Omgevingsvergunningsbesluit
Besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning

Gelet op verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong;
Gelet op verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97;
Gelet op verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de richtlijnen 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad;
Gelet op verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie;
Gelet op verordening (EG) nr. 708/2007 van de Raad van 11 juni 2007 inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur;
Gelet op verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006;
Gelet op verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden;
Gelet op verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten);
Gelet op verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad;
Gelet op verordening (EG) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn;
Gelet op verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad;
Gelet op verordening (EU) nr. 592/2014 van de Commissie van 3 juni 2014 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 142/2011 voor wat betreft het gebruik van dierlijke bijproducten en afgeleide producten als brandstof in stookinstallaties;
Gelet op het verdrag inzake milieu-effectenrapportage in grensoverschrijdend verband, ondertekend in Espoo op 25 februari 1991;
Gelet op het verdrag betreffende de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen, ondertekend in Helsinki op 17 maart 1992;
Gelet op het verdrag betreffende de toegang tot informatie, inspraak bij de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, ondertekend in Aarhus op 25 juni 1998;
Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, en artikel 87;
Gelet op het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, artikel 3.2.1, artikel 3.2.2, artikel 3.2.6, artikel 3.3.2, artikel 3.5.1, artikel 4.3.3, artikel 4.3.4, artikel 4.3.8, § 4, artikel 4.3.9, artikel 4.5.1, artikel 4.5.2, artikel 4.5.6, artikel 4.5.7, artikel 4.5.8, artikel 5.2.1, artikel 5.2.2, artikel 5.4.1, artikel 5.4.3, artikel 5.4.5, artikel 5.4.6, artikel 5.4.8, artikel 5.4.10, artikel 5.4.11, artikel 5.4.12, artikel 5.4.14 en artikel 5.5.2;
Gelet op het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, 77quater, eerste lid, 1°, 2°, 4° en 7°, en 77quinquies, eerste lid;
Gelet op het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, artikel 36ter, § 3;
Gelet op de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, artikel 4.2.2, § 1, eerste lid, artikel 4.7.1, § 2, tweede lid, artikel 4.7.26, § 2, artikel 5.3.1, § 4, artikel 5.6.7, § 1, derde lid;
Gelet op het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, artikel 11;
Gelet op het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, artikel 2, eerste lid, 2°, c), artikel 8, vierde lid, artikel 9, § 1, tweede lid, § 2 en § 3, artikel 10, eerste en tweede lid, artikel 11, § 4 en § 5, artikel 14, artikel 15, tweede lid, artikel 16, § 1 en § 3, artikel 17, § 2, eerste lid, 4°, en tweede lid, artikel 18, tweede en derde lid, artikel 23, vierde lid, artikel 24, eerste lid, artikel 25, eerste lid, artikel 26, eerste lid, artikel 31, 33, derde lid, artikel 36, 37, tweede en derde lid, artikel 38, eerste lid, artikel 42, eerste lid, artikel 43, eerste lid, artikel 47, derde lid, artikel 50, 56, derde lid, artikel 57, eerste lid, artikel 59, eerste lid, artikel 60, eerste lid, artikel 61, eerste lid, artikel 62, 65, 66, § 4, artikel 67, artikel 69, § 3, artikel 70, § 4, artikel 72, 73, 79, tweede lid, artikel 82, 83, 87, 88, 89, artikel 90, 91, 98, 99, § 2, 3°, artikel 108, 226, 336, 387, 390, 396, eerste en tweede lid, en artikel 397;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 1983 houdende sommige maatregelen tot harmonisatie van de werking en van de presentiegelden en vergoedingen van adviesorganen;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 4 maart 1997 houdende delegatie van de bepaling van de vorm van modelformulieren inzake ruimtelijke ordening;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 7 oktober 1997 betreffende de wijziging van waterkeringen, overstromingsbekkens, wachtbekkens en toegangswegen;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999 houdende de procedureregels inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2000 tot bepaling van de categorieën van bedrijven waarvoor en de gebieden waarbinnen artikel 5.6.7, § 2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening niet kan worden toegepast;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 tot aanwijzing van de handelingen in de zin van artikel 4.1.1, 5°, artikel 4.4.7, § 2, en artikel 4.7.1, § 2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en tot regeling van het vooroverleg met de Vlaamse Bouwmeester;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsaanvragen en aanvragen tot verkavelingswijziging;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 tot bepaling van de werken en handelingen die vrijgesteld zijn van het eensluidend advies van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 19 mei 2000 tot vaststelling van nadere regels voor de samenstelling, de organisatie en de werkwijze van de provinciale en gemeentelijke commissies voor ruimtelijke ordening;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 19 mei 2000 tot vaststelling van de voorwaarden waaraan personen moeten voldoen om als ambtenaar van ruimtelijke ordening te kunnen worden aangesteld;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 26 mei 2000 ter uitvoering van sommige artikelen van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van varkens;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2002 tot uitvoering van het Hoofdstuk IIIbis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging en Hoofdstuk IVbis van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2002 houdende de nadere bepaling van de regels en bevoegdheden voor de uitvoering van het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen op de onbevaarbare waterlopen;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2003 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van rundvee;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 21 november 2003 houdende maatregelen ter uitvoering van het gebiedsgericht natuurbeleid;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 ter uitvoering van de bepalingen over de oprichting en de organisatie van het Garantiefonds voor Huisvesting in het kader van PPS-projecten sociale huisvesting;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 betreffende de erkenning en de financiële ondersteuning van verblijven in het kader van “Toerisme voor Allen”;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 betreffende de dossiersamenstelling van de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 11 juni 2004 houdende het toekennen van een gewestbijdrage aan grijswaterleveranciers voor de uitbouw van grijswatercircuits ter bescherming van de kwetsbare watervoerende lagen;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 2006 betreffende de voorwaarden voor de overdracht van onroerende goederen door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en de sociale huisvestingsmaatschappijen ter uitvoering van de Vlaamse Wooncode;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 2006 inzake de minimale weguitrusting;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 tot regeling van de investeringswaarborg voor woonzorgcentra, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 september 2006 tot regeling van de alternatieve investeringswaarborg verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 2007 tot uitvoering van hoofdstuk IIIbis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2007 tot uitvoering van hoofdstuk IIIbis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2007 betreffende de toewijzing, het gebruik en de overname van de nutriëntenemissierechten en betreffende de bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en bodembescherming;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 houdende bepaling van de nadere regels voor de opmaak, de actualisering en de financiering van het register van de onbebouwde percelen;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 26 september 2008 betreffende de samenstelling, organisatie en werking van de Vlaamse Commissie voor Ruimtelijke Ordening (VLACORO);
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2008 betreffende nadere regels rond tuinbouw ter uitvoering van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
Gelet op het Soortenbesluit van 15 mei 2009;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 tot uitvoering van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het toeristische logies;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 betreffende sommige aspecten van de planbatenheffing;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 betreffende de dossiersamenstelling van de aanvraag voor een verkavelingsvergunning;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van de regels voor het verlenen van de voorafgaande vergunning voor sommige woonzorgvoorzieningen;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot aanwijzing van de instanties die over een vergunningsaanvraag advies verlenen;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering 24 juli 2009 tot regeling van sommige onderdelen van de administratieve beroepsprocedure inzake stedenbouwkundige of verkavelingsvergunningen;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 19 maart 2010 betreffende stedenbouwkundige attesten, projectvergaderingen en stedenbouwkundige inlichtingen;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 betreffende de meldingsplichtige handelingen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is;
Gelet op het VLAREL van 19 november 2010;
Gelet op het Energiebesluit van 19 november 2010;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de procedure en de uitvoeringsmodaliteiten voor het voorbereiden, het uitvoeren en het opvolgen van de projecten in het projectgrindwinningscomité;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 8 april 2011 houdende bepalingen van rechten en plichten van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk en hun klanten met betrekking tot de levering van water bestemd voor menselijke consumptie, de uitvoering van de saneringsverplichting en het algemeen waterverkoopreglement;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 2011 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder investeringssubsidies kunnen worden toegekend aan toeristische logiezen;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2012 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties, luchtvaartactiviteiten en de inzet van flexibele mechanismen;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 betreffende toerismesubsidies;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 2013 tot bepaling van de nadere regels betreffende de organisatorische omkadering, de financiering en de samenwerking voor het mobiliteitsbeleid;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 29 maart 2013 tot bepaling van de nadere regels inzake het planologisch attest;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013 betreffende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor woningen;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013 houdende de voorwaarden waaronder de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en het Vlaams Woningfonds bijzondere sociale leningen aan particulieren kunnen toestaan;
Gelet op het Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit van 20 december 2013;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013 betreffende de voorafgaande vergunning voor centra voor kortverblijf en woonzorgcentra en tot wijziging van de regels betreffende de voorafgaande vergunning en de erkenning van die centra;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 houdende vaststelling van de regels inzake het lozen van bedrijfsafvalwater op een openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie;
Gelet op het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014;
Gelet op titel III van het VLAREM van 16 mei 2014;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 betreffende steun aan de investeringen en aan de overname in de landbouw;
Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 21 mei 2014;
Gelet op de adviezen van de SARO, gegeven op 24 september 2014 en 28 januari 2015;
Gelet op de adviezen van de Mina-Raad, gegeven op 25 september 2014 en 5 februari 2015;
Gelet op de adviezen van de SERV, gegeven op 29 september 2014 en 9 februari 2015;
Gelet op de adviezen van de SALV, gegeven op 26 september 2014 en 6 februari 2015;
Gelet op de adviezen van de MORA, gegeven op 26 september 2014 en 30 januari 2015;
Gelet op het protocol nr. 344.1120, houdende de conclusies van de onderhandelingen van 11 mei 2015, die gevoerd werden in het sectorcomité XVIII Vlaamse Gemeenschap Vlaams Gewest;
Gelet op het protocol nr. 2015/2, houdende de conclusies van de onderhandelingen die op 10 juni 2015 gevoerd werden in de onderafdeling “Vlaams Gewest en Vlaamse Gemeenschap” van de eerste afdeling van het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten;
Gelet op advies nr. 57.671/1/V van de Raad van State, gegeven op 14 augustus 2015, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
(...)

Titel 1.
Algemene bepalingen


Hoofdstuk 1.
Europees kader


Artikel 1.

Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van de volgende Europese richtlijnen:

richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater;

richtlijn 1999/31/EG van de Raad 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen;

richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid;
richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad;
richtlijn 2004/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 inzake de beperking van emissies van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen in bepaalde verven en vernissen en producten voor het overspuiten van voertuigen, en tot wijziging van Richtlijn 1999/13/EG; 
richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën en houdende wijziging van Richtlijn 2004/35/EG; 
richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen; 

richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid tot wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG;

richtlijn 2009/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden; 
10° richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad; 
11° richtlijn 2009/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen; 
12° richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging); 
13° richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten; 
14° richtlijn 2012/18/EU van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijn 96/82/EG van de Raad; 
15° richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG; 
16° uitvoeringsbesluit van de Commissie van 7 mei 2012 betreffende de vaststelling van opstart- en stilleggingsperioden voor de toepassing van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies. 

Hoofdstuk 2.
Definities


Art. 2.

In dit besluit wordt verstaan onder:

adviserend schepencollege: het college van burgemeester en schepenen van het ambtsgebied waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft, of de gemeentelijke omgevingsambtenaar als die conform artikel 24, tweede lid, artikel 42, tweede lid, of artikel 59, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014 advies verleent;
afdeling, bevoegd voor het toezicht Volksgezondheid: de afdeling Preventie van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid;
afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging: de subentiteit van het departement, bevoegd voor luchtverontreiniging;
afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving: de subentiteit van het departement, bevoegd voor de milieuhandhaving;
afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen: de subentiteit van het departement, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen;
afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage: de subentiteit van het departement, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage;
afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning: de subentiteit van het departement, bevoegd voor de milieuaspecten in de omgevingsvergunning;
afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning: de subentiteit van het departement, bevoegd voor de aspecten ruimtelijke ordening in de omgevingsvergunning;
ARBIS: het Koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen;
10° beveiligde zending: een van de onderstaande betekeningswijzen:
  a) een analoge zending: een aangetekende brief of een afgifte tegen ontvangstbewijs;
  b) een digitale zending: een zending via het omgevingsloket of het uitwisselingsplatform, op voorwaarde dat de gegevens worden uitgewisseld conform de bepalingen van dit besluit;
11° bevoegde autoriteit: de bevoegde autoriteit van het betrokken gewest, de betrokken EU-lidstaat of een verdragspartij bij het Verdrag van Espoo, respectievelijk het Verdrag van Helsinki;
12° bevoegde bestuur: de bevoegde overheid, haar omgevingsambtenaar of een persoon die gemachtigd is door de bevoegde overheid of haar omgevingsambtenaar;
13° bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten: de projecten of veranderingen van projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten omvatten als vermeld in artikel 5.1.1, 10°, van het DABM over twee of meer gemeenten, of twee of meer provincies;
14° decreet van 25 april 2014: het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
15° departement: het Departement Omgeving;
[...]
17° GOVC: de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie;
18° GPBV-installatie: een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten en processen, vermeld in de indelingslijst en aangeduid met de letter X in de vierde kolom van de indelingslijst, alsook andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met de voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;
19° indelingslijst: de lijst, opgenomen als bijlage 1 bij titel II van het VLAREM;
20° indelingsrubriek: een bepaalde categorie van inrichtingen of activiteiten die in de indelingslijst wordt aangewezen door een nummer. In de indelingslijst wordt elke onderverdeling in een bepaalde categorie van inrichtingen of activiteiten die over een eigen nummer beschikt, als een afzonderlijke indelingsrubriek beschouwd;
21° ingedeelde inrichting of activiteit: één inrichting of activiteit en de aanhorigheden ervan op een bepaalde locatie of, in voorkomend geval, verschillende inrichtingen of activiteiten en de aanhorigheden ervan op een bepaalde locatie die voor hun exploitatie als een samenhangend technisch geheel moeten worden beschouwd. Het feit dat verschillende inrichtingen en activiteiten een verschillend eigendomsstatuut hebben, belet niet dat ze door hun onderlinge technische samenhang als één ingedeelde inrichting of activiteit kunnen worden beschouwd;
22° Natuurdecreet: het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
23° Omgevingsfonds: het begrotingsfonds Omgevingsfonds, vermeld in artikel 11 van het decreet van 25 april 2014;
24° omgevingsloket: het digitale loket, vermeld in artikel 147, derde lid;
25° OVR: een omgevingsveiligheidsrapport als vermeld in artikel 4.1.1, § 1, 10°, van het DABM;
26° passende beoordeling: een passende beoordeling als vermeld in artikel 36ter, § 3, van het Natuurdecreet;
27° POVC: de provinciale omgevingsvergunningscommissie;
[...]
29° project-MER: een milieueffectrapport over een project als vermeld in artikel 4.1.1, § 1, 8°, van het DABM;
30° Seveso-inrichting: een inrichting als vermeld in rubriek 17.2 van de indelingslijst;
31° titel II van het VLAREM: het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;
32° uitwisselingsplatform: het digitale platform, vermeld in artikel 147, eerste lid;
33° Verdrag van Espoo: het verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, ondertekend in Espoo op 25 februari 1991, en bijlage I, II, III, IV, V, VI en VII;
34° Verdrag van Helsinki: het verdrag betreffende de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen, ondertekend in Helsinki op 17 maart 1992.

 

Tenzij bij dit besluit een andersluidende definitie is bepaald, zijn de volgende definities van toepassing in dit besluit:

de definities, vermeld in artikel 1.1.2 en 4.1.1 van de VCRO;
de definities, vermeld in artikel 5.1.1 en 5.1.2 van het DABM;
de definities, vermeld in titel II van het VLAREM.
de definities, vermeld in artikel 2 van het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid;
de definities, vermeld in artikel 2 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.

Hoofdstuk 3.
Omgevingsfonds


Art. 3. De leidend ambtenaar van het departement wordt aangesteld als inhoudelijk ordonnateur van het Omgevingsfonds. De leidend ambtenaar van het departement kan die bevoegdheid delegeren aan ambtenaren van niveau A van het departement.

Art. 4.

Op het einde van ieder kwartaal worden een staat van ontvangsten en een staat van uitgaven opgemaakt.

 

De Vlaamse Regering legt de staten, vermeld in het eerste lid, door bemiddeling van de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begroting, voor aan het Rekenhof. De verantwoordingsstukken worden bewaard bij de instantie die deze heeft opgemaakt.


Art. 5.

§ 1. De leidend ambtenaar van het departement wordt aangesteld als beheerder van het Omgevingsfonds. De leidend ambtenaar van het departement kan de bevoegdheid, vermeld in dit hoofdstuk, overdragen aan ambtenaren van niveau A van het departement. Die ambtenaren mogen niet als ordonnateur van het Omgevingsfonds worden voorgedragen of benoemd.

 

§ 2. De beheerder is bevoegd om:

bestekken voor werken, leveringen of diensten, of de bescheiden die ze vervangen, goed te keuren;
de wijze te kiezen waarop de opdrachten worden gegund;
opdrachten voor de aanneming van werken, leveringen of diensten te gunnen en te zorgen voor de uitvoering ervan.

 

De machtiging, vermeld in het eerste lid, geldt alleen binnen de beschikbare kredieten.

 

§ 3. De beheerder is belast met de eenvoudige uitvoering van de opdrachten voor de aanneming van werken, leveringen of diensten die in het kader van het functioneren van het Omgevingsfonds worden gegund door de Vlaamse Regering of de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu. Onder eenvoudige uitvoering wordt verstaan: het nemen van alle maatregelen en beslissingen om de opdracht binnen de aanneming te realiseren, met uitzondering van de maatregelen en beslissingen die een beoordeling door de gunnende overheid vereisen.

 

§ 4. De beheerder is bevoegd om:

met betrekking tot de opdrachten, vermeld in paragraaf 2 en 3:
  a) gemotiveerde afwijkingen toe te staan van de essentiële bepalingen en voorwaarden conform artikel 9 van het koninklijk besluit van 14 januari 2013 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken;
  b) boeten kwijt te schelden, na advies van de bevoegde juridische afdeling over de gegrondheid en de ontvankelijkheid van de kwijtschelding;
met betrekking tot de opdrachten, vermeld in paragraaf 2 en 3:
  a) prijsherzieningen die voortvloeien uit de overeenkomsten in kwestie, goed te keuren zonder beperking van bedrag;
  b) andere verrekeningen dan de voormelde herzieningen, ramingstaten en de daaraan verbonden termijnverlengingen goed te keuren voor zover daaruit geen totale extra uitgaven van meer dan 25 % voortvloeien en de uitgaven niet meer bedragen dan 250.000 euro.

 

§ 5. De beheerder is bevoegd om allerlei uitgaven die buiten de toepassing van de wetgeving op de overheidsopdrachten vallen en die betrekking hebben op de uitvoering van de taken van het Omgevingsfonds, goed te keuren tot een bedrag van maximaal 62.500 euro per beslissing, voor zover het niet gaat om subsidies.


Titel 2.
Vooroverleg en projectvergadering


Art. 6.

Met behoud van de mogelijkheid van informeel vooroverleg kan een initiatiefnemer de bevoegde overheid verzoeken een projectvergadering te organiseren voor projecten of voor veranderingen aan projecten waarvoor, als ze het voorwerp zouden uitmaken van een vergunningsaanvraag, het advies van de POVC of de GOVC vereist is, met uitzondering van de projecten of veranderingen aan projecten waarvoor het advies van de POVC alleen vereist is omdat de aanvraag een indelingsrubriek omvat die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter A is aangeduid.

 

Voor de projecten of veranderingen aan projecten waarvoor de toepassing is vereist van artikel 3, §3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 tot aanwijzing van de handelingen in de zin van artikel 4.1.1, 5°, artikel 4.4.7, §2, en artikel 4.7.1, §2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en tot regeling van het vooroverleg met de Vlaamse Bouwmeester, kan de bevoegde overheid, op verzoek van de initiatiefnemer, beslissen om een projectvergadering te houden.


Art. 7.

§ 1. Het verzoek om een projectvergadering wordt ingediend met een beveiligde zending bij de overheid die conform artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 bevoegd is voor de vergunningsaanvraag.

 

§ 2. Bij een verzoek om een projectvergadering wordt een projectstudie gevoegd.

 

De projectstudie omvat ten minste:

de naam, de hoedanigheid en het adres van de initiatiefnemer;
een omschrijving van het project of de verandering eraan;
de ligging en de beschrijving van de gronden waarop het project betrekking heeft;
in voorkomend geval en als ze al bekend zijn, de indelingsrubrieken die op de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van toepassing zullen zijn;
een omschrijving van de ruimtelijke uitwerking van het project of de verandering eraan;
in voorkomend geval een omschrijving van de mogelijke hinder en risico's die de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit voor mens en leefmilieu zou kunnen veroorzaken.

 

§ 3. De initiatiefnemer vermeldt in zijn verzoek de contactgegevens van eventuele derde-belanghebbenden van wie hij het wenselijk acht dat ze voor de projectvergadering worden uitgenodigd.


Art. 8.

§ 1. Het bevoegde bestuur is belast met de organisatie van een projectvergadering met:

de adviesinstanties, vermeld in artikel 35, 37, 38/1 of 38/3;
het adviserend schepencollege;
de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, in geval van:
  a) een project of een verandering daaraan, als vermeld in bijlage I of II van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage;
  b) een project waarvoor een OVR moet worden opgesteld.

 

De vergadering wordt gehouden binnen een termijn van zestig dagen na de datum van ontvangst van het verzoek om een projectvergadering.

 

Het bevoegde bestuur stelt het verzoek en de projectstudie uiterlijk dertig dagen voor de datum van de projectvergadering ter beschikking van de adviesinstanties, het adviserend schepencollege en, in voorkomend geval, de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage.

 

§ 2. Op basis van de elementen die zijn opgenomen in de projectstudie, vermeld in artikel 7, § 2, formuleren de adviesinstanties, vermeld in artikel 35 en 37, uiterlijk op het moment van de projectvergadering hun opmerkingen over het geplande project of de verandering eraan, en suggereren ze eventuele projectbijsturingen die ze nodig of nuttig achten.

 

§ 3. De derde-belanghebbenden die de bevoegde overheid met toepassing van artikel 8, derde lid, van het decreet van 25 april 2014 heeft uitgenodigd, worden gehoord.

 

§ 4. Van het overleg wordt een ontwerp van verslag opgesteld.

 

Het bevoegde bestuur stelt het ontwerp van verslag binnen een termijn van dertig dagen na de projectvergadering ter beschikking van:

de initiatiefnemer;
de adviesinstanties, vermeld in artikel 35 en 37;
het adviserend schepencollege;
de derde-belanghebbenden die aanwezig waren op de projectvergadering;
in voorkomend geval, de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage.

 

Alleen de personen en instanties die aanwezig waren op de projectvergadering, kunnen binnen een vervaltermijn van veertien dagen na de ontvangst van het ontwerp van verslag opmerkingen op het verslag bezorgen. De opmerkingen worden bij het verslag gevoegd. Het finale verslag wordt ter beschikking gesteld van de voormelde partijen.


Titel 3.
De vergunningverlening


Hoofdstuk 1.
De bevoegde overheid


Art. 9.

De aanvraag wordt ingediend bij de overheid die bevoegd is conform artikel 15 van het decreet van 25 april 2014.


Hoofdstuk 2.
Projecten waarvoor de gewestelijke omgevingsambtenaar bevoegd is om [...] een beslissing te nemen


Art. 10.

De gewestelijke omgevingsambtenaar is in eerste administratieve aanleg bevoegd om een beslissing te nemen over de volgende vergunningsaanvragen:

de vergunningsaanvragen, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, waarvoor de Vlaamse Regering in eerste administratieve aanleg bevoegd is, als de aanvragen worden behandeld conform de vereenvoudigde vergunningsprocedure;
de vergunningsaanvragen, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, waarvoor de Vlaamse Regering in eerste administratieve aanleg bevoegd is, als de aanvragen worden behandeld conform de gewone procedure en het advies van de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie in de desbetreffende aanleg niet hoeft te worden gevraagd.

 

De gewestelijke omgevingsambtenaar is bevoegd om een beslissing te nemen over beroepen tegen beslissingen over vergunningsaanvragen, waarvoor de deputatie in eerste administratieve aanleg bevoegd is, als de aanvragen behandeld zijn conform de vereenvoudigde vergunningsprocedure.

 

De regeling, vermeld in het eerste en tweede lid, houdt niet in dat de Vlaamse Regering de mogelijkheid om beslissingen te nemen, verliest.


Hoofdstuk 3.
Toepassingsgebied van de gewone en de vereenvoudigde procedure


Art. 11.

Conform artikel 17, § 2, van het decreet van 25 april 2014 en met behoud van de toepassing van artikel 17, § 3, van het decreet van 25 april 2014 is de vereenvoudigde vergunningsprocedure van toepassing op een vergunningsaanvraag voor

in geval van een project dat uitsluitend betrekking heeft op de vergunningsplichtige exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit:
  a) een beperkte verandering van een ingedeelde inrichting of activiteit als vermeld in artikel 12 van dit besluit;
  b) een ingedeelde inrichting of activiteit die uitsluitend tijdelijke inrichtingen of activiteiten omvat als vermeld in artikel 5.1.1, 11°, van het DABM, of de veranderingen daaraan;
  c) een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst;
  d) een verandering door wijziging of uitbreiding van een vergunningsplichtige ingedeelde inrichting of activiteit waarbij de aangevraagde verandering uitsluitend een indelingsrubriek van de derde klasse omvat;
  e) een verandering door uitbreiding van een vergunningsplichtige ingedeelde inrichting of activiteit waarbij de aangevraagde verandering uitsluitend tijdelijke inrichtingen of activiteiten omvat als vermeld in artikel 5.1.1, 11°, van het DABM.
in geval van een project dat uitsluitend betrekking heeft op vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen, het verkavelen van gronden of de bijstelling van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden: de projecten, vermeld in artikel 13 van dit besluit, of veranderingen daaraan;
in geval van een project dat uitsluitend betrekking heeft op vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten met een netto handelsoppervlakte van maximaal 20.000 vierkante meter;
in geval van een project dat uitsluitend betrekking heeft op vergunningsplichtige wijzigingen van de vegetatie als vermeld in artikel 9bis, § 7, en artikel 13, § 4 en § 5, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
in geval van een project dat betrekking heeft op minstens twee van de vergunningsplichten, vermeld in artikel 5, 1°, van het decreet van 25 april 2014 : de projecten, vermeld in artikel 14 van dit besluit, of veranderingen eraan.

Art. 12.

De verandering van een vergund project die betrekking heeft op de vergunningsplichtige exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, wordt als een beperkte verandering beschouwd als de verandering geen betekenisvol bijkomend risico inhoudt voor de mens of het milieu en de hinder niet significant vergroot.

 

De volgende veranderingen van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit worden in elk geval geacht een betekenisvol bijkomend risico voor de mens of het milieu in te houden of de hinder significant te vergroten:

de verandering door wijziging en uitbreiding, waarbij de aangevraagde verandering een nieuwe indelingsrubriek met een inrichting of activiteit van de eerste of de tweede klasse omvat;
de verandering door toevoeging, vermeld in artikel 5.1.1, 12°, c), van het DABM;
de verandering die een uitbreiding van een of meer vergunde inrichtingen of activiteiten met meer dan 50 % inhoudt. De procentuele stijging van 50 % wordt bepaald ten opzichte van de ingedeelde inrichting of activiteit die is vergund na het doorlopen van een procedure met een openbaar onderzoek;
de verandering van een GPBV-installatie die significante negatieve effecten heeft voor de mens of het milieu en de verandering van een GPBV-installatie die op zich voldoet aan de drempelwaarden van een indelingsrubriek die is aangeduid met de letter X in de vierde kolom van de indelingslijst.

Art. 13.

De vereenvoudigde vergunningsprocedure is van toepassing op:

aanvragen voor projecten die stedenbouwkundige handelingen omvatten, de vergunningsaanvragen voor projecten of voor veranderingen daaraan, waarbij de aangevraagde stedenbouwkundige handelingen voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
  a)  de handelingen worden uitgevoerd in een gebied waarvoor een gemeentelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, een bijzonder plan van aanleg of een niet-vervallen verkaveling bestaat, en het aangevraagde is in overeenstemming met de bepalingen van het gemeentelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, het bijzonder plan van aanleg of de niet-vervallen verkaveling;  
  b) de handelingen hebben geen betrekking op:
    1) i) het oprichten van gebouwen of constructies met een hoogte van meer dan twintig meter; 
      ii)  het verbouwen van lagere gebouwen of constructies waardoor die een hoogte van meer dan twintig meter bereiken;
      iii) het verhogen van gebouwen of constructies die hoger zijn dan twintig meter met meer dan vijf meter; 
    2) het oprichten of wijzigen van infrastructuurwerken met een lengte van meer dan 500 meter;  
    3) uitgevoerd buiten industriegebied in de ruime zin:  
      i) het oprichten van gebouwen of constructies met een bruto grondoppervlakte van meer dan 500 vierkante meter; 
      ii) het verbouwen van kleinere gebouwen en constructies waardoor die dezelfde oppervlakte bereiken; 
      iii) het uitbreiden van gebouwen of constructies met meer dan 500 vierkante meter; 
    4) uitgevoerd buiten een industriegebied in de ruime zin:  
      i) het oprichten van gebouwen of constructies met een brutovolume van meer dan 3000 kubieke meter; 
      ii) het verbouwen van kleinere gebouwen of constructies waardoor die een brutovolume van meer dan 3000 kubieke meter bereiken; 
      iii) het uitbreiden van gebouwen of constructies met meer dan 3000 kubieke meter; 
    5) uitgevoerd buiten een industriegebied in de ruime zin en telkens met een grondoppervlakte van meer dan 1000 vierkante meter:  
      i) het ontbossen; 
      ii) het aanmerkelijk wijzigen van het reliëf van de bodem; 
      iii) het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond; 
      iv) het aanleggen of wijzigen van recreatieve terreinen; 
    6) het geheel of gedeeltelijk wijzigen van de hoofdfunctie van een bebouwd onroerend goed met het oog op een nieuwe functie, met een bruto grondoppervlakte van meer dan 500 vierkante meter;  
    7) aanvragen die afwijken van verkavelingsvoorschriften;
    8) [...]
    9) aanvragen waarvoor de toepassing is vereist van artikel 4.4.1, 4.4.3, 4.4.6, 4.4.7, 4.4.9/1, 4.4.16 tot en met 4.4.23 en 4.4.26, § 2, van de VCRO;  
aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden of voor de bijstelling van een dergelijke omgevingsvergunning als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:    
  a) de kavels waarop de aanvraag betrekking heeft, liggen in een gebied waarvoor een goedgekeurd provinciaal of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg geldt;   
  b) de aanvraag is in overeenstemming met het voor de kavels geldende plan, vermeld in punt a);   
  c) het voor de kavels geldende plan, vermeld in punt a), bevat zowel bestemmingsvoorschriften als voorschriften voor de inplanting, de grootte en het uiterlijk van de constructies;   
aanvragen van de militaire overheid tot oprichting van militaire installaties en gebouwen in gebieden die op de plannen van aanleg of op de ruimtelijke uitvoeringsplannen aangegeven zijn als militair domein als ze voorkomen op een lijst die gevoegd is bij een protocol, gesloten tussen de minister van Landsverdediging en de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, dat in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.    


