Art. 31/3.

De sancties die in artikel 31 voorzien zijn mogen niet meer worden opgelegd binnen een termijn van meer dan 5 jaar te rekenen vanaf het begaan van de inbreuk op of van de schending van bepaalde bepalingen van deze wet, van haar uitvoeringsbesluiten, van latere wetten betreffende de tarieven of betreffende de bijdrage bedoeld in artikel 21bis, of van alle andere bepalingen waarvan zij toeziet op de toepassing ervan krachtens artikel 23, 2, tweede lid, 4 en 8.


In het geval van voortdurende inbreuk op of van voortdurende schending van bepaalde bepalingen van deze wet, van haar uitvoeringsbesluiten, van latere wetten betreffende de tarieven of betreffende de bijdrage bedoeld in artikel 21bis, of van alle andere bepalingen waarvan zij toeziet op de toepassing ervan krachtens artikel 23, 2, tweede lid, 4 en 8, is de eerste dag van die termijn de dag waarop de inbreuk heeft opgehouden.


Deze termijn wordt onderbroken telkens wanneer een onderzoeksdaad of een daad van administratieve repressiemaatregel wordt uitgeoefend ten aanzien van de betrokken persoon.