Hoofdstuk 3.4.
Productie van cement, kalk en magnesiumoxide


Afdeling 3.4.1.
Toepassingsgebied en definities


Art. 3.4.1.1.

§1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 30.2.2°, 30.2.3° en 30.3.4° van de indelingslijst. Bestaande installaties, als vermeld in artikel 3.4.1.2, 2°, voldoen uiterlijk op 9 april 2017 aan dit hoofdstuk.

 

De overeenkomstige GPBV-activiteiten zijn de activiteiten, vermeld in punt 3.1, a), b) en c), van bijlage 1 bij dit besluit.

 

§2. Wat activiteit 30.3.4° van de indelingslijst betreft, hebben de bepalingen, vermeld in paragraaf 1, uitsluitend betrekking op de productie van MgO met behulp van de droge procesroute op basis van gedolven natuurlijk magnesiet (magnesiumcarbonaat - MgCO3).

 

§3. Het toepassingsgebied van dit hoofdstuk omvat de volgende processen:

de productie van cement, ongebluste kalk en magnesiumoxide met behulp van de droge procesroute;
de opslag en voorbehandeling van grondstoffen;
de opslag en voorbehandeling van brandstoffen;
het gebruik van afvalstoffen als grondstof of brandstof – kwaliteitseisen, controle en voorbehandeling;
de opslag en voorbehandeling van producten;
de verpakking en verzending.

 

§4. Paragraaf 1 heeft geen betrekking op de volgende activiteiten:

de productie van magnesiumoxide met behulp van de natte procesroute op basis van magnesiumchloride;
de productie van gebrand dolomiet met een zeer laag koolstofgehalte, een mengsel van calcium- en magnesiumoxiden, ontstaan uit de bijna volledige ontharding van dolomiet (CaCO3.MgCO3) met een restgehalte aan CO2 van minder dan 0,25% en een bulkdichtheid van minder dan 3,05 g/cm3;
schachtovens voor de productie van cementklinker;
activiteiten die niet rechtstreeks verband houden met de primaire activiteit, zoals de winning van grondstoffen.

 

  

 


Art. 3.4.1.2.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

nieuwe installatie: een installatie die op het terrein van de inrichting gebouwd wordt na 9 april 2013 of een installatie die volledig herbouwd wordt op de bestaande fundamenten na 9 april 2013;
bestaande installatie: een andere installatie dan een nieuwe installatie;
gebruik van afvalstoffen als brandstof of grondstof: deze term heeft betrekking op het gebruik van:
  a) afvalbrandstoffen met een significante calorische waarde;
  b) afvalstoffen zonder significante calorische waarde, maar met minerale bestanddelen die bij gebruik als grondstof bijdragen aan het tussenproduct klinker;
  c) afvalstoffen die zowel een significante calorische waarde hebben als minerale bestanddelen bevatten;
de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide: het uitvoeringsbesluit 2013/163/EU van de Commissie van 26 maart 2013 tot vaststelling van de BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide, gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie L100/1 van 9 april 2013.

Afdeling 3.4.2.
Algemene bepalingen


Art. 3.4.2.1.

Tenzij anders is vermeld, is deze afdeling algemeen van toepassing voor alle inrichtingen, vermeld in dit hoofdstuk.

 

De processpecifieke bepalingen, vermeld in afdeling 3.4.3 tot en met 3.4.5, zijn van toepassing naast de algemene bepalingen die in deze afdeling beschreven worden.


Art. 3.4.2.2. Voor discontinue metingen van atmosferische emissies wordt de meetwaarde bepaald als de gemiddelde waarde van drie steekproefmonsters van elk minstens dertig minuten.

Art. 3.4.2.3.

De monitoring van emissies in de lucht wordt verricht overeenkomstig de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.4.2 bij titel II van het VLAREM. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.


Art. 3.4.2.4.