In afwijking op het eerste lid worden vergunningsaanvragen die wegenwerken omvatten waarover de gemeenteraad beslissingsbevoegdheid heeft, behandeld volgens de gewone vergunningsprocedure.

 

In het eerste lid wordt verstaan onder industriegebied in de ruime zin: elk gebied dat hoofdzakelijk bestemd is voor industrie en bedrijvigheid, zoals gebied voor vervuilende industrie, gebied voor milieubelastende industrie, gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen, regionaal bedrijventerrein of lokaal bedrijventerrein.


Art. 14.

Voor vergunningsaanvragen voor projecten of voor veranderingen aan projecten die minstens twee van de vergunningsplichten, vermeld in artikel 5, 1°, van het decreet van 25 april 2014, omvatten, is de vereenvoudigde vergunningsprocedure van toepassing als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:

de vergunningsplichtige exploitatie valt onder de toepassing van artikel 11, 1°, a), b) en d);

de stedenbouwkundige handelingen vallen onder de toepassing van artikel 13.

de kleinhandelsactiviteiten vallen onder de toepassing van artikel 11, 3°

de vegetatiewijzigingen vallen onder de toepassing van artikel 11, 4°.

Hoofdstuk 4.
De samenstelling van een aanvraag


Art. 15.

§ 1. De vergunningsaanvraag voor projecten of voor veranderingen aan projecten die vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen, de vergunningsplichtige exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten, vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten of vergunningsplichtige vegetatiewijzigingen omvatten wordt met een beveiligde zending ingediend bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014.

 

De vergunningsaanvrager gebruikt hiertoe;

het formulier, opgenomen in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd;
de in het formulier aangewezen addenda uit de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.

 

De vergunningsaanvraag omvat de gegevens die in het formulier en de desbetreffende addenda voorgeschreven zijn als verplicht in te vullen of bij te voegen.

 

De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn gemachtigd gezamenlijk het formulier en de addenda-bibliotheek, vermeld in het tweede lid, en de dossiersamenstelling te wijzigen, waarbij minstens de volgende gegevens worden gevraagd:

het voorwerp van de vergunningsaanvraag;
de identificatiegegevens van de plaats waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden;
plannen;
de relevante potentiële effecten op mens en milieu;
in voorkomend geval, gegevens omtrent de milieueffectrapportage of de omgevingsveiligheidsrapportage;
in voorkomend geval, gegevens omtrent de passende beoordeling;
de identificatiegegevens van de vergunningsaanvrager of de exploitant;
de identificatiegegevens van de architect als diens medewerking vereist is.

 

§ 2. De vergunningsaanvraag voor projecten die strekken tot het verkavelen van gronden, wordt met een beveiligde zending ingediend bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014.

 

De vergunningsaanvrager gebruikt hiertoe:

het formulier, opgenomen in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd;
de in het formulier aangewezen addenda uit de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.

 

De vergunningsaanvraag omvat de gegevens die in het formulier en de desbetreffende addenda voorgeschreven zijn als verplicht in te vullen of bij te voegen.

 

De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn gemachtigd gezamenlijk het formulier en de addenda-bibliotheek, vermeld in het tweede lid, en de dossiersamenstelling te wijzigen, waarbij minstens de volgende gegevens worden gevraagd:

het voorwerp van de vergunningsaanvraag;
de identificatiegegevens van de plaats waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden;
plannen;
de relevante potentiële effecten op mens en milieu;
in voorkomend geval, gegevens omtrent de milieueffectrapportage of de omgevingsveiligheidsrapportage;
in voorkomend geval, gegevens omtrent de passende beoordeling;
de identificatiegegevens van de vergunningsaanvrager.

 

§ 3. Het bevoegde bestuur en de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, verzoeken, als dat nodig is, de vergunningsaanvrager om aanvullende informatie, overeenkomstig bijlage IIbis van het DABM, die rechtstreeks ter zake doet om te komen tot de gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke milieueffecten van het project.


Hoofdstuk 5.
Het openbaar onderzoek


Afdeling 1.
Algemene bepalingen


Art. 16.

Als een openbaar onderzoek moet worden gehouden, duurt dat onderzoek dertig dagen en begint het binnen de periode van tien dagen:

na de datum waarop de vergunningsaanvraag ontvankelijk en volledig is verklaard in geval van een eerste openbaar onderzoek in eerste aanleg;
in voorkomend geval, na de datum van de beslissing van de bevoegde overheid om een openbaar onderzoek te organiseren naar aanleiding van de toepassing van een administratieve lus of een wijziging van de vergunningsaanvraag.

 

Bij gebrek aan een ontvankelijk- en volledigverklaring begint de termijn van tien dagen, vermeld in het eerste lid, 1°, te lopen op de veertigste dag na de indiening van de vergunningsaanvraag.

 

De vergunningsaanvraag wordt bekendgemaakt door:

de aanplakking van een affiche op de plaats waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, conform artikel 20;
de publicatie op de website van de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, conform artikel 21;
in voorkomend geval, de publicatie in een dag- of weekblad, conform artikel 22;
in voorkomend geval, de individuele kennisgeving, conform artikel 23;
de analoge of digitale terinzagelegging van de vergunningsaanvraag in het gemeentehuis van de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, conform artikel 24;
in voorkomend geval, een informatievergadering, conform artikel 25.

 

In afwijking van het derde lid wordt een vergunningsaanvraag voor projecten of voor veranderingen aan projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten omvatten, bekendgemaakt door:

de publicatie op de website van de bevoegde overheid, conform artikel 21;
in voorkomend geval, de publicatie in een dag- of weekblad, conform artikel 22;
de analoge of digitale terinzagelegging van de vergunningsaanvraag in:
  a) het gemeentehuis in geval van uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten in één gemeente, conform artikel 24;
  b) het provinciehuis van de provincie of provincies waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten uitgevoerd zal worden, conform artikel 24;
in voorkomend geval, een informatievergadering, conform artikel 25.

Art. 17.

Als de vergunningsaanvraag een nog niet goedgekeurd project-MER of OVR omvat, en de alternatieven, onderzocht in dit project-MER of OVR, zich uitstrekken over meer gemeenten dan de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, publiceren de gemeenten, waarop de alternatieven in het nog niet goedgekeurd project-MER of OVR betrekking hebben, op verzoek van het bevoegde bestuur, een mededeling op hun website waarin ze melden dat:

er een vergunningsaanvraag ingediend is in de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden;
er over de vergunningsaanvraag, vermeld in punt 1°, een openbaar onderzoek gehouden wordt in de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden;
de vergunningsaanvraag, vermeld in punt 1°, een project-MER of OVR bevat waarvan de alternatieven betrekking hebben op de betrokken gemeente.

 

De mededeling, vermeld in het eerste lid, gebeurt uiterlijk op de begindatum van het openbaar onderzoek en tot en met de laatste dag daarvan.

 

De gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, moet de mededeling, vermeld in het eerste lid, niet doen.


Art. 18.

De gemeente stelt de tekst ter beschikking die gebruikt wordt voor de bekendmaking, vermeld in artikel 16, derde lid, 1° tot en met 4°, of vierde lid, 1° en 2°.

 

De tekst, vermeld in het eerste lid, bevat minstens de volgende gegevens:

op welke vergunningsplicht of vergunningsplichten, vermeld in artikel 5 van het decreet van 25 april 2014, de aanvraag betrekking heeft;
1/1° een beknopte omschrijving van het voorwerp van de vergunningsaanvraag;
de ligging van het voorwerp van de vergunningsaanvraag;
de naam van de aanvrager of exploitant. Als de aanvraag wordt ondertekend door een natuurlijk persoon namens een rechtspersoon, wordt alleen de naam van de rechtspersoon vermeld;
de overheid die bevoegd is voor de vergunningsaanvraag;
de overheid waarbij relevante informatie kan worden verkregen;
de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;
de plaats waar de vergunningsaanvraag tijdens het openbaar onderzoek ter inzage ligt;
de mogelijkheid om standpunten, opmerkingen en bezwaren in te dienen over de vergunningsaanvraag of, in voorkomend geval, het nog niet goedgekeurd project-MER of nog niet goedgekeurd OVR, alsook de voorwaarden en modaliteiten waaronder ze ingediend kunnen worden;
in voorkomend geval, de datum, het uur en de plaats van de informatievergadering;
10° in voorkomend geval, een verwijzing naar de eerder gehouden openbare onderzoeken.

 

 


Art. 19. In geval van betwistingen over het openbaar onderzoek stelt de gemeente of de vergunningsaanvrager de nodige verklaringen of bewijsstukken ter beschikking van het bevoegde bestuur, nadat daarom verzocht is.

Afdeling 2.
Aanplakking van een affiche


Art. 20.

§ 1. De tekst, vermeld in artikel 18, wordt met zwarte letters op een gele affiche van minimaal A2-formaat afgedrukt en wordt voorafgegaan door een van de volgende opschriften:

“BEKENDMAKING OPENBAAR ONDERZOEK OVER EEN AANVRAAG VAN OMGEVINGSVERGUNNING”;
“BEKENDMAKING HERNEMING OPENBAAR ONDERZOEK TEN GEVOLGE VAN EEN WIJZIGING VAN DE OMGEVINGSVERGUNNINGSAANVRAAG TIJDENS DE LOPENDE PROCEDURE”;
“BEKENDMAKING OPENBAAR ONDERZOEK TEN GEVOLGE VAN DE TOEPASSING VAN EEN ADMINISTRATIEVE LUS IN HET KADER VAN EEN OMGEVINGSVERGUNNINGSAANVRAAG”.

 

§ 2. De affiche wordt aangeplakt uiterlijk op de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek en tot en met de laatste dag daarvan. Op de startdatum [...] van de aanplakking brengt de vergunningsaanvrager de gemeente op de hoogte van die datum en verklaart hierbij dat de affiche conform artikel 20 van het Omgevingsvergunningenbesluit werd aangeplakt en aangeplakt zal blijven tot de laatste dag van het openbaar onderzoek. Die datum wordt in het omgevingsloket ingevoerd.

 

De affiche wordt aangeplakt op een plaats waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag paalt aan een openbare weg, of als het aan verschillende openbare wegen paalt, aan elk van die openbare wegen. Als het voorwerp van de vergunningsaanvraag niet paalt aan een openbare weg, wordt de affiche aangeplakt op een plaats aan de dichtstbijzijnde openbare weg.

 

Als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op het openbaar domein, wordt de affiche aangeplakt aan elke zijde waar men van op de openbare weg de grens van het voorwerp van de vergunningsaanvraag bereikt.

 

De vergunningsaanvrager plakt de affiche op een schutting, op een muur of op een bord dat aan een paal bevestigd is, op de grens tussen het terrein of de toegang tot het terrein en de openbare weg en evenwijdig met de openbare weg, met de tekst gericht naar de openbare weg en op een maximumhoogte van twee meter.

 

De affiche is altijd goed leesbaar vanaf de openbare weg.


Afdeling 3.
Publicatie op de website


Art. 21.

§ 1. De gemeente publiceert de tekst, vermeld in artikel 18, op haar website op een voor bekendmakingen geëigende en opvallende plaats. De gemeente kan meer gegevens op de website publiceren.

 

De tekst wordt uiterlijk op de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek gepubliceerd en blijft op de website staan tot en met de laatste dag van het openbaar onderzoek.

 

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 publiceert het bevoegde bestuur de tekst, vermeld in artikel 18, op zijn website in geval van vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten, met toepassing van de voorwaarden, vermeld in dit artikel.


Afdeling 4.
Publicatie in een dag- of weekblad


Art. 22.

§ 1. De gemeente publiceert de tekst, vermeld in artikel 18, in ten minste één dag- of weekblad met minstens regionaal karakter in de volgende gevallen:

de vergunningsaanvraag omvat een project-MER of een OVR;

de vergunningsaanvraag heeft betrekking op de exploitatie van een inrichting of activiteit met een GPBV-installatie.

 

De publicatie, vermeld in het eerste lid, gebeurt uiterlijk op de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek en op kosten van de vergunningsaanvrager.

 

Als het voorwerp van de vergunningsaanvraag in twee of meer gemeenten uitgevoerd zal worden, kan voor een van de volgende werkwijzen gekozen worden:

elke gemeente zorgt voor een publicatie;
de gemeenten zorgen voor een gecoördineerde publicatie.

 

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 zorgt het bevoegde bestuur voor de publicatie op kosten van de vergunningsaanvrager in geval van vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten.


Afdeling 5.
Individuele kennisgeving


Art. 23.

§ 1. Als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste klasse, brengt de gemeente de gebruikers van de gebouwen, als die bekend zijn bij de gemeente, en de eigenaars van de percelen op de hoogte als hun gebouwen of percelen in een straal van 100 meter liggen rond:

de perceelsgrenzen van de ingedeelde inrichting of activiteit, als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een perceel met een kadastraal nummer;
de uiterste grenzen van de ingedeelde inrichting of activiteit, als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een perceel zonder kadastraal nummer.


Als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op stedenbouwkundige handelingen op een perceel met een kadastraal nummer of het verkavelen van gronden met een kadastraal nummer of kleinhandelsactiviteiten, stelt de gemeente de eigenaars van de aanpalende percelen in kennis tenzij de vergunningsaanvraag betrekking heeft op:

lijninfrastructuren en aanhorigheden;
de bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden. In dat geval gebeurt de individuele kennisgeving overeenkomstig artikel 85 of artikel 86 van het decreet van 25 april 2014.

 

[...]

 

De inkennisstelling, vermeld in het eerste en tweede lid, gebeurt door de tekst, vermeld in artikel 18, voor de aanvang van het openbaar onderzoek te bezorgen op volgende wijze:

bij beveiligde zending voor wat betreft de eigenaars van aanpalende percelen;
bij gewone of beveiligde zending in de andere gevallen.

 

In het tweede en derde lid wordt verstaan onder aanpalend perceel: een perceel met kadastraal nummer dat op minstens één punt grenst aan de plaats waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag zal worden uitgevoerd of aan percelen in eigendom van de vergunningsaanvrager, die palen aan die plaats.

 

Als zowel het eerste als het tweede lid van toepassing is, geldt de ruimste kennisgeving.

 

§ 2. Als de vergunningsaanvraag voor het verkavelen van gronden vermeldt dat de inhoud ervan strijdig is met het bestaan van door de mens gevestigde erfdienstbaarheden of van bij overeenkomst vastgestelde verplichtingen met betrekking tot het grondgebruik, bezorgt de gemeente de tekst, vermeld in artikel 18, voor de aanvang van het openbaar onderzoek met een beveiligde zending aan de begunstigden van de erfdienstbaarheden of verplichtingen die met hun adres vermeld zijn in de vergunningsaanvraag.

 

[...]

 

§ 3. De gemeente zoekt de namen en adressen van de eigenaars en de haar gekende gebruikers op.


Afdeling 6.
De terinzagelegging


Art. 24.

§ 1. De vergunningsaanvraag en, in voorkomend geval, het resultaat van het onderzoek, vermeld in artikel 19 en 20 van het decreet van 25 april 2014, wordt gedurende dertig dagen analoog of digitaal ter inzage gelegd in het gemeentehuis van de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden.

 

Tijdens het openbaar onderzoek worden eveneens de volgende documenten ter inzage gelegd, voor zover de overheid waarbij het dossier ter inzage ligt, de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek over deze documenten beschikt:

de voorlopige goed- of afkeuring van het project-MER, conform artikel 4.3.4, § 7, van het DABM;
de adviezen die de adviesinstanties, vermeld in artikel 35, 37, 38/1 of 38/3, het adviserend schepencollege en, in voorkomend geval, de POVC of de GOVC hebben uitgebracht in de aanleg in kwestie;
de beslissing over de goedkeuring van het project-MER respectievelijk het OVR;
de gemeenteraadsbeslissing over de zaak van de wegen, vermeld in artikel 31 van het decreet van 25 april 2014;
de beslissing in eerste aanleg.

 

De eerste dag waarop de vergunningsaanvraag en de documenten, vermeld in het tweede lid, ter inzage wordt gelegd, is de begindatum van het openbaar onderzoek.

 

§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, worden vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten en, in voorkomend geval, het resultaat van het onderzoek hierover, vermeld in artikel 19 en 20 van het decreet van 25 april 2014, gedurende dertig dagen analoog of digitaal ter inzage gelegd in het provinciehuis van de betrokken provincie of provincies, met toepassing van de voorwaarden, vermeld in dit artikel.

 

§ 3. Als de terinzagelegging digitaal verloopt, kan de persoon die het dossier raadpleegt, hierbij beroep doen op technische ondersteuning van de overheid, waarbij het dossier ter inzage ligt.

 

§ 4. Als de vergunningsaanvraag een nog niet goedgekeurd project-MER of OVR omvat, kan ze, met uitzondering van de door een architect opgemaakte auteursrechtelijk beschermde plannen en de documenten die aan de openbaarheid worden onttrokken, digitaal geraadpleegd worden via het omgevingsloket.


Afdeling 7.
De informatievergadering


Art. 25.

§ 1. Tijdens de eerste twintig dagen van het openbaar onderzoek organiseert de gemeente, samen met de vergunningsaanvrager en het bevoegde bestuur, ten minste één informatievergadering over vergunningsaanvragen die betrekking hebben op de exploitatie van in de eerste klasse ingedeelde inrichtingen of activiteiten die een project-MER of een OVR omvatten. Als het voorwerp van de vergunningsaanvraag in twee of meer gemeenten uitgevoerd zal worden, volstaat het om een gemeenschappelijke informatievergadering te organiseren.

 

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 organiseert de provincie, samen met de vergunningsaanvrager en het bevoegde bestuur, ten minste één informatievergadering over de vergunningsaanvraag voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten als die een project-MER of een OVR omvat, met toepassing van de voorwaarden, vermeld in dit artikel. Als het voorwerp van die vergunningsaanvraag in twee of meer provincies uitgevoerd zal worden, volstaat het om een gemeenschappelijke informatievergadering te organiseren.

 

§ 3. De gemeente respectievelijk de provincie nodigt de volgende personen of instanties analoog of digitaal uit voor de informatievergadering:

 

de vergunningsaanvrager;
het bevoegde bestuur;
de adviesinstanties, vermeld in artikel 35, 37, 38/1 of 38/3;
de voorzitter van de POVC of van de GOVC als de deputatie, respectievelijk de Vlaamse Regering de bevoegde overheid is.

 

Op de informatievergadering, vermeld in paragraaf 2, worden ook de colleges van burgemeester en schepenen van het grondgebied waarop de exploitatie plaatsvindt, door de provincie uitgenodigd.

 

§ 4. Een lid van het bevoegde bestuur zit de informatievergadering voor. De vergunningsaanvrager of zijn afgevaardigde geeft op die vergadering een toelichting over de vergunningsaanvraag en beantwoordt vragen. Een lid van de gemeente respectievelijk de provincie of een afgevaardigde ervan stelt een verslag van de vergadering op.


Afdeling 8.
Het formuleren van standpunten, opmerkingen en bezwaren


Art. 26.

Gedurende de periode waarin het openbaar onderzoek loopt, kan iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon standpunten, opmerkingen en bezwaren analoog of via het omgevingsloket meedelen aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden.

 

In afwijking van het eerste lid worden standpunten, opmerkingen en bezwaren over vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten analoog of via het omgevingsloket meegedeeld aan de deputatie, met toepassing van de voorwaarden, vermeld in dit artikel.


Afdeling 9.
Landsgrens- en gewestgrensoverschrijdende effecten


Art. 27.

§ 1. Als het bevoegde bestuur vaststelt dat het voorwerp van de vergunningsaanvraag aanzienlijke effecten kan hebben voor mens en milieu in een ander gewest, een andere EU-lidstaat of een verdragspartij bij het Verdrag van Espoo, of als de bevoegde autoriteit van dat andere gewest, de EU-lidstaat of de verdragspartij bij het Verdrag van Espoo, daarom verzoekt, stelt het bevoegde bestuur de vergunningsaanvraag voor advies ter beschikking aan de bevoegde autoriteit.

 

Bovendien wordt vermeld of de vergunningsaanvraag al dan niet onderworpen is aan een milieueffectrapportage of aan het overleg tussen de gewesten, de EU-lidstaten of andere verdragspartijen in kwestie.

 

De gegevens, vermeld in het tweede lid, dienen als basis voor het nodige overleg in het kader van de bilaterale betrekkingen tussen de gewesten, de EU-lidstaten of een verdragspartij bij het Verdrag van Espoo volgens het beginsel van wederkerigheid en gelijke behandeling.

 

§ 2. Zo spoedig mogelijk en uiterlijk de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek brengt de overheid waarbij het dossier ter inzage ligt de bevoegde autoriteit op de hoogte van de gegevens, vermeld in artikel 18, tweede lid.

 

§ 3. De belanghebbende inwoners van het betrokken gewest, de betrokken EU-lidstaat of de verdragspartij bij het Verdrag van Espoo kunnen deelnemen aan:

het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 16;
het openbaar onderzoek dat de bevoegde autoriteit op basis van het ontvangen vergunningsaanvraagdossier eventueel op haar eigen grondgebied organiseert.

 

De bevoegde autoriteit deelt haar eventuele opmerkingen, samen met de resultaten van het eventueel door haar georganiseerde openbaar onderzoek, tegelijkertijd mee aan de bevoegde overheid en de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, binnen een termijn van vijftig dagen na de datum van de terbeschikkingstelling, vermeld in het eerste lid.

 

§ 4. Als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een MER-plichtige inrichting, wordt met het betrokken gewest of de EU-lidstaat overleg gepleegd over onder andere de potentiële grensoverschrijdende effecten van de inrichting en de maatregelen die worden overwogen om die effecten te beperken of teniet te doen, en wordt een redelijke termijn overeengekomen waarin het overleg moet plaatsvinden.


Art. 28.

§ 1. Als het bevoegde bestuur vaststelt dat het voorwerp van de vergunningsaanvraag voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting die een inrichting omvat, vermeld in rubriek 17.2.2 van de indelingslijst, waarschijnlijk betekenisvolle effecten ten gevolge van een zwaar ongeval kan hebben voor mens of milieu van een ander gewest, een andere EU-lidstaat of een verdragspartij bij het Verdrag van Helsinki, of als de bevoegde autoriteit van dat andere gewest, de EU-lidstaat of de verdragspartij bij het Verdrag van Helsinki, daarom verzoekt, stelt het bevoegde bestuur de vergunningsaanvraag voor advies ter beschikking van de bevoegde autoriteit.

 

Bovendien wordt vermeld of de vergunningsaanvraag al dan niet onderworpen is aan een omgevingsveiligheidsrapportage of aan het overleg tussen de gewesten, EU-lidstaten of andere verdragspartijen in kwestie.

 

Die gegevens dienen als basis voor het nodige overleg in het kader van de bilaterale betrekkingen tussen de gewesten, de EU-lidstaten of een verdragspartij bij het Verdrag van Helsinki volgens het beginsel van wederkerigheid en gelijke behandeling.

 

§ 2. Zo spoedig mogelijk en uiterlijk de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek brengt de overheid waarbij het dossier ter inzage ligt de bevoegde autoriteit op de hoogte van de gegevens, vermeld in artikel 18, tweede lid.

 

§ 3. De belanghebbende inwoners van het betrokken gewest, de EU-lidstaat of de verdragspartij bij het Verdrag van Helsinki kunnen deelnemen aan:

het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 16;
het openbaar onderzoek dat de bevoegde autoriteit op basis van het ontvangen vergunningsaanvraagdossier eventueel op haar eigen grondgebied organiseert.

 

De bevoegde autoriteit deelt haar eventuele opmerkingen, samen met de resultaten van het eventueel door haar georganiseerde openbaar onderzoek, tegelijkertijd mee aan de bevoegde overheid en de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, binnen een termijn van twee maanden na de datum van de terbeschikkingstelling, vermeld in het eerste lid.


Art. 28/1.

Als het project vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten omvat met een netto handelsoppervlakte van meer dan 20.000 vierkante meter, gelegen op een afstand van minder dan twintig kilometer van een ander gewest of van verschillende andere gewesten, dan vervult de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar de verplichtingen, opgenomen in artikel 6, § 5bis, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.


Afdeling 10.
Het afsluiten van het openbaar onderzoek


Art. 29.

§ 1. Uiterlijk tien dagen na het verstrijken van de duur van het openbaar onderzoek stelt de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, in voorkomend geval de volgende gegevens ter beschikking:

het verslag van de informatievergadering, vermeld in artikel 25;
de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek.

  

De gegevens, vermeld in het eerste lid, worden ter beschikking gesteld van:

hetzij de bevoegde omgevingsvergunningscommissie als die advies moet verlenen, hetzij het bevoegde bestuur als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, als de vergunningsaanvraag een nog niet goedgekeurd project-MER of een nog niet goedgekeurd OVR omvat;
de gemeenteraad, als artikel 47 van toepassing is.

  

§ 2. Het openbaar onderzoek over vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten wordt afgesloten conform paragraaf 1, waarbij de gemeente gelezen moet worden als de provincie of provincies.


Hoofdstuk 6.
Adviesinstanties


Afdeling 1.
Algemene bepalingen


Art. 30.

Als een vergunningsaanvraag of een beroep uitgaat van een instantie die conform artikel 35, 37, 38/1 of 38/3 advies moet uitbrengen, verleent die instantie geen advies.


Art. 31.

Als een vergunningsaanvraag of een beroep betrekking heeft op twee of meer van de vergunningsplichten, vermeld in artikel 5, 1°, van het decreet van 25 april 2014, zijn de artikels die de adviesinstanties voor de vergunningsplichten in kwestie bepalen van toepassing. Daarbij hoeft dezelfde adviesinstantie als vermeld in artikel 35, 37, 38/1 of 38/3, maar één keer om advies gevraagd te worden en hoeft ze maar één advies uit te brengen.


Art. 32.

In de gevallen, vermeld in artikel 68, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014, kan het advies van de adviesinstanties, vermeld in artikel 35, 37 of 38/1, of het adviserend schepencollege, voor hun bevoegdheid een gemotiveerd voorstel bevatten voor de duur van de omgevingsvergunning.


Art. 33.

Als een adviesinstantie als vermeld in artikel 35, 37 of 38/1, of het adviserend schepencollege van oordeel is dat het aangevraagde vergunbaar is als voorwaarden worden opgelegd, bevat het advies een gemotiveerd voorstel voor die voorwaarden voor de eigen bevoegdheid.


Art. 34.

§1. Het advies van het adviserend schepencollege bevat minstens de volgende gegevens:

de stedenbouwkundige voorschriften die van toepassing zijn op de percelen waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft;
de beschrijving van de bestemming die aan de omgeving in een straal van 500 meter rond het project is gegeven conform de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen;
een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van het aangevraagde met de omgeving en de goede ruimtelijke ordening;
in voorkomend geval, een gemotiveerde beoordeling van de aanvaardbaarheid van de ingedeelde inrichting of activiteit op het vlak van hinder en risico's voor de mens en het milieu;
in voorkomend geval, de voorwaarden die het college nuttig acht;
in voorkomend geval, een gemotiveerde beoordeling van de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek.

 

§2. Het adviserende schepencollege of de deputatie kan subadvies inwinnen van de bevoegde hulpverleningszone.

 

Tenzij het anders is bepaald in de adviesvraag, wordt het subadvies verleend binnen een vervaltermijn van twintig dagen.

 

De vervaltermijn, vermeld in het tweede lid, gaat in op de dag na de ontvangst van de subadviesvraag.


Afdeling 2.
De instanties die advies verlenen over stedenbouwkundige handelingen of het verkavelen van gronden, en de inhoud van de adviezen


Art. 35.

§1. Over vergunningsaanvragen of beroepen die betrekking hebben op het uitvoeren van vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen of op het verkavelen van gronden wordt advies verleend door de instanties en in de gevallen vermeld in dit artikel.

 

§2. De afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, verleent advies als het advies van de POVC of van de GOVC moet worden gevraagd.

 

De afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, kan subadviezen inwinnen van iedere dienst, instelling of organisatie die activiteiten ontwikkelt op het vlak van energie, leefmilieu, waterbeleid, landinrichting, natuurbehoud, ruimtelijke ordening, veiligheid of mobiliteit.

 

Tenzij het anders is bepaald in de adviesvraag, verlenen de instanties, vermeld in het tweede lid, het subadvies binnen een vervaltermijn van twintig dagen.

 

De vervaltermijn, vermeld in het derde lid, gaat in op de dag na de dag van ontvangst van de subadviesvraag.

 

Het tweede tot het vierde lid zijn niet van toepassing als de instanties, vermeld in het tweede lid, in het kader van de vergunningsaanvraag of het beroep over een eigen adviesbevoegdheid op het vlak van ruimtelijke ordening beschikken.

 

§3. Het agentschap van het beleidsdomein Omgeving dat belast is met de uitvoering van het beleid inzake onroerend erfgoed verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag betrekking heeft op:

gronden die liggen in [...] een voorlopig of definitief beschermde archeologische site, een voorlopig of definitief beschermd monument, een voorlopig of definitief beschermd cultuurhistorisch landschap of een voorlopig of definitief beschermd stads- of dorpsgezicht, in voorkomend geval met inbegrip van de overgangszones, vermeld in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
percelen in erfgoedlandschappen in de volgende gevallen:
  a) bij percelen in gemengd openruimtegebied met cultuurhistorische waarde;
  b) bij het optrekken of plaatsen van een constructie in agrarisch gebied in de ruime zin of in ruimtelijk kwetsbaar gebied;
  c) bij aanmerkelijke reliëfwijzigingen, het aanleggen of wijzigen van recreatieve terreinen of het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond als vermeld in artikel 4.2.1, 5°, van de VCRO;
goederen die erkend zijn als werelderfgoed of die in de bufferzone van het werelderfgoed liggen conform artikel 11 van de overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld, opgemaakt in Parijs op 16 november 1972, in de volgende gevallen:
  a) als de goederen voorkomen op de lijst van het werelderfgoed;
  b) als de percelen in de bufferzone, zoals goedgekeurd door het UNESCO-werelderfgoedcomité, op minder dan honderd meter van het werelderfgoed liggen;
  c) als de percelen in de bufferzone, zoals goedgekeurd door het UNESCO-werelderfgoedcomité, op meer dan honderd meter van het werelderfgoed liggen, waarbij de constructie een hoogte van meer dan vijftien meter heeft of bereikt;
[...]

