Uitvoeringsbesluit watertoets
Besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de [adviesinstanties] en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel [1.3.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018]

Hoofdstuk I.
Definities


Artikel 1.
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
het decreet: het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid[, gecoördineerd op 15 juni 2018];
adviesinstantie: de instantie die advies verleent bij de watertoets, vermeld in artikel [1.3.1.1], § 3, van het decreet;
CIW: de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid, vermeld in artikel [1.5.2.2], § 1, van het decreet;
compensatiemaatregelen: maatregelen die erop zijn gericht een betekenisvol nadelig effect dat wordt veroorzaakt door een vergunningsplichtige activiteit of een plan of programma op een andere plaats dan de plaats waar het schadelijke effect plaatsvindt te compenseren;
[De Vlaamse Waterweg nv: het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap De Vlaamse Waterweg nv, vermeld in artikel 3, § 1, van het decreet van 2 april 2004 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap De Vlaamse Waterweg nv, naamloze vennootschap van publiek recht;]
dwingende redenen van groot maatschappelijk belang: redenen die aantonen dat projecten of planingrepen aantoonbaar onontbeerlijk zijn in het kader van onder meer één of meer van de hierna vermelde maatregelen, beleidsopties of activiteiten:
a)
maatregelen of beleidsopties die gericht zijn op de bescherming van voor het leven van de burger fundamentele waarden zoals gezondheid, veiligheid en milieu;
b)
fundamentele beleidsmaatregelen voor de staat en de samenleving;
c)
de uitvoering van economische of maatschappelijke activiteiten waardoor specifieke openbare dienstverplichtingen worden nagekomen;
[...]
Havenbedrijf: de publiekrechtelijke overheden vermeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens;
herstelmaatregelen: maatregelen die erop zijn gericht een betekenisvol nadelig effect dat wordt veroorzaakt door een vergunningsplichtige activiteit of een plan of programma ter plaatse te herstellen;
10°
MOW: het Vlaams ministerie van Mobiliteit en Openbare Werken;
11°
vergunningsplichtige activiteit: een activiteit waarvoor op grond van een wet, decreet of besluit, een vergunning, toestemming of machtiging is vereist;
12°
[waterbeheerplan: het stroomgebiedbeheerplan, vermeld in artikel [1.6.2.1 en 1.6.2.4] van het decreet;]
13°
[...]
14°
overstromingsgevoelig gebied: een op kaart aangeduid gebied waar overstromingen kunnen worden verwacht of, voor de gebieden die niet op kaart zijn aangeduid, een gebied dat in het verleden meermaals is overstroomd en waar redelijkerwijs nieuwe overstromingen kunnen worden verwacht;
15°
[...]
16°
[...]
17°
wateradvies: het advies bij de watertoets, vermeld in artikel [1.3.1.1], § 3, van het decreet;
18°
waterbeheerder: de beheerder van een onbevaarbare waterloop of een waterweg, de publiekrechtelijke rechtspersoon die grachten beheert en de beheerder van het grondwater;
19°
waterhuishoudingsplan: het plan, vermeld in artikel 1, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 januari 2002 houdende het toekennen van een gewestbijdrage aan polders, wateringen, verenigingen van polders of verenigingen van wateringen voor het uitvoeren van bepaalde waterhuishoudkundige werkzaamheden en tot vastlegging van de procedure voor de subsidiëring van die werkzaamheden;
20°
Vlaamse Milieumaatschappij: het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaamse Milieumaatschappij, vermeld in artikel 10.2.1, § 1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
21°
[...]
22°
[...]

Hoofdstuk II.
Nadere regels voor de toepassing van de watertoets


Art. 2.
In uitvoering van artikel [1.3.1.1], § 5, van het decreet wordt de aanvullende lijst van vergunningen, plannen en programma's die aan de watertoets moeten worden onderworpen vastgesteld in de bijlage 2 die bij dit besluit is gevoegd.
Voor de meldingsplichtige handelingen aangewezen in uitvoering van artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, is met toepassing van artikel [1.3.1.1], § 5, derde lid, van het decreet geen watertoets vereist.