De volgende referentieomstandigheden gelden voor atmosferische emissies:

 

activiteiten

referentieomstandigheden

ovenactiviteiten

cementindustrie

zuurstofgehalte van 10 volumeprocent

kalkindustrie (1)

zuurstofgehalte van 11 volumeprocent

magnesiumoxide-industrie met behulp van de droge procesroute (2)

zuurstofgehalte van 10 volumeprocent

activiteiten die geen verband houden met ovens

alle processen

geen correctie voor zuurstof

kalkblusinstallaties

uitgestoten gassen, geen correctie voor zuurstof en voor droog gas

(1)  Voor gesinterd dolomiet dat in twee stappen wordt geproduceerd, geldt de correctie voor zuurstof niet. Gesinterd dolomiet is een mengsel van calcium- en magnesiumoxiden dat uitsluitend wordt gebruikt voor de productie van vuurvaste stenen en andere vuurvaste producten, met een minimale bulkdichtheid van 3,05 g/cm3.

(2)    Voor doodgebrand magnesiumoxide dat in twee stappen wordt geproduceerd, geldt de correctie voor zuurstof niet.


Art. 3.4.2.5.

Voor het verbeteren van de totale milieuprestatie van de installaties voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide wordt een milieubeheersysteem uitgevoerd en nageleefd dat al de volgende elementen omvat:

de inzet van het management, inclusief het senior management;
het uitwerken van een milieubeleid dat de continue verbetering van de installatie door het management omvat;
het plannen en vaststellen van noodzakelijke procedures, doelstellingen en streefcijfers, samen met een financiële planning en investeringen;
het uitvoeren van procedures, waarbij vooral aandacht wordt geschonken aan:
  a)  de bedrijfsorganisatie en verantwoordelijkheid van het personeel;
  b) opleiding, bewustmaking en bekwaamheid;
  c) communicatie;
  d)  betrokkenheid van de werknemers;
  e) documentatie;
  f) efficiënte procescontrole;
  g) onderhoudsprogramma's;
  h) rampenplan en -bestrijding;
  i) het waarborgen van de naleving van de milieuwetgeving;
het controleren van de prestaties en het nemen van corrigerende maatregelen, waarbij vooral aandacht wordt geschonken aan:
  a) monitoring en meting;
  b) corrigerende en preventieve maatregelen;
  c) bijhouden van gegevens;
  d) interne en externe, waar mogelijk, onafhankelijke audits, om vast te stellen of het milieubeheersysteem voldoet aan de voorgenomen regelingen en of het op de juiste wijze wordt uitgevoerd en gehandhaafd;
6°   de evaluatie van het milieubeheersysteem door het senior management om te waarborgen dat het geschikt, adequaat en doeltreffend blijft;
het volgen van de ontwikkeling van schonere technologieën;
het rekening houden met milieueffecten bij het ontwerp van een nieuwe installatie tijdens de volledige levensduur en de latere ontmanteling ervan;
het op regelmatige tijdstippen uitvoeren van een benchmarkonderzoek in de bedrijfstak.

 

  

  

  

 


Art. 3.4.2.6. De geluidshinder tijdens de productie van cement, kalk en magnesiumoxide wordt verminderd of zo laag mogelijk gehouden door toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 2 van de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide.

Afdeling 3.4.3.
Cementindustrie


Art. 3.4.3.1. Deze afdeling is van toepassing op alle installaties voor de productie van cement.

Art. 3.4.3.2.

De ovenemissies worden teruggedrongen en het efficiënte gebruik van energie wordt bevorderd door tot een vlot en stabiel ovenproces te komen waarbij dicht bij de instelpunten van de procesparameters wordt gebleven aan de hand van de onderstaande technieken:

1°  de procesbesturing optimaliseren, mede door computerondersteunde automatische controle te gebruiken;
2°  moderne, gravimetrische vaste-brandstoftoevoersystemen gebruiken.

Art. 3.4.3.3. De emissies worden voorkomen of verminderd door alle stoffen die in de oven worden ingevoerd, zorgvuldig te selecteren en te controleren.