 

In afwijking van het eerste lid wordt het advies verleend door de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed als een beroep middelen opwerpt over het advies van het agentschap, vermeld in het eerste lid, of over de behandeling van dat advies door de overheid, bevoegd in eerste administratieve aanleg.

 

§4. Het Agentschap voor Natuur en Bos verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag:

 

in een ruimtelijk kwetsbaar gebied ligt;
in een Vogelrichtlijngebied ligt dat is aangewezen met toepassing van artikel 36bis van het Natuurdecreet, met uitzondering van de woongebieden in de ruime zin;
in een Habitatgebied ligt dat is aangewezen met toepassing van artikel 36bis van het Natuurdecreet;
in een waterrijk gebied ligt dat is aangewezen krachtens de overeenkomst inzake watergebieden die van internationale betekenis zijn, in het bijzonder als woongebied voor watervogels, opgemaakt in Ramsar op 2 februari 1971;
in een park of bos ligt, zoals gedefinieerd in het Bosdecreet van 13 juni 1990;
de opmaak van een passende beoordeling vereist.

 

§5. Het Departement Mobiliteit en Openbare Werken verleent advies als een mobiliteitsstudie of een project-MER, die een mobiliteitsstudie omvat, bij de vergunningsaanvraag gevoegd moet worden.

 

§6. De wegbeheerder verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag op minder dan dertig meter van het domein van autosnelwegen, hoofdwegen of primaire wegen categorie I volgens het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen of langs gewestwegen ligt.

 

§7. Infrabel wordt om advies verzocht en kan advies verlenen als het voorwerp van de vergunningsaanvraag op minder dan twintig meter van de vrije rand van bestaande of geplande spoorlijnen ligt.

 

§8. De adviesinstanties, vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, verlenen advies in de gevallen, vermeld in artikel 3 van het voormelde besluit.

 

§9. De provincie verleent advies als een machtiging vereist is voor werken van verbetering en werken van wijziging aan onbevaarbare waterlopen van tweede en derde categorie conform artikel 12 en artikel 14 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen, tenzij de vergunningsaanvrager al over een machtiging voor die werken beschikt.

 

§10. Het havenbedrijf verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag binnen een havengebied ligt waarvan de grenzen zijn vastgesteld conform artikel 3, §1, van het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens.

 

§11. De afdeling Kust van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust verleent advies over aanvragen met betrekking tot gebieden die zeewaarts van de veiligheidslijn of in de landwaartse zone die paalt aan die veiligheidslijn, liggen. Deze veiligheidslijn en de landwaartse zone worden als volgt gedefinieerd:

 

voor bebouwde gebieden langs de kustlijn is de veiligheidslijn de meest zeewaartse grens van de bebouwing en heeft de landwaartse zone een breedte van 25 meter ten opzichte van die veiligheidslijn;
voor onbebouwde gebieden langs de kustlijn is de veiligheidslijn de hoogtelijn van de 7 meter TAW aan de landzijde van de duin en heeft de landwaartse zone een breedte van 25 meter ten opzichte van die veiligheidslijn. Die zone wordt echter altijd begrensd door de noordelijke grens van de gewestweg N34;

voor de havens van Nieuwpoort, Oostende, Blankenberge en Zeebrugge is de veiligheidslijn de kruinlijn van de kaaimuur of glooiing die de afbakening vormt van het getijdengebied, uitgebreid met het Visserij- en Vuurtorendok in Oostende, en heeft de landwaartse zone een breedte van vijftig meter ten opzichte van die veiligheidslijn. 

 

§12. Het Departement Landbouw en Visserij verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag:

verband houdt met landbouw, ongeacht de bestemming van het gebied;

toepassing vraagt van de bepalingen van artikel 4.4.3 tot en met 4.4.9, artikel 4.4.23 en artikel 4.4.26, §2, van de VCRO, in gebieden die een agrarische bestemming hebben.

   

§13. Het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle wordt om advies verzocht en kan advies verlenen als het voorwerp van de vergunningsaanvraag betrekking heeft op bestaande of nieuwe vestigingen van Seveso-inrichtingen en als het ligt op minder dan twee kilometer van een nucleaire inrichting die federaal vergund is en die conform artikel 3.1, a), van het ARBIS is ingedeeld in klasse I.

 

§14. De afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag in een gebied ligt dat bestemd is als ontginningsgebied of een daarmee vergelijkbaar gebied.

 

§15. De afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag handelt over:

 

de bouw van, de uitbreiding van of een functiewijziging naar een school, een ziekenhuis of een woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning, gelegen op minder dan twee kilometer van een Seveso-inrichting;
de bouw van, de uitbreiding van of een functiewijziging naar een voor publiek toegankelijk gebouw, met een toegankelijke oppervlakte van minstens 400 vierkante meter, gelegen op minder dan twee kilometer van een Seveso-inrichting;
de aanleg van of de uitbreiding naar een voor publiek toegankelijk gebied, inclusief recreatiegebied, waarbij de gemiddelde aanwezigheid minstens 200 personen per dag is of waarbij op piekmomenten minstens 1000 personen aanwezig zijn, gelegen op minder dan twee kilometer van een Seveso-inrichting;
de bouw van een windturbine, gelegen op minder dan vierhonderdvijftig meter van een Seveso-inrichting;
de bouw van een pijpleiding van andere vloeibare stoffen en gassen dan water, gelegen op minder dan achthonderdtachtig meter van een Seveso-inrichting;
de bouw van een hoogspanningsleiding, gelegen op minder dan honderdtachtig meter van een Seveso-inrichting.

 

§16. Het Directoraat-Generaal Luchtvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer wordt om advies verzocht en kan advies verlenen als het voorwerp van de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een constructie die een van de hierna vermelde hoogtes overschrijdt:

zestig meter boven het maaiveld; 
een hoogte die per gemeente of per duidelijk omschreven gebied ten opzichte van het maaiveld is bepaald.

 

De minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, bepaalt de hoogte, vermeld in het eerste lid, 2°, rekening houdend met het gezamenlijk voorstel van de federale ministers bevoegd voor de Luchtvaart en de Defensie. Deze hoogte wordt per gemeente of per duidelijk omschreven gebied bepaald teneinde de burgerlijke en militaire luchtvaartterreinen, de visuele luchtvaartroutes, de militaire luchtvaartzones en de burgerlijke en militaire luchtvaartinstallaties voor communicatie, navigatie en toezicht (CNS) te beschermen.

 

§17. De ASTRID-veiligheidscommissie, bedoeld in het koninklijk besluit van 25 juli 2008 tot vaststelling van de nadere regels voor de samenstelling en de werking van de ASTRID-veiligheidscommissie en tot precisering van de opdrachten daarvan, wordt om advies verzocht en kan advies verlenen als het voorwerp van de vergunningsaanvraag betrekking heeft op:

voor publiek toegankelijke bouw- en infrastructuurwerken waar, omwille van de dagelijkse activiteiten of bijzondere evenementen die er plaats vinden, een toeloop van meer dan 150 mensen te verwachten valt;
bouw- en infrastructuurwerken die beschikken over een ondergrondse ruimte, groter dan 25 m2, die voor het publiek toegankelijk is of waarin gevaarlijke stoffen of preparaten in de zin van artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot regeling van de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke mengsels met het oog op het op de markt brengen of het gebruik ervan opgeslagen zijn;
bouw- en infrastructuurwerken die al dan niet toegankelijk zijn voor het publiek waarvan de grondoppervlakte meer dan 2.500 m2 bedraagt.

  


Art. 36.

De adviesinstantie, vermeld in artikel 35, § 2, geeft haar advies over de aangevraagde stedenbouwkundige handelingen of het aangevraagde verkavelen van gronden conform titel IV, hoofdstuk III van de VCRO.

 

De adviesinstanties, vermeld in artikel 35, § 3 tot en met § 16, geven hun advies over de aangevraagde stedenbouwkundige handelingen of het aangevraagde verkavelen van gronden conform artikel 4.3.3. en 4.3.4. van de VCRO.


Afdeling 3.
De instanties die advies verlenen over de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, en de inhoud van de adviezen


Art. 37.

§1. Over vergunningsaanvragen of beroepen die betrekking hebben op de exploitatie van een vergunningsplichtige ingedeelde inrichting of activiteit wordt advies verleend door de instanties en in de gevallen vermeld in dit artikel.

 

§2. De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, verleent advies in de volgende gevallen:

als de Vlaamse Regering [...] de bevoegde overheid is en het gaat om een aanvraag van een vergunning of een beroep tegen de beslissing over een aanvraag van een vergunning voor de exploitatie:
  a)  van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste klasse;
  b) van een of meer indelingsrubrieken die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter A zijn aangeduid en die aanvraag is ingediend uiterlijk op 31 december 2017;
  c)

van een of meer van de volgende indelingsrubrieken die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter A zijn aangeduid en die aanvraag is ingediend uiterlijk op 31 december 2018: rubriek 2.1.1, a), 1°, rubriek 2.1.2, b), 1°, rubriek 2.2.2, c), 3°, rubriek 2.2.3, e), 1°, rubriek 2.2.3, f), 1°, rubriek 2.2.5, a), 2°, rubriek 2.2.5, e), 2°, rubriek 2.3.2, a), 1°, rubriek 2.3.2, e), 1°, rubriek 2.3.3, a), 1°, rubriek 4.3, a), 3°, rubriek 4.3, b), 3), rubriek 4.3, c), 3), rubriek 6.5, rubriek 7, rubriek 13.2, rubriek 16.10, rubriek 19.3, rubriek 20, rubriek 22.1, rubriek 23.2, rubriek 27.1, rubriek 28.2, a), 3°, rubriek 28.3, rubriek 29, rubriek 30.10, rubriek 31.1, rubriek 32.7, 3°, rubriek 32.8.1, 1°, c), rubriek 36.3, rubriek 39.1, 3°, rubriek 40.1, rubriek 41.1, rubriek 41.2, rubriek 41.6, rubriek 42.4, rubriek 44.1, rubriek 45.4, b) , rubriek 45.8, rubriek 59 en rubriek 61;

als de deputatie de bevoegde overheid is en het gaat om:

  a) een aanvraag, vermeld in punt 1°,;
  b) een beroep tegen de beslissing over een aanvraag van een vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de tweede klasse;
als het college van burgemeester en schepenen de bevoegde overheid is en het gaat om een aanvraag, vermeld in punt 1°, b) en c); 

 

De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, kan subadviezen inwinnen van:

de nv Aquafin;
het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle;
iedere dienst, instelling of organisatie die activiteiten ontwikkelt op het vlak van energie, leefmilieu, waterbeleid, landinrichting, natuurbehoud, ruimtelijke ordening, veiligheid of mobiliteit.

 

Tenzij het anders is bepaald in de adviesvraag, verlenen de instanties, vermeld in het tweede lid, het subadvies binnen een vervaltermijn van twintig dagen.

 

De vervaltermijn, vermeld in het derde lid, gaat in op de dag na de dag van ontvangst van de subadviesvraag.

 

Het tweede tot het vierde lid zijn niet van toepassing als de instanties, vermeld in het tweede lid, in het kader van de vergunningsaanvraag of het beroep over een eigen adviesbevoegdheid op het vlak van milieu beschikken.

 

§3. De afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, verleent advies in de volgende gevallen:

als het gaat om een beroep waarop de gewone vergunningsprocedure van toepassing is;
als de Vlaamse Regering de bevoegde overheid is in eerste administratieve aanleg voor een aanvraag waarop de gewone vergunningsprocedure van toepassing is.

 

§4. De OVAM verleent advies als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een indelingsrubriek die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter O is aangeduid.

 

§5. De afdeling van de VMM, bevoegd voor grondwater, verleent advies als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een indelingsrubriek die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter W is aangeduid.

 

§6. De afdeling van de VMM, bevoegd voor het lozen van afvalwater en de emissie van afvalgassen in de atmosfeer, verleent advies als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een indelingsrubriek die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter M is aangeduid.

 

§7. De afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, verleent advies als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de aanvraag of schrapping van een indelingsrubriek die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter Y is aangeduid.

 

§8. De afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, verleent advies als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een indelingsrubriek die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter N is aangeduid.

 

§9. De afdeling, bevoegd voor het toezicht Volksgezondheid, verleent advies als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een indelingsrubriek die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter G is aangeduid.

 

§10. Het Vlaams Energieagentschap verleent advies in de volgende gevallen:

als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een indelingsrubriek die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter E is aangeduid;
als een energiestudie of een energieplan bij de vergunningsaanvraag gevoegd moet worden.

 

§11. Het Departement Mobiliteit en Openbare Werken verleent advies als een mobiliteitsstudie of een project-MER, die een mobiliteitsstudie omvat, bij de vergunningsaanvraag gevoegd moet worden.

 

§12. Het Agentschap voor Natuur en Bos verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag:

in een ruimtelijk kwetsbaar gebied ligt;
in een speciale beschermingszone ligt die is aangewezen met toepassing van artikel 36bis van het Natuurdecreet of op minder dan 750 meter daarvandaan ligt;
in een waterrijk gebied ligt dat is aangewezen krachtens de overeenkomst inzake watergebieden die van internationale betekenis zijn, in het bijzonder als woongebied voor watervogels, opgemaakt in Ramsar op 2 februari 1971, of op minder dan 750 meter daarvandaan ligt;
in een park of bos ligt zoals gedefinieerd in het Bosdecreet van 13 juni 1990;
de opmaak van een passende beoordeling vereist.

 

§13. De adviesinstanties, vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, verlenen advies in de gevallen, vermeld in artikel 3 van het voormelde besluit.

 

§14. Het agentschap van het beleidsdomein Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed dat belast is met de uitvoering van het beleid inzake onroerend erfgoed verleent advies over vergunningsaanvragen die betrekking hebben op ingedeelde inrichtingen of activiteiten in of aan een voorlopig of definitief beschermde archeologische site, een voorlopig of definitief beschermd monument, een voorlopig of definitief beschermd cultuurhistorisch landschap of een voorlopig of definitief beschermd stads- of dorpsgezicht, in voorkomend geval met inbegrip van de overgangszones, vermeld in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.

 

In afwijking van het eerste lid wordt het advies verleend door de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed als een beroep middelen opwerpt over het advies van het agentschap, vermeld in het eerste lid, of over de behandeling van dat advies door de overheid, bevoegd in eerste administratieve aanleg.

 

§15. Het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle wordt om advies verzocht en kan advies verlenen over de volgende inrichtingen:

de inrichtingen van klasse I, vermeld in artikel 3.1, a), van het ARBIS;
de inrichtingen, vermeld in artikel 3.1, b), 1, van het ARBIS;
de inrichtingen van klasse II, vermeld in artikel 3.1, b), van het ARBIS, waar zich een of meer deeltjesversnellers bevinden die gebruikt worden voor onderzoek of voor de productie van radionucliden, met uitzondering van elektronische microscopen, alsook de inrichtingen waar die deeltjesversnellers worden vervaardigd of getest;
de inrichtingen van klasse II, vermeld in artikel 3.1, b), van het ARBIS, waar zich bestralingsinstallaties bevinden met een bron waarvan de activiteit gelijk is aan of hoger ligt dan 100 TBq, met uitzondering van bestralingseenheden voor de behandeling van patiënten, met uitzondering van bronnen die in alle omstandigheden in hun afscherming blijven;
de inrichtingen van klasse II, vermeld in artikel 3.1, b), van het ARBIS, waar radioactieve stoffen worden verpakt voor verkoop in industriële hoeveelheden.

 

§16. Het Departement Landbouw en Visserij verleent advies over de inrichtingen of activiteiten inzake aquacultuur, vermeld in rubriek 62 van de indelingslijst.


Art. 38.

§1. Het advies van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, bevat:

een gemotiveerde beoordeling van de aanvaardbaarheid van de hinder en de risico’s voor mens en milieu, afkomstig van de exploitatie van de aangevraagde ingedeelde inrichting of activiteit;
als de exploitatie van de aangevraagde ingedeelde inrichting of activiteit aanvaardbaar wordt geacht:
  a) een verwijzing naar de algemene en sectorale milieuvoorwaarden;
  b) in voorkomend geval, bijzondere milieuvoorwaarden.

 

§2. Het advies van de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, bevat:

de stedenbouwkundige voorschriften die van toepassing zijn op de percelen waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft;
een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de aangevraagde inrichting of activiteit met de omgeving en de goede ruimtelijke ordening.

 

§3. Het advies van de OVAM bevat een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de aangevraagde ingedeelde inrichting of activiteit met de bepalingen van de sectorale uitvoeringsplannen en met een duurzaam beheer van afvalstoffen, materiaalkringlopen en materialen.

 

§4. Het advies van de afdeling van de VMM, bevoegd voor grondwater, bevat een gemotiveerde beoordeling van de aangevraagde ingedeelde inrichting of activiteit wat betreft de verenigbaarheid met het grondwaterbeheersbeleid, het aantal aan te leggen peilputten en filters conform artikel 5.53.4.2 van titel II van het VLAREM, de kwantitatieve en kwalitatieve effecten op het beheer van de watervoerende of de ontvangende grondwaterlaag en de eventuele effecten op de andere watervoerende lagen enerzijds, en op de openbare en private bovengrondse eigendommen anderzijds.

 

§5. Het advies van de afdeling van de VMM, bevoegd voor het lozen van afvalwater en de emissie van afvalgassen in de atmosfeer, bevat de volgende gegevens:

met betrekking tot het lozen van afvalwater:
  a) een gemotiveerde beoordeling van de herkomst van het afvalwater en de verenigbaarheid van de aangevraagde lozing met het algemene waterzuiveringsprogramma en, in geval van rechtstreekse of onrechtstreekse lozing in oppervlaktewater, met de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater en met de geplande investeringen voor de zuivering van dat oppervlaktewater;
  b) in voorkomend geval, een gemotiveerd voorstel van de maximaal toelaatbare vuilvracht;
met betrekking tot de emissie van afvalgassen in de atmosfeer:
  a) een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de aangevraagde emissie met de kwaliteit van de omgevingslucht;
  b) in voorkomend geval, een gemotiveerd voorstel van de maximaal toelaatbare emissie.

 

§6. Het advies van de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, bevat:

 

een gemotiveerde beoordeling van het monitoringplan als het gaat omeen aanvraag van een Y-rubriek;
een gemotiveerde beoordeling van de documenten in de aanvraag die moeten aantonen dat een inrichting niet langer een inrichting met een BKG-installatie is als het gaat om een aanvraag tot schrapping van een Y-rubriek.

 

§7. Het advies van de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, bevat een gemotiveerde beoordeling van het beheer van de natuurlijke rijkdommen, het ontginningsbeleid en het gevaar voor grondverschuivingen of instortingen in de aangevraagde inrichting of activiteit.

 

§8. Het advies van de afdeling, bevoegd voor het toezicht Volksgezondheid, bevat een gemotiveerde beoordeling van de gezondheidsaspecten van de exploitatie van de aangevraagde ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§9. Het advies van het Vlaams Energieagentschap bevat:

een gemotiveerde beoordeling van het doelmatige gebruik van energie in de aangevraagde ingedeelde inrichting of activiteit als het gaat om een aanvraag die betrekking heeft op een indelingsrubriek die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter E is aangeduid;
een gemotiveerde beoordeling van het energieplan of de energiestudie, vermeld in artikel 6.5.1 tot en met 6.5.8 van het Energiebesluit van 19 november 2010, in de gevallen, vermeld in artikel 37, §10, 2°, van dit besluit.

 

§10. Het advies van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken bevat een gemotiveerde beoordeling van de lokale en bovenlokale mobiliteitseffecten of -hinder ten gevolge van de exploitatie van de aangevraagde ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§11. Het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos bevat:

een gemotiveerde beoordeling of de exploitatie van de aangevraagde inrichting of activiteit al dan niet een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, aangewezen door de Vlaamse Regering met toepassing van artikel 36bis van het Natuurdecreet, kan veroorzaken als vermeld in artikel 36ter, §3, van voormeld decreet;
een gemotiveerde beoordeling of de exploitatie van de aangevraagde inrichting of activiteit al dan niet een onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het Vlaams Ecologisch Netwerk kan veroorzaken;
in voorkomend geval, een gemotiveerde beoordeling van de afwijkingsmogelijkheden, vermeld in artikel 26bis, §3, en 36ter, §5, van het Natuurdecreet.

 

§12. Het advies van de adviesinstanties, vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, bevat de gegevens, vermeld in artikel 7, §1, van het voormelde besluit.

 

§13. Het advies van het agentschap van het beleidsdomein Omgeving dat belast is met de uitvoering van het beleid inzake onroerend erfgoed, respectievelijk de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed bevat een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de aangevraagde ingedeelde inrichting of activiteit met het actief- en passiefbehoudsbeginsel en de bepalingen van het beschermingsbesluit van het betrokken onroerend erfgoed, en preciseert welke rechtsgevolgen, vermeld in artikel 6.4.4, §3, vierde lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, van toepassing zijn.

 

§14. Het advies van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle bevat een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de exploitatie van de aangevraagde ingedeelde inrichting of activiteit met de risico’s van ioniserende straling voor mens en leefmilieu.

 

§15. Het advies van het Departement Landbouw en Visserij over de inrichtingen inzake aquacultuur, vermeld in rubriek 62 van de indelingslijst, bespreekt de risico’s en mogelijke risicobeperkende maatregelen met betrekking tot de introductie van exoten in open aquacultuurvoorzieningen of de verplaatsing van plaatselijk niet-voorkomende soorten binnen hun natuurlijke verspreidingsgebied als vermeld in artikel 2, 6, 7, 9 en 18 van verordening (EG) nr. 708/2007 van de Raad van 11 juni 2007 inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur.


Afdeling 4.
De instanties die advies verlenen over kleinhandelsactiviteiten, en de inhoud van de adviezen


Art. 38/1.

§ 1. Over vergunningsaanvragen of beroepen die betrekking hebben op het uitvoeren van vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten, wordt advies verleend door de instanties en in de gevallen vermeld in dit artikel.

 

§ 2. Het Agentschap Innoveren en Ondernemen verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag betrekking heeft op projecten voor kleinhandelsactiviteiten met een netto handelsoppervlakte van 1000 vierkante meter of meer.

 

Het Agentschap Innoveren en Ondernemen kan het subadvies inwinnen van het Comité voor Kleinhandel, vermeld in artikel 8 van het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid.

 

Tenzij het anders is bepaald in de adviesvraag, verleent de instantie, vermeld in het tweede lid, het subadvies binnen een vervaltermijn van twintig dagen.

 

De vervaltermijn, vermeld in het derde lid, gaat in op de dag na de dag van ontvangst van de subadviesvraag.


Art. 38/2.

Het advies van het Agentschap Innoveren en Ondernemen bevat een toetsing aan de beoordelingsgronden, vermeld in artikel 13 van het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid, en, in voorkomend geval, het Vlaams beleidskader integraal handelsvestigingsbeleid, vermeld in artikel 5 van het voormelde decreet.


Afdeling 5.
De instanties die advies verlenen over vegetatiewijzigingen, en de inhoud van de adviezen


Art. 38/3.

§ 1. Het Agentschap voor Natuur en Bos verleent advies over vergunningsaanvragen of beroepen die betrekking hebben op het uitvoeren van vergunningsplichtige vegetatiewijzigingen.

 

§ 2. Het agentschap van het beleidsdomein Omgeving dat belast is met de uitvoering van het beleid inzake onroerend erfgoed verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag betrekking heeft op gronden die liggen in een voorlopig of definitief beschermde archeologische site, een voorlopig of definitief beschermd monument, een voorlopig of definitief beschermd cultuurhistorisch landschap of een voorlopig of definitief beschermd stads- of dorpsgezicht, in voorkomend geval met inbegrip van de overgangszones, vermeld in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 voor zover een toelating vereist conform artikel 6.4.4, § 3, tweede lid, van voormeld decreet.

 

In afwijking van het eerste lid wordt het advies verleend door de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed als een beroep middelen opwerpt over het advies van het agentschap, vermeld in het eerste lid, of over de behandeling van dat advies door de overheid, bevoegd in eerste administratieve aanleg.


Art. 38/4.

§ 1. Het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos, bevat een toetsing aan de beoordelingsgronden, vermeld in artikel 15 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu alsook een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de aangevraagde vegetatiewijzigingen met de natuurzorgplicht, zoals voorzien in artikel 14, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.

 

§ 2. Het advies van het agentschap van het beleidsdomein Omgeving dat belast is met de uitvoering van het beleid inzake onroerend erfgoed, respectievelijk de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed bevat een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de aangevraagde vegetatiewijzigingen met het actief- en passiefbehoudsbeginsel en de bepalingen van het beschermingsbesluit van het betrokken onroerend erfgoed, en preciseert welke rechtsgevolgen, vermeld in artikel 6.4.4, § 3, vierde lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, van toepassing zijn.


Hoofdstuk 7.
De omgevingsvergunningscommissies


Afdeling 1.
Samenstelling van de omgevingsvergunningscommissies


Art. 39.

De volgende personen en instanties maken, conform artikel 16, § 2, van het decreet van 25 april 2014, deel uit van de POVC:

de voorzitter, aangewezen conform artikel 16, § 2, van het decreet van 25 april 2014, met stemrecht;
de secretaris, aangewezen conform artikel 16, § 2, van het decreet van 25 april 2014, zonder stemrecht;
deskundigen, aangewezen conform het tweede en derde lid, met stemrecht;
in voorkomend geval, het adviserend schepencollege met raadgevende stem;
de vertegenwoordigers van de adviesinstanties, vermeld in artikel 35, 37, 38/1 en 38/3 van dit besluit, met stemrecht, voor de vergunningsdossiers waarvoor ze advies moeten verlenen.

 

De deputatie wijst een deskundige en zijn plaatsvervanger aan op grond van hun bijzondere wetenschappelijke of technische bekwaamheid inzake ruimtelijke ordening, voor een periode van vier jaar. De deputatie wijst eveneens een deskundige en zijn plaatsvervanger aan op grond van hun bijzondere wetenschappelijke of technische bekwaamheid inzake milieu, voor een periode van vier jaar. De mandaten zijn telkens hernieuwbaar voor een periode van vier jaar.

 

De deskundige of zijn plaatsvervanger die is aangewezen op grond van zijn bekwaamheid inzake ruimtelijke ordening, zetelt in de POVC als de vergunningsaanvraag, het beroep of het verzoek of initiatief tot ambtshalve bijstelling betrekking heeft op stedenbouwkundige handelingen of het verkavelen van gronden. De deskundige of zijn plaatsvervanger die is aangewezen op grond van zijn bekwaamheid inzake milieu, zetelt in de POVC als de vergunningsaanvraag, het beroep of het verzoek of initiatief tot ambtshalve bijstelling betrekking heeft op de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten of als het een vraag tot omzetting van een milieuvergunning als vermeld in artikel 390, § 4, van het decreet van 25 april 2014, betreft.

 

De deskundigen en hun respectieve plaatsvervangers ontvangen een vergoeding van 100 euro per zitting van de POVC waarop zij aanwezig zijn. Deze vergoeding wordt aangerekend op de begroting van de betrokken provincie.


Art. 40.

§1. De volgende personen en instanties maken, conform artikel 16, §2, van het decreet van 25 april 2014, deel uit van de GOVC:

de voorzitter, aangewezen conform paragraaf 2, met stemrecht;
de secretaris, aangewezen conform paragraaf 3, zonder stemrecht;
deskundigen, aangewezen conform paragraaf 4, met stemrecht;
het adviserend schepencollege met raadgevende stem;

de vertegenwoordigers van de adviesinstanties, vermeld in artikel 35, 37, 38/1 en 38/3 van dit besluit, met stemrecht, voor de vergunningsdossiers waarvoor ze advies moeten verlenen. 

 

§2. Een personeelslid van het departement van niveau A dat de secretaris-generaal van het departement heeft aangewezen, zit de GOVC voor.

 

[...]
 

De afdelingshoofden van de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, of hun gemachtigden bepalen in onderling overleg wie van hen het voorzitterschap waarneemt als de vergunningsaanvraag of het beroep betrekking heeft op zowel stedenbouwkundige handelingen als de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten.

 

§3. De secretaris van de GOVC is een personeelslid van het departement dat de secretaris-generaal van het departement heeft aangewezen.


De afdelingshoofden van de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, of hun gemachtigden bepalen in onderling overleg wie van de aangewezen ambtenaren, vermeld in het eerste lid, de functie van secretaris waarneemt als de vergunningsaanvraag of het beroep betrekking heeft op zowel stedenbouwkundige handelingen als de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten. 

 

§4. De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, wijzen elk twee deskundigen en twee plaatsvervangers aan op grond van hun bijzondere wetenschappelijke en technische bekwaamheid inzake ruimtelijke ordening, respectievelijk milieu, voor een periode van vier jaar. Dat mandaat is hernieuwbaar telkens voor een periode van vier jaar.

 

De deskundigen of hun plaatsvervangers die zijn aangewezen op grond van hun bekwaamheid inzake ruimtelijke ordening, zetelen in de GOVC als de vergunningsaanvraag, het beroep of het verzoek of initiatief tot ambtshalve bijstelling betrekking heeft op stedenbouwkundige handelingen of het verkavelen van gronden. De deskundigen of hun plaatsvervangers die zijn aangewezen op grond van hun bekwaamheid inzake milieu, zetelen in de GOVC als de vergunningsaanvraag, het beroep of het verzoek of initiatief tot ambtshalve bijstelling betrekking heeft op de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten of als het een vraag tot omzetting van een milieuvergunning als vermeld in artikel 390, §4, van het decreet van 25 april 2014, betreft.

 

De deskundigen en hun respectieve plaatsvervangers ontvangen een vergoeding van 100 euro per zitting van de GOVC waarop zij aanwezig zijn.

 


Afdeling 2.
Advisering door en werking van de omgevingsvergunningscommissies


Art. 41.

