Hoofdstuk 3.3.
Looien van huiden en vellen


Afdeling 3.3.1.
Toepassingsgebied en definities


Art. 3.3.1.1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 25.1.1 en 3.6.7 (voor afvalwater dat geloosd wordt door een installatie waarin de onder rubriek 25.1.1. vallende activiteiten worden uitgevoerd) van de indelingslijst.

 

De overeenkomstige GPBV-activiteiten zijn de activiteiten, vermeld in punt 6.3 en 6.11 van bijlage 1 bij dit besluit.


Art. 3.3.1.2.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

nathuis: het gedeelte van de looierij waar huiden voorafgaand aan het looiproces, voor zover nodig, worden geweekt, gekalkt, ontvleesd en onthaard;
bijproduct: het voorwerp dat of de stof die beantwoordt aan de voorwaarden, vermeld in artikel 37 en 39 van het Materialendecreet;
de BBT-conclusies voor het looien van huiden en vellen: het uitvoeringsbesluit 2013/84/EU van de Commissie van 11 februari 2013 tot vaststelling van de BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies voor het looien van huiden en vellen, gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie L45 van 16 februari 2013.

 


Afdeling 3.3.2.
Algemene bepalingen


Art. 3.3.2.1.

Voor het verbeteren van de totale milieuprestatie van een looierij wordt een milieubeheersysteem ingevoerd en consequent uitgevoerd, dat de volgende elementen bevat:

1°  een sterke betrokkenheid van het management, waaronder begrepen het senior management;
het opstellen van een milieubeleid dat onder meer voorziet in de continue verbetering van de installatie door het management;
het plannen en opstellen van de noodzakelijke procedures, doelstellingen en streefcijfers, samen met het opstellen van een financieel en investeringsplan;
het uitvoeren van de procedures, waarbij vooral aandacht wordt geschonken aan:
  a) de organisatie en verantwoordelijkheidsverdeling;
  b)  de opleiding, bewustmaking en bekwaamheid;
  c)  de communicatie;
  d) de betrokkenheid van de werknemers;
  e) de documentatie;
  f) de efficiënte procescontrole;
  g) onderhoudsprogramma’s;
  h) een noodplan en rampenbestrijding;
  i) de naleving van milieuwetgeving;
het controleren van prestaties en het nemen van corrigerende maatregelen, waarbij vooral aandacht wordt geschonken aan:
  a) de monitoring en het meten;
  b) corrigerende en preventieve maatregelen;
  c) het bijhouden van gegevens;
  d) onafhankelijke (voor zover praktisch mogelijk) in- en externe systeemaudit om vast te stellen of het milieubeheersysteem in overeenstemming is met de geplande maatregelen, op de juiste wijze is geïmplementeerd en op de juiste wijze wordt onderhouden;
het regelmatig evalueren van het milieubeheersysteem door het senior management, zodat het geschikt, adequaat en doeltreffend blijft;
het volgen van de ontwikkelingen in het domein van schone technologie;
bij het ontwerp van een installatie rekening houden met de milieueffecten gedurende de hele levensduur van de installatie en met de milieueffecten van de uiteindelijke ontmanteling ervan;
het regelmatig uitvoeren van een benchmarkonderzoek op sectorniveau.

 

Daarnaast is het specifiek voor het looien van huiden en vellen van belang dat er wordt gekeken naar de volgende mogelijke elementen van het milieubeheersysteem:

het bijhouden van gegevens over de plaatsen op de site waar bepaalde processtappen plaatsvinden, voor het vereenvoudigen van de ontmanteling;
andere punten die onder artikel 3.3.2.2 zijn opgesomd.

 

 


Art. 3.3.2.2.

Om de milieueffecten van het productieproces tot een minimum te beperken, worden de beginselen van “good housekeeping” toegepast door de volgende technieken in combinatie te gebruiken:

een zorgvuldige selectie en controle van stoffen en grondstoffen;
een input-outputanalyse en inventarisatie van chemische stoffen, met vermelding van onder meer hoeveelheden en toxicologische eigenschappen;
de beperking van het gebruik van chemische stoffen tot het niveau dat minimaal is vereist om aan de kwaliteitseisen van het eindproduct te voldoen;
een zorgvuldige behandeling en opslag van grondstoffen en eindproducten om morsen, ongevallen en waterverspilling te verminderen;
de scheiding van afvalstromen, voor zover praktisch uitvoerbaar, zodat bepaalde afvalstromen kunnen worden gerecycleerd;
de monitoring van essentiële procesparameters om de stabiliteit van het productieproces te bewaken;
het regelmatig onderhoud van de systemen voor de behandeling van effluenten;
het beoordelen van opties voor hergebruik van proces- of waswater;
het beoordelen van opties voor afvalverwijdering.