Art. 3.4.3.4. Procesparameters die de processtabiliteit aantonen, zoals temperatuur, O2-gehalte, druk en debiet, worden continu gemeten.

Art. 3.4.3.5. Kritieke procesparameters, zoals homogeen grondstoffenmengsel, homogene brandstoftoevoer, juiste dosering en overtollige zuurstof worden continu gemonitord en stabiel gehouden.

Art. 3.4.3.6. Bij de toepassing van selectieve niet-katalytische reductie worden de emissies van NH3 in de geloosde afgassen continu gemeten en geregistreerd.

Art. 3.4.3.7.

De concentratie van de volgende parameters in de afgassen van de ovens wordt gemeten met de volgende frequentie:

 

parameter

meetfrequentie

stof, NOx, SO2 en CO

continu

dioxinen en furanen, metalen

jaarlijks

gasvormige anorganische chloriden,

gasvormige anorganische fluoriden

om de vier maanden

totaal organische koolstof

jaarlijks

 


Art. 3.4.3.8.

Bij de toepassing van activiteiten die geen verband houden met ovens, worden de stofemissies maandelijks gemeten.

 

In afwijking van het eerste lid wordt voor kleinere bronnen, met een debiet van minder dan 10.000 Nm3/u, afkomstig van andere stofveroorzakende bewerkingen dan het koelen en malen, de frequentie van de metingen of de werkingscontroles gebaseerd op een onderhoudsbeheersysteem.    


Art. 3.4.3.9.

Het energieverbruik wordt verminderd door een droogprocesoven met trapsgewijze voorverwarming en voorgloeiing te gebruiken. Het verbruiksniveau van energie, vermeld in de volgende tabel, is van toepassing bij nieuwe installaties:

 

Proces

eenheid

het verbruiksniveau van energie (1)

droog proces met trapsgewijze voorverwarming en voorgloeiing

MJ/ton klinker

3 300 (2)(3)

(1)  Deze niveaus gelden niet voor installaties die klinkers van speciaal of wit cement produceren die aanzienlijk hogere procestemperaturen vereisen vanwege de productspecificaties. Wit cement is cement met de Prodcom 2007-code 26.51.12.10 – wit portlandcement. Speciaal cement heeft de volgende Prodcom 2007-codes, 26.51.12.50 – aluminiumcement en 26.51.12.90 – ander hydraulisch cement.

(2)  In normale en geoptimaliseerde bedrijfsomstandigheden.

(3)  De productiecapaciteit is van invloed op de vraag naar energie, waarbij een grotere capaciteit een energiebesparing oplevert en een kleinere capaciteit meer energie vergt. Het energieverbruik is ook afhankelijk van het aantal cycloonvoorverhitters, waarbij een groter aantal cycloonvoorverhitters leidt tot een lager energieverbruik van het ovenproces. Hoeveel cycloonvoorverhitters er nodig zijn, wordt hoofdzakelijk bepaald door het vochtgehalte van de grondstoffen.


Art. 3.4.3.10. Het verbruik van thermische energie wordt beperkt of zo laag mogelijk gehouden door de aanwending van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 7 van de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide.

Art. 3.4.3.11. Het verbruik van elektrische energie wordt beperkt of zo laag mogelijk gehouden door de toepassing van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 10 van de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide.

Art. 3.4.3.12.

De kenmerken van afvalstoffen die als brandstoffen of grondstoffen in een cementoven zullen worden gebruikt, worden gewaarborgd en de emissies worden verminderd door de toepassing van de volgende technieken:

1°  kwaliteitsborgingssystemen om de kenmerken van afvalstoffen te waarborgen en alle afval te analyseren dat als grondstof of brandstof in een cementoven zal worden gebruikt met het oog op:
  a) de constante kwaliteit;
  b) de fysische criteria;
  c) de chemische criteria;
het aantal relevante parameters beheersen voor afval dat als grondstof of brandstof in een cementoven zal worden aangewend;
kwaliteitsborgingssystemen voor elke lading afval.