Het college van burgemeester en schepenen, de gemeentelijke omgevingsambtenaar of een persoon die gemachtigd is door het college van burgemeester en schepenen of door de gemeentelijke omgevingsambtenaar, vraagt het advies van de POVC over vergunningsaanvragen voor projecten of voor veranderingen aan projecten die de gewone vergunningsprocedure doorlopen en die beantwoorden aan een van de volgende voorwaarden:

de vergunningsaanvraag wordt ingediend:
  a) uiterlijk op 31 december 2017 en heeft betrekking op een of meer indelingsrubrieken die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter A zijn aangeduid;
  b) uiterlijk op 31 december 2018 en heeft betrekking op een of meerdere van de volgende indelingsrubrieken: rubriek 2.1.1, a), 1°, rubriek 2.1.2, b), 1°, rubriek 2.2.2, c), 3°, rubriek 2.2.3, e), 1°, rubriek 2.2.3, f), 1°, rubriek 2.2.5, a), 2°, rubriek 2.2.5, e), 2°, rubriek 2.3.2, a), 1°, rubriek 2.3.2, e), 1°, rubriek 2.3.3, a), 1°, rubriek 4.3, a), 3°, rubriek 4.3, b), 3) , rubriek 4.3, c), 3) , rubriek 6.5, rubriek 7, rubriek 13.2, rubriek 16.10, rubriek 19.3, rubriek 20, rubriek 22.1, rubriek 23.2, rubriek 27.1, rubriek 28.2, a), 3°, rubriek 28.3, rubriek 29, rubriek 30.10, rubriek 31.1, rubriek 32.7, 3°, rubriek 32.8.1, 1°, c), rubriek 36.3, rubriek 39.1, 3°, rubriek 40.1, rubriek 41.1, rubriek 41.2, rubriek 41.6, rubriek 42.4, rubriek 44.1, rubriek 45.4, b), rubriek 45.8, rubriek 59 en rubriek 61.”;
een project-MER is opgesteld of een ontheffing van de rapportageverplichting is verkregen;
de opmaak van een mobiliteitseffectenrapport is vereist;
minstens vijf adviezen als vermeld in artikel 35, 37, 38/1 en 38/3, moeten worden ingewonnen, de adviezen van de afdeling RO en de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, niet inbegrepen.
het gaat om een aanvraag met betrekking tot kleinhandelsactiviteiten met een netto handelsoppervlakte van meer dan 20.000 vierkante meter.

 
De deputatie, de provinciale omgevingsambtenaar of een persoon die de deputatie of de provinciale omgevingsambtenaar gemachtigd heeft vraagt het advies van de POVC over vergunningsaanvragen voor projecten of voor veranderingen aan projecten die de gewone vergunningsprocedure doorlopen en die beantwoorden aan een van de volgende voorwaarden:

de deputatie is de in eerste administratieve aanleg bevoegde overheid en de aanvraag beantwoordt aan een van de volgende voorwaarden:
  a)  het gaat om een aanvraag van een vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste klasse;
  b) een project-MER is opgesteld of een ontheffing van de rapportageverplichting is verkregen;
  c) de opmaak van een mobiliteitseffectenrapport is vereist;
  d) minstens vijf adviezen als vermeld in artikel 35, 37, 38/1 en 38/3 moeten worden ingewonnen, de adviezen van de afdeling RO en de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, niet inbegrepen;
  e) het gaat om een aanvraag met betrekking tot kleinhandelsactiviteiten met een netto handelsoppervlakte van meer dan 20.000 vierkante meter;
het gaat om een beroep tegen een beslissing van het college van burgemeester en schepenen, waarbij de POVC de vergunningsaanvraag in eerste administratieve aanleg conform het eerste lid moest adviseren;
het gaat om een beroep tegen een beslissing van het college van burgemeester en schepenen over een vergunningsaanvraag voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de tweede klasse.

Art. 42.

De Vlaamse Regering, de gewestelijke omgevingsambtenaar of een persoon die gemachtigd is door de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar, vraagt het advies van de GOVC over vergunningsaanvragen voor projecten of voor veranderingen aan projecten die de gewone vergunningsprocedure doorlopen en die beantwoorden aan een van de volgende voorwaarden:

 

de Vlaamse Regering is de in eerste administratieve aanleg bevoegde overheid en de aanvraag beantwoordt aan een van de volgende voorwaarden:

  a) het gaat om een aanvraag van een vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste klasse;
  b) een project-MER is opgesteld of een ontheffing van de rapportageverplichting is verkregen;
  c) de opmaak van een mobiliteitseffectenrapport is vereist;
  d) minstens vijf adviezen als vermeld in artikel 35, 37, 38/1 en 38/3, moeten worden ingewonnen, de adviezen van de afdeling RO en de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, niet inbegrepen;
het gaat om een beroep tegen de beslissing van de deputatie, waarbij de POVC de vergunningsaanvraag in eerste administratieve aanleg conform artikel 41, tweede lid, moest adviseren.

Art. 43.

§ 1. De POVC en de GOVC vergaderen minstens eenmaal per maand. Ze vergaderen verschillende keren per maand als de uitoefening van hun bevoegdheden dat noodzakelijk maakt.

 

§ 2. De voorzitters van de omgevingsvergunningscommissies stellen de agenda van de vergadering vast. Ze houden daarbij rekening met de na te leven adviestermijnen. De secretaris van de omgevingsvergunningscommissie roept de leden van de commissie ten minste één week op voorhand op voor de vergadering. Tegelijk met de oproeping stelt hij de agenda van de vergadering ter beschikking.


Art. 44.

Als een vergunningsaanvrager gevraagd heeft om door de POVC of de GOVC te worden gehoord, wordt deze persoon uitgenodigd.

 

Als de beroepsindiener gevraagd heeft om door de POVC of de GOVC gehoord te worden, wordt zowel de beroepsindiener als de vergunningsaanvrager uitgenodigd, ook als de vergunningsaanvrager niet uitdrukkelijk gevraagd heeft om gehoord te worden.

 

De voorzitter of de secretaris kan afhankelijk van de agenda de spreektijd en het maximale aantal vertegenwoordigers van de vergunningsaanvrager of beroepsindiener bepalen.


Art. 45. Na beraadslaging over het vergunningsdossier en rekening houdend met alle beschikbare dossierstukken, gegevens en informatie, formuleert de omgevingsvergunningscommissie een geïntegreerd advies. Als het advies niet met eenparigheid van stemmen wordt uitgebracht, worden ook de minderheidsstandpunten in het advies vermeld.

Art. 46.

Het advies van de omgevingsvergunningscommissie bevat minstens:

een gemotiveerde beoordeling van het aangevraagde, onder meer rekening houdend met
  a) in voorkomend geval, de beoordelingsgronden, vastgesteld bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 3, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014;
  b) de verschillende uitgebrachte adviezen;
een gemotiveerde beoordeling van eventuele standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek;
in voorkomend geval, een gemotiveerd voorstel van:
  a) de duur van de omgevingsvergunning;
  b) de voorwaarden en lasten.

Hoofdstuk 8.
Beslissing over de zaak van de wegen


Art. 47.

Als de vergunningsaanvraag wegenwerken omvat waarvoor de gemeenteraad beslissingsbevoegdheid heeft, neemt de gemeenteraad daarover een besluit. De gemeenteraad neemt daarbij kennis van de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek.

 

Uiterlijk tien dagen na de gemeenteraadszitting stelt de gemeente de gemeenteraadsbeslissing ter beschikking hetzij van de bevoegde omgevingsvergunningscommissie als die advies moet verlenen, hetzij van het bevoegde bestuur als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is.


Hoofdstuk 9.
De beslissing


Afdeling 1.
Inhoud van de beslissing


Art. 48.

§1. De beslissing over de vergunningsaanvraag bevat ten minste de volgende gegevens:

de datum van de vergunningsaanvraag en, in voorkomend geval, de datum van de indiening van het beroep;
de ligging van het voorwerp van de vergunningsaanvraag;
de naam en het adres van de aanvrager of exploitant;
in voorkomend geval, een verwijzing naar de adviezen die de adviesinstanties, vermeld in artikel 35, 37, 38/1 of 38/3, het adviserend schepencollege en, in voorkomend geval, de POVC of de GOVC hebben uitgebracht in de aanleg in kwestie, en de wijze waarop daarmee is omgegaan;
als een OVR is opgemaakt: een verwijzing naar de beslissing over de goedkeuring van het OVR en de wijze waarop met het OVR is omgegaan;
5°/1 als een project-MER is opgemaakt:
  a) de gemotiveerde conclusie van de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, over de aanzienlijke effecten van het project op het milieu. Bij het nemen van de gemotiveerde conclusie wordt rekening gehouden met de resultaten van het onderzoek van de afdeling, bevoegd voor veiligheids- milieueffectenrapportage, vermeld in artikel 4.3.8, § 2, van het DABM, en met de adviezen, standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn uitgebracht in het kader van de gevolgde vergunningsprocedure;
  b) een beschrijving van alle kenmerken van het project of de geplande maatregelen om aanzienlijke nadelige effecten op het milieu te vermijden, te voorkomen of te beperken en, indien mogelijk, te compenseren en, in voorkomend geval, monitoringsmaatregelen;
  c) in voorkomend geval de vaststelling van de procedures voor de monitoring van de aanzienlijke nadelige milieueffecten die door de aanvrager uitgevoerd moeten worden, als er op basis van andere wetgeving geen andere monitoringsregeling is vastgesteld.
in voorkomend geval, een verwijzing naar de aard van de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek in de aanleg in kwestie, en de wijze waarop daarmee werd omgegaan;
een motivering van de beslissing, onder meer rekening houdend met:
  a) in voorkomend geval, de beoordelingsgronden, vastgesteld bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 3, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014;
  b) in voorkomend geval, het ondeelbare karakter van de beslissing wegens het onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn van de vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen en de vergunningsplichtige exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten;
in voorkomend geval, de duur van de vergunning en de reden daarvoor;
in geval van vergunning, een verwijzing naar de termijnen, vermeld in artikel 99 en 101, respectievelijk 102 en 103 van het decreet van 25 april 2014;
10° in voorkomend geval, de voorwaarden en lasten die verbonden worden aan de omgevingsvergunning. In geval van algemene en sectorale milieuvoorwaarden kan conform artikel 47 van het decreet van 25 april 2014 volstaan worden met een verwijzing daarnaar. Als een afwijking van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden is toegestaan met toepassing van artikel 5.4.8 van het DABM, kan volstaan worden met een verwijzing naar die afwijking en de voorwaarden waaronder ze is verleend;
11° in voorkomend geval, de verschillende fasen of onderdelen van een project met eventueel daarbij behorende referentiemomenten;
12° de geactualiseerde vergunningssituatie op het vlak van de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten als de omgevingsvergunning betrekking heeft op de verandering van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit;
13° de mogelijkheid en de modaliteiten van beroep tegen de genomen beslissing.

 

§2. De geactualiseerde vergunningssituatie van het project, vermeld in paragraaf 1, 12°, omvat de volgende onderdelen:

alle vergunde of gemelde indelingsrubrieken van ingedeelde inrichtingen of activiteiten die deel uitmaken van het project;
in voorkomend geval, de capaciteit die of het vermogen dat maximaal toegestaan is voor de indelingsrubriek waaronder de ingedeelde inrichting of activiteit valt;
een opsomming van de bijzondere milieuvoorwaarden die al van toepassing zijn of dan worden opgelegd, met uitzondering van de bijzondere milieuvoorwaarden die als gevolg van hun tijdelijke karakter, van een veranderde exploitatie of van een wettelijke of reglementaire bepaling geen uitwerking meer hebben.

 

§3. De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, kunnen een of meer modelbesluiten vaststellen.


Art. 49.

De beslissing waarmee een omgevingsvergunning verleend wordt voor BKG-installaties, bevat naast de gegevens, vermeld in artikel 48, minstens de volgende gegevens:

de toelating tot de emissie van broeikasgassen die voor de inrichting relevant zijn;
de verplichting om binnen vier maanden na het einde van elk jaar een hoeveelheid emissierechten in te leveren. Die hoeveelheid ingeleverde emissierechten moet overeenkomen met de hoeveelheid BKG-emissies die de BKG-installatie in het voorgaande kalenderjaar heeft veroorzaakt, vermeerderd met de hoeveelheid BKG-emissies die de BKG-installatie heeft veroorzaakt in voorgaande jaren en waarvoor de exploitant nog geen emissierechten heeft ingeleverd.

 

In het eerste lid wordt verstaan onder BKG-installatie: een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten en processen die in de vierde kolom van de indelingslijst met de letter Y zijn aangeduid, alsook andere activiteiten die op dezelfde locatie uitgevoerd worden en die daarmee rechtstreeks samenhangen, plaatsvinden die technisch in verband staan met de voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging.


Art. 50.

De beslissing waarmee een omgevingsvergunning verleend wordt voor de exploitatie van een inrichting of activiteit die is ingedeeld op basis van indelingsrubriek 2.3.11, bevat naast de gegevens, vermeld in artikel 48, minstens de volgende gegevens:

het afvalbeheersplan of, in voorkomend geval, het herziene afvalbeheersplan, vermeld in subafdeling 5.2.6.2 van titel II van het VLAREM;
de financiële zekerheid, vermeld in subafdeling 5.2.6.8 van titel II van het VLAREM;
de voorgestelde locatie van de afvalvoorziening, met inbegrip van eventuele alternatieve locaties;
de categorie van de voorziening.

 

De bijkomende gegevens, vermeld in het eerste lid, zijn niet vereist in geval van beslissingen over inert afval, afval uit de winning, de behandeling en de opslag van turf, en niet-gevaarlijk niet-inert afval, tenzij ze worden gestort in een afvalvoorziening van categorie A, met uitzondering van de afvalvoorzieningen, vermeld in artikel 5.2.6.10.1, §3, van titel II van het VLAREM.


Art. 51.

De beslissing waarmee een omgevingsvergunning verleend wordt voor stortplaatsen van afval, bevat naast de gegevens, vermeld in artikel 48, minstens de volgende gegevens:

de stortplaatscategorie;
de lijst van de afvalsoorten en de totale hoeveelheid afvalstoffen die op de stortplaats mogen worden gestort
als dat niet begrepen wordt in de toepasselijke algemene en sectorale milieuvoorwaarden van titel II van het VLAREM:
  a) de voorschriften voor de stortvoorbereidingen, stortwerkzaamheden en toezichts- en controleprocedures, met inbegrip van urgentieplannen, alsook voorlopige voorschriften voor de sluitings- en nazorgwerkzaamheden; 
  b) de bepaling dat de exploitant ten minste eenmaal per jaar het rapport, vermeld in artikel 5.2.4.6.5 van titel II van het VLAREM, moet bezorgen aan de toezichthouder die conform titel XVI van het DABM, bevoegd is, en aan de OVAM.

 


Art. 52.

De beslissing waarmee een omgevingsvergunning verleend wordt voor een GPBV-installatie, bevat naast de gegevens, vermeld in artikel 48, minstens de volgende gegevens:

de titel van de BREF’s die voor de installatie of activiteit in kwestie relevant zijn;
de manier waarop de milieuvoorwaarden, vermeld in titel II en titel III van het VLAREM, waaronder emissiegrenswaarden, zijn vastgesteld in relatie tot de BBT en de BBT-GEN.

 

In het eerste lid wordt verstaan onder:

BBT: de beste beschikbare technieken;
BBT-GEN: met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus;
BREF: de BBT-referentiedocumenten die ter uitvoering van richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) worden opgesteld.

Art. 53. Als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op het oprichten, uitbreiden of afbreken van scheidingsmuren of muren die in aanmerking komen voor gemene eigendom, bevat de beslissing, in voorkomend geval, een verwijzing naar het standpunt van de eigenaars van de aanpalende percelen en de wijze waarop daarmee is omgegaan.

Afdeling 2.
Aanvang van de vergunningsduur


Art. 54.

De vergunningsduur neemt een aanvang op de dag dat conform artikel 35 en 49 van het decreet van 25 april 2014 mag worden gebruikgemaakt van de omgevingsvergunning. Als een schorsend administratief beroep wordt ingesteld tegen de beslissing of een onderdeel daarvan, neemt de vergunningsduur een aanvang op de dag na:

de dag van betekening van de definitieve beslissing;
het verstrijken van de termijn als er geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn, conform artikel 66 van het decreet;
de dag van betekening van de onontvankelijk- of onvolledigverklaring, vermeld in artikel 58, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.

 

In het geval meerdere schorsende administratieve beroepen zijn ingesteld tegen eenzelfde beslissing in eerste administratieve aanleg, neemt de vergunningsduur een aanvang op de laatste dag waarop uitspraak gedaan wordt over de ingestelde beroepen.


Afdeling 3.
Bekendmaking van de beslissing


Onderafdeling 1.
Algemene bepalingen


Art. 55. Tenzij het uitdrukkelijk anders is bepaald, wordt in deze afdeling verstaan onder beslissing: een uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing over een vergunningsaanvraag.

Art. 56.

De beslissing over een omgevingsvergunning wordt bekendgemaakt door:

in voorkomend geval, de aanplakking van een affiche op de plaats waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, conform artikel 59;
de publicatie op de website van de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, conform artikel 60;
in voorkomend geval, de publicatie in een dag- of weekblad, conform artikel 61;
in voorkomend geval, de individuele kennisgeving, conform artikel 62;
de analoge of digitale terinzagelegging van de beslissing in het gemeentehuis van de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, conform artikel 63.

 

In afwijking van het eerste lid wordt een beslissing over vergunningsaanvragen voor projecten of voor veranderingen aan projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten omvatten, bekendgemaakt door:

in voorkomend geval, de aanplakking van een affiche aan:
  a) het gemeentehuis van de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden in geval van mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten in één gemeente, conform artikel 59 van dit besluit;
  b) het provinciehuis van de provincie of provincies waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten uitgevoerd zal worden, conform artikel 59 van dit besluit;
de publicatie op de website van de bevoegde overheid, conform artikel 60 van dit besluit. Die publicatie geldt als aanplakking, als vermeld in artikel 35, eerste lid, artikel 49, eerste lid, en artikel 54, 3°, van het decreet van 25 april 2014;
in voorkomend geval, de publicatie in een dag- of weekblad, conform artikel 61 van dit besluit;
in voorkomend geval, de individuele kennisgeving, conform artikel 62 van dit besluit;
de analoge of digitale terinzagelegging van de beslissing in:
  a) het gemeentehuis van de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden in geval van mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten in één gemeente, conform artikel 63 van dit besluit;
  b) het provinciehuis van de provincie of provincies waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten uitgevoerd zal worden, conform artikel 63 van dit besluit.

 


Art. 57.

De gemeente stelt de tekst ter beschikking die gebruikt wordt voor de bekendmaking, vermeld in artikel 56, eerste lid, 1° tot en met 3°, en tweede lid, 1° tot en met 3°.

 

De tekst, vermeld in het eerste lid, bevat minstens de volgende gegevens:

op welke vergunningsplicht of vergunningsplichten, vermeld in artikel 5 van het decreet van 25 april 2014, de aanvraag betrekking heeft;
1/1° een beknopte omschrijving van het voorwerp van de vergunningsaanvraag;
de ligging van het voorwerp van de vergunningsaanvraag;
de naam van de aanvrager of exploitant. Als de aanvraag wordt ondertekend door een natuurlijk persoon namens een rechtspersoon, wordt alleen de naam van de rechtspersoon vermeld;
de overheid die de beslissing heeft genomen;
de plaats waar de beslissing ter inzage ligt;
de mogelijkheid en de modaliteiten om beroep tegen de genomen beslissing in te stellen.

Art. 58. In geval van betwistingen over de bekendmaking stelt de gemeente of de vergunningsaanvrager de nodige verklaringen of bewijsstukken ter beschikking van het bevoegde bestuur, nadat daarom verzocht is.

Onderafdeling 2.
Aanplakking van een affiche


Art. 59.

§1. In de volgende gevallen wordt een affiche aangeplakt:

als een omgevingsvergunning wordt verleend;
als een omgevingsvergunning wordt geweigerd nadat de gewone vergunningsprocedure, vermeld in artikel 17, §1, 1°, van het decreet van 25 april 2014, doorlopen is.

 

De tekst van de aanplakking, vermeld in artikel 57 van dit besluit, wordt met zwarte letters op een gele affiche van minimaal A2-formaat afgedrukt en wordt voorafgegaan door het opschrift “BEKENDMAKING BESLISSING OMGEVINGSVERGUNNING”.

 

§2. De affiche wordt aangeplakt uiterlijk tien dagen na de ontvangst van de beslissing en blijft hangen gedurende de periode van dertig dagen, die ingaat op de dag na de eerste dag van de aanplakking. De vergunningsaanvrager brengt de gemeente op de startdatum [...] van de aanplakking op de hoogte van die datum en verklaart hierbij dat de affiche conform artikel 20 van het Omgevingsvergunningenbesluit werd aangeplakt en aangeplakt zal blijven tot de laatste dag van de periode van dertig dagen. Die datum wordt in het omgevingsloket ingevoerd.

 

De affiche wordt aangeplakt op een plaats waar het voorwerp van de beslissing paalt aan een openbare weg, of als het aan verschillende openbare wegen paalt, aan elk van die openbare wegen. Als het voorwerp van de beslissing niet paalt aan een openbare weg, wordt de affiche aangeplakt op een plaats aan de dichtstbijzijnde openbare weg.

 

Als de beslissing betrekking heeft op het openbaar domein, wordt de affiche aangeplakt aan elke zijde waar men van op de openbare weg de grens van het voorwerp van de beslissing bereikt.

 

De vergunningsaanvrager plakt de affiche aan op een schutting, op een muur of op een bord dat aan een paal bevestigd is, op de grens tussen het terrein of de toegang tot het terrein en de openbare weg en evenwijdig met de openbare weg, met de tekst gericht naar de openbare weg en op een maximumhoogte van twee meter.

 

De affiche is altijd goed leesbaar vanaf de openbare weg.

 

§3. In afwijking van paragraaf 2 plakt het gemeentebestuur, respectievelijk het provinciebestuur de tekst, vermeld in artikel 57, aan het gemeentehuis of provinciehuis aan in geval van beslissingen over vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten, met toepassing van de voorwaarden, vermeld in dit artikel.


Onderafdeling 3.
Publicatie op de website


Art. 60.

§1. De gemeente publiceert de tekst, vermeld in artikel 57, op haar website op een voor bekendmakingen geëigende en opvallende plaats. De gemeente kan meer gegevens op de website publiceren.

 

De tekst wordt gepubliceerd uiterlijk tien dagen na de datum waarop de gemeente de beslissing heeft genomen, of na de datum waarop de beslissing ter beschikking is gesteld van de gemeente. De tekst blijft minstens gedurende een periode van dertig dagen, die ingaat op de dag na de eerste dag van de publicatie, op de website staan.

 

§2. In afwijking van paragraaf 1 publiceert het bevoegde bestuur de tekst, vermeld in artikel 57, op zijn website in geval van beslissingen over vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten, met toepassing van de voorwaarden, vermeld in dit artikel.


Onderafdeling 4.
Publicatie in een dag- of weekblad


Art. 61.

§1. De gemeente publiceert de tekst, vermeld in artikel 57, in ten minste één dag- of weekblad met minstens regionaal karakter in de volgende gevallen:

de vergunningsaanvraag omvat een project-MER of een OVR;
de vergunningsaanvraag heeft betrekking op de exploitatie van een inrichting of activiteit met een GPBV-installatie.

 

De publicatie, vermeld in het eerste lid, gebeurt uiterlijk tien dagen na de datum waarop de gemeente de beslissing heeft genomen, of na de datum waarop de beslissing ter beschikking is gesteld van de gemeente, op kosten van de vergunningsaanvrager.

 

Als het voorwerp van de vergunningsaanvraag in twee of meer gemeenten uitgevoerd zal worden, kan voor een van de volgende werkwijzen gekozen worden:

elke gemeente zorgt voor een publicatie;
de gemeenten zorgen voor een gecoördineerde publicatie.

 

§2. In afwijking van paragraaf 1 zorgt het bevoegde bestuur voor de publicatie op kosten van de vergunningsaanvrager in geval van beslissingen over vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten.


Onderafdeling 5.
Individuele kennisgeving


Art. 62.

Het bevoegde bestuur stelt de beslissing met een beveiligde zending uiterlijk tien dagen na de datum waarop de beslissing is genomen of de beslissingstermijn is verstreken, ter beschikking van de volgende personen of instanties:

de vergunningsaanvrager;
in voorkomend geval, de beroepsindiener;
in voorkomend geval, het comité voor preventie en bescherming op het werk, vermeld in het koninklijk besluit van 3 mei 1999 betreffende de opdrachten en de werking van de Comités voor preventie en bescherming op het werk, als:
  a) dat comité voor de ingedeelde inrichting of activiteit in kwestie bestaat;
  b) de vergunning betrekking heeft op de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit;
in voorkomend geval, de toezichthoudende architect als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op stedenbouwkundige handelingen en als hij daarom verzoekt.

 

Het bevoegde bestuur stelt de beslissing met een digitale zending uiterlijk tien dagen na de datum waarop de beslissing is genomen of de beslissingstermijn is verstreken, ter beschikking van de volgende instanties:

het college van burgemeester en schepenen;
de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op stedenbouwkundige handelingen of het verkavelen van gronden;
de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit;
3°/1 het Agentschap Innoveren en Ondernemen, als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op kleinhandelsactiviteiten;
3°/2 het Agentschap voor Natuur en Bos, als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op wijzigingen van de vegetatie;
de adviesinstanties, vermeld in artikel 35, 37, 38/1 of 38/3, die advies verlenen in eerste, respectievelijk tweede aanleg;
in voorkomend geval, de POVC of de GOVC;
de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage in de volgende gevallen:
  a) als het gaat om een inrichting waarop indelingsrubriek 17.2 van toepassing is;
  b) als de vergunningsaanvraag een project-MER of een OVR omvat of als een ontheffing van de rapportageverplichting is verkregen;
de nv Aquafin als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de indelingsrubrieken 3, 53.1 tot en met 53.5, 53.9 en 53.11;
de VLM als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de exploitatie van een inrichting of activiteit die ingedeeld is in een of meer van de indelingsrubrieken 9.3 tot en met 9.8 of 28.2.

 

Het bevoegde bestuur bezorgt de beslissing uiterlijk tien dagen na de datum waarop de beslissing is genomen of de beslissingstermijn is verstreken, aan de volgende instanties:

de toezichthouder die conform titel XVI van het DABM bevoegd is als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit;
OVAM als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de indelingsrubriek 2 en niet gevat is onder het tweede lid, 4°;
de afdeling  van de VMM bevoegd voor grondwater als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de indelingsrubrieken 52 tot en met 56 en niet gevat is onder het tweede lid, 4°.

 


Onderafdeling 6.
De terinzagelegging


Art. 63.

§1. De beslissing wordt gedurende dertig dagen analoog of digitaal ter inzage gelegd in het gemeentehuis van de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden.

 

Gedurende de termijn, vermeld in het eerste lid, worden eveneens de volgende documenten ter inzage gelegd, voor zover de overheid waarbij het dossier ter inzage ligt, over deze documenten beschikt:

de ingediende en eventueel gewijzigde vergunningsaanvraag;
de adviezen die de adviesinstanties, vermeld in artikel 35, 37, 38/1 of 38/3, het adviserend schepencollege en, in voorkomend geval, de POVC of de GOVC hebben uitgebracht in de aanleg in kwestie;
de beslissing over de goedkeuring van het project-MER respectievelijk het OVR;
de gemeenteraadsbeslissing over de zaak van de wegen, vermeld in artikel 31 van het decreet.

 

De terinzagelegging, vermeld in het eerste en tweede lid, gebeurt uiterlijk tien dagen na de datum waarop het college van burgemeester en schepenen de beslissing heeft genomen, of na de datum waarop de beslissing ter beschikking van de gemeente is gesteld.

 

§2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, worden beslissingen over vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten analoog of digitaal ter inzage gelegd in het provinciehuis van de betrokken provincie of provincies, met toepassing van de voorwaarden, vermeld in dit artikel.

 

§3. Als de terinzagelegging digitaal verloopt, kan de persoon die het dossier raadpleegt, hierbij beroep doen op technische ondersteuning van de overheid, waarbij het dossier ter inzage ligt. 


Onderafdeling 7.
Landsgrens- en gewestgrensoverschrijdende effecten


Art. 64. Elke beslissing over een vergunningsaanvraag waarop artikel 27 of artikel 28 van toepassing is, wordt door het bevoegde bestuur meegedeeld aan de bevoegde autoriteit. Het bevoegde bestuur stuurt daarvoor een kopie van de uitdrukkelijke beslissing of een notificatie van de stilzwijgende beslissing naar de voormelde bevoegde autoriteit op het tijdstip waarop het de beslissing aan de vergunningsaanvrager meedeelt.

Hoofdstuk 10.
De gewone vergunningsprocedure


Afdeling 1.
De gewone vergunningsprocedure in eerste administratieve aanleg


Onderafdeling 1.
Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek


Art. 65.

Een vergunningsaanvraag wordt ingediend conform artikel 18 van het decreet van 25 april 2014.

 

Het aanvraagdossier wordt ingediend:

in twee exemplaren bij indiening met een analoge zending;
met een digitale zending.


De vergunningsaanvrager geeft uitdrukkelijk in zijn aanvraagdossier aan:

of hij gehoord wil worden door een omgevingsvergunningscommissie, als een advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
welke delen uit het project-MER of OVR hij aan het openbaar onderzoek wil onttrekken en waarvoor hij over de voorafgaande beslissing van de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage beschikt.

 


Art. 66.

Het bevoegde bestuur onderzoekt de ontvankelijkheid en volledigheid van de vergunningsaanvraag.

 

De vergunningsaanvraag wordt onontvankelijk bevonden als het bevoegde bestuur bij het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek vaststelt dat de aanvraag strijdig is met artikel 18, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.

 

Het resultaat van het onderzoek over de project-m.e.r.-screening bevat in voorkomend geval:

als besloten wordt dat een project-MER moet worden opgesteld, de belangrijkste redenen waarom een project-MER moet worden opgesteld, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria, vermeld in bijlage II van het DABM;
als besloten wordt dat er geen project-MER hoeft te worden opgesteld, de belangrijkste redenen waarom er geen project-MER hoeft te worden opgesteld, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria, vermeld in bijlage II van het DABM, en, als de aanvrager die heeft voorgesteld, de kenmerken van het project of de geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke nadelige milieueffecten zouden zijn geweest.


Het bevoegde bestuur houdt, als dat relevant is, bij de beslissing, vermeld in het derde lid, rekening met de resultaten van de voorafgaande controles die zijn verricht, of met de beoordelingen van de effecten op het milieu die zijn gemaakt met toepassing van titel IV van het DABM of met toepassing van andere gewestelijke of federale regelgeving.

 

Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek wordt conform artikel 21 van het decreet van 25 april 2014 meegedeeld.


Onderafdeling 2.
Onderzoek van het project


Art. 67.