Art. 2/1. (oud art. 2)

§ 1

[Op de overheid die beslist over een vergunning, een plan of een programma als vermeld in artikel 8, § 5, van het decreet], rusten overeenkomstig artikel 8, § 1, eerste lid van het decreet de volgende verplichtingen:
ze legt alle voorwaarden op in de vergunning of ze gelast die aanpassingen aan het plan of programma die ze in het licht van de kenmerken van het watersysteem en de aard en omvang van de vergunningsplichtige activiteit, respectievelijk het plan of programma gepast acht om het schadelijke effect te voorkomen of te beperken;
als dat niet mogelijk is, legt ze herstelmaatregelen op of, bij vermindering van de infiltratie van hemelwater of vermindering van ruimte voor het watersysteem, compensatiemaatregelen;
als het schadelijke effect niet kan worden voorkomen, noch beperkt, en ook herstel of compensatie onmogelijk zijn, weigert ze de vergunning of weigert ze goedkeuring te verlenen aan het plan of programma.
Op de overheid die beslist over een vergunning, een plan of een programma die afzonderlijk of in combinatie met een of meer bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma's een mogelijk schadelijk effect op de kwantitatieve toestand van het grondwater veroorzaken, rusten overeenkomstig artikel 8, § 1, tweede lid van het decreet de volgende verplichtingen:
ze legt alle voorwaarden op in de vergunning of gelast aanpassingen aan het plan of programma die ze in het licht van de kenmerken van het watersysteem en de aard en omvang van de vergunningsplichtige activiteit, respectievelijk het plan of programma gepast acht om het schadelijke effect op de kwantitatieve toestand van het grondwater te voorkomen;
als dat niet mogelijk is, oordeelt zij of de vergunningsplichtige activiteit of het plan of programma noodzakelijk is om dwingende redenen van groot maatschappelijk belang;
als de vergunningsplichtige activiteit of het plan of programma niet noodzakelijk is om dwingende redenen van groot maatschappelijk belang, weigert ze de vergunning of weigert ze haar goedkeuring te verlenen aan het plan of programma;
als de vergunningsplichtige activiteit of het plan of het programma noodzakelijk is om dwingende redenen van groot maatschappelijk belang, legt ze voorwaarden op om het schadelijke effect op de kwantitatieve toestand van het grondwater te beperken, te herstellen of te compenseren.

§ 2

De op te leggen voorwaarden om het schadelijke effect van een vergunningsplichtige activiteit te voorkomen of te beperken, kunnen betrekking hebben op onder meer:
de gebruikte materialen, grond- en hulpstoffen of installaties;
de wijze van bouwen of exploiteren;
de omvang van de activiteit.

§ 3

De herstelmaatregelen en compensatiemaatregelen zijn in natura. Deze moeten door de initiatiefnemer worden doorgevoerd.
Bij een vergunningsplichtige activiteit worden de herstelmaatregelen zodanig opgelegd dat het herstel wordt doorgevoerd zodra dat mogelijk is. De compensatiemaatregelen worden zodanig opgelegd dat ze uiterlijk worden uitgevoerd op het ogenblik waarop de uitvoering van de vergunningsplichtige activiteit waardoor het schadelijke effect wordt veroorzaakt een aanvang neemt.
Bij plannen of programma's wordt tot het herstel of de compensatie beslist gelijktijdig met de definitieve vaststelling van het plan of programma. Het herstel wordt doorgevoerd na een activiteit ter uitvoering van het plan of programma zodra dat mogelijk is. De compensatiemaatregelen worden uiterlijk uitgevoerd op het ogenblik waarop een activiteit ter uitvoering van het plan of programma een aanvang neemt.

Art. 3.

[§ 1

Met behoud van de toepassing van de andere reglementaire bepalingen die ter zake van toepassing zijn, gaat de vergunningverlenende overheid na of er sprake kan zijn van een schadelijk effect als vermeld in artikel [1.1.3, § 2, 18°] van het decreet. Wanneer blijkt dat bedoeld schadelijk effect er niet zal zijn, is het resultaat van de watertoets positief.