 


Art. 3.4.3.13.

De juiste behandeling van afvalstoffen die als brandstof of grondstoffen in de oven zullen worden aangewend, wordt gegarandeerd door de toepassing van de volgende technieken:

1°  voedingspunten naar de oven gebruiken die geschikt zijn op het vlak van temperatuur en verblijftijd, afhankelijk van de vormgeving en werking van de oven;
afvalstoffen toevoeren die organische componenten bevatten die voor de gloeiingszone kunnen vervluchtigen in de hogetemperatuurszones van het ovensysteem;
zodanig te werk gaan dat het door meeverbranding van afval ontstane gas, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, gedurende twee seconden op beheerste en homogene wijze wordt verhit tot een temperatuur van 850 °C;
de temperatuur tot 1100 °C opvoeren als gevaarlijk afval met een gehalte van meer dan 1% gehalogeneerde organische stoffen, uitgedrukt in chloor, wordt meeverbrand;
5°  afvalstoffen onafgebroken en constant toevoeren;
geen afvalstoffen meer meeverbranden voor activiteiten zoals opstarten of stilleggen als de geschikte temperaturen en verblijftijden, vermeld in punt 1° tot en met 4°, niet kunnen worden bereikt.

 


Art. 3.4.3.14. Een veiligheidsbeleid wordt toegepast voor de opslag, de hantering en de toevoer van gevaarlijke afvalstoffen, zoals het gebruik van een op risico's gebaseerde aanpak volgens de herkomst en het type afval, voor de etikettering, controle, monsterneming en het testen van de te hanteren afvalstoffen.

Art. 3.4.3.15. Diffuse stofemissies van stofveroorzakende bewerkingen worden zo veel mogelijk beperkt of voorkomen door de toepassing van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 14 van de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide.

Art. 3.4.3.16. Stofemissies van bulkopslagruimten worden zo laag mogelijk gehouden of voorkomen door de toepassing van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 15 van de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide.

Art. 3.4.3.17. Voor de geleide emissies van stofveroorzakende activiteiten die geen verband houden met het stoken van ovens, het koelen en het malen, geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 10 mg/Nm³. Er wordt een onderhoudsbeheersysteem toegepast dat in het bijzonder gericht is op de werking van de filter.

Art. 3.4.3.18.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen die vrijkomen bij het stoken van ovens:

 

parameter emissiegrenswaarde
stof 10 mg/Nm³
gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl 10 mg/Nm³
gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF 1 mg/Nm³
dioxinen en furanen 0,1 ng I-TEQ/Nm³
Hg 0,03 mg/Nm³
Σ(Cd, Tl) 0,05 mg/Nm³
Σ(As, Sb, Pb, Cr, Co, Cu, Mn, Ni, V) 0,5 mg/Nm³

 

Voor dioxinen en furanen worden de gemiddelden bepaald over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur. De emissiegrenswaarde heeft betrekking op de totale concentratie van dioxinen en furanen, berekend aan de hand van het begrip “toxische equivalentie”.


Art. 3.4.3.19. Stofemissies die vrijkomen bij koel- en maalprocessen, worden beperkt door de afgassen efficiënt af te zuigen en naar een droge rookgasreiniging met een filter te leiden. Er geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 10 mg/Nm³.

Art. 3.4.3.20. Voor afgassen die vrijkomen bij het stoken van ovens of het voorverwarmen of voorgloeien, geldt een emissiegrenswaarde voor NOx, uitgedrukt als NO2, van 450 mg/Nm³ voor ovens met voorverhitter en van 500 mg/Nm³ voor Lepol- en lange draaiovens.

Art. 3.4.3.21. Bij de toepassing van selectieve niet-katalytische reductie geldt een emissiegrenswaarde voor ammoniak van 50 mg/Nm³.

