paragraaf 5, aan beide bedrijven of aan één van beide bedrijven toegekend worden.

 

Voor de toepassing van dit artikel kan de Vlaamse Regering een afwijkende regeling uitwerken voor landbouwers die laattijdig nog bepaalde aanpassingen doorvoeren in de verzamelaanvraag die betrekking heeft op het betreffende kalenderjaar.


Voor de toepassing van dit artikel kan de Vlaamse Regering een afwijkende regeling uitwerken voor landbouwers van wie de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgronden, over verschillende jaren heen significant wijzigt.