§ 2

De vergunningverlenende overheid moet in uitvoering van artikel [1.3.1.1], § 3, derde lid van het decreet advies vragen aan de [adviesinstanties] met betrekking tot mogelijke schadelijke effecten op de toestand van het oppervlaktewater indien het project waarvoor een vergunning wordt aangevraagd:
geheel of gedeeltelijk gelegen is in mogelijk of effectief overstromingsgevoelig gebied volgens de kaart, opgenomen in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd;
en/of leidt tot een toename van het totaal van de horizontale dakoppervlakte van gebouwen en de verharde oppervlakte met meer dan 1 hectare indien het project afwatert naar een bevaarbare waterloop of een onbevaarbare waterloop van de eerste categorie, of 0,1 hectare bij afwatering naar andere waterlopen
en/of geheel of gedeeltelijk gelegen is:
a)
binnen de bedding van een bevaarbare of onbevaarbare waterloop;
b)
op minder dan 50 meter afstand van de kruin van de talud van bestaande of geplande bevaarbare waterlopen;
c)
op minder dan 50 meter afstand van haveninfrastructuur binnen de afgebakende zeehavengebieden;
d)
op minder dan 20 meter afstand van de kruin van de talud van onbevaarbare waterlopen van eerste categorie;
e)
op minder dan 10 meter afstand van de kruin van de talud van onbevaarbare waterlopen van tweede categorie;
f)
op minder dan 5 meter afstand van de kruin van de talud van onbevaarbare waterlopen van derde categorie of van een niet-geklasseerde onbevaarbare waterloop in beheer van een polder of een watering;
g)
binnen een afgebakende oeverzone;
en/of een vegetatiewijziging betreft zoals bedoeld in artikel 13 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
De vergunningverlenende overheid moet in uitvoering van artikel [1.3.1.1], § 3, derde lid van het decreet advies vragen aan de [adviesinstanties] met betrekking tot mogelijke schadelijke effecten op de toestand van het grondwater indien het project waarvoor een vergunning wordt aangevraagd:
[een verkavelingsaanvraag met een globale oppervlakte groter dan 1 ha, waarbij in de aanleg van wegen wordt voorzien;]
en/of leidt tot een toename van het totaal van de horizontale dakoppervlakte van gebouwen en de verharde oppervlakte met meer dan 1 hectare;
[en/of ondergrondse constructies, met uitzondering van funderingspalen en leidingen met een diameter tot 1 meter, bevat die dieper gelegen zijn dan 5 meter onder het maaiveld en een ondergrondse horizontale lengte hebben van meer dan 100 meter.]
De minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, kan op voordracht van de CIW richtlijnen uitvaardigen voor het vaststellen van schadelijke effecten.

§ 3

De overheid die op basis van één of meer van de bepalingen vermeld in paragraaf 2 een schadelijk effect vaststelt, beslist over de vergunningsaanvraag overeenkomstig artikel 2/1.

§ 4

De Vlaamse minister, bevoegd voor openbare werken, en de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, worden gemachtigd om gezamenlijk bijlage 1 aan te passen. [De kaart met de overstromingsgevoelige gebieden bij het besluit waarmee bijlage 1 wordt aangepast, wordt, naast de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, ook elektronisch ter beschikking gesteld op www.waterinfo.be/watertoets waar die tot op het niveau van kadastrale percelen geconsulteerd kan worden.]
[De minister, bevoegd voor openbare werken, en de minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, kunnen op voordracht van de CIW richtlijnen opstellen waaraan aanvragen moeten voldoen voor wijzigingen aan bijlage 1.]
]

Art. 4.

§ 1

Met behoud van de toepassing van de andere reglementaire bepalingen die ter zake van toepassing zijn, moet de motivering van de beslissing over een vergunningsaanvraag voor de toepassing van de watertoets een duidelijk aangegeven onderdeel bevatten, de waterparagraaf genoemd, waarbij, eventueel rekening houdend met het wateradvies, een uitspraak wordt gedaan over:
de verenigbaarheid van de vergunningsplichtige activiteit met het watersysteem;
[in voorkomend geval, de gepaste voorwaarden en maatregelen om het schadelijke effect dat kan ontstaan als gevolg van de vergunningsplichtige activiteit, te voorkomen, te beperken, te herstellen of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van het hemelwater of de vermindering van de ruimte voor het watersysteem, te compenseren;]
[de inachtneming van de relevante doelstellingen en beginselen, vermeld in artikel [1.2.2, 1.2.3 en 1.2.4] van het decreet bij de beoordeling van de vergunningsplichtige activiteit en de opgelegde voorwaarden en maatregelen.]

§ 2

De beslissing over een plan of programma bevat een waterparagraaf die met betrekking tot de planingreep ten minste de in § 1 vermelde gegevens omvat, met uitzondering van de gegevens over het wateradvies en de in artikel 3 vermelde [bepalingen].

§ 3

De bepalingen van § 1 en § 2 zijn niet van toepassing als de vergunning of de goedkeuring van het plan of programma al wordt geweigerd op andere gronden.

Hoofdstuk III.
Aanwijzing van de adviesinstanties en nadere regels voor de adviesprocedure


Art. 5.