Art. 3.4.3.22. Voor afgassen die vrijkomen bij het stoken van ovens of het voorverwarmen of voorgloeien, geldt een emissiegrenswaarde voor SOx, uitgedrukt als SO2, van 400 mg/Nm³.

Art. 3.4.3.23. Als een gedeelte van de afgassen, afkomstig van de voorverwarmer, tijdens het droge maalproces door de maalinstallatie wordt geleid, worden de SO2-emissies van de oven verminderd door de maalprocessen van de grondstoffen te optimaliseren.

Art. 3.4.3.24.

Bij de toepassing van elektrostatische stofvangers of hybride filters wordt het aantal CO-pieken verminderd en duren die jaarlijks in totaal niet langer dan dertig minuten door de toepassing van een combinatie van de onderstaande technieken:

CO-pieken beheersen om de periode van stillegging van de elektrostatische stofvanger te beperken;
2°  continu automatische CO-metingen uitvoeren met behulp van dicht bij de CO-bron geplaatste meetapparatuur met een korte reactietijd.

 


Art. 3.4.3.25. De uitstoot van de totale organische koolstof, afkomstig van afgassen die vrijkomen bij het stoken van ovens, wordt laag gehouden door te voorkomen dat grondstoffen met een hoog gehalte aan vluchtige organische verbindingen via de aanvoerroute voor grondstoffen in het ovensysteem worden gebracht.

Art. 3.4.3.26. De hoeveelheid vaste afvalstoffen van de cementproductie wordt verminderd en op de grondstoffen wordt bespaard door de toepassing van de technieken, vermeld in BBT 29 van de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide.

Afdeling 3.4.4.
Kalkindustrie


Art. 3.4.4.1. Deze afdeling is van toepassing op alle installaties voor de productie van kalk.

Art. 3.4.4.2.

Alle ovenemissies worden verminderd en energie wordt efficiënt gebruikt door een vlot en stabiel ovenproces te bereiken dat nauw aansluit bij de ingestelde waarden van de procesparameters door de toepassing van de volgende technieken:

de procesbesturing optimaliseren, mede door het gebruik van computergestuurde automatische controle;
moderne, gravimetrische vaste-brandstoftoevoersystemen of gasmeters gebruiken.

Art. 3.4.4.3. De emissies worden voorkomen of verminderd door een zorgvuldige controle van de grondstoffen die in de oven worden ingevoerd.

Art. 3.4.4.4. Procesparameters van de ovenprocessen die de processtabiliteit aantonen, zoals temperatuur, O2-gehalte, druk, debiet en CO-emissies, worden continu gemeten.

Art. 3.4.4.5. Kritieke procesparameters van de ovenprocessen, zoals brandstoftoevoer, juiste dosering en overtollige zuurstof worden continu gemonitord en stabiel gehouden.

Art. 3.4.4.6. Bij de toepassing van selectieve niet-katalytische reductie worden de emissies van NH3 in de geloosde afgassen maandelijks gemeten en geregistreerd.

Art. 3.4.4.7.

De concentratie van de volgende parameters in de afgassen van de ovens wordt gemeten met de volgende frequentie:

 

parameter

meetfrequentie

stof

continu

NOx, SOx en CO

maandelijks

dioxinen en furanen, metalen

jaarlijks

totaal organische koolstof

jaarlijks

 


Art. 3.4.4.8.

Als afval wordt meeverbrand, wordt de concentratie van de volgende parameters in de afgassen van de ovens gemeten met de volgende frequentie:

 

Parameter

meetfrequentie

gasvormige anorganische chloriden,

gasvormige anorganische fluoriden

om de vier maanden

totaal organische koolstof

continu


Art. 3.4.4.9.

Bij de toepassing van activiteiten die geen verband houden met ovens, worden de stofemissies maandelijks gemeten.