§1. Op de dag van de verzending van de ontvankelijk- en volledigverklaring van de vergunningsaanvraag of uiterlijk bij het verstrijken van de vervaltermijn, vermeld in artikel 21, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014, stelt het bevoegde bestuur de vergunningsaanvraag ter beschikking van:

de betrokken gemeente met de opdracht een openbaar onderzoek in te stellen, conform de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5, van dit besluit, en, in voorkomend geval, met het verzoek aan het adviserend schepencollege om advies te verlenen als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
de bevoegde omgevingsvergunningscommissie als die, conform artikel 25 van het decreet van 25 april 2014, advies moet verlenen;
de adviesinstanties, vermeld in artikel 35, 37, 38/1 of 38/3 van dit besluit, als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, als de vergunningsaanvraag een nog niet goedgekeurd project-MER of nog niet goedgekeurd OVR omvat;
de instantie die door de federale overheid is belast met het opstellen van het externe noodplan, als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op inrichtingen of activiteiten die zijn ingedeeld op basis van indelingsrubriek 2.3.11.

 

In geval van een vergunningsaanvraag voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten wordt in afwijking van het eerste lid:

de vergunningsaanvraag niet ter beschikking gesteld van de betrokken gemeente, maar van de betrokken provincie met de opdracht om een openbaar onderzoek te organiseren, conform de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5;
het adviserend schepencollege niet verzocht advies te verlenen.

 

§2. In voorkomend geval stellen de voorzitter of de secretaris van de omgevingsvergunningscommissie binnen tien dagen na de ontvangst van de adviesvraag, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, de vergunningsaanvraag ter beschikking van:

de adviesinstanties, vermeld in artikel 35, 37, 38/1 of 38/3, met het verzoek om advies uit te brengen;
het adviserend schepencollege, behalve in geval van vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten, met het verzoek om advies uit te brengen;

de overige leden van de betrokken omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 39 respectievelijk 40.

 

§3. Bij een adviesvraag in een eerste adviesronde worden voor de advisering de volgende vervaltermijnen gehanteerd:

door de afdeling RO en de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning:

  a)

zestig dagen als het een advies aan de POVC of de GOVC betreft;

  b) vijftig dagen in alle andere gevallen dan het geval, vermeld in punt a);
door het adviserende schepencollege en de overige adviesinstanties: vijftig dagen.

 

Alle andere adviezen dan de adviezen, vermeld in het eerste lid, worden uitgebracht binnen een vervaltermijn van dertig dagen.

 

De vervaltermijnen, vermeld in het eerste en het tweede lid, gaan in op de dag na de ontvangst van de adviesvraag, conform paragraaf 1, van het bevoegde bestuur of de omgevingsvergunningscommissie.

 

§4. De voorzitter of de secretaris van de omgevingsvergunningscommissie stellen het geïntegreerde advies, in voorkomend geval met vermelding van de minderheidsstandpunten, ter beschikking van de bevoegde overheid binnen een termijn van:

negentig dagen bij een adviesvraag in een eerste adviesronde;
vijfenveertig dagen in alle andere gevallen dan het geval, vermeld in punt 1°.

 

De vervaltermijnen, vermeld in het eerste lid, gaan in op de dag na de dag van ontvangst van de adviesvraag van het bevoegde bestuur.


Art. 68.

Uiterlijk zestig dagen na de ontvangst van het ontwerp van project-MER respectievelijk OVR beslist de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, over de goedkeuring of afkeuring van het project-MER respectievelijk het OVR met toepassing van artikel 4.3.8, §2, en artikel 4.5.7, §2, van het DABM.

 

De afdeling, vermeld in het eerste lid, stelt haar beslissing over het project-MER respectievelijk het OVR met een beveiligde zending ter beschikking van de vergunningsaanvrager en met een digitale zending ter beschikking van het bevoegde bestuur en, in voorkomend geval, de POVC of GOVC binnen een termijn van tien dagen nadat ze haar beslissing genomen heeft.


Art. 69. [...]

Onderafdeling 3.
Situaties die resulteren in een termijnverlenging


Art. 70.

In voorkomend geval brengt het bevoegde bestuur de vergunningsaanvrager met een beveiligde zending op de hoogte van de termijnverlenging, vermeld in artikel 32, §2, van het decreet van 25 april 2014.

 

Als de bevoegde overheid met toepassing van artikel 13 of 30 van het decreet van 25 april 2014 beslist om een tweede openbaar onderzoek te organiseren, deelt ze dat mee aan:

de betrokken gemeente, met de opdracht om het tweede openbaar onderzoek in te stellen, conform de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5, van dit besluit, en, in voorkomend geval, met het verzoek aan het adviserend schepencollege om advies te verlenen;
de bevoegde omgevingsvergunningscommissie als die conform artikel 25 van het decreet van 25 april 2014 advies moet verlenen;
de adviesinstanties, vermeld in artikel 35, 37, 38/1 of 38/3 van dit besluit [...];
de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, als de vergunningsaanvraag een nog niet goedgekeurd project-MER of een nog niet goedgekeurd OVR omvat.

 

In geval van een tweede openbaar onderzoek over bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten wordt in afwijking van het eerste lid:

dat niet meegedeeld aan de betrokken gemeente, maar aan de betrokken provincie, met de opdracht om een openbaar onderzoek in te stellen, conform de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5;
het adviserend schepencollege niet verzocht advies te verlenen.

 

In voorkomend geval stelt het bevoegde bestuur de gewijzigde vergunningsaanvraag ter beschikking van de instanties, vermeld in het tweede of derde lid.

 

In voorkomend geval:

brengen de bevoegde omgevingsvergunningscommissie of de bevoegde adviesinstanties een nieuw advies uit;
brengt het adviserend schepencollege een nieuw advies uit;
beslist de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, opnieuw over de goedkeuring of afkeuring van het project-MER of het OVR binnen een termijn van dertig dagen.

Onderafdeling 4.
Beslissing over de vergunningsaanvraag


Art. 71.

De beslissing over de vergunningsaanvraag, genomen conform artikel 32 van het decreet van 25 april 2014, bevat ten minste de gegevens, vermeld in titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 1, van dit besluit.


Art. 72.

De beslissing over de vergunningsaanvraag wordt bekendgemaakt conform titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3.


Afdeling 2.
De gewone vergunningsprocedure in laatste administratieve aanleg


Onderafdeling 1.
Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek


Art. 73.

Een beroep tegen een uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing wordt ingediend conform artikel 56 van het decreet van 25 april 2014.

 

Analoge beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg worden ingediend op het adres van het Departement Omgeving.

 

 


Art. 74.

§1. Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:

de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
minstens een van de volgende elementen als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
  a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
  b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.

 

Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:

in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.

 

Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.

 

Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.

 

Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.

 

§2. De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.

 

Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk veertien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.

 

§3. De overheid die de bestreden beslissing in eerste administratieve aanleg heeft genomen, stelt het vergunningsdossier ter beschikking van de overheid die in laatste administratieve aanleg bevoegd is voor het beroep tegen de bestreden beslissing, onmiddellijk na de ontvangst van het afschrift van het beroepschrift, conform artikel 56, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.


Onderafdeling 2.
Onderzoek van het beroep


Art. 75.

§1. Op de dag van de verzending van de ontvankelijk- en volledigverklaring van het beroep of uiterlijk bij het verstrijken van de vervaltermijn, vermeld in artikel 58, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014, stelt het bevoegde bestuur het beroepschrift, de bestreden beslissing en de vergunningsaanvraag ter beschikking van:

het adviserend schepencollege met het verzoek om advies te verlenen als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
de bevoegde omgevingsvergunningscommissie als die conform artikel 60 van het decreet van 25 april 2014 advies moet verlenen;
de adviesinstanties, vermeld in artikel 35, 37, 38/1 of 38/3 van dit besluit, als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is.

                 

Als de vergunningsaanvrager of de beroepsindiener gevraagd heeft om gehoord te worden en het advies van een omgevingscommissie vereist is, bezorgt het bevoegde bestuur dat verzoek samen met de adviesaanvraag aan de commissie in kwestie.

 

In geval van beroepen over bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten wordt in afwijking van het eerste lid het beroepschrift niet ter beschikking gesteld van het adviserend schepencollege.

 

§2. In voorkomend geval stellen de voorzitter of de secretaris van de omgevingsvergunningscommissie binnen tien dagen na de ontvangst van de adviesvraag, vermeld in paragraaf 1, het beroepschrift, de bestreden beslissing en de vergunningsaanvraag ter beschikking van:

de adviesinstanties, vermeld in artikel 35, 37, 38/1 of 38/3, met het verzoek om advies uit te brengen;
in voorkomend geval het adviserend schepencollege, met het verzoek om advies uit te brengen;
de overige leden van de betrokken omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 39 respectievelijk artikel 40;
de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, als het beroepschrift gebreken in de milieueffect- of veiligheidsrapportage aanvoert.

 

§3. Bij een eerste adviesvraag worden voor de advisering de volgende vervaltermijnen gehanteerd:

door de afdeling RO en de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, het Agentschap Innoveren en Ondernemen en het Agentschap voor Natuur en Bos:
  a) zestig dagen als het een advies aan de POVC of de GOVC betreft;
  b) vijftig dagen in alle andere gevallen dan het geval, vermeld in punt a); 
door het adviserende schepencollege en de overige adviesinstanties: vijftig dagen

 

Alle andere adviezen dan de adviezen, vermeld in het eerste lid, worden uitgebracht binnen een vervaltermijn van dertig dagen.

 

De vervaltermijnen, vermeld in het eerste en het tweede lid, gaan in op de dag na de ontvangst van de adviesvraag, conform paragraaf 1, van het bevoegde bestuur of de omgevingsvergunningscommissie.

 

§4. De voorzitter of de secretaris van de omgevingsvergunningscommissie stellen het geïntegreerde advies, in voorkomend geval met vermelding van de minderheidsstandpunten, ter beschikking van de bevoegde overheid binnen een termijn van:

negentig dagen bij een eerste adviesvraag;
vijfenveertig dagen in alle andere gevallen dan het geval, vermeld in punt 1°.

 

De vervaltermijnen, vermeld in het eerste lid, gaan in op de dag na de dag van ontvangst van de adviesvraag van het bevoegde bestuur.


Art. 76.

Als de vergunningsaanvrager of de beroepsindiener gevraagd heeft om gehoord te worden en het advies van een omgevingsvergunningscommissie niet vereist is, organiseert het bevoegde bestuur, conform artikel 62, eerste lid, 2°, van het decreet van 25 april 2014, een hoorzitting van de vergunningsaanvrager of de beroepsindiener met:

de deputatie, een bestendig afgevaardigde die de deputatie gemachtigd heeft, de provinciale omgevingsambtenaar of een ambtenaar die de provinciale omgevingsambtenaar gemachtigd heeft, als de deputatie de bevoegde overheid is;
de Vlaamse Regering, de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, of de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, de gewestelijke omgevingsambtenaar of een door die laatste ambtenaar gemachtigde ambtenaar van niveau A als de Vlaamse Regering de bevoegde overheid is.

 

Als de beroepsindiener gevraagd heeft om gehoord te worden, wordt de vergunningsaanvrager altijd op die hoorzitting uitgenodigd, ook als hij niet uitdrukkelijk gevraagd heeft om gehoord te worden.

 

De vertegenwoordiger van het bevoegde bestuur kan afhankelijk van de agenda de spreektijd en het maximale aantal vertegenwoordigers van de vergunningsaanvrager of beroepsindiener bepalen.


Onderafdeling 3.
Situaties die resulteren in een termijnverlenging


Art. 77.

In voorkomend geval brengt het bevoegde bestuur de vergunningsaanvrager en de beroepsindiener met een beveiligde zending op de hoogte van de termijnverlenging, vermeld in artikel 66 van het decreet van 25 april 2014.

 

Als de bevoegde overheid met toepassing van artikel 13 of 64 van het decreet van 25 april 2014 beslist om een nieuw openbaar onderzoek te organiseren, deelt ze dat mee aan:

de betrokken gemeente met de opdracht om het nieuwe openbaar onderzoek in te stellen conform de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5, van dit besluit, en, in voorkomend geval, met het verzoek aan het adviserend schepencollege om advies te verlenen als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;
de bevoegde omgevingsvergunningscommissie als die conform artikel 60 van het decreet van 25 april 2014 advies moet verlenen;
de adviesinstanties, vermeld in artikel 35, 37, 38/1 of 38/3 van dit besluit, als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;

de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, als het beroepschrift gebreken in de milieueffect- of veiligheidsrapportage aanvoert. 

 

In geval van een nieuw openbaar onderzoek over bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten wordt in afwijking van het eerste lid:

dat niet meegedeeld aan de betrokken gemeente, maar aan de betrokken provincie met de opdracht om een openbaar onderzoek in te stellen conform de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5, van dit besluit;
het adviserend schepencollege niet verzocht om advies te verlenen.

 

In voorkomend geval stelt het bevoegde bestuur de vergunningsaanvraag ter beschikking van de instanties, vermeld in het tweede of derde lid.

 

In voorkomend geval:

brengen de bevoegde omgevingsvergunningscommissie of de bevoegde adviesinstanties een nieuw advies uit;
brengt het adviserend schepencollege een nieuw advies uit;
beslist de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, opnieuw over het project-MER of het OVR.

  


Onderafdeling 4.
Beslissing over het ingestelde beroep


Art. 78.

De beslissing over een ingesteld beroep, genomen conform artikel 66 van het decreet van 25 april 2014, bevat ten minste de gegevens, vermeld in titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 1, van dit besluit.


Art. 79.

De beslissing over een ingesteld beroep wordt bekendgemaakt conform titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3.


Hoofdstuk 11.
De vereenvoudigde vergunningsprocedure


Afdeling 1.
De vereenvoudigde vergunningsprocedure in eerste administratieve aanleg


Onderafdeling 1.
Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek


Art. 80.

Een vergunningsaanvraag wordt ingediend conform artikel 37 van het decreet van 25 april 2014.

 

Het aanvraagdossier wordt ingediend:

in twee exemplaren bij indiening met een analoge zending; 
met een digitale zending.

  


Art. 81.

Het bevoegde bestuur onderzoekt de ontvankelijkheid en volledigheid van de vergunningsaanvraag.

 

De vergunningsaanvraag wordt onontvankelijk bevonden als het bevoegde bestuur bij het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek vaststelt dat de aanvraag strijdig is met artikel 37, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.

 

Het resultaat van het onderzoek over de project-m.e.r.-screening bevat in voorkomend geval:

als besloten wordt dat een project-MER moet worden opgesteld, de belangrijkste redenen waarom een project-MER moet worden opgesteld, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria, vermeld in bijlage II van het DABM;
als besloten wordt dat er geen project-MER hoeft te worden opgesteld, de belangrijkste redenen waarom er geen project-MER hoeft te worden opgesteld, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria, vermeld in bijlage II van het DABM, en, als de aanvrager die heeft voorgesteld, de kenmerken van het project of de geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke nadelige milieueffecten zouden zijn geweest.


Het bevoegde bestuur houdt, als dat relevant is, bij de beslissing, vermeld in het derde lid, rekening met de resultaten van de voorafgaande controles die zijn verricht, of met de beoordelingen van de effecten op het milieu die zijn gemaakt met toepassing van titel IV van het DABM of met toepassing van andere gewestelijke of federale regelgeving.

 

Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek wordt conform artikel 40 van het decreet van 25 april 2014 meegedeeld.


Onderafdeling 2.
Onderzoek van het project


Art. 82.

§1. Op de dag van de verzending van de ontvankelijk- en volledigverklaring van de vergunningsaanvraag of uiterlijk bij het verstrijken van de vervaltermijn, vermeld in artikel 40, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014, stelt het bevoegde bestuur de vergunningsaanvraag ter beschikking van:

in voorkomend geval, het adviserend schepencollege; 
de adviesinstanties, vermeld in artikel 35, 37, 38/1 of 38/3 van dit besluit;
de instantie die door de federale overheid is belast met het opstellen van het externe noodplan als de vergunningsaanvraag een project betreft dat betrekking heeft op inrichtingen of activiteiten die zijn ingedeeld op basis van indelingsrubriek 2.3.11.

 

§2. De adviesinstanties, vermeld in het eerste lid, 2°, en, in voorkomend geval, het adviserend schepencollege brengen advies uit binnen een vervaltermijn van dertig dagen.

 

De vervaltermijn, vermeld in het eerste lid, gaat in op de dag na de dag van ontvangst van de adviesvraag van het bevoegde bestuur.


Art. 83. Als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de oprichting, uitbreiding of afbraak van scheidingsmuren of muren die in aanmerking komen voor gemene eigendom, vraagt het bevoegde bestuur met een beveiligde zending het standpunt van de eigenaars van de aanpalende percelen [...]. Die eigenaars bezorgen hun standpunt binnen een vervaltermijn van dertig dagen die ingaat op de dag na de dag van ontvangst van het verzoek om een standpunt van het bevoegde bestuur, aan het bevoegde bestuur dat erom gevraagd heeft.

Onderafdeling 3.
Beslissing over de vergunningsaanvraag


Art. 84.

De beslissing over de vergunningsaanvraag, genomen conform artikel 46 van het decreet van 25 april 2014, bevat ten minste de gegevens, vermeld in titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 1, van dit besluit.

 

Als de bevoegde overheid tijdens de vereenvoudigde vergunningsprocedure vaststelt dat de gewone vergunningsprocedure van toepassing is, wordt de procedure stopgezet. Tegen de stopzetting van de procedure is geen administratief beroep mogelijk. De vergunningsaanvrager wordt van de stopzetting op de hoogte gebracht en is er toe gehouden een vergunningsaanvraag in te dienen conform de gewone vergunningsprocedure.


Art. 85.

De beslissing over de vergunningsaanvraag wordt bekendgemaakt conform titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3.


Afdeling 2.
De vereenvoudigde vergunningsprocedure in laatste administratieve aanleg


Onderafdeling 1.
Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek


Art. 86.

Een beroep tegen een uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing wordt conform artikel 56 van het decreet van 25 april 2014 ingediend.


Art. 87.

§1. Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:

de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
minstens een van de volgende elementen als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
  a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
  b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van de vergunningsvoorwaarden;
de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.

 

Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:

in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.

 

Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.

 

Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.

 

Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.

 

§2. De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.

 

Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk veertien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift, vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.


Art. 88.

De overheid die de bestreden beslissing in eerste administratieve aanleg heeft genomen, stelt het vergunningsdossier ter beschikking van de overheid die in laatste administratieve aanleg bevoegd is voor het beroep tegen de bestreden beslissing, onmiddellijk na de ontvangst van het afschrift van het beroepschrift, conform artikel 56, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.


Onderafdeling 2.
Onderzoek van het beroep


Art. 89.

§1. Op de dag van de verzending van de ontvankelijk- en volledigverklaring van het beroep of uiterlijk bij het verstrijken van de vervaltermijn, vermeld in artikel 58, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014, stelt het bevoegde bestuur het beroepschrift, de bestreden beslissing en de vergunningsaanvraag ter beschikking van:

de bevoegde adviesinstanties, vermeld in artikel 35, 37, 38/1 of 38/3 van dit besluit; 
het adviserend schepencollege.

 

§2. De adviesinstanties, vermeld in het eerste lid, en het adviserend schepencollege brengen advies uit binnen een vervaltermijn van dertig dagen.

 

De vervaltermijn van dertig dagen, vermeld in het eerste lid, gaat in op de dag na de dag van ontvangst van de adviesvraag van het bevoegde bestuur.


Art. 90.

Als de vergunningsaanvrager of de beroepsindiener gevraagd heeft om gehoord te worden, organiseert het bevoegde bestuur, conform artikel 62, eerste lid, 2°, van het decreet van 25 april 2014, een hoorzitting van de vergunningsaanvrager of de beroepsindiener met:

de deputatie, een bestendig afgevaardigde die de deputatie gemachtigd heeft, de provinciale omgevingsambtenaar of een ambtenaar die de provinciale omgevingsambtenaar gemachtigd heeft, als de deputatie de bevoegde overheid is;
de Vlaamse Regering, de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening of de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, de gewestelijke omgevingsambtenaar of een door die laatste ambtenaar gemachtigde ambtenaar van niveau A als de Vlaamse Regering de bevoegde overheid is.

 

Als de beroepsindiener gevraagd heeft om gehoord te worden, wordt de vergunningsaanvrager altijd op die hoorzitting uitgenodigd, ook als hij niet uitdrukkelijk gevraagd heeft om gehoord te worden.

 

De vertegenwoordiger van het bevoegde bestuur kan afhankelijk van de agenda de spreektijd en het maximale aantal vertegenwoordigers van de vergunningsaanvrager of beroepsindiener bepalen.


Onderafdeling 3.
Situaties die resulteren in een termijnverlenging


Art. 91.

Als de bevoegde overheid beslist om met toepassing van artikel 13 van het decreet van 25 april 2014 het advies van de adviesinstanties, vermeld in artikel 35, 37, 38/1 of 38/3 van dit besluit, of het adviserend schepencollege alsnog dan wel een tweede keer in te winnen, brengt het bevoegde bestuur de vergunningsaanvrager en de beroepsindiener met een beveiligde zending op de hoogte van de termijnverlenging, vermeld in artikel 66 van het decreet van 25 april 2014.


Onderafdeling 4.
Beslissing over het ingestelde beroep


Art. 92.

De beslissing over een ingesteld beroep, genomen conform artikel 66 van het decreet van 25 april 2014, bevat ten minste de gegevens, vermeld in titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 1, van dit besluit.


Art. 93.

De beslissing over een ingesteld beroep wordt bekendgemaakt conform titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3.


Hoofdstuk 12.
De omgevingsvergunning op proef


Art. 94.

Als een omgevingsvergunning op proef verleend is, neemt de vergunningverlenende overheid zonder verdere formaliteiten een definitieve beslissing over de verdere exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit voor de proefperiode verstreken is.

 

In het eerste lid wordt verstaan onder vergunningverlenende overheid: de overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014.

 

In afwijking van het tweede lid wordt de overheid, vermeld in artikel 52 van het decreet van 25 april 2014, als de vergunningverlenende overheid beschouwd als ze in laatste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing heeft genomen waarbij ze de omgevingsvergunning op proef vooreerst zelf heeft verleend of de beslissing uit eerste administratieve aanleg niet ongewijzigd heeft bevestigd.


Art. 95.

§1. Een beslissing over de verdere exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit na de omgevingsvergunning op proef wordt genomen conform de procedure, vermeld in paragraaf 2 tot en met 4.

 

§2. Ten minste vier maanden voor het verstrijken van de omgevingsvergunning op proef vraagt het bevoegde bestuur advies aan:

de POVC of de GOVC als ze bij of krachtens artikel 25 of artikel 60 van het decreet van 25 april 2014 zijn aangewezen om advies te verlenen in de procedure die tot de beslissing heeft geleid waaraan de overheid haar bevoegdheid ontleent om definitief uitspraak te doen over de vergunning na de omgevingsvergunning op proef;
als de POVC of de GOVC geen adviesbevoegdheid heeft:
  a) het adviserend schepencollege, als het is aangewezen om advies te verlenen in de procedure die tot de beslissing heeft geleid waaraan de overheid haar bevoegdheid ontleent om definitief uitspraak te doen over de vergunningsaanvraag na de omgevingsvergunning op proef;
  b) de adviesinstanties, vermeld in artikel 37 van dit besluit, die zijn aangewezen om advies te verlenen in de procedure die tot de beslissing heeft geleid waaraan de overheid haar bevoegdheid ontleent om definitief uitspraak te doen over de vergunningsaanvraag na de omgevingsvergunning op proef;
de toezichthouder die conform titel XVI van het DABM bevoegd is.

 

Als de POVC respectievelijk de GOVC adviesbevoegdheid heeft, worden de adviezen van het adviserend schepencollege en van de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, door de betrokken commissie gevraagd als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 2°, a), respectievelijk b).

 

Het advies over de verdere exploitatie na de omgevingsvergunning op proef wordt gegeven binnen een vervaltermijn van:

dertig dagen voor de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, en het adviserend schepencollege; 
zestig dagen voor de POVC of de GOVC.

 

Als er geen advies is binnen de gestelde vervaltermijnen, wordt aangenomen dat akkoord wordt gegaan met de verdere exploitatie na de omgevingsvergunning op proef van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§3. Voor het verstrijken van de vergunning op proef doet de bevoegde overheid overeenkomstig titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 1, uitspraak over de verdere exploitatie na de proefvergunning van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§4. De beslissing wordt bekendgemaakt overeenkomstig titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3.


Art. 96.

Tenzij de beslissing is genomen door de overheid die conform artikel 52 van het decreet van 25 april 2014 bevoegd is, staat tegen de verdere exploitatie na de omgevingsvergunning op proef het administratieve beroep, vermeld in artikel 52 van het decreet van 25 april 2014, open.


Hoofdstuk 13.
Actualisatie van de gecoördineerde omgevingsvergunning


Afdeling 1.
Actualisatie als gevolg van overdracht


Art. 97.

§1. De [...] overdracht van een omgevingsvergunning wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, vermeld in artikel 79 van het decreet van 25 april 2014, wordt door de exploitant aan wie de omgevingsvergunning wordt overgedragen, voorafgaand aan de overdracht met een beveiligde zending gemeld aan de overheid die bevoegd is voor het project vóór de overdracht conform artikel 15 van het decreet van 25 april 2014.

 

De exploitant gebruikt hiertoe:

het formulier, opgenomen in bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd;
de in het formulier aangewezen addenda uit de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.

 

De melding omvat de gegevens die als verplicht in te vullen of bij te voegen voorgeschreven zijn in het formulier en de desbetreffende addenda.

 

De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn gemachtigd gezamenlijk het formulier en de addenda-bibliotheek, vermeld in het tweede lid, en de dossiersamenstelling te wijzigen, waarbij minstens de volgende gegevens worden gevraagd:

het voorwerp van de overdracht, met inbegrip van de gecoördineerde toestand van de vergunde inrichting of activiteit, zoals deze na overdracht geldt; 
de identificatiegegevens van de betrokken exploitanten.

 

§2. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, actualiseert het vergunningsbesluit als gevolg van de melding van de overdracht.

 

[...]

 

[...]

 

Voor de toepassing van het tweede en het derde lid kan het bevoegde bestuur het advies inwinnen van de adviesinstanties, vermeld in artikel 37.


Afdeling 2.
Actualisatie als gevolg van de stopzetting of het verval van de exploitatie


Art. 98.

De exploitant van een ingedeelde inrichting of activiteit meldt met een beveiligde zending binnen twee maanden nadat een van de volgende gebeurtenissen zich heeft voorgedaan, aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014:

het verval van de vergunning die de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit tot voorwerp heeft, vermeld in artikel 99 van het decreet van 25 april 2014;
de vrijwillige gedeeltelijke of gehele definitieve stopzetting van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit.

 

De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, zal als gevolg van de melding, vermeld in het eerste lid, het vergunningsbesluit actualiseren.

 

De persoon die de melding verricht, gebruikt daarvoor:

het formulier, opgenomen in bijlage 20, die bij dit besluit is gevoegd;
de in het formulier, vermeld in punt 1°, aangewezen addenda uit de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.

 

De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn gemachtigd gezamenlijk het formulier en de addenda-bibliotheek, vermeld in het vorige lid, te wijzigen.


Afdeling 3.
Actualisatie als gevolg van een vergunning, verleend voor de verandering van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit


Art. 99. [...]

Titel 4.
Het bijstellen van de omgevingsvergunning


Hoofdstuk 1.
De bijstelling van de bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in hoofdstuk 6, afdeling 1, van het decreet van 25 april 2014, in eerste administratieve aanleg


Afdeling 1.
De indiening van het verzoek en ambtshalve initiatief


Art. 100.

Het gemotiveerde verzoek tot bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde bijzondere milieuvoorwaarden voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten wordt met een beveiligde zending ingediend bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014.

 

De verzoeker gebruikt hiertoe:

het formulier, opgenomen in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd; 
de in het formulier aangewezen addenda uit de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd

 

Het gemotiveerde verzoek omvat de gegevens die als verplicht in te vullen of bij te voegen voorgeschreven zijn in het formulier en de desbetreffende addenda.

 

De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn gemachtigd gezamenlijk het formulier en de addenda-bibliotheek, vermeld in het tweede lid, en de dossiersamenstelling te wijzigen, waarbij minstens de volgende gegevens worden gevraagd:

het voorwerp van het verzoek; 
de identificatiegegevens van de plaats waar de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit plaats vindt;
de identificatiegegevens van de verzoeker.

 


Art. 101.

Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, een initiatief tot ambtshalve bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde bijzondere milieuvoorwaarden neemt, zal haar besluit daarvoor de gegevens, vermeld in artikel 100 van dit besluit, omvatten.


Afdeling 2.
Het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek


Art. 102.

Het bevoegde bestuur onderzoekt de ontvankelijkheid en volledigheid van het verzoek tot bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde milieuvoorwaarden.

 

Bij het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid wordt nagegaan of voldaan is aan de bepalingen van artikel 100 van dit besluit, en artikel 82, eerste en tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.

 

Het resultaat van het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid van het verzoek tot bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde bijzondere milieuvoorwaarden wordt met een beveiligde zending meegedeeld aan de verzoeker binnen een termijn van vijftig dagen vanaf de dag na de datum waarop het verzoek is ingediend.

 

Op dezelfde dag van de mededeling, vermeld in het derde lid, brengt het bevoegde bestuur de exploitant van de ingedeelde inrichting of activiteit met een beveiligde zending op de hoogte van een ontvankelijk en volledig bevonden verzoek dat niet door hem is ingediend.

 

Het besluit, vermeld in artikel 101, wordt door het bevoegde bestuur met een beveiligde zending meegedeeld aan de exploitant van de ingedeelde inrichting of activiteit binnen een termijn van vijftig dagen vanaf de dag na de datum waarop het is vastgesteld.

 

Als het verzoek tot bijstelling van in de omgevingsvergunning opgelegde milieuvoorwaarden onontvankelijk of onvolledig wordt bevonden, wordt de procedure definitief stopgezet.


Afdeling 3.
Het openbaar onderzoek


Art. 103.

Tenzij het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde milieuvoorwaarden betrekking heeft op een project dat uitsluitend een tijdelijke inrichting of activiteit omvat, stelt het bevoegde bestuur uiterlijk de dag dat de beslissingstermijn, vermeld in artikel 89, §3, van het decreet van 25 april 2014, ingaat, het ontvankelijk en volledig bevonden verzoek of het ambtshalve initiatief tot bijstelling ter beschikking van de betrokken gemeente, met de opdracht om een openbaar onderzoek te organiseren.

 

Als het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde milieuvoorwaarden uitsluitend betrekking heeft op bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten, wordt in afwijking van het eerste lid het verzoek of ambtshalve initiatief niet ter beschikking gesteld van de betrokken gemeente, maar van de betrokken provincie, met de opdracht om een openbaar onderzoek te organiseren.