§ 1

Tenzij het anders bepaald is in de toepasselijke reglementering of in de in artikel 3 vermelde [bepalingen], zijn de adviesinstanties die overeenkomstig artikel [1.3.1.1], § 3, van het decreet advies uitbrengen over vergunningsaanvragen:
de Vlaamse Milieumaatschappij als:
a)
de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een vergunningsplichtige activiteit die een schadelijk effect heeft of kan hebben op de toestand van het grondwater;
b)
de vergunningsplichtige activiteit waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft, plaatsvindt in of in de nabijheid van een onbevaarbare waterloop van de eerste categorie, dan wel het oppervlaktewater in kwestie in die waterloop wordt verzameld;
de provincie of, in voorkomend geval, de polder of watering als de vergunningsplichtige activiteit waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft, plaatsvindt in of in de nabijheid van een onbevaarbare waterloop van de tweede categorie die onder hun respectievelijke beheer valt, dan wel het oppervlaktewater in kwestie in die waterloop wordt verzameld;
de gemeente of, in voorkomend geval, de polder of watering als de vergunningsplichtige activiteit waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft, plaatsvindt in of in de nabijheid van een onbevaarbare waterloop van de derde categorie of van een niet-geklasseerde waterloop die onder hun respectievelijke beheer valt, dan wel het oppervlaktewater in kwestie in die waterloop wordt verzameld;
MOW of, in voorkomend geval, [De Vlaamse Waterweg nv] of een Havenbedrijf als de vergunningsplichtige activiteit waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft, plaatsvindt in of in de nabijheid van een waterweg die onder hun respectievelijke beheer valt, dan wel het oppervlaktewater in kwestie in die waterweg wordt verzameld;
de CIW als de vergunningsaanvraag uitgaat van een ruilverkavelingscomité gedurende de termijn als bedoeld in artikel 25, § 2 van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet waarbij de bepalingen van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen niet van toepassing zijn in het ruilverkavelingsblok in kwestie.
Dit geldt ook voor het ruilverkavelingscomité in het geval als bedoeld in artikel 38, § 2 van de Wet van 12 juli 1976 houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet bij de uitvoering van grote infrastructuurwerken, en voor het provinciaal comité voor ruilverkaveling in der minne in het geval als bedoeld in artikel 46, § 2 van de Wet van 10 januari 1978 houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling van landeigendommen in der minne.
Als de vergunningsaanvraag uitgaat van een in het eerste lid 1° tot 4° vermelde waterbeheerder of van een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon waarin hij een participatie heeft, wordt het wateradvies verleend door:
de CIW als de vergunningsaanvraag uitgaat van de Vlaamse Milieumaatschappij, MOW, [met uitzondering van het Agentschap Wegen en Verkeer], [De Vlaamse Waterweg nv] of een Havenbedrijf;
de Vlaamse Milieumaatschappij of, voor de gevallen waarin ze advies uitbrengen overeenkomstig het eerste lid, 4°, MOW, [De Vlaamse Waterweg nv] of een Havenbedrijf, als de vergunningsaanvraag uitgaat van een provincie;
de provincie of, voor de gevallen waarin ze advies uitbrengen overeenkomstig het eerste lid, 1° en 4°, de Vlaamse Milieumaatschappij, MOW, [De Vlaamse Waterweg nv] of een Havenbedrijf, als de vergunningsaanvraag uitgaat van een gemeente of een polder of watering.

§ 2

[Binnen de haar toegekende adviestermijn kunnen de conform paragraaf 1 aangewezen adviesinstanties] adviezen inwinnen van andere bij het waterbeleid betrokken diensten en agentschappen, besturen en alle andere publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die belast zijn met taken van openbaar nut. De adviesinstantie voegt bij haar vraag om subadvies een afschrift van de relevante stukken van het aanvraagdossier. Die verlenen advies binnen een termijn van vijftien kalenderdagen na ontvangst van de vraag om subadvies.
De overeenkomstig § 1 aangewezen adviesinstantie dient in ieder geval een subadvies te vragen aan de bevoegde exploitant van de grondwaterwinning zoals bedoeld in artikel 5 van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer indien de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een ingreep die plaatsvindt binnen een afgebakende beschermingszone type I of type II zoals bedoeld in artikel 20 van het besluit van 27 maart 1985 houdende nadere regelen voor de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones. Als er binnen de termijn van vijftien kalenderdagen geen advies is verleend, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.

§ 3

[...]

Art. 6.

§ 1

Tenzij het anders bepaald is in de toepasselijke reglementering, draagt de overheid die om een wateradvies vraagt er zorg voor dat een exemplaar van het volledige vergunningsaanvraagdossier of een afschrift ervan onverwijld met een aangetekende brief, door afgifte tegen ontvangstbewijs of door verzending op elektronische wijze wordt bezorgd aan de overeenkomstig artikel 5, § 1, aangewezen [adviesinstanties].
In voorkomend geval wordt het verzoek om advies nader gespecificeerd door de in het eerste lid vermelde overheid.