 

In afwijking van het eerste lid wordt voor kleinere bronnen, met een debiet van minder dan 10.000 Nm3/u, de frequentie van de metingen of de werkingscontroles gebaseerd op een onderhoudsbeheersysteem.


Art. 3.4.4.10.

Het verbruiksniveau van thermische energie, vermeld in de volgende tabel, is van toepassing in de kalk- en dolomietindustrie:

 

oventype

verbruiksniveaus van thermische energie

[GJ/ton product]

lange draaiovens

9,2

draaiovens met voorverhitter

7,8

regeneratieovens met gelijkstroom

4,2

ringschachtovens

4,9

schachtovens met gemengde toevoer

4,7

andere ovens (1)

7,0

(1)  voor de kalkindustrie omvatten die:
  a) ovens met twee schuine schachten;
  b) schachtovens met meerdere kamers;
  c) schachtovens met centrale brander;
  d) schachtovens met externe kamer;
  e) schachtovens met straalbrander;
  f) schachtovens met interne boog;
  g) ovens met bewegend rooster;
  h) ‘top-shaped’ ovens;
  i) flash-ovens;
  j) draaihaardovens.

 


Art. 3.4.4.11. Het elektriciteitsverbruik wordt zo laag mogelijk gehouden door de toepassing van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 34 van de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide.

Art. 3.4.4.12. Het kalksteenverbruik wordt zo laag mogelijk gehouden door de toepassing van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 35 van de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide.

Art. 3.4.4.13. De emissies worden voorkomen of verminderd door een zorgvuldige selectie en controle van de in de oven gebrachte brandstoffen.

Art. 3.4.4.14.

De kenmerken van afval dat voor gebruik als brandstof in een kalkoven bedoeld is, worden gegarandeerd door de toepassing van de volgende technieken:

1°  kwaliteitsborgingssystemen om de kenmerken van afvalstoffen te waarborgen en te controleren en alle afval dat als brandstof in een kalkoven zal worden gebruikt, analyseren op:
  a) de constante kwaliteit;
  b) de fysische criteria;
  c) de chemische criteria;
een aantal relevante componenten beheersen voor afval dat als brandstof in een kalkoven zal worden gebruikt.

 


Art. 3.4.4.15.

De emissies, afkomstig van het gebruik van afvalbrandstoffen in de oven, worden voorkomen of verminderd door de toepassing van de volgende technieken:

geschikte branders gebruiken voor de aanvoer van geschikte afvalstoffen, afhankelijk van de vormgeving en de werking van de oven;
zodanig te werk gaan dat het door meeverbranding van afval ontstane gas, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, gedurende twee seconden op beheerste en homogene wijze wordt verhit tot een temperatuur van 850 °C;
de temperatuur opvoeren tot 1100 °C als gevaarlijk afval met een gehalte van meer dan 1% gehalogeneerde organische stoffen, uitgedrukt in chloor, wordt meeverbrand;
afvalstoffen onafgebroken en constant toevoeren;
geen afvalstoffen meer meeverbranden bij het opstarten of stilleggen als de geschikte temperaturen en verblijftijden, vermeld in punt 2° en 3°, niet kunnen worden bereikt.

Art. 3.4.4.16. De emissies als gevolg van voorvallen worden voorkomen door de toepassing van veiligheidsbeheer voor de opslag, de behandeling en de toevoer van gevaarlijke afvalstoffen.

Art. 3.4.4.17. De diffuse stofemissies van stofveroorzakende bewerkingen worden zo veel mogelijk beperkt of voorkomen door de toepassing van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 40 van de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide.

Art. 3.4.4.18. De stofemissies van bulkopslagruimten worden zo laag mogelijk gehouden of voorkomen door de aanwending van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 41 van de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide.

Art. 3.4.4.19. Voor de geleide emissies van stofveroorzakende activiteiten die geen verband houden met het stoken van ovens, geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 20 mg/Nm³ bij toepassing van een natte wasser en van 10 mg/Nm³ bij toepassing van een andere stofverwijderingsinstallatie. Er wordt een onderhoudsbeheersysteem toegepast dat in het bijzonder gericht is op de werking van de filter.