 

Voor de organisatie van het openbaar onderzoek zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5, van overeenkomstige toepassing. In afwijking van artikel 16, tweede lid, begint, voor zover het een verzoek van de vergunninghouder of de exploitant betreft, de vervaltermijn, vermeld in artikel 16, tweede lid, te lopen de zestigste dag na de datum van de indiening van het verzoek. 


Afdeling 4.
Adviesverlening


Art. 104.

§1. Het bevoegde bestuur zal uiterlijk de dag dat de beslissingstermijn, vermeld in artikel 89, §3, van het decreet van 25 april 2014, ingaat, het ontvankelijk en volledig bevonden verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde milieuvoorwaarden voor advies ter beschikking stellen van:

het adviserend schepencollege als:
  a) het betrokken college van burgemeester en schepenen niet de bevoegde overheid is conform artikel 15 van het decreet van 25 april 2014;
  b) het betrokken college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar niet het verzoek tot bijstelling heeft ingediend;
  c) het advies van een omgevingsvergunningscommissie niet vereist is;
  d) het verzoek tot bijstelling geen betrekking heeft op bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten;
de bevoegde omgevingsvergunningscommissie als deze over de vergunningsaanvraag in eerste aanleg een advies geeft;
als de POVC of de GOVC geen adviesbevoegdheid heeft, de adviesinstanties, vermeld in artikel 37 van dit besluit, evenwel met uitzondering van de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, als die adviesinstanties:
  a) over de vergunningsaanvraag in eerste administratieve aanleg een advies geven;
  b) niet zelf een verzoek tot bijstelling van de milieuvoorwaarden hebben ingediend of de exploitant zijn.

 

Als de omgevingsvergunningscommissie om advies wordt gevraagd, stelt ze binnen tien dagen nadat haar het verzoek of ambtshalve initiatief ter beschikking is gesteld, dat op haar beurt ter beschikking van:

het adviserend schepencollege met het verzoek om advies uit te brengen, behalve als:
  a) het betrokken college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar het verzoek tot bijstelling heeft ingediend;
  b) het verzoek tot bijstelling betrekking heeft op bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten;
de adviesinstanties die zijn aangewezen in het eerste lid, 3°, met het verzoek om advies uit te brengen;
de overige leden van de betrokken omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 39, respectievelijk artikel 40.

 

§2. De volgende vervaltermijnen worden gehanteerd voor de advisering:

 

door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning:
  a) zestig dagen als het een advies aan de POVC of de GOVC betreft;
  b) vijftig dagen in alle andere gevallen dan het geval, vermeld in punt a); 
door het adviserende schepencollege en de overige adviesinstanties: vijftig dagen.

  

De bevoegde omgevingsvergunningscommissie brengt een advies uit binnen een termijn van negentig dagen.

 

De termijnen, vermeld in het eerste en het tweede lid, vangen aan de dag nadat het verzoek of ambtshalve initiatief ter beschikking is gesteld.

 

Als geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn, vermeld in het eerste of tweede lid, wordt het advies geacht gunstig te zijn voor de gevraagde bijstelling van de milieuvoorwaarden.

 

§3. De personen en instanties die een verzoek tot bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde milieuvoorwaarden hebben ingediend, of de exploitant als die niet zelf de indiener van verzoek is, worden op hun verzoek gehoord door:

de bevoegde omgevingsvergunningscommissie, als een advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is; 
de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar, als een advies van een omgevingsvergunningscommissie niet vereist is.

 

Het verzoek om gehoord te worden, wordt, op straffe van onontvankelijkheid ervan, gesteld in het verzoek tot bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde milieuvoorwaarden, of, voor de exploitant, als hij niet zelf het verzoek indient, binnen veertien dagen na de dag dat hem het ontvankelijk en volledig bevonden verzoek of ambtshalve initiatief, conform artikel 102, vierde respectievelijk vijfde lid, wordt meegedeeld.

 

§4. De adviezen, vermeld in paragraaf 2, bevatten een gemotiveerde beoordeling van de noodzaak tot bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde milieuvoorwaarden, in voorkomend geval, voor de aspecten waarover krachtens artikel 34 of 38 adviesbevoegdheid bestaat.

 

§5. Artikel 29 van het decreet van 25 april 2014 is van overeenkomstige toepassing op de bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde milieuvoorwaarden.


Afdeling 5.
Situaties die resulteren in een termijnverlenging


Art. 105.

De termijnen om een beslissing te nemen, vermeld in artikel 89, §1, van het decreet van 25 april 2014, worden uitsluitend verlengd met zestig dagen als toepassing wordt gemaakt van de administratieve lus, vermeld in artikel 13 van het decreet van 25 april 2014.

                      

In voorkomend geval brengt het bevoegde bestuur met een beveiligde zending de exploitant en de verzoeker, als die niet dezelfde persoon als exploitant is, voor het verstrijken van de normale beslissingstermijn op de hoogte van de termijnverlenging.

 

Als de bevoegde overheid met toepassing van artikel 13 van het decreet van 25 april 2014 beslist om een tweede openbaar onderzoek te organiseren, geeft ze daarvoor de opdracht aan de betrokken gemeente of, in geval van een bovengemeentelijk mobiel of verplaatsbaar project, aan de betrokken provincie.

 

In geval van een tweede openbaar onderzoek en in alle gevallen waarin de bevoegde overheid dat noodzakelijk acht, worden overeenkomstig artikel 104 van dit besluit, de adviezen opnieuw ingewonnen en uitgebracht, waarbij de adviestermijn van zestig en vijftig dagen wordt herleid tot dertig dagen en die van negentig dagen tot vijfenveertig dagen. 


Afdeling 6.
De beslissing


Art. 106.

Voor de beslissing over het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde milieuvoorwaarden zijn de bepalingen van artikel 89 van het decreet van 25 april 2014 van toepassing.

 

De beslissing over het verzoek of ambtshalve initiatief omvat:

de datum van het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van de milieuvoorwaarden;
de naam of de hoedanigheid van de verzoeker of van de overheid die het ambtshalve initiatief heeft genomen;
de naam en, in voorkomend geval, het ondernemersnummer van de exploitant;
de identificatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot bijstelling;
in voorkomend geval, een verwijzing naar de aard van de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek in de aanleg in kwestie en de wijze waarop daarmee is omgegaan;
een motivering van de beslissing, onder meer rekening houdend met de bepalingen van artikel 73 en 74 van het decreet van 25 april 2014, en artikel 3.3.0.1 tot en met 3.3.0.3, van titel II van het VLAREM;
als de bijzondere milieuvoorwaarden worden gewijzigd of aangevuld, een opsomming van de bijzondere milieuvoorwaarden die worden opgelegd en, in voorkomend geval, van de bijzondere milieuvoorwaarden die van toepassing blijven;
de mogelijkheid en de modaliteiten van het beroep tegen de genomen beslissing.

 

Als de wijziging of aanvulling van de in de omgevingsvergunning opgelegde bijzondere milieuvoorwaarden betrekking heeft op een GBPV-installatie, zijn de bepalingen van artikel 52, eerste lid, 2°, van dit besluit en van artikel 1.8 en 1.9 van titel III van het VLAREM ook van toepassing.


Afdeling 7.
Bekendmaking van de beslissing


Art. 107.

Voor de bekendmaking van de beslissing zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3, van overeenkomstige toepassing.

 

Als de verzoeker niet dezelfde persoon is als de exploitant, wordt die laatste met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de beslissing.


Hoofdstuk 2.
De bijstelling van de bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in hoofdstuk 6, afdeling 1, van het decreet van 25 april 2014, in laatste administratieve aanleg


Afdeling 1.
Het instellen van het beroep


Art. 108.

Conform artikel 90 van het decreet van 25 april 2014 kan door het betrokken publiek, de personen en instanties, vermeld in artikel 53 van het decreet van 25 april 2014, en door de toezichthouder, vermeld in artikel 82, eerste lid, 2°, d), van het voormelde decreet, tegen de uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing over de bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde milieuvoorwaarden beroep worden ingesteld bij:

de deputatie, bevoegd voor het ambtsgebied, als het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg de bevoegde overheid was;
de Vlaamse Regering als de deputatie in eerste administratieve aanleg de bevoegde overheid was.

 

Voor het instellen van het beroep zijn artikel 54 en 56 van het decreet van 25 april 2014, en de bepalingen ter uitvoering daarvan, van overeenkomstige toepassing.

 


Art. 109.

Het beroepschrift omvat:

de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
minstens een van de volgende elementen als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
  a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
  b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de bijstelling van de vergunningsvoorwaarden;
de redenen waarom het beroep wordt ingesteld;
in voorkomend geval, het verzoek om door de bevoegde omgevingsvergunningscommissie gehoord te worden.

 

Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:

in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks; 
de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.

 

Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.

 

Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de exploitant of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare en relevante informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.


Afdeling 2.
Het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek


Art. 110.

De ontvankelijkheid en volledigheid van het beroep worden onderzocht en het resultaat daarvan wordt meegedeeld conform artikel 57 respectievelijk artikel 58 van het decreet van 25 april 2014 en de bepalingen ter uitvoering daarvan.

 

Bij het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid wordt nagegaan of voldaan is aan de decretale en reglementaire verplichtingen, vermeld in artikel 108 en 109 van dit besluit.


Afdeling 3.
Adviesverlening


Art. 111.

§1. Op de dag van de verzending van de ontvankelijk- en volledigverklaring van het beroep of uiterlijk bij het verstrijken van de vervaltermijn, vermeld in artikel 58, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014, stelt het bevoegde bestuur het beroepsdossier voor advies ter beschikking van de bevoegde omgevingsvergunningscommissie.

 

De omgevingsvergunningscommissie stelt binnen tien dagen nadat haar het beroepsdossier ter beschikking is gesteld, dat dossier op haar beurt ter beschikking van:

het adviserend schepencollege, als het betrokken college van burgemeester en schepenen niet zelf het beroep heeft ingesteld, met het verzoek om advies uit te brengen;
de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, met uitzondering van de afdeling, bevoegd voor RO, als die adviesinstanties:
  a) over de vergunningsaanvraag in laatste administratieve aanleg een advies geven;
  b)

niet zelf een verzoek tot bijstelling van de milieuvoorwaarden of het beroep hebben ingesteld of exploitant zijn,

met het verzoek om advies uit te brengen;

de overige leden van de betrokken omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 39 respectievelijk artikel 40.

  

§2. De volgende vervaltermijnen worden gehanteerd voor de advisering:

door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning: zestig dagen; 
door het adviserende schepencollege en de overige adviesinstanties: vijftig dagen.

 

De bevoegde omgevingsvergunningscommissie brengt een advies uit binnen een termijn van negentig dagen.

 

De termijnen, vermeld in het eerste en het tweede lid, vangen aan de dag nadat het beroepsdossier ter beschikking is gesteld.

 

Als geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn, vermeld in het eerste of tweede lid, wordt het advies geacht gunstig te zijn voor de gevraagde bijstelling van de milieuvoorwaarden.

 

§3. De beroepsindiener of de exploitant, als hij niet zelf het beroep instelt, worden op hun verzoek gehoord door de bevoegde omgevingsvergunningscommissie.

 

De vraag om gehoord te worden, wordt, op straffe van onontvankelijkheid ervan, gesteld in het beroepschrift of, voor de exploitant, als hij niet zelf het beroep instelt, met een beveiligde zending binnen veertien dagen na de dag dat hem, conform artikel 56, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014, het beroep wordt meegedeeld.

 

§4. De adviezen, vermeld in paragraaf 2, bevatten een gemotiveerde beoordeling van de noodzaak tot bijstelling van de milieuvoorwaarden, in voorkomend geval, voor de aspecten waarover krachtens artikel 34 of 38 adviesbevoegdheid bestaat.


Afdeling 4.
Situaties die resulteren in een termijnverlenging


Art. 112.

In geval van een termijnverlenging brengt het bevoegde bestuur met een beveiligde zending de exploitant en de beroepsindiener voor het verstrijken van de normale beslissingstermijn op de hoogte van de termijnverlenging.

 

Als de bevoegde overheid met toepassing van artikel 13 van het decreet van 25 april 2014 beslist om een tweede openbaar onderzoek te organiseren, geeft ze daarvoor de opdracht aan de betrokken gemeente of, in geval van een bovengemeentelijk mobiel of verplaatsbaar project, aan de betrokken provincie.

 

In geval van een tweede openbaar onderzoek en in alle gevallen waarin de bevoegde overheid dat noodzakelijk acht, worden overeenkomstig artikel 111 van dit besluit de adviezen opnieuw ingewonnen en uitgebracht, waarbij de adviestermijn van zestig en vijftig dagen wordt herleid tot dertig dagen en die van negentig dagen tot vijfenveertig dagen.


Afdeling 5.
De beslissing


Art. 113.

De beslissing in laatste administratieve aanleg over de bijstelling van de milieuvoorwaarden wordt genomen binnen de vastgestelde of, in voorkomend geval, verlengde termijn, vermeld in artikel 66, van het decreet van 25 april 2014.

 

De beslissing omvat:

de datum van het beroep en de naam of de hoedanigheid van de beroepsindiener; 
de datum en de aard van de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld;
de datum van het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van de milieuvoorwaarden, en de naam of de hoedanigheid van de verzoeker of van de overheid die het ambtshalve initiatief heeft genomen;
de naam en, in voorkomend geval, het ondernemersnummer van de exploitant;
de identificatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot bijstelling;
in voorkomend geval, een verwijzing naar de aard van de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek in de aanleg in kwestie, en de wijze waarop daarmee is omgegaan;
een motivering van de beslissing, onder meer rekening houdend met de bepalingen van artikel 73 en 74 van het decreet van 25 april 2014, en artikel 3.3.0.1 tot en met 3.3.0.3 van titel II van het VLAREM;
als de bijzondere milieuvoorwaarden worden gewijzigd of aangevuld, een opsomming van de bijzondere milieuvoorwaarden die worden opgelegd en, in voorkomend geval, van de bijzondere milieuvoorwaarden die van toepassing blijven;
de mogelijkheid en de modaliteiten van het beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen tegen de genomen beslissing.

 

Als de wijziging of aanvulling van de bijzondere milieuvoorwaarden betrekking heeft op een GBPV-installatie, zijn de bepalingen van artikel 52, eerste lid, 2°, van dit besluit en van artikel 1.8 en 1.9 van titel III van het VLAREM ook van toepassing.


Afdeling 6.
Bekendmaking van de beslissing


Art. 114.

Voor de bekendmaking van de beslissing zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3, van overeenkomstige toepassing.

 

Als de beroepsindiener niet dezelfde persoon is als de exploitant, wordt die laatste met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de beslissing.


Hoofdstuk 3.
De bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting, vermeld in hoofdstuk 6, afdeling 2, van het decreet van 25 april 2014, in eerste administratieve aanleg


Afdeling 1.
Bekendmaking van de inspraakprocedure


Art. 115.

De bekendmaking van het verstrijken van elke geldigheidsperiode van twintig jaar van een omgevingsvergunning van onbepaalde duur bestaat uit:

een openbaar onderzoek;
de individuele kennisgeving aan de leidend ambtenaar van de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, die in eerste administratieve aanleg over een vergunningsaanvraag voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit advies geven.

 

Conform artikel 83, §1, derde lid, van het decreet van 25 april 2014, gebeurt de bekendmaking op initiatief van de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, binnen een termijn van zes maanden voor het verstrijken van elke geldigheidsperiode van twintig jaar. 


Art. 116.

Het bevoegde bestuur verzoekt de betrokken gemeente om een openbaar onderzoek te organiseren.

 

Als de bekendmaking uitsluitend betrekking heeft op bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten, wordt in afwijking van het eerste lid de betrokken provincie verzocht om een openbaar onderzoek te organiseren.

 

Voor de organisatie van het openbaar onderzoek zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5, van overeenkomstige toepassing.

 

De gemeente stelt de tekst ter beschikking die gebruikt wordt voor de bekendmaking.

 

De tekst, vermeld in het vierde lid, bevat minstens de volgende gegevens:

de naam van de vergunninghouder of exploitant; 
de vermelding dat het gaat over een verzoek tot bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning;
de ingedeelde inrichting of activiteit waarop het verzoek betrekking heeft en de ligging daarvan;
nadere gegevens over de bevoegde overheid voor de bijstelling;
nadere gegevens over de overheid waarbij relevante informatie kan worden verkregen;
de begin- en einddatum van de mogelijkheid om een verzoek in te dienen tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning;
de plaats waar de vergunning tijdens de bekendmaking ter inzage ligt;
de begin- en einddatum en de voorwaarden waaronder een gemotiveerd verzoek tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning wat betreft de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten kan worden ingediend.

 

Het bevoegde bestuur zal op de dag van het verzoek om een openbaar onderzoek te organiseren, vermeld in het eerste of tweede lid, met een digitale zending de individuele kennisgeving, vermeld in artikel 115, eerste lid, 2°, versturen.


Afdeling 2.
De indiening van het verzoek en ambtshalve initiatief


Art. 117.

Het gemotiveerde verzoek tot bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning wat betreft de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten wordt ingediend bij de overheid die conform artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 bevoegd is voor het project, binnen een termijn van dertig dagen die aanvangt:

voor het betrokken publiek: de dag na de eerste dag van de aanplakking van de affiche, vermeld in artikel 59 van dit besluit; 
voor de adviesinstanties: de eerste dag na de dag van de individuele inkennisstelling, vermeld in artikel 116, zesde lid, van dit besluit.

   


Art. 118.

Het gemotiveerde verzoek bevat op straffe van onontvankelijkheid de volgende gegevens:

de naam, de hoedanigheid en het adres van de verzoeker; 
de identificatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot bijstelling;
een omschrijving van de gevraagde bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning;
de redenen waarom het verzoek wordt ingesteld.

 


Art. 119.

De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, kan een initiatief tot ambtshalve bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning wat betreft de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten nemen binnen een termijn van dertig dagen vanaf de eerste dag na de dag waarop het bevoegde bestuur de betrokken gemeente of provincie verzocht heeft om een openbaar onderzoek te organiseren als vermeld in artikel 116, eerste of tweede lid, van dit besluit.

 

Het besluit van de bevoegde overheid omvat op straffe van onontvankelijkheid de gegevens, vermeld in artikel 118 van dit besluit.


Afdeling 3.
Het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek en het onderzoek van de kennelijke ongegrondheid van de aangevoerde motieven


Art. 120.

§1. Het bevoegde bestuur onderzoekt de ontvankelijkheid en volledigheid van het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning.

 

Bij het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid wordt nagegaan of voldaan is aan de bepalingen van artikel 117, 118 of 119 van dit besluit, en artikel 83, §1, eerste en tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.

 

In de gevallen, vermeld in artikel 87, §1, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014, stelt de bevoegde overheid het verzoek of initiatief tot ambtshalve bijstelling ter beschikking van de bevoegde omgevingsvergunningscommissie, en vraagt het de kennelijke ongegrondheid van de aangevoerde motieven te onderzoeken.

 

Binnen een termijn van vijf dagen nadat de bevoegde omgevingsvergunningscommissie de vraag tot onderzoek, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen, vraagt de omgevingsvergunningscommissie het standpunt van:

het adviserend schepencollege, als:
  a) het betrokken college van burgemeester en schepenen niet het ambtshalve initiatief heeft genomen;
  b) het verzoek tot bijstelling geen betrekking heeft op bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten;
de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, die over de vergunningsaanvraag in eerste administratieve aanleg een advies geven als ze niet zelf een verzoek tot bijstelling van het voorwerp en de duur hebben ingediend of de exploitant zijn.

 

§2. De adviesinstanties en het adviserend schepencollege, vermeld in paragraaf 1, vierde lid, stellen hun standpunt ter beschikking van de omgevingsvergunningscommissie binnen een vervaltermijn van vijftien dagen die ingaat op de dag na de dag van ontvangst van de adviesvraag.

 

Als een adviesinstantie of het adviserend schepencollege geen standpunt ter beschikking heeft gesteld binnen de gestelde vervaltermijn, wordt aangenomen dat die van oordeel zijn dat de aangevoerde motieven van een initiatief tot ambtshalve bijstelling of een verzoek ertoe als vermeld in artikel 83, §1, eerste lid, 1°, respectievelijk artikel 83, §1, eerste lid, 2°, van het decreet van 25 april 2014, kennelijk ongegrond zijn.

 

§3. De omgevingsvergunningscommissie deelt het resultaat van haar onderzoek mee binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de dag van ontvangst door de commissie van het verzoek of initiatief tot ambtshalve bijstelling.

 

§4. Het bevoegde bestuur deelt het resultaat van het onderzoek naar de ontvankelijkheid, volledigheid of de kennelijke ongegrondheid van het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling met een beveiligde zending mee aan de verzoeker of, in geval van een ambtshalve initiatief, aan de bevoegde overheid binnen een termijn van vijftig dagen vanaf de dag na de datum waarop het verzoek is ingediend.

 

Op dezelfde dag van de mededeling, vermeld in het eerste lid, brengt het bevoegde bestuur de exploitant van de ingedeelde inrichting of activiteit met een beveiligde zending op de hoogte van een ontvankelijk, volledig en niet kennelijk ongegrond bevonden ambtshalve initiatief of verzoek.

 

Als het verzoek tot bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning onontvankelijk, onvolledig of kennelijk ongegrond wordt bevonden, wordt de procedure definitief stopgezet.


Afdeling 4.
Het openbaar onderzoek


Art. 121.

Het bevoegde bestuur stelt uiterlijk de dag waarop de beslissingstermijn, vermeld in artikel 89, §3, van het decreet van 25 april 2014, ingaat, het ontvankelijk en volledig bevonden verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning ter beschikking van de betrokken gemeente, met de opdracht om een openbaar onderzoek te organiseren.

 

Als het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning uitsluitend betrekking heeft op bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten, wordt in afwijking van het eerste lid het verzoek of ambtshalve initiatief niet ter beschikking gesteld van de betrokken gemeente, maar van de betrokken provincie, met de opdracht om een openbaar onderzoek te organiseren.

 

Voor de organisatie van het openbaar onderzoek zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5, met uitzondering van artikel 16, tweede lid, van toepassing. 


Afdeling 5.
Adviesverlening


Art. 122.

§1. Het bevoegde bestuur zal uiterlijk de dag waarop de beslissingstermijn, vermeld in artikel 89, §3, van het decreet van 25 april 2014, ingaat, het ontvankelijk en volledig bevonden verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning voor advies ter beschikking stellen van de bevoegde omgevingsvergunningscommissie.

 

De omgevingsvergunningscommissie stelt binnen tien dagen nadat haar het verzoek of ambtshalve initiatief ter beschikking is gesteld, op haar beurt het verzoek of ambtshalve initiatief ter beschikking van:

het adviserend schepencollege, als het betrokken college van burgemeester en schepenen niet het ambtshalve initiatief heeft genomen, met het verzoek om advies uit te brengen;
de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, als die adviesinstanties:
  a) over de vergunningsaanvraag in eerste administratieve aanleg een advies geven;
  b) niet zelf een verzoek tot bijstelling van het voorwerp en de duur hebben ingediend of exploitant zijn, met het verzoek om advies uit te brengen;
de overige leden van de betrokken omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 39 respectievelijk artikel 40.

 

§2. De volgende vervaltermijnen worden gehanteerd voor de advisering:

door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning: 
  a)

zestig dagen als het een advies aan de POVC of de GOVC betreft;

 

  b) vijftig dagen in alle andere gevallen dan het geval, vermeld in punt a); 
door het adviserende schepencollege en de overige adviesinstanties: vijftig dagen.

 

De bevoegde omgevingsvergunningscommissie brengt een advies uit binnen een termijn van negentig dagen.

 

De termijnen, vermeld in het eerste en het tweede lid, vangen aan de dag nadat het verzoek of ambtshalve initiatief ter beschikking is gesteld.

 

Als geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn, vermeld in het eerste of tweede lid, wordt het advies geacht gunstig te zijn voor de gevraagde bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning.

 

§3. De personen en instanties die een verzoek tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning hebben ingediend, of de exploitant, worden op hun verzoek gehoord door de provinciale of de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie.

 

Het verzoek om gehoord te worden, wordt op straffe van onontvankelijkheid, gesteld in het verzoek tot bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning of, voor de exploitant, binnen veertien dagen na de dag waarop hem het ontvankelijk en volledig bevonden verzoek of ambtshalve initiatief conform artikel 120, §4, tweede lid, wordt meegedeeld.

 

§4. De adviezen, vermeld in paragraaf 2, bevatten een gemotiveerde beoordeling van de noodzaak tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning voor de aspecten waarvoor het adviserend schepencollege en de adviesinstanties krachtens artikel 34 of 38 adviesbevoegdheid hebben.

 

§5. Artikel 29 van het decreet van 25 april 2014 is van overeenkomstige toepassing op de bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning.

 


Afdeling 6.
Situaties die resulteren in een termijnverlenging


Art. 123.

De termijn om een beslissing te nemen, vermeld in artikel 89, §1, 2°, van het decreet van 25 april 2014, wordt uitsluitend verlengd met zestig dagen als toepassing wordt gemaakt van de administratieve lus, vermeld in artikel 13 van het decreet van 25 april 2014.

 

In voorkomend geval brengt het bevoegde bestuur met een beveiligde zending de exploitant en de aanvrager voor het verstrijken van de normale beslissingstermijn op de hoogte van de termijnverlenging.

 

Als de bevoegde overheid met toepassing van artikel 13 van het decreet van 25 april 2014 beslist om een tweede openbaar onderzoek te organiseren, geeft ze daarvoor de opdracht aan de betrokken gemeente of, in geval van bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten, aan de betrokken provincie.

 

In geval van een tweede openbaar onderzoek en in alle gevallen waarin de bevoegde overheid dat noodzakelijk acht, worden conform artikel 122 van dit besluit de adviezen opnieuw ingewonnen en uitgebracht, waarbij de adviestermijn van zestig dagen wordt herleid tot dertig dagen en die van negentig dagen tot vijfenveertig dagen.


Afdeling 7.
De beslissing


Art. 124.

De beslissing over het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning wordt genomen conform artikel 89 van het decreet van 25 april 2014.

 

De beslissing over het verzoek of ambtshalve initiatief omvat:

de datum van het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van het voorwerp of de duur; 
de naam of de hoedanigheid van de verzoeker of van de overheid die het ambtshalve initiatief heeft genomen;
de naam en, in voorkomend geval, het ondernemersnummer van de exploitant of van de beroepsindiener;
de identificatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot bijstelling;
in voorkomend geval, een verwijzing naar de aard van de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek in de aanleg in kwestie, en de wijze waarop daarmee is omgegaan;
een motivering van de beslissing, in voorkomend geval onder meer rekening houdend met de bepalingen van artikel 73 en 74 van het decreet van 25 april 2014 en artikel 3.3.0.1 tot en met 3.3.0.3 van titel II van het VLAREM;
in voorkomend geval, de gewijzigde duur van de vergunning of de bijzondere milieuvoorwaarden die worden opgelegd;
in voorkomend geval, de geactualiseerde vergunningssituatie, vermeld in artikel 48, §2;

de mogelijkheid en de modaliteiten van het beroep tegen de genomen beslissing. 

 

Als de wijziging of aanvulling van de bijzondere milieuvoorwaarden betrekking heeft op een GBPV-installatie, zijn de bepalingen van artikel 52, eerste lid, 2°, van dit besluit en artikel 1.8 en 1.9 van titel III van het VLAREM ook van toepassing.


Afdeling 8.
Bekendmaking van de beslissing


Art. 125.

Voor de bekendmaking van de beslissing zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3, van overeenkomstige toepassing.

 

De exploitant wordt met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de beslissing.


Hoofdstuk 4.
De bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, vermeld in hoofdstuk 6, afdeling 2, van het decreet van 25 april 2014, in laatste administratieve aanleg


Afdeling 1.
De indiening van het beroep


Art. 126.

Conform de bepalingen van artikel 90 van het decreet van 25 april 2014 kan door het betrokken publiek, de personen en instanties, vermeld in artikel 53 van het voormelde decreet, tegen elke uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing in eerste administratieve aanleg over de bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning beroep worden ingesteld bij:

de deputatie, bevoegd voor het ambtsgebied, als het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg de bevoegde overheid was; 
de Vlaamse Regering, als de deputatie in eerste administratieve aanleg de bevoegde overheid was.

 

Voor het indienen van het beroep zijn de bepalingen van artikel 54 en 56 van het decreet van 25 april 2014 en de bepalingen ter uitvoering daarvan van overeenkomstige toepassing.


Art. 127.

Het beroepschrift omvat:

de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, en de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
  a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
  b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de bijstelling van het voorwerp en de duur van een omgevingsvergunning;
de redenen waarom het beroep wordt ingesteld;
in voorkomend geval, het verzoek om door de bevoegde omgevingsvergunningscommissie gehoord te worden.

 

Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:

in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.

 

Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.

 

Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de exploitant of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.


Afdeling 2.
Het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek


Art. 128.

De ontvankelijkheid en volledigheid van het beroep worden onderzocht en het resultaat daarvan wordt meegedeeld conform artikel 57 respectievelijk artikel 58 van het decreet van 25 april 2014 en de bepalingen ter uitvoering daarvan.

 

Bij het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid wordt nagegaan of voldaan is aan de decretale en reglementaire verplichtingen, vermeld in artikel 126 en 127.


Afdeling 3.
Adviesverlening


Art. 129.

§1. Op de dag van verzending van de ontvankelijk- en volledigverklaring van het beroep of uiterlijk bij het verstrijken van de vervaltermijn, vermeld in artikel 58, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014, stelt het bevoegde bestuur het beroepsdossier voor advies ter beschikking van de bevoegde omgevingsvergunningscommissie.

 

De omgevingsvergunningscommissie stelt binnen tien dagen nadat haar het beroepsdossier ter beschikking is gesteld, dat dossier op haar beurt ter beschikking van:

het adviserend schepencollege, als het betrokken college van burgemeester en schepenen niet zelf het beroep heeft ingesteld, met het verzoek om advies uit te brengen;
de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, als die adviesinstanties:
  a) over de vergunningsaanvraag in laatste administratieve aanleg over een vergunningsaanvraag een advies geven;
  b)

niet zelf het voorwerp tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning of het beroep hebben ingediend, of exploitant zijn, 

met het verzoek om advies uit te brengen;

de overige leden van de betrokken omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 39 respectievelijk artikel 40.

 

§2. De volgende vervaltermijnen worden gehanteerd voor de advisering:

door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning: 
  a) zestig dagen als het een advies aan de POVC of de GOVC betreft;
  b) vijftig dagen in alle andere gevallen dan het geval, vermeld in punt a);
door het adviserende schepencollege en de overige adviesinstanties: vijftig dagen.

 

De bevoegde omgevingsvergunningscommissie brengt een advies uit binnen een termijn van negentig dagen.