 


Afdeling 3.3.3.
Monitoring


Art. 3.3.3.1.

Emissies en andere relevante procesparameters, inclusief de parameters, vermeld in de volgende tabel, worden gemeten met de aangegeven frequentie. De monitoring van emissies in de lucht wordt verricht overeenkomstig de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.4.2 bij titel II van het VLAREM. De monitoring van emissies in water wordt verricht overeenkomstig de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.

 

parameter frequentie
meten van het waterverbruik in de twee procesfasen: fase tot en met looien en nalooifase, en registreren van het productievolume in dezelfde periode ten minste één keer per maand in installaties waarin natte bewerkingen worden uitgevoerd
registreren van de hoeveelheid proceschemicaliën die in elke processtap worden gebruikt en het productievolume in dezelfde periode ten minste één keer per jaar
meten van de concentraties sulfide (= som van opgelost sulfide en in zuur milieu oplosbaar sulfide) en chroom totaal in het effluent nadat het afvalwater voor lozing in oppervlaktewater is gezuiverd, aan de hand van debietproportionele 24 uurmengmonsters

 

meten van de concentraties sulfide (= som van opgelost sulfide en in zuur milieu oplosbaar sulfide) en chroom totaal in het effluent na behandeling door middel van chroomprecipitatie voor lozing in riolering, aan de hand van debietproportionele 24 uurmengmonsters

chroom:

maandelijks in on-site- of off-site-installaties waarin chroomprecipitatie wordt toegepast.

 

sulfide (= som van opgelost sulfide en in zuur milieu oplosbaar sulfide):

maandelijks in on-site- of off-site-installaties waarin een gedeelte van de behandeling van het afvalwater van looierijen plaatsvindt

meten van het chemisch zuurstofverbruik (CZV), het biochemisch zuurstofverbruik (BZV) en de concentratie ammoniumstikstof na in- of externe behandeling van het afvalwater voor directe lozing in het ontvangende water, aan de hand van debietproportionele 24 uurmengmonsters

 

meten van de totale hoeveelheid zwevende deeltjes na on-site- of off-sitebehandeling van het afvalwater voor directe lozing in het ontvangende water

maandelijks in on-site- of off-site-installaties waarin een gedeelte van de behandeling van het afvalwater van looierijen plaatsvindt

 

en telkens als er procesveranderingen gebeuren

 

 

meten van de som van vluchtige organische halogeenverbindingen, matig vluchtige organische halogeenverbindingen na on-site- of off-sitebehandeling van het afvalwater voor directe lozing in het ontvangende water maandelijks in installaties waarin de som van vluchtige organische halogeenverbindingen, matig vluchtige organische halogeenverbindingen in het productieproces worden gebruikt die gemakkelijk in het ontvangende water kunnen terechtkomen

 

meten van het pH- of redoxpotentiaal bij de uitlaat van natte gaswassers

continu in installaties waar natte gaswassers worden gebruikt voor het verminderen van de emissie van waterstofsulfide of ammoniak in de lucht

jaarlijks inventariseren van de gebruikte oplosmiddelen en registreren van het productievolume in dezelfde periode

jaarlijks in installaties waar bij de afwerking oplosmiddelen worden gebruikt en watergedragen coatings of soortgelijke materialen worden gebruikt om het binnendringen van oplosmiddelen te beperken

 

meten van de uitstoot van vluchtige organische stoffen bij de uitlaat van zuiveringsapparatuur en registreren van het productievolume

maandelijks in installaties waar bij de afwerking oplosmiddelen worden gebruikt en emissiebeperkende maatregelen worden getroffen

 

indicatieve meting van de drukval over de doekenfilters

om de vier maanden in installaties waar doekenfilters worden gebruikt voor het verminderen van de uitstoot van vaste deeltjes en er sprake is van een directe uitstoot van die deeltjes in de atmosfeer

testen van het afvangrendement van natte gasreinigingssystemen

jaarlijks in installaties waar natte gasreiniging wordt gebruikt voor het verminderen van de uitstoot van vaste deeltjes en waar sprake is van een directe uitstoot van die deeltjes in de atmosfeer
registreren van de hoeveelheid procesresiduen bestemd voor terugwinning, hergebruik, recyclage en verwijdering om de vier maanden
registreren van alle vormen van energieverbruik en het productievolume in dezelfde periode om de vier maanden

Afdeling 3.3.4.
Minimalisering van het waterverbruik


Art. 3.3.4.1.