Art. 3.4.4.20.

De emissiegrenswaarden, vermeld in volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen die vrijkomen bij het stoken van ovens:

parameter

opmerking

emissiegrenswaarde

stof

doekenfilter

10 mg/Nm³

in alle andere gevallen

20 mg/Nm³

NOx, uitgedrukt als NO2

 

regeneratieoven met gelijkstroom, ringschachtoven, schachtoven met gemengde toevoer, andere schachtoven(1)

350 mg/Nm³

lange draaioven, draaioven met voorverwarmer

500 mg/Nm³

SOx, uitgedrukt als SO2

regeneratieoven met gelijkstroom, ringschachtoven, schachtoven met gemengde toevoer, andere schachtoven(1), draaioven met voorverwarmer

200 mg/Nm³

lange draaioven

400 mg/Nm³

CO

regeneratieoven met gelijkstroom,

andere schachtoven(1), lange draaioven, draaioven met voorverwarmer

500 mg/Nm³

totaal organische koolstof

lange draaioven, draaioven met voorverwarmer

10 mg/Nm³

ringschachtoven, schachtoven met gemengde toevoer, regeneratieoven met gelijkstroom

30 mg/Nm³

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl

bij gebruik van afvalstoffen

10 mg/Nm³

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF

bij gebruik van afvalstoffen

1 mg/Nm³

dioxinen en furanen

 

0,1 ng I-TEQ/Nm³

Hg

bij gebruik van afvalstoffen

0,05 mg/Nm³

Σ(Cd, Tl)

bij gebruik van afvalstoffen

0,05 mg/Nm³

Σ(As, Sb, Pb, Cr, Co, Cu, Mn, Ni, V)

bij gebruik van afvalstoffen

0,5 mg/Nm³

(1) andere schachtoven dan een ringschachtoven en dan een schachtoven met gemengde toevoer

 

Voor dioxinen en furanen worden de gemiddelden bepaald over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur. De emissiegrenswaarde heeft betrekking op de totale concentratie van dioxinen en furanen, berekend aan de hand van het begrip “toxische equivalentie”.


Art. 3.4.4.21. De uitstoot van gasvormige verbindingen, dat wil zeggen NOx, SOx, gasvormige anorganische chloriden, CO, totaal organische koolstof, vluchtige organische verbindingen, vluchtige metalen, afkomstig van de afgassen die vrijkomen bij het stoken van ovens, wordt verminderd door de toepassing van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 44 van de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide.

Art. 3.4.4.22. Bij de toepassing van selectieve niet-katalytische reductie geldt een emissiegrenswaarde voor ammoniak van 30 mg/Nm³.

Art. 3.4.4.23.

De frequentie van CO-pieken bij het gebruik van elektrostatische stofvangers bij draaiovens wordt zo veel mogelijk beperkt door de toepassing van de onderstaande technieken:

1°  CO-pieken beheersen om de periode van stillegging van de elektrostatische stofvanger te beperken;
continu automatische CO-metingen uitvoeren met behulp van dicht bij de CO-bron geplaatste meetapparatuur met een korte reactietijd.

 


Art. 3.4.4.24.

De hoeveelheid vaste afvalstoffen, afkomstig van de productie van kalk, wordt verminderd en grondstoffen worden bespaard door de toepassing van de volgende technieken:

de opgevangen stofdeeltjes of andere vaste deeltjes in het proces hergebruiken;
stof, ongebluste kalk en gebluste kalk die niet aan de specificaties voldoet, gebruiken in geselecteerde commerciële producten.

Afdeling 3.4.5.
Magnesiumoxide-industrie


Art. 3.4.5.1. Deze afdeling is van toepassing op alle installaties voor de productie van magnesiumoxide met behulp van de droge procesroute.