 

De termijnen, vermeld in het eerste en het tweede lid, vangen aan de dag nadat het beroepsdossier ter beschikking is gesteld.

 

Als geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn, vermeld in het eerste of tweede lid, wordt het advies geacht gunstig te zijn voor de gevraagde bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning.

 

§3. De beroepsindiener of de exploitant, als hij niet zelf het beroep instelt, worden op hun verzoek gehoord door de bevoegde omgevingsvergunningscommissie.

 

Het verzoek om gehoord te worden, wordt, op straffe van onontvankelijkheid, gesteld in het beroepschrift of, voor de exploitant, als hij niet zelf het beroep instelt, met een beveiligde zending binnen veertien dagen na de dag waarop hem, conform artikel 56, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014, het beroep wordt meegedeeld.

 

§4. De adviezen, vermeld in paragraaf 2, bevatten een gemotiveerde beoordeling van de noodzaak tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning, in voorkomend geval, voor die aspecten waarover het adviserend schepencollege en de adviesinstanties krachtens artikel 34 of 38 adviesbevoegdheid hebben.


Afdeling 4.
Situaties die resulteren in een termijnverlenging


Art. 130.

In het geval van een termijnverlenging brengt het bevoegde bestuur met een beveiligde zending de exploitant en de beroepsindiener voor het verstrijken van de normale beslissingstermijn op de hoogte van de termijnverlenging.

 

In geval van een tweede openbaar onderzoek en in alle gevallen waarin de bevoegde overheid dat noodzakelijk acht, worden overeenkomstig artikel 129 van dit besluit de adviezen opnieuw ingewonnen en uitgebracht waarbij de adviestermijn van zestig dagen wordt herleid tot dertig dagen en die van negentig dagen tot vijfenveertig dagen.


Afdeling 5.
De beslissing


Art. 131.

De beslissing in laatste administratieve aanleg over de bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning wordt genomen binnen de vastgestelde of, in voorkomend geval, verlengde termijn, vermeld in artikel 66, van het decreet van 25 april 2014.

 

De beslissing omvat:

de datum van het beroep en de naam of de hoedanigheid van de beroepsindiener; 
de datum en de aard van de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld;
de datum van het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van het voorwerp of de duur; 
de naam of de hoedanigheid van de verzoeker of van de overheid die het ambtshalve initiatief heeft genomen;
de naam en, in voorkomend geval, het ondernemersnummer van de exploitant of van de beroepsindiener;
de identificatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot bijstelling;
in voorkomend geval, een verwijzing naar de aard van de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek in de aanleg in kwestie, en de wijze waarop daarmee is omgegaan;
een motivering van de beslissing, in voorkomend geval onder meer rekening houdend met de bepalingen van artikel 73 en 74 van het decreet van 25 april 2014 en artikel 3.3.0.1 tot en met 3.3.0.3 van titel II van het VLAREM;
in voorkomend geval, de gewijzigde duur van de vergunning of de bijzondere milieuvoorwaarden die worden opgelegd;
10° in voorkomend, geval de geactualiseerde vergunningssituatie, vermeld in artikel 48, §2;
11° de mogelijkheid en de modaliteiten van het beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen tegen de genomen beslissing.

 

Als de wijziging of aanvulling van de bijzondere milieuvoorwaarden betrekking heeft op een GBPV-installatie, zijn de bepalingen van artikel 52, eerste lid, 2°, van dit besluit en artikel 1.8 en 1.9 van titel III van het VLAREM ook van toepassing.


Afdeling 6.
Bekendmaking van de beslissing


Art. 132.

Voor de bekendmaking van de beslissing zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3, van overeenkomstige toepassing.

 

De exploitant wordt met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de beslissing.


Hoofdstuk 5.
De bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden


Art. 133.

De aanvraag tot het bijstellen van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 86 van het decreet van 25 april 2014, wordt met een beveiligde zending ingediend bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het voormelde decreet.

 

De aanvrager gebruikt hiertoe:

het formulier, opgenomen in bijlage 6 die bij dit besluit is gevoegd; 
de in het formulier aangewezen addenda uit de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.

 

De aanvraag omvat de gegevens die als verplicht in te vullen of bij te voegen voorgeschreven zijn in het formulier en de desbetreffende addenda.

 

De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn gemachtigd gezamenlijk het formulier en de addenda-bibliotheek, vermeld in het tweede lid, en de dossiersamenstelling te wijzigen, waarbij minstens de volgende gegevens worden gevraagd:

het voorwerp van de bijstelling;
de identificatiegegevens van de plaats waar de bijstelling uitgevoerd zal worden;
in voorkomend geval, plannen;
in voorkomend geval, gegevens omtrent de milieueffectrapportage of de omgevingsveiligheidsrapportage;
in voorkomend geval, gegevens omtrent de passende beoordeling;
de identificatiegegevens van de aanvrager.

Titel 5.
Schorsing of opheffing van de omgevingsvergunning wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit


Art. 134.

§1. Als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, conform artikel 92 van het voormelde decreet het initiatief neemt om de omgevingsvergunning te schorsen of op te heffen wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, brengt het bevoegde bestuur de vergunninghouder of exploitant daarvan met een beveiligde zending op de hoogte.

 

De vergunninghouder of exploitant wordt gehoord op zijn verzoek.

 

§2. Op dezelfde dag als de verzending van de kennisgeving, vermeld in paragraaf 1, vraagt het bevoegde bestuur het advies van het adviserend schepencollege en de toezichthouder die conform titel XVI van het DABM bevoegd is, over het voornemen om de omgevingsvergunning volledig of gedeeltelijk te schorsen of op te heffen wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit.

 

In afwijking van het eerste lid wordt het adviserend schepencollege niet om advies gevraagd als het betrokken college van burgemeester en schepenen conform artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 de bevoegde overheid is.

 

Het adviserend schepencollege en de toezichthouder, vermeld in het eerste lid, verlenen hun advies over het voornemen om de omgevingsvergunning volledig of gedeeltelijk te schorsen of op te heffen binnen een vervaltermijn van zestig dagen, samen met een eensluidend verklaard afschrift van de processen-verbaal van vaststelling van de overtredingen die door hen of in hun opdracht zijn opgesteld.

 

Artikel 29 van het decreet van 25 april 2014 is van overeenkomstige toepassing.

 

§3. De bevoegde overheid neemt binnen honderdtwintig dagen na de verzending van de kennisgeving, vermeld in paragraaf 1, een beslissing over de al dan niet volledige of gedeeltelijke opheffing of schorsing van de omgevingsvergunning.

 

§4. Het bevoegde bestuur brengt met een beveiligde zending uiterlijk tien dagen na de datum waarop de beslissing is genomen, de volgende personen en instanties op de hoogte van de beslissing:

de vergunninghouder of exploitant; 
de toezichthouder, vermeld in paragraaf 2, eerste lid; 
het betrokken college van burgemeester en schepenen, tenzij het zelf de beslissing heeft genomen.

Art. 135.

§1. Tenzij de beslissing tot schorsing of opheffing van de omgevingsvergunning door de Vlaamse Regering is genomen, kan de vergunninghouder of exploitant tegen de beslissing beroep instellen bij de Vlaamse Regering.

 

Het beroep schorst de beslissing.

 

§2. Het beroep, vermeld in paragraaf 1, wordt met een beveiligde zending bij de Vlaamse Regering, vertegenwoordigd door de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, ingediend binnen een vervaltermijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de dag van kennisgeving, vermeld in artikel 134, §4.

 

§3. Voor de behandeling, de beslissing en de bekendmaking van de beslissing over het beroep zijn de bepalingen van artikel 110 tot en met artikel 114 van overeenkomstige toepassing. 


Titel 6.
De melding


Hoofdstuk 1.
De samenstelling van een meldingsdossier en de meldingsprocedure


Art. 136.

§1. Conform artikel 109 van het decreet van 25 april 2014 wordt de melding met een beveiligde zending ingediend bij de bevoegde overheid vermeld in artikel 107 van het voormelde decreet.

 

De persoon die de melding verricht, gebruikt hiertoe:

het formulier, opgenomen in bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd; 
de in het formulier aangewezen addenda uit de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.

 

De melding omvat de gegevens die als verplicht in te vullen of bij te voegen voorgeschreven zijn in het formulier en de desbetreffende addenda.

 

De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn gemachtigd gezamenlijk het formulier en de addenda-bibliotheek, vermeld in het tweede lid, en de dossiersamenstelling te wijzigen, waarbij minstens de volgende gegevens worden gevraagd:

het voorwerp van de melding; 
de identificatiegegevens van de plaats waar het voorwerp van de melding uitgevoerd zal worden;
plannen;
de identificatiegegevens van de persoon die de melding verricht of de exploitant;
de identificatiegegevens van de architect als diens medewerking vereist is.

 

§2. Als de Vlaamse Regering de bevoegde overheid voor de melding is, is de gewestelijke omgevingsambtenaar bevoegd voor de aktename, vermeld in artikel 107, tweede lid, van het voormelde decreet, behalve als de gewestelijke omgevingsambtenaar geen delegatie heeft om zich over het vergunningsplichtige onderdeel van het project uit te spreken.


Art. 137. De melding van een meldingsplichtige exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die onlosmakelijk verbonden is met de woonfunctie van een onroerend goed dat hoofdzakelijk voor bewoning wordt gebruikt, wordt verricht door de eigenaar van het onroerend goed. In geval van mede-eigendom verricht de persoon die door de mede-eigenaars als beheerder is belast met het beheer van het goed, de melding.

Hoofdstuk 2.
Bekendmaking


Art. 138.

De meldingsakte wordt bekendgemaakt door:

de aanplakking van een affiche op de plaats waar het voorwerp van de melding uitgevoerd zal worden conform artikel 139;
de publicatie op de website [...], waarbij artikel 60, van overeenkomstige toepassing is;
de individuele kennisgeving conform artikel 140;
de analoge of digitale terinzagelegging van de meldingsakte in het gemeentehuis van de gemeente waar het voorwerp van de melding uitgevoerd zal worden, waarbij artikel 63, van overeenkomstige toepassing is.

 

Als de handelingen of de exploitatie niet meldingsplichtig of verboden zijn, brengt de overheid, vermeld in artikel 107 van het decreet van 25 april 2014, de persoon die de melding heeft verricht, daarvan met een beveiligde zending op de hoogte.


Art. 139. De aanplakking gebeurt conform artikel 59 waarbij de vergunningsaanvrager gelezen moet worden als de persoon die de melding verricht. Het opschrift van de aan te plakken affiche luidt: “BEKENDMAKING MELDINGSAKTE”.

Art. 140.

Het bevoegde bestuur stelt de meldingsakte met een beveiligde zending ter beschikking van de persoon die de melding heeft verricht.

 

Het bevoegde bestuur stelt de meldingsakte met een digitale zending ter beschikking van:

de betrokken gemeente, als ze niet het bevoegde bestuur is;
de nv Aquafin als de melding betrekking heeft op de indelingsrubrieken 3, 53.1 tot en met 53.5, 53.9 en 53.11;
de VLM als de melding betrekking heeft op de exploitatie van een inrichting of activiteit die ingedeeld is in een of meer van de indelingsrubrieken 9.3 tot en met 9.8 of 28.2. 

 

Het bevoegde bestuur bezorgt de meldingsakte aan de afdeling van de VMM bevoegd voor grondwater als de melding betrekking heeft op de indelingsrubrieken 52 tot en met 56.

 

De bekendmakingen, vermeld in het eerste tot en met derde lid, gebeuren uiterlijk tien dagen na de datum van de aktename.


Hoofdstuk 3.
Bijstelling van de meldingsakte voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit


Art. 140/1.

De bijzondere milieuvoorwaarden die in de meldingsakte van een ingedeelde inrichting of activiteit van de derde klasse zijn opgelegd, kunnen worden bijgesteld. De bijzondere milieuvoorwaarden kunnen van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden afwijken als die mogelijkheid in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden uitdrukkelijk is vermeld voor vergunningsplichtige ingedeelde inrichtingen of activiteiten rekening houdend met artikel 113, § 2, van het decreet van 25 april 2014.


Titel 7.
De omgevingsambtenaren


Hoofdstuk 1.
De gewestelijke omgevingsambtenaren


Art. 141.

§ 1. De volgende personen vervullen altijd de functie van gewestelijke omgevingsambtenaar :

de leidend ambtenaren van :
  a) het departement ;
  b) het Agentschap Innoveren en Ondernemen;
  c) het Agentschap voor Natuur en Bos;

de afdelingshoofden van :

 

a)

de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning;
  b) de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning.

 

§2. De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, kunnen samen bijkomende gewestelijke omgevingsambtenaren aanwijzen. Alleen ambtenaren van niveau A uit de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, of de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, kunnen worden voorgedragen en aangewezen. De van rechtswege aangewezen ambtenaren en de ambtenaren die bijkomend aangewezen worden, beschikken conform artikel 10 van het decreet van 25 april 2014 samen over voldoende kennis van zowel de ruimtelijke ordening als het milieu, zoals bepaald in hoofdstuk 3 van deze titel.

 

Het aanwijzingsbesluit vermeldt een termijn van maximaal zes jaar. De aanwijzing is hernieuwbaar. Ze kan op elk ogenblik worden beëindigd, hetzij bij ministerieel besluit, na advies van de leidend ambtenaren, hetzij op verzoek van de betrokkene.

 


Art. 142.

Behoudens de taken die zijn toegewezen aan de GOVC en onverminderd artikel 10 is de gewestelijke omgevingsambtenaar gemachtigd om te beslissen over de ontvankelijkheid en volledigheid van vergunningsaanvragen, verzoeken en ambtshalve initiatieven tot bijstelling van de omgevingsvergunning, mededelingen met de vraag tot omzetting van een milieuvergunning van bepaalde duur naar een vergunning van onbepaalde duur en beroepen waarvoor de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar bevoegd zijn.

 

De volgende personeelsleden worden ertoe gemachtigd om taken te vervullen ter voorbereiding of bekendmaking van beslissingen, waarvoor de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar bevoegd is. Personeelsleden van :

de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning;
de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning;
het Agentschap Innoveren en Ondernemen;
het Agentschap voor Natuur en Bos.

Hoofdstuk 1/1.
De provinciale omgevingsambtenaren


Art. 142/1.

Om te kunnen worden aangewezen als provinciale omgevingsambtenaar, moet een persoon voldoen aan elk van de volgende voorwaarden :

houder zijn van een diploma dat toegang geeft tot niveau A;

beschikken over een relevante aantoonbare beroepservaring van minstens twee jaar.

 

 

De aangewezen personeelsleden beschikken conform artikel 9/1 van het decreet van 25 april 2014 samen over voldoende kennis van zowel de ruimtelijke ordening als het milieu als vermeld in hoofdstuk 3 van deze titel.

 

Het aanwijzingsbesluit vermeldt een termijn van maximaal zes jaar. De aanwijzing is hernieuwbaar. Ze kan op elk ogenblik worden beëindigd, hetzij bij besluit van de deputatie, na advies van de gouverneur, hetzij op verzoek van de betrokkene.


Art. 142/2.

Met uitzondering van de taken die zijn toegewezen aan de POVC is de provinciale omgevingsambtenaar gemachtigd om te beslissen over de ontvankelijkheid en volledigheid van vergunningsaanvragen, verzoeken en ambtshalve initiatieven tot bijstelling van de omgevingsvergunning, mededelingen met de vraag tot omzetting van een milieuvergunning van bepaalde duur in een vergunning van onbepaalde duur en beroepen waarvoor de deputatie bevoegd is.


Personeelsleden van de provinciale administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning, worden ertoe gemachtigd om taken te vervullen ter voorbereiding of bekendmaking van beslissingen, waarvoor de deputatie bevoegd is.


Hoofdstuk 2.
De gemeentelijke omgevingsambtenaren


Afdeling 1.
Aanwijzing van de gemeentelijke omgevingsambtenaren


Art. 143.

§1. Om te kunnen worden aangewezen als gemeentelijke omgevingsambtenaar, moet een persoon voldoen aan elk van de volgende voorwaarden:

houder zijn van een diploma dat toegang geeft tot niveau A of B; 
beschikken over een relevante aantoonbare beroepservaring van minstens twee jaar.

 

§2. Onverminderd hoofdstuk 12 van het decreet van 25 april 2014 en in afwijking van paragraaf 1 kunnen personen die houder zijn van een diploma dat toegang geeft tot niveau B, als gemeentelijke omgevingsambtenaar worden aangewezen op voorwaarde dat op de datum van goedkeuring van dit besluit de administratieve behandeling van aanvragen tot milieuvergunning, stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning een van hun hoofdtaken was.

 

§3. Onverminderd hoofdstuk 12 van het decreet van 25 april 2014 en in afwijking van paragraaf 1 kunnen personen die houder zijn van een diploma dat toegang geeft tot niveau C als gemeentelijke omgevingsambtenaar worden aangewezen op voorwaarde dat op de datum van goedkeuring van dit besluit de administratieve behandeling van aanvragen tot milieuvergunning, stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning gedurende minstens vijf jaar een van hun hoofdtaken was.


Afdeling 2.
Onverenigbaarheden


Art. 144.

Onverminderd artikel 9, § 3, van het decreet van 25 april 2014 is het ambt van gemeentelijke omgevingsambtenaar onverenigbaar met het ambt van secretaris of van financieel beheerder, vermeld in de wetgeving op de gemeentelijke instellingen.


Afdeling 3.
Aanwijzingsvoorwaarden van waarnemend gemeentelijk omgevingsambtenaar

.


Art. 145.

De gemeentesecretaris kan alleen personen als waarnemende gemeentelijke omgevingsambtenaar aanwijzen die houder zijn van een diploma dat toegang geeft tot niveau A of B.

 

Daarnaast kan de gemeentesecretaris ook personen die houder zijn van een diploma dat toegang geeft tot niveau C, als waarnemende gemeentelijke omgevingsambtenaar aanwijzen. Deze personen moeten op het ogenblik van hun aanwijzing wel betrokken zijn bij de uitvoering van de gemeentelijke taken inzake ruimtelijke ordening of leefmilieu.

 

Een aanwijzing als waarnemend gemeentelijk omgevingsambtenaar kan maximaal achttien maanden duren.


Hoofdstuk 3.
Kwaliteitseisen


Art. 146.

De kwaliteitseisen waaruit voldoende kennis van de ruimtelijke ordening blijkt en waarover de aangestelde omgevingsambtenaar of omgevingsambtenaren gezamenlijk moeten beschikken, zijn:

cursussen stedenbouw, ruimtelijke ordening of ruimtelijke planning gevolgd hebben, wat aangetoond wordt met het betrokken master- of bachelordiploma, of; 
een relevante beroepservaring inzake ruimtelijke ordening hebben van minstens twee jaar. 

 

De kwaliteitseisen waaruit voldoende kennis van het milieu blijkt en waarover de aangestelde omgevingsambtenaar of omgevingsambtenaren gezamenlijk moeten beschikken, zijn:

cursussen milieu gevolgd hebben, wat aangetoond wordt met het betrokken master- of bachelordiploma, of; 
een relevante beroepservaring inzake milieu hebben van minstens twee jaar.

  


Titel 8.
Digitalisering


Hoofdstuk 1.
Algemene bepalingen


Art. 147.

De Vlaamse overheid stelt het uitwisselingsplatform ter beschikking waarop de stukken en gegevens over de procedures, vermeld in het tweede lid, die conform dit besluit worden gestart, elektronisch uitgewisseld worden.

 

De procedures, vermeld in het eerste lid, betreffen:

[...]  
de vergunningsprocedure, in eerste en laatste administratieve aanleg, vermeld in hoofdstuk 2 en 3 van het voormelde decreet;
de meldingsprocedure, vermeld in hoofdstuk 10 van het voormelde decreet;
de procedure tot bijstelling van de omgevingsvergunning in eerste en laatste aanleg, vermeld in artikel 82, 83, 85 en 86 van het voormelde decreet;
de procedure tot afwijking van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, vermeld in titel V, hoofdstuk IV, afdeling 3, van het DABM;
de procedure tot omzetting van de milieuvergunning van bepaalde duur in een omgevingsvergunning van onbepaalde duur, vermeld in artikel 390 van het decreet van 25 april 2014;
de meldingsprocedure, vermeld in artikel 97 en 98.
de procedure tot schorsing en opheffing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, vermeld in artikel 134 en 135

  

De Vlaamse overheid stelt het omgevingsloket ter beschikking dat toegang geeft tot het uitwisselingsplatform.


Art. 148.

De Vlaamse overheid stelt een omgevingsvergunningenregister ter beschikking waarin het digitale dossier wordt opgeslagen.

 

Het omgevingsvergunningenregister, vermeld in het eerste lid, omvat de databank van de omgevingsvergunningen die toelating verlenen voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten, vermeld in artikel 5.2.2 van het DABM.


Art. 149. De verplichting tot opslaan, vermeld in dit hoofdstuk, gebeurt conform de technische richtlijnen die het departement ter beschikking stelt.

Hoofdstuk 2.
Uitwisselingsplatform en omgevingsloket


Afdeling 1.
Toegang


Art. 150.

Het omgevingsloket en het uitwisselingsplatform zijn toegankelijk via een webtoepassing van de Vlaamse overheid, de provincie of de gemeente.

 

De toegang tot het omgevingsloket en het uitwisselingsplatform is alleen mogelijk met:

elke aanmeldingswijze die door het Gebruikersbeheer van de Vlaamse Overheid ondersteund wordt; 
[...]  
[...]  
een certificaat dat getekend is door het certificatenbeheerplatform van de Vlaamse overheid;
een andere authenticatie die aanvaard is door de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu.

Art. 151.

De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, bepalen samen:

de stukken en gegevens die het uitwisselingsplatform minstens bevat; 
de personen en instanties die toegang hebben tot de stukken en de gegevens, vermeld in punt 1°;
de voorwaarden van toegang tot de stukken en de gegevens, vermeld in punt 1°. Ze kunnen daarbij in differentiatie voorzien voor de stukken, vermeld in punt 1°, waartoe de personen en instanties, vermeld in punt 2°, toegang hebben, het tijdstip waarop en de duur waarbinnen ze toegang hebben. 

 


Art. 152.

De elektronische gegevensuitwisseling via het omgevingsloket of het uitwisselingsplatform wordt beschouwd als een beveiligde zending als vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, c), van het decreet van 25 april 2014, op voorwaarde dat de gegevensuitwisseling verloopt conform deze titel.

 

Het departement kan de toegelaten formaten en de vereisten van de tekstdocumenten, bestanden, foto’s en plannen bepalen.


Art. 153. Het bevoegde bestuur, de betrokken gemeente of provincie, de adviesinstanties, vermeld in artikel 35, 37, 38/1 of 38/3, de POVC of de GOVC kunnen geen analoge afdrukken eisen van de tekstdocumenten, bestanden, foto’s of plannen die op het uitwisselingsplatform voor hen beschikbaar zijn.

Art. 153/1.

Met toepassing van artikel 14/1, vijfde lid, en in afwijking van artikel 14/1, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014 en de bepalingen van dit besluit wat betreft digitale indiening, worden aanvragen die louter betrekking hebben op kleinhandelsactiviteiten of vegetatiewijzigingen per beveiligde analoge zending ingediend in vier exemplaren, waarvan twee exemplaren op papier en twee exemplaren op een leesbare, virusvrije USB-stick.

 

In afwijking van de bepalingen van dit besluit wat betreft digitale behandeling worden aanvragen die louter betrekking hebben op kleinhandelsactiviteiten of vegetatiewijzigingen analoog behandeld, met inbegrip van de bekendmaking van de beslissing.

 

De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, bepalen gezamenlijk de datum vanaf wanneer aanvragen die louter betrekking hebben op kleinhandelsactiviteiten of vegetatiewijzigingen digitaal ingediend kunnen worden en vervolgens digitaal behandeld worden.


Afdeling 2.
Digitale indiening, behandeling en beslissing


Onderafdeling 1.
Digitale indiening


Art. 154.

Een aanvraag, verzoek, melding of beroep in het kader van de procedures, vermeld in artikel 147, kan digitaal ingediend worden via het omgevingsloket.

 

Op straffe van onvolledigheid van de aanvraag, het verzoek, de melding of het beroepschrift voldoen alle bestanden die verzonden worden, aan de vormelijke en technische vereisten, bepaald door het departement.

 

De statusvermelding op het omgevingsloket, met vermelding van datum en uur, geldt in voorkomend geval als:

de datum van indiening en ontvangst van de aanvragen, verzoeken of meldingen;
de datum van mededeling en ontvangst van de beslissing over aanvragen of verzoeken, vermeld in punt 1°;
de datum van mededeling en ontvangst van de meldingsakte;
de datum van indiening van het administratieve beroep tegen beslissingen, vermeld in punt 2°;
de datum van mededeling en ontvangst van de beslissing over beroepen, vermeld in punt 4°.

Art. 155.

Als de vergunningsaanvraag of de melding digitaal wordt ingediend en de medewerking van een architect verplicht is, meldt de architect die verantwoordelijk is voor de plannen bij de aanvraag of melding, zich aan in het omgevingsloket in de hoedanigheid van architect en ondertekent hij mee de aanvraag of melding in het omgevingsloket. De architect in kwestie is ingeschreven bij de Orde van Architecten en is als zodanig opgenomen in hun databank van ingeschreven architecten.

 

De aanvragen of meldingen die conform het eerste lid digitaal worden medeondertekend, zijn vrijgesteld van het visum van de Orde van Architecten.

 

Als de architect de aanvraag digitaal ondertekent, is de medeondertekening door de aanvrager niet vereist.


Onderafdeling 2.
Digitale behandeling


Art. 156.

§ 1. Met behoud van de toepassing van artikel 153/1, laadt het bevoegde bestuur analoog ingediende, ontvankelijke en volledige vergunningsaanvragen en analoog ingediende beroepschriften in het uitwisselingsplatform op uiterlijk op de dag van de beslissing over de ontvankelijkheid en de volledigheid.

 

Het bevoegde bestuur dat akte heeft genomen van een melding, laadt de melding en de meldingsakte in het uitwisselingsplatform op uiterlijk de tiende dag na de meldingsakte.

 

§2. Het bevoegde bestuur voert telkens de gestructureerde data in die door het omgevingsloket gevraagd worden.

 

§3. Aan de verplichtingen, vermeld in paragraaf 1 en 2, wordt voldaan conform de technische richtlijnen die het departement ter beschikking stelt.


Art. 157. De adviezen, vermeld in dit besluit, worden via het uitwisselingsplatform aangevraagd en uitgebracht.

Art. 158. De instanties, vermeld in artikel 153, communiceren op analoge wijze met de persoon die een procedure, vermeld in artikel 147, tweede lid, op analoge wijze instelt en die niet verzoekt om communicatie op digitale wijze.

Art. 159.

§1. Gedurende het openbaar onderzoek kan iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon zijn standpunten, opmerkingen en bezwaren indienen via het omgevingsloket aan de overheid, vermeld in artikel 26.

 

De statusvermelding op het omgevingsloket, met vermelding van datum en uur, geldt in voorkomend geval als de datum van indiening en ontvangst van het standpunt, de opmerking of het bezwaar.

 

§2. Het bevoegde bestuur laadt documenten die analoog zijn ingediend na de dag van de ontvankelijk- en volledigverklaring, in het uitwisselingsplatform op binnen tien dagen na de ontvangst ervan.

 

In afwijking van het eerste lid, laadt de gemeente de standpunten, opmerkingen en bezwaren die analoog zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek, in het uitwisselingsplatform op binnen tien dagen na de afsluiting van het openbaar onderzoek.


Onderafdeling 3.
Digitale beslissing


Art. 160.

De bevoegde overheid neemt rechtsgeldig een digitale beslissing.

 

De bevoegde overheid ondertekent een digitale beslissing rechtsgeldig [...] conform de technische richtlijnen die het departement ter beschikking stelt.


Hoofdstuk 3.
Omgevingsvergunningenregister


Art. 161. Het omgevingsvergunningenregister is toegankelijk via een webtoepassing van de Vlaamse overheid, de provincie of de gemeente.

Art. 162.

De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, bepalen samen:

de stukken en de gegevens die het omgevingsvergunningenregister minstens bevat; 
de personen en instanties die toegang hebben tot de stukken en de gegevens, vermeld in punt 1°;
de voorwaarden van toegang tot de stukken en de gegevens, vermeld in punt 1°. Ze kunnen daarbij in differentiatie voorzien.

   


Hoofdstuk 4.
Regeling bij technische storingen


Afdeling 1.
Algemene bepalingen


Art. 162/1.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder algemene technische storing: een door het departement vastgestelde storing van het omgevingsloket, vermeld in artikel 147, derde lid, of het uitwisselingsplatform, vermeld in artikel 147, eerste lid, waardoor dat loket of dat uitwisselingsplatform niet of onvoldoende beschikbaar is gedurende meer dan vier uur van de dag.


De dag of de dagen van de algemene technische storing wordt of worden geacht aan te vangen om middernacht voorafgaand aan het begin van de algemene technische storing en wordt of worden geacht te eindigen om middernacht na het einde van de algemene technische storing.


Art. 162/2.

Het departement houdt een lijst bij van de dagen waarop zich een algemene technische storing voordoet.


Het departement publiceert onmiddellijk en uiterlijk de eerste werkdag nadat de storing zich voordoet de geactualiseerde lijst op zijn website en stelt de lijst ter beschikking op eenvoudig verzoek.


Afdeling 2.
Technische storingen van korte duur


Art. 162/3.

In geval van een algemene technische storing tijdens een termijn van veertien dagen voor het begin van de volgende termijnen, worden die termijnen van twaalf respectievelijk zesendertig maanden verminderd met het aantal dagen van de algemene technische storing:

de termijn van twaalf maanden, vermeld in artikel 70, § 1, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014;
de termijn van zesendertig maanden, vermeld in artikel 390, § 1, eerste lid, 1°, van het decreet van 25 april 2014.

 

Als in de veertien dagen voor het indienen van een verplicht digitaal in te dienen aanvraag, verzoek of melding zich gedurende een of meer al dan niet opeenvolgende dagen een algemene technische storing heeft voorgedaan en de indieningsdatum relevant is voor de bepaling van de toepasselijke regelgeving, wordt de aanvraag, het verzoek of de melding voor die regelgeving geacht te zijn ingediend op de dag die berekend is door van de dag van indiening het aantal dagen van de algemene technische storing af te trekken.


Art. 162/4.

Als zich tijdens het behandelen van een aanvraag, een verzoek, een melding of een beroep gedurende een of meer dagen een algemene technische storing heeft voorgedaan, worden alle advies- en beslissingstermijnen, vermeld in het decreet van 25 april 2014 en dit besluit, opgeschort op de dag of de dagen van de algemene technische storing.


De termijn van het openbaar onderzoek wordt ook opgeschort op de dag of de dagen van de algemene technische storing.