De verbruiksniveaus, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing bij de verwerking van runderhuiden, behalve kalfshuiden, en behalve bij plantaardige looiing:

 

procesfasen waterverbruik per ton ruwe huiden in m³/t (1)
ongezouten huiden gezouten huiden
ruw tot wet-blue/wet-white 15 18
nalooiproces en afwerking 10 10
totaal 25 28
(1)  maandgemiddelde waarden

 

De verbruiksniveaus, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing bij de verwerking van schapenhuiden, behalve voor schapenhuiden die niet van wol zijn ontdaan:

procesfasen specifiek waterverbruik in liters per huid (1)
ruw tot beitsen 80
beitsen tot wet-blue 55
nalooiproces en afwerking 45
totaal 180
(1)  maandgemiddelde waarden

 


Afdeling 3.3.5.
Beperking van emissies in afvalwater


Art. 3.3.5.1. De verontreinigingsbelasting van het afvalwater dat ontstaat door de processtappen in het nathuis, voordat het afvalwater wordt gezuiverd, wordt verminderd door het gebruik van een geschikte combinatie van technieken, vermeld in BBT 5 van de BBT-conclusies voor het looien van huiden en vellen.

Art. 3.3.5.2. De verontreinigingsbelasting van het afvalwater dat ontstaat door de processtappen in de looierij, voordat het afvalwater wordt gezuiverd, wordt verminderd door het gebruik van een geschikte combinatie van technieken, vermeld in BBT 6 van de BBT-conclusies voor het looien van huiden en vellen.

Art. 3.3.5.3. De verontreinigingsbelasting van het afvalwater dat ontstaat door de processtappen in het nalooiproces, voordat het afvalwater wordt gezuiverd, wordt verminderd door het gebruik van een geschikte combinatie van technieken, vermeld in BBT 7 van de BBT-conclusies voor het looien van huiden en vellen.

Art. 3.3.5.4.

De emissie van specifieke bestrijdingsmiddelen in het afvalwater wordt voorkomen door het uitsluitend verwerken van huiden of vellen die niet met die bestrijdingsmiddelen zijn behandeld. De techniek bestaat erin om in leveringscontracten uitdrukkelijk te bepalen dat grondstoffen vrij moeten zijn van bestrijdingsmiddelen die:

vermeld zijn in afdeling 2.3.1 van titel II van het VLAREM;
vermeld zijn in verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van Richtlijn 79/117/EEG;
geclassificeerd zijn als carcinogeen, mutageen of reprotoxisch, in verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006.

 

De techniek is algemeen toepasbaar in looierijen voor zover de specificaties voor huiden en vellen uit niet-EU-landen en huidenleveranciers bepaald kunnen worden.


Art. 3.3.5.5. De emissies van schadelijke biociden in afvalwater worden tot een minimum beperkt door huiden en vellen te verwerken door uitsluitend gebruik van biociden die zijn goedgekeurd conform verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden.

Afdeling 3.3.6.
Zuivering van emissies in water


Art. 3.3.6.1.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op lozingen in oppervlaktewater, afkomstig van on-siteafvalwaterzuiveringsinstallaties van looierijen, en op lozingen in oppervlaktewater van afvalwater, afkomstig van zelfstandig opererende afvalwaterzuiveringsinstallaties die vallen onder rubriek 3.6.7 van de indelingslijst en die hoofdzakelijk afvalwater van looierijen zuiveren:

 

parameter emissiegrenswaarde in mg/l
CZV 300
BZV 25
zwevende stoffen 35
ammoniumstikstof NH4-N (als N) 10
totaal chroom 1
som van opgelost sulfide en in zuur milieu oplosbaar sulfide 1

Art. 3.3.6.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op lozingen van afvalwater in de riolering:

 

parameter emissiegrenswaarde in mg/l
totaal chroom 1
som van opgelost sulfide en in zuur milieu oplosbaar sulfide 1

Art. 3.3.6.3. Voor on-site- of off-sitebehandeling van afvalwater van looierijen die met chroom herlooien, wordt voor het verminderen van het chroomgehalte on-site- of off-sitechroomprecipitatie toegepast.

Afdeling 3.3.7.
Geur


Art. 3.3.7.1.

Voor procesvaten waarin, eventueel na aanpassing, tijdens het ontkalken CO2 kan worden gespoten, wordt de ammoniakgeur die bij het verwerkingsproces ontstaat, verminderd door het geheel of gedeeltelijk vervangen van ammoniumverbindingen voor ontkalking.

 

De volledige vervanging van ammoniumverbindingen door CO2 voor het ontkalken van huiden is een techniek die niet kan worden toegepast bij de verwerking van huiden met een dikte van meer dan 1,5 mm.


Art. 3.3.7.2. De geuremissie die bij bepaalde processtappen en bij de behandeling van afvalwater vrijkomt, wordt verminderd door ammonium- en waterstofsulfide te verwijderen door de wassing of biofiltratie van afgescheiden lucht waarin de geur van die gassen waarneembaar is.