Art. 3.4.5.2. Procesparameters van de ovenprocessen die de processtabiliteit aangeven, zoals temperatuur, O2-gehalte, druk en debiet worden continu gemeten.

Art. 3.4.5.3. Kritieke procesparameters van de ovenprocessen, zoals de toevoer van grond- en brandstoffen, juiste dosering en overtollige zuurstof worden continu gemonitord en stabiel gehouden.

Art. 3.4.5.4.

De concentratie van de volgende emissies van de ovenprocessen worden gemeten met de volgende frequentie:

 

parameter meetfrequentie
stof continu
NOx, SOx en CO maandelijks

Art. 3.4.5.5.

Bij de toepassing van activiteiten die geen verband houden met ovens, worden de stofemissies maandelijks gemeten.

 

In afwijking van het eerste lid wordt voor kleinere bronnen, met een debiet van minder dan 10.000 Nm3/u, de frequentie van de metingen of de werkingscontroles gebaseerd op een onderhoudsbeheersysteem.


Art. 3.4.5.6. Het verbruiksniveau van thermische energie bedraagt maximaal 12 GJ/ton product.

Art. 3.4.5.7. Het elektriciteitsverbruik wordt zo laag mogelijk gehouden door de toepassing van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 57 van de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide.

Art. 3.4.5.8. De diffuse stofemissies van stofveroorzakende bewerkingen worden zo veel mogelijk beperkt of voorkomen door de toepassing van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 58 van de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide.

Art. 3.4.5.9. Voor de geleide emissies van stofveroorzakende activiteiten die geen verband houden met het stoken van ovens, geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 10 mg/Nm³. Er wordt een onderhoudsbeheersysteem toegepast dat in het bijzonder gericht is op de werking van de filter.

Art. 3.4.5.10.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen die vrijkomen bij het stoken van ovens:

 

parameter opmerking emissiegrenswaarde (mg/Nm³)
stof   35
NOx, uitgedrukt als NO2   verwerking van doodgebrand magnesiumoxide bij hoge temperatuur 1500
overig 500
CO   1000
SOx, uitgedrukt als SO2   bij gebruik van grondstoffen met een laag zwavelgehalte en het gebruik van aardgas 50
bij gebruik van grondstoffen met een hoger zwavelgehalte of het gebruik van zwavelhoudende brandstoffen 400

Art. 3.4.5.11. De uitstoot van gasvormige verbindingen, dat wil zeggen NOx, SOx, gasvormige anorganische chloriden, CO, afkomstig van afgassen die vrijkomen bij het stoken van ovens, wordt beperkt door de toepassing van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 61 van de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide.

Art. 3.4.5.12.

Het aantal CO-pieken bij de toepassing van elektrostatische stofvangers wordt zo veel mogelijk beperkt door de toepassing van de onderstaande technieken:

CO-pieken beheersen om de periode van stillegging van de elektrostatische stofvanger te beperken;
continu automatische CO-metingen uitvoeren met behulp van dicht bij de CO-bron geplaatste meetapparatuur met een korte reactietijd.

 


Art. 3.4.5.13. Procesverliezen en afval worden verminderd of zo veel mogelijk beperkt door diverse soorten opgevangen magnesiumcarbonaatstof te hergebruiken in het proces.

Art. 3.4.5.14.

De kenmerken van afvalstoffen die als brand- of grondstoffen in magnesiumoxideovens zullen worden gebruikt, worden gewaarborgd door de toepassing van de onderstaande technieken:

afvalstoffen selecteren die geschikt zijn voor het proces en de brander;
kwaliteitsborgingssystemen toepassen om de kenmerken van afvalstoffen te waarborgen en te controleren, en het afval analyseren dat zal worden gebruikt aan de hand van de volgende criteria:
  a) de beschikbaarheid;
  b) de constante kwaliteit;
  c) de fysische criteria;
  d) de chemische criteria;
het aantal relevante parameters beheersen voor afval dat zal worden aangewend.