§ 2

De ministers bevoegd voor het waterbeleid en de ruimtelijke ordening kunnen gezamenlijk het model van de adviesaanvraag vaststellen.

Art. 7.

§ 1

Het wateradvies bevat de volgende gegevens:
een korte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem of bestanddelen ervan die kunnen worden beïnvloed door de vergunningsplichtige activiteit waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft;
in voorkomend geval, een opsomming van de toepasselijke voorschriften van het waterbeheerplan of bij ontstentenis daarvan het waterhuishoudingsplan, en elk ander waterbeheerplan dat van toepassing is op het watersysteem of de bestanddelen ervan;
een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de activiteit waarvoor de vergunning wordt aangevraagd met het watersysteem [waarbij de adviesinstanties, voor zover dat relevant is voor de vergunningsplichtige activiteit, ingaan] op de aspecten [vermeld in artikel 1.2.2] van het decreet, behalve indien de overheid haar vraag om advies uitdrukkelijk heeft beperkt tot een of meer van die aspecten;
in voorkomend geval, een gemotiveerd voorstel van de voorwaarden en maatregelen om het schadelijk effect dat kan ontstaan als gevolg van de vergunningsplichtige activiteit, te voorkomen, te beperken, te herstellen, of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van het hemelwater of de vermindering van de ruimte voor het watersysteem, te compenseren;
[de inachtneming bij de beoordeling en het voorstel, vermeld in 3° en 4°, van de relevante doelstellingen en beginselen, vermeld in artikel [1.2.2, 1.2.3 en 1.2.4] van het decreet.]

§ 2

De ministers bevoegd voor het waterbeleid en de ruimtelijke ordening kunnen gezamenlijk het model van het wateradvies vaststellen.

Art. 8.
Tenzij het anders bepaald is in de toepasselijke reglementering, bezorgt de overheid die om een wateradvies heeft verzocht binnen tien kalenderdagen nadat ze een beslissing heeft genomen een afschrift van de beslissing aan [de adviesinstanties die een wateradvies hebben uitgebracht].

Hoofdstuk IV.
Slot- en overgangsbepalingen


Art. 9.
Dit besluit treedt in werking op 1 november 2006.

Art. 10.
De Vlaamse minister, bevoegd voor het Waterbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Bijlage I.
Kaart Overstromingsgevoelige gebieden, als vermeld in artikel 2, § 1, versie 2017


Bijlage II.
Positieve lijst van vergunningen, plannen en programma's, in aanvulling op de lijst opgenomen in artikel 8, § 5 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018


1 Vergunningen
Voor zover het voorwerp van de betrokken vergunning een schadelijk effect als vermeld in [artikel 1.1.3, § 2, 18°], van het decreet kan veroorzaken, worden de volgende vergunningen onderworpen aan de watertoets:
het conformiteitattest bodemsaneringsproject en het conformiteitsattest risicobeheersplan, vermeld in het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;
de machtigingen ecologische bosfunctie en bosreservaten, voor het aspect waterhuishouding, vermeld in artikel 20 en 30 van het Bosdecreet van 13 juni 1990;
de ontheffing verbod in het Vlaams Ecologisch Netwerk, vermeld in artikel 25 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
de afwijking verbod in het Natuurdecreet en het uitvoeringsbesluit ervan, vermeld in artikel 56 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
de toestemming voor werken of handelingen in beschermde landschappen, vermeld in het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg.

2 Plannen en programma's
Voor zover het plannen en programma's of delen ervan betreft waarvan de realisatie een schadelijk effect als vermeld in [artikel 1.1.3, § 2, 18°], van het decreet kan veroorzaken, worden de volgende plannen en programma's geheel of gedeeltelijk onderworpen aan de watertoets:
beheerplannen natuurreservaten als vermeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
bosbeheerplannen, zowel langetermijnplannen als uitvoeringsplannen, als vermeld in het decreet van 18 mei 1999 houdende wijziging van het Bosdecreet van 13 juni 1990;
de bijzondere oppervlaktedelfstoffenplannen als vermeld in het decreet van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen;
een projectrapport natuurinrichting en een projectuitvoeringsplan natuurinrichting als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering houdende wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, wat betreft de natuurinrichtingsprojecten;
een ruilverkavelingsplan als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 1994 tot vaststelling van de bijdrage van het Vlaamse Gewest in de uitgaven voor de werken, uitgevoerd door de ruilverkavelingscomités;
[...]
[een beheersplan zoals bepaald in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.]

Bijlage III.

[...]

Bijlage IV.

[...]

Bijlage V.

[...]

Bijlage VI.

[...]

Bijlage VII.

[...]

Bijlage VIII.

[...]