Art. 3.3.7.3. Geurhinder door de ontbinding van ruwe huiden of vellen wordt voorkomen door het gebruik van conserveringstechnieken en opslagmethoden waardoor ontbinding wordt voorkomen en door het consequent hanteren van een korte omloopsnelheid van de voorraden.

Art. 3.3.7.4. Voor installaties waar voor verrotting vatbare afvalstoffen worden geproduceerd, wordt geurhinder door afval verminderd door procedures voor de behandeling en opslag van afval te gebruiken waardoor het afval minder gaat ontbinden.

Art. 3.3.7.5. Voor installaties die voor ontharing sulfide gebruiken, wordt de geuremissie uit het effluent van het nathuis verminderd door de pH van het effluent te controleren en vervolgens het sulfide te verwijderen.

Afdeling 3.3.8.
Luchtemissies


Art. 3.3.8.1.

Het gebruik van gehalogeneerde vluchtige organische stoffen in het verwerkingsproces is verboden.

 

Het eerste lid is niet van toepassing bij het droog ontvetten van schapenhuiden in afgesloten machines.


Art. 3.3.8.2.

Er wordt gebruikgemaakt van watergedragen coatings in combinatie met een efficiënt systeem voor het aanbrengen van die coating. De verbruiksniveaus, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op het oplosmiddelengebruik:

 

type van productie

verbruiksniveaus oplosmiddelengebruik

in g/m2 (jaargemiddelde waarden per stuk afgewerkt leer)

bekledings- en autoleder

25

schoen-, kledings- en lederwarenleder

85

gecoat leder (dikte van de coating > 0,15 mm)

150

 

In afwijking van het eerste lid worden de afgassen efficiënt afgezogen en naar een zuiveringssysteem geleid als niet gebruikgemaakt wordt van watergedragen coatings. Er geldt een emissiegrenswaarde voor vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof, van 23 g/m² (jaargemiddelde waarden per stuk afgewerkt leer).


Art. 3.3.8.3. De afgassen van de droge afwerking worden efficiënt afgezogen en naar een stofverwijderingsinstallatie geleid. Er geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 6 mg/Nm3, uitgedrukt als een 30 minutengemiddelde.

Afdeling 3.3.9.
Afvalbeheer


Art. 3.3.9.1. De hoeveelheid afvalstoffen, bestemd voor verwijdering, wordt beperkt door de on-sitewerkzaamheden zo te organiseren dat zo veel mogelijk van de procesresiduen als bijproduct ontstaan en dat hergebruik, recyclage of andere vormen van terugwinning in die volgorde worden bevorderd.

Art. 3.3.9.2.

Voor installaties waar met chroom wordt gelooid, wordt het gebruik van chemicaliën en de hoeveelheid leerafval, bestemd voor verwijdering, dat chroomlooimiddelen bevat, verminderd door kalksplitten toe te passen. Kalksplitten is niet toepasbaar als:

huiden of vellen worden verwerkt voor niet-gespleten producten;
het leer van stevigere kwaliteit moet zijn;
het eindproduct een meer gelijkmatige dikte van het leer vereist;
gelooide splits wordt geproduceerd of als bijproduct ontstaat.

 

  

  


Art. 3.3.9.3. Het chroomgehalte van slib, bestemd voor verwijdering, wordt verminderd door het gebruik van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 24 van de BBT-conclusies voor het looien van huiden en vellen.

Art. 3.3.9.4. Voor installaties waarin natte bewerkingen worden uitgevoerd, worden de benodigde energie, chemicaliën en capaciteit voor de daaropvolgende behandeling van het slib verminderd door het watergehalte van het slib met een ontwateringssysteem te verminderen.

Afdeling 3.3.10.
Energie


Art. 3.3.10.1. Het energieverbruik bij het droogproces wordt verminderd door de voorbereidingen te optimaliseren door de huiden eerst door een wringer te laten gaan of een andere vorm van mechanische ontwatering te laten ondergaan.

Art. 3.3.10.2.

Het energieverbruik, vermeld in de volgende tabel, is van toepassing op natte processen:

 

activiteit

specifiek energieverbruik per eenheid grondstof in GJ/t (1)

verwerking van runderhuiden van ruw tot wet-blue/wet-white

3

verwerking van runderhuiden van ruw tot afgewerkt leer

14

verwerking van schapenhuiden van ruw tot afgewerkt leer

6

(1)  Het energieverbruik (uitgedrukt als jaargemiddelde waarden die niet zijn gecorrigeerd tot primaire energie) omvat het energieverbruik in de
productieprocessen, inclusief elektriciteitsverbruik in en verwarming van alle binnenruimten, exclusief het energieverbruik voor afvalwaterzuivering.