De termijn voor het indienen van beroepen wordt niet opgeschort.


Afdeling 3.
Langdurige technische storingen


Art. 162/5.

Als het departement vaststelt of op basis van technische indicaties verwacht dat een algemene technische storing minimaal veertien dagen de digitale indiening of behandeling van aanvragen, verzoeken, meldingen of beroepen in het gedrang brengt of zal brengen, brengt het de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, daarvan op de hoogte.

 

De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, worden gemachtigd om, na daarvan op de hoogte te zijn gebracht, tijdelijk de analoge indiening of indiening per digitale drager en analoge behandeling toe te laten of te verplichten. De voormelde ministers kunnen daarbij een onderscheid maken tussen de soorten aanvragen, verzoeken of ambtshalve initiatieven of meldingen, vermeld in artikel 14/1, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014, de verschillende vergunningsplichten, vermeld in artikel 5 van het voormelde decreet, en het feit of het een aanvraag, een verzoek of een melding betreft. De voormelde ministers bepalen in één of meerdere beslissingen het begin en het einde van de langdurige technische storing.


Het bevoegd bestuur bepaalt in het geval van een tijdelijk toegelaten of verplichte analoge indiening of behandeling het aantal benodigde exemplaren van de aanvraag, het verzoek of de melding.


De beslissingstermijnen van de met toepassing van dit artikel met een analoge zending ingediende aanvragen, verzoeken of meldingen worden met veertien dagen verlengd.


Titel 9.
Wijzigingsbepalingen


Hoofdstuk 1.
Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 1983 houdende sommige maatregelen tot harmonisatie van de werking en van de presentiegelden en vergoedingen van adviesorganen


Art. 163. [...]

Hoofdstuk 2.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne


Art. 164. In artikel 1.1.1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne wordt na de zinsnede “art. 20 van het decreet betreffende de milieuvergunning” de zinsnede “of artikel 5.4.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid” toegevoegd.

Art. 165.

In artikel 1.1.2 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

                                    

1°   de zin “De begrippen en definities vermeld in artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende het algemeen reglement voor de milieuvergunning, hierna Titel I van het VLAREM genoemd, zijn ook van toepassing op dit besluit.” wordt vervangen door de zin “Tenzij het in dit besluit andersluidend is bepaald, zijn de definities, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, ook van toepassing in dit besluit.”;

 

2°   in “DEFINITIES ALGEMEEN” worden de volgende wijzigingen aangebracht:

a) de definitie “decreet betreffende de milieuvergunning” wordt vervangen door de definitie “decreet van 25 april 2014: het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;”;
b) de definities “bijlage 2B” en “bijlage 2C” worden opgeheven;
c) de definitie “ingedeelde inrichting” wordt opgeheven;
d) de subtitel “bestaande inrichting” wordt vervangen door de subtitel “bestaande ingedeelde inrichting”;
e) de subtitel “nieuwe inrichting” wordt vervangen door de subtitel “nieuwe ingedeelde inrichting”;
f) de volgende definities worden toegevoegd:
  "- de Vlaamse minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu;
   - de afdeling, bevoegd voor erkenningen: de afdeling milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning: de afdeling binnen het Departement LNE van de Vlaamse overheid die bevoegd is voor de omgevingsvergunning;
   - gebied: tenzij het anders is gepreciseerd in de indelingslijst of de desbetreffende hoofdstukken, afdelingen of subafdelingen, een van de volgende gebieden of categorieën van gebiedsaanduidingen:
   
a) een gebied, bepaald in de gewestplannen, met bestemmingsvoorschriften als vermeld in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, en de ermee vergelijkbare gebieden;
b) een gebied, bepaald in de algemene of bijzondere plannen van aanleg;
c)

ls er een categorie van gebiedsaanduiding voor een gebied is aangegeven in de gewestelijke, provinciale of gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, definitief vastgesteld in uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening een van de volgende categorieën van gebiedsaanduiding:

1) wonen; 
2) bedrijvigheid;
3) recreatie;
4) landbouw;
5) bos;
6) reservaat en natuur;
7) overig groen;
8) lijninfrastructuur;
9) gemeenschapsvoorzieningen en nutsvoorzieningen;
10) ontginning en waterwinning;
d)

een gebied in behoorlijk vergunde, niet-vervallen verkavelingsvergunningen;

e)

als er geen categorie van gebiedsaanduiding is aangegeven door de stedenbouwkundige voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan, definitief vastgesteld in uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, een gebied, bepaald in het gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, met een met de bestemmingsvoorschriften, vermeld in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, vergelijkbare hoofdbestemming.

Voor de toepassing van dit besluit worden de categorieën van gebiedsaanduiding, vermeld in punt sub b), c) en d), gelijkgesteld met de overeenkomstige gebieden, vermeld in punt a);

   -

bijzonder beschermd gebied: een gebied dat behoort tot een of meer van de volgende gebieden:

  a) de speciale beschermingszones, de definitief vastgestelde gebieden die in aanmerking komen als speciale beschermingszone, en de waterrijke gebieden van internationale betekenis overeenkomstig het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
  b) een beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied ter uitvoering van het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen;
  c) groengebieden, natuurgebieden, natuurgebieden met wetenschappelijke waarde en de ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening;
  d) bosgebieden, valleigebieden, brongebieden, overstromingsgebieden, agrarische gebieden met ecologisch belang of ecologische waarde en de ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening;
  e) een definitief beschermd cultuurhistorisch landschap, stads- of dorpsgezicht, monument of archeologische zone;
  f) de waterwingebieden en de bijbehorende beschermingszones type I en II, vastgesteld ter uitvoering van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer;
  g) het Vlaams Ecologisch Netwerk overeenkomstig het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
  h) een volgens een plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan vastgesteld erfgoedlandschap;
  - emissiegrenswaarde: de massa, gerelateerd aan bepaalde specifieke parameters, de concentratie en/of het niveau van een emissie die gedurende een of meer vastgestelde perioden niet mogen worden overschreden. De emissiegrenswaarden kunnen ook voor bepaalde groepen, families of categorieën van stoffen worden vastgesteld, namelijk voor de stoffen, vermeld in bijlage 1.1.2. bij dit besluit. De emissiegrenswaarden voor de emissies van stoffen gelden op het punt waar de emissies de installatie verlaten en worden bepaald zonder rekening te houden met een eventuele verdunning. Voor indirecte lozingen van verontreinigende stoffen in water mag bij de bepaling van de emissiegrenswaarden van de betrokken installatie rekening worden gehouden met het effect van een waterzuiveringsinstallatie, op voorwaarde dat een equivalent niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel wordt gewaarborgd en dat dit niet leidt tot een hogere belasting van het milieu;
   -  milieukwaliteitsnorm: alle eisen waaraan op een gegeven ogenblik in een bepaald milieucompartiment of een bepaald gedeelte daarvan moet worden voldaan conform deel 2 van dit besluit;
   - stof: een chemisch element en de verbindingen daarvan, met uitzondering van radioactieve stoffen en genetisch gemodificeerde organismen en micro-organismen;
   - toezichthouder: de persoon die krachtens titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid als toezichthouder is aangesteld;
   - voertuig: een gemotoriseerd transportmiddel, met uitzondering van vaartuigen.”;

 

3°   tussen “DEFINITIES ALGEMEEN” en “DEFINITIES BEDRIJFSINTERNE MILIEUZORG” worden de volgende definities ingevoegd:

“DEFINITIES AQUACULTUUR (Hoofdstuk 5.62)

aquacultuur: de kweek of teelt van aquatische organismen, waarbij technieken worden gebruikt om de aangroei van de betrokken organismen te verhogen tot boven de natuurlijke capaciteiten van het milieu. De organismen blijven in de hele fase van de kweek of de teelt, tot en met de oogst, eigendom van een natuurlijke persoon of rechtspersoon;
gesloten aquacultuurvoorziening: een op het land gelegen voorziening waar:
  a) aquacultuur wordt bedreven in een aquatisch systeem met waterrecirculatie;
  b) de lozingen pas na zeving en filtering of percolatie en behandeling in contact komen met open water om te voorkomen dat vaste afvalstoffen in de aquatische omgeving terechtkomen en dat gekweekte soorten en niet-doelsoorten die kans maken op overleving en reproductie, uit de voorziening ontsnappen;
  c) verliezen van gekweekte exemplaren of niet-doelsoorten en ander biologisch materiaal, met inbegrip van pathogenen, als gevolg van factoren zoals roofdieren en overstroming worden voorkomen; zo moet de voorziening zich overeenkomstig een adequate beoordeling door de bevoegde autoriteiten op een veilige afstand van open water bevinden;
  d) verliezen van gekweekte exemplaren of niet-doelsoorten en ander biologisch materiaal, met inbegrip van pathogenen, als gevolg van diefstal en vandalisme binnen de grenzen van de redelijkheid worden voorkomen;
  e) de adequate verwijdering van dode organismen wordt gegarandeerd;
open aquacultuurvoorziening: een voorziening waar aquacultuur wordt bedreven in een aquatisch systeem dat niet van het natuurlijke watermilieu is gescheiden door barrières die de ontsnapping voorkomen van gekweekte exemplaren die kans maken op overleving en reproductie of van biologisch materiaal dat kans maakt op overleving en reproductie;
verordening aquacultuur: verordening nr. 708/2007 van de Raad van 11 juni 2007 inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur.”;

 

4°   tussen “DEFINITIES BEDRIJFSINTERNE MILIEUZORG” en “DEFINITIES RISICOBEHEERSING” worden de volgende definities ingevoegd:

“DEFINITIES BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN

BBT-conclusies: een document dat bestaat uit de delen van een BREF met de conclusies over BBT, de beschrijving ervan, gegevens ter beoordeling van de toepasselijkheid ervan, de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus, de daarmee verbonden monitoring, de daarmee verbonden consumptieniveaus en, in voorkomend geval, de toepasselijke terreinsaneringsmaatregelen;
BBT-referentiedocument, afgekort BREF: een document dat het resultaat is van de overeenkomstig artikel 13 van de richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) georganiseerde uitwisseling van informatie, dat opgesteld is voor welomschreven activiteiten en dat met name een beschrijving geeft van toegepaste technieken, huidige emissies en consumptieniveaus, technieken die in overweging worden genomen voor de bepaling van BBT, alsook BBT-conclusies en eventuele technieken in opkomst, met bijzondere aandacht voor de criteria, vermeld in bijlage 3.3 bij dit besluit;
beste beschikbare technieken, afgekort BBT: het meest doeltreffende en geavanceerde ontwikkelingsstadium van de activiteiten en exploitatiemethoden, waarbij de praktische bruikbaarheid van speciale technieken om in beginsel het uitgangspunt voor de emissiegrenswaarden en andere vergunningsvoorwaarden te vormen, is aangetoond, met het doel emissies en effecten op het milieu in zijn geheel te voorkomen, of als dat niet mogelijk blijkt, algemeen te beperken;
  a) technieken: zowel de toegepaste technieken als de wijze waarop de installatie wordt ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld;
  b) beschikbare: op zodanige schaal ontwikkeld dat de betrokken technieken, kosten en baten die in aanmerking worden genomen, economisch en technisch haalbaar in de industriële context kunnen worden toegepast, onafhankelijk van de vraag of die technieken al dan niet op het grondgebied van het Vlaamse Gewest worden toegepast of geproduceerd, mits ze voor de exploitant onder redelijke voorwaarden toegankelijk zijn;
  c) beste: het meest doeltreffend om een hoog algemeen niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken;
met BBT geassocieerde emissieniveaus, afgekort BBT-GEN: de bandbreedte van emissieniveaus, verkregen in normale bedrijfsomstandigheden met gebruikmaking van een beste beschikbare techniek of een combinatie van BBT als omschreven in de BBT-conclusies, uitgedrukt als een gemiddelde over een bepaalde periode, in specifieke referentieomstandigheden;
 techniek in opkomst: een nieuwe techniek voor een industriële activiteit die, als ze commercieel wordt ontwikkeld, hetzij een hoger algemeen beschermingsniveau voor het milieu, hetzij ten minste hetzelfde beschermingsniveau voor het milieu en grotere kostenbesparingen kan opleveren dan de bestaande BBT.”;

 

5°   in “DEFINITIES AFVALSTOFFENVERWERKING (Hoofdstuk 5.2.)” wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;

 

6°   aan “DEFINITIES AFVALSTOFFENVERWERKING (Hoofdstuk 5.2.) ALGEMEEN” worden de volgende definities toegevoegd: 

"- afvalstoffen: de afvalstoffen, vermeld in artikel 3, 1°, van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De definities, vermeld in het voormelde decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, gelden ook voor de toepassing van dit besluit; 
 - collectief begraven van krengen van gezelschapsdieren: alle andere begravingen van krengen van gezelschapsdieren dan de individuele begraving in de eigen tuin door de eigenaar van het kreng;
 - dierenbegraafplaats: een plaats waar collectief krengen van gezelschapsdieren worden begraven;
 - ondergrondse opslag van afvalstoffen: een permanente afvalopslagvoorziening in een diepe onderaardse ruimte zoals een zout- of kaliummijn;
 - voertuigwrak: een voertuig dat een afvalstof is.”;

 

7°   in “DEFINITIES AFVALSTOFFENVERWERKING (hoofdstuk 5.2)” wordt aan subtitel “Decontaminatie van infectieus afval (subafdeling 5.2.2.13)” een punt 10° toegevoegd, dat luidt als volgt:

“10° infectieus: de stoffen en preparaten die levensvatbare micro-organismen of hun toxinen bevatten, waarvan bekend is of waarvan sterk wordt vermoed dat ze ziekten bij de mens of bij andere levende organismen veroorzaken.”;

 

8°   tussen “DEFINITIES BEDEKKINGSMIDDELEN” en “DEFINITIES PESTICIDEN” worden de volgende definities ingevoegd:

“ DEFINITIES BODEM

bodem: de bovenste laag van de aardkorst die begrensd is door het vaste gesteente en het aardoppervlak. De bodem bestaat uit minerale deeltjes, organisch materiaal, water, lucht en levende organismen; 
ondergrond: het gedeelte van de aardkorst dat onder de bodem ligt.”;

  

9°   in “DEFINITIES DIEREN/OPSLAG MEST (hoofdstukken 5.9. en 5.28)” worden de volgende wijzigingen aangebracht:

a) tussen de definitie “zeug” en de definitie “inheemse grote zoogdieren” wordt de volgende definitie ingevoegd:
  "- gedekte jonge zeug: een gedekt vrouwelijk varken, ongeacht de leeftijd, tot het moment van de eerste worp;”;
b) de volgende definitie wordt toegevoegd: 
  "- gezelschapsdieren: alle dieren van soorten die gewoonlijk door de mens worden gevoed en gehouden, maar die niet gegeten worden, en die niet voor veeteelt gehouden worden.”;

 

10° tussen “DEFINITIES DIEREN/OPSLAG MEST (hoofdstukken 5.9 en 5.28)” en “DEFINITIES EMISSIEJAARVERSLAG (hoofdstuk 4.1 en bijlage 4.1.8)” worden de volgende definities ingevoegd:

“DEFINITIES DIERLIJKE BIJPRODUCTEN (Hoofdstuk 5.2, Afdeling 5.2.1)

dierlijke bijproducten: de niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten, vermeld in de verordening Dierlijke Bijproducten (EG) nr. 1069/2009 en haar uitvoerende verordening (EU) nr.142/2011;
verordening Dierlijke Bijproducten (EG) nr. 1069/2009: verordening (EG) nr.1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002;
verordening (EG) nr. 142/2011: verordening (EG) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn.”;

 

11° aan “DEFINITIES BEHANDELEN VAN GASSEN (Hoofdstuk 5.16)” worden de volgende definities toegevoegd:

“AARDGASAFLEVERINSTALLATIES (Hoofdstuk 5.16)

aardgasopslag: de vaste drukhouders die dienst doen als buffer voor de opslag van aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas, alsook de vaste drukhouders die dienst doen als aflaatreservoirs voor het aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas bij aardgasafleverinstallaties;
aardgasaflevereenheden (homecompressors): de traagvullende inrichtingen voor de bevoorrading van motorvoertuigen met samengeperst aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas, zonder aardgasopslag, bestaande uit één compressor en een of meer afleverslangen;
aardgasafleverinstallaties: de inrichtingen voor de bevoorrading van andere motorvoertuigen met samengeperst aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas dan aardgasaflevereenheden, bestaande uit een of meer compressoren, een eventuele aardgasopslag, en eenn of meer aflevertoestellen.”;

 

12° tussen “DEFINITIES BEHANDELEN VAN GASSEN (Hoofdstuk 5.16)” en “DEFINITIES GELUID (Hoofdstukken 2.2., 4.5., 5.32 en 6.7)” worden de volgende definities ingevoegd: 

“DEFINITIES GEÏNTEGREERDE PREVENTIE EN BESTRIJDING VAN VERONTREINIGING

belangrijke wijziging van een GPBV-installatie: een wijziging van de aard of de werking, of een uitbreiding van de installatie die gevolgen voor het milieu kan hebben en die volgens de vergunningverlenende overheid significante negatieve effecten kan hebben op mens of milieu. In de zin van deze definitie wordt elke wijziging of uitbreiding van een exploitatie geacht belangrijk te zijn, als de wijziging of uitbreiding op zich voldoet aan de drempelwaarden, voor zover deze bestaan, van een rubriek of subrubriek uit de indelingslijst die in de indelingslijst is aangeduid met het symbool X, voor zover deze indelingscriteria bestaan;
gevaarlijke stoffen: gevaarlijke stoffen: stoffen of mengsels als vermeld in artikel 3 van verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006, met toepassing van artikel 3.3.0.2, 12°, van dit besluit, en ter uitvoering van de voormelde verordening (EG) nr. 1272/2008; 
GPBV-installatie: een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten en processen, vermeld in de indelingslijst, en aangeduid met de letter X in de vierde kolom van de indelingslijst, alsook andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met de voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging.”;

 

13° in Beleidstaken betreffende de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (afdeling 2.2.4), “omgevingslawaai”, wordt de zinsnede “zoals omschreven in artikel 1,16° van titel I van het VLAREM” opgeheven;

 

14° aan “DEFINITIES GENETISCH GEMODIFICEERDE EN/OF PATHOGENE ORGANISMEN” worden de volgende definities toegevoegd:

“- gebruiker: elke natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het ingeperkte gebruik van GGO’s of pathogene organismen;
 - genetisch gemodificeerd micro-organisme (GGM) of organisme (GGO): een micro-organisme of een organisme waarvan het genetische materiaal gewijzigd is op een wijze die van nature of door voortplanting of natuurlijke recombinatie niet mogelijk is. Volgens deze definitie vindt genetische modificatie plaats als een van de technieken, vermeld in bijlage 1.5.1.1. A, deel 1, wordt toegepast, met uitzondering van de technieken, opgesomd in bijlage 1.5.1.1. A, deel 2;
 - technisch deskundige: de sectie Bioveiligheid en Biotechnologie van het Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid (SBB), vermeld in artikel 4 van het samenwerkingsakkoord van 25 april 1997 tussen de Federale Staat en de Gewesten betreffende de administratieve en wetenschappelijke coördinatie inzake bioveiligheid, die conform artikel 12, §2, van het voormelde samenwerkingsakkoord, op basis van een bevoegdheidsdelegatie de evaluatie van de bioveiligheid uitvoert;
 - bevoegde instantie: de afdeling milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.”;

 

15° in “DEFINITIES GEVAARLIJKE PRODUCTEN EN BRANDBARE VLOEISTOFFEN (Hoofdstukken 4.1, 5.17 en 6.5 en afdelingen 5.6.2 en 5.6.3)” worden de volgende wijzigingen aangebracht:

a) het woord “milieuvergunning” wordt telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;
[...]  

 

16° in “DEFINITIES LUCHTVERONTREINIGING (delen 3, 4, 5 en 6) worden de volgende wijzigingen aangebracht:

a) in subtitel “STOOKINSTALLATIES” wordt in de definitie “bedrijfsuren” het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;
b) aan de subtitel “STOOKINSTALLATIES” worden de volgende definities toegevoegd:
  “- ingrijpende renovatie: een renovatie waarvan de kosten hoger liggen dan 50% van de investeringskosten voor een nieuwe vergelijkbare eenheid;
   - kwalitatieve warmte-krachtkoppeling: de warmte-krachtkoppeling die voldoet aan de voorwaarden voor kwalitatieve warmte-krachtkoppeling, opgenomen in bijlage I bij het Energiebesluit van 19 november 2010;
   - kosten-batenanalyse: een financieel-economische vergelijking tussen een installatie zonder benutting van restwarmte of aanwending van kwalitatieve warmte-krachtkoppeling en een gelijkwaardige installatie waarin restwarmte nuttig wordt gebruikt of die uitgebaat wordt als kwalitatieve warmte-krachtkoppeling;
   - stadsverwarming of –koeling: de distributie van thermische energie in de vorm van stoom, warm water of gekoelde vloeistoffen vanuit een centrale productie-installatie via een netwerk dat verbonden is met verschillende gebouwen of locaties, voor het verwarmen of koelen van ruimten of processen.”;

 

17° in “DEFINITIES ONTSPANNINGSINRICHTINGEN (Hoofdstuk 5.32.)” worden de volgende wijzigingen aangebracht:

a) in “ZWEMBADEN (afdeling 5.32.9)” wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;
b)

er wordt een subtitel “Hippotherapie” toegevoegd, die luidt als volgt:

“HIPPOTHERAPIE

  hippotherapie: het doelgericht therapeutisch (be)handelen met het paard als medium.”;

 

18° in “DEFINITIES OPPERVLAKTEWATER- EN GRONDWATERBESCHERMING (INTEGRAAL WATERBELEID) (Hoofdstukken 2.3., 4.2., 5.3. en 6.2. (oppervlaktewater) en 2.4., 4.3., 5.52., 5.53., 5.54., 5.55 en 6.9 (grondwater))”, worden aan subtitel “ALGEMEEN” de volgende definities toegevoegd:

- afvalwater: het verontreinigde water waarvan men zich ontdoet, zich moet ontdoen of de intentie heeft zich van te ontdoen, met uitzondering van hemelwater dat niet in aanraking is geweest met verontreinigende stoffen;
- bedrijfsafvalwater: alle afvalwater dat niet voldoet aan de bepalingen van huishoudelijk afvalwater of koelwater;
- huishoudelijk afvalwater: afvalwater dat alleen bestaat uit het water dat afkomstig is van:
  normale huishoudelijke activiteiten;
  sanitaire installaties;
  keukens;
  het reinigen van gebouwen, zoals woningen, kantoren, plaatsen waar groot- of kleinhandel wordt gedreven, zalen voor vertoningen, kazernen, kampeerterreinen, gevangenissen, onderwijsinrichtingen met of zonder internaat, zwembaden, hotels, restaurants, drankgelegenheden, kapsalons;
 

wassalons, waar de toestellen uitsluitend door het cliënteel zelf worden bediend.

Afvalwaterstromen van verzorgingsinstellingen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 5.49.0.4, worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld met huishoudelijk afvalwater;

- koelwater: het water dat in de nijverheid voor afkoeling gebruikt wordt en dat niet in aanraking is gekomen met af te koelen stoffen of met andere verontreinigende stoffen;
- grondwater: al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met bodem of ondergrond staat;
- gevaarlijke stoffen: met toepassing van artikel 1.4.1.2, §5, en bijlage 2 van dit besluit, afdeling 2.4.3, 4.2.2, 4.2.3, 4.2.5 en 4.3.1, artikel 2.3.6.1, 5.3.2.4, §7, 5BIS.15.5.4.3.4, 5BIS.15.5.4.3.5, 5BIS.19.8.4.5.4 en 5BIS.19.8.4.5.5, artikel 3 van bijlage 2.3.1 en bijlage 5.3.2, 21 van dit besluit, de toxische, persistente en bioaccumuleerbare stoffen of groepen van stoffen en andere stoffen of groepen van stoffen die aanleiding geven tot evenveel bezorgdheid;
- ontvangend waterlichaam: oppervlaktewater, grondwater en overgangswater als vermeld in artikel 3, §2, 3°, 4° en 10°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid;
- prioritaire stoffen: de stoffen als vermeld in lijst III van bijlage 2C, die bij dit besluit is gevoegd. Daartoe behoren prioritaire gevaarlijke stoffen op het gebied van waterbeleid waarvoor maatregelen moeten worden getroffen;
- verontreinigende stoffen: iedere stof die tot verontreiniging kan leiden, als vermeld in bijlage 2A, die bij dit besluit is gevoegd;
- directe lozing in grondwater: de inleiding van stoffen, vermeld in bijlage 2 B, die bij dit besluit is gevoegd, in het grondwater zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond;
- indirecte lozing in grondwater: de inleiding van stoffen, vermeld in bijlage 2 B, die bij dit besluit is gevoegd, in het grondwater na doorsijpeling door bodem of ondergrond;
- watervoerende laag: een of meer ondergrondse rotslagen of andere geologische lagen die voldoende poreus en doorlatend zijn voor een belangrijke grondwaterstroming of de onttrekking van aanzienlijke hoeveelheden grondwater;”;

 

19° tussen “DEFINITIES OPPERVLAKTEWATER- EN GRONDWATERBESCHERMING (INTEGRAAL WATERBELEID) (Hoofdstukken 2.3., 4.2., 5.3. en 6.2. (oppervlaktewater) en 2.4., 4.3., 5.52., 5.53., 5.54., 5.55 en 6.9 (grondwater))” en “DEFINITIES VLIEGVELDEN (Hoofdstuk 5.57)” worden de volgende definities ingevoegd:

 

“DEFINITIES SEVESO

gevaarlijke stoffen: met toepassing van bijlage 5, artikel 5.2.6.3.1 en 5.17.1.3, de stoffen en mengsels, aanwezig als grondstof, product, bijproduct, residu of tussenproduct, met inbegrip van de stoffen waarvan redelijkerwijs mag worden verwacht dat ze bij een ongeval ontstaan;
veiligheidsnota: een openbaar document waarin aangetoond wordt dat de verandering van een vergunde inrichting geen bijkomend risico van zware ongevallen voor mens en milieu meebrengt ten opzichte van de bestaande toestand, zoals die beschreven is in een voor die inrichting goedgekeurd omgevingsveiligheidsrapport, en waarbij met betrekking tot die verandering wordt aangetoond welke maatregelen getroffen zijn of kunnen worden getroffen om zware ongevallen te voorkomen en om de gevolgen ervan voor mens en milieu te beperken;

 

DEFINITIES STUIVENDE STOFFEN

opslagcapaciteit voor stuivende stoffen: de oppervlakte van het terrein die wordt voorbehouden voor de tijdelijke opslag van stuivende stoffen, met uitzondering van de oppervlakte van gesloten opslagplaatsen die voldoen aan de bepalingen, vermeld in artikel 4.4.7.2.2, tweede lid. Voor bouw-, sloop of wegeniswerken wordt alleen rekening gehouden met de maximale oppervlakte die op één bepaald moment wordt voorbehouden voor de opslag van stuivende stoffen;
overslaghoeveelheid van stuivende stoffen: de aan- of afgevoerde hoeveelheden stuivende stoffen naar of van het terrein van de inrichting, afhankelijk van welke van de twee het grootst is. Bij het bepalen van de overslaghoeveelheid worden stoffen van stuifcategorie SC3 als vermeld in artikel 4.4.7.2.1 slechts voor 10% in rekening gebracht;
stuivende stoffen: de niet-verpakte stoffen die bij het transport, de verwerking, de vervaardiging of de opslag tot niet-geleide stofemissies kunnen leiden;”;

 

20° de “DEFINITIES EMISSIES VAN BROEIKASGASSEN (hoofdstuk 4.10)” worden vervangen door wat volgt:

“DEFINITIES EMISSIES VAN BROEIKASGASSEN (hoofdstuk 4.10)

BKG-emissies:

  a)

in het kader van de eerste verbintenisperiode, CO2-emissies die conform het ministerieel besluit van 14 december 2007 houdende vaststelling van richtsnoeren voor het opstellen en wijzigen van het “monitoringplan” voor de handelsperiode 2008-2012 bewaakt worden; 

  b) in het kader van de tweede verbintenisperiode, emissies van broeikasgassen, afkomstig van activiteiten, met de vermelding van de letter Y in de vierde kolom van de indelingslijst, alleen wat betreft de emissies waarop de subindexen bij de letter Y betrekking hebben, uitgedrukt in ton kooldioxide-equivalenten;
BKG-inrichting: een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten en processen, vermeld in de indelingslijst en aangeduid met de letter Y in de vierde kolom van de indelingslijst, alsook andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met de voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;
Broeikasgassen:
  a) koolstofdioxide (CO2);
  b) methaan (CH4);
  c) distikstofoxide (N2O);
  d) fluorkoolwaterstoffen (HFK’s): de gefluoreerde broeikasgassen die zijn opgenomen in groep I van bijlage 5.16.5, met inbegrip van de isomeren ervan;
  e) perfluorkoolstoffen (PFK’s): de gefluoreerde broeikasgassen die zijn opgenomen in groep II van bijlage 5.16.5, met inbegrip van de isomeren ervan;
  f) zwavelhexafluoride (SF6): het gefluoreerde broeikasgas in groep III van bijlage 5.16.5;
eerste verbintenisperiode: de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012;
emissiejaarrapport:
  a) in het kader van de eerste verbintenisperiode, een rapport over de BKG-emissies die zijn uitgestoten tijdens het voorgaande kalenderjaar, dat is opgesteld overeenkomstig de sjabloon die op 23 januari 2009 is vastgesteld door de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid;
  b) in het kader van de tweede verbintenisperiode, een emissieverslag over de BKG-emissies die zijn uitgestoten tijdens het voorgaande kalenderjaar, dat is opgesteld en waarover is gerapporteerd conform verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad;
emissierecht: een overdraagbaar recht om gedurende een bepaalde periode één ton koolstofdioxide-equivalent aan broeikasgassen uit te stoten;
handelsperiode: een periode als vermeld in artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen;
monitoringplan: een document dat bedoeld is voor het bewaken van BKG-emissies en dat opgesteld is overeenkomstig verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad;
ton kooldioxide-equivalent: een metrische ton koolstofdioxide (CO2) of een hoeveelheid van de andere broeikasgassen met een gelijkwaardig aardopwarmingspotentieel;
10° tweede verbintenisperiode: de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2020;
11° verificatiebureau: de organisatie die aangesteld is om de correcte uitvoering van het Vlaams Benchmarking convenant over energie-efficiëntie in de industrie van 29 november 2002 te bewaken, vermeld in artikel 10 van het voormelde convenant;”;

 

21° in “DEFINITIES WINDTURBINES” wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit”.


Art. 166.

In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 februari 2015, wordt een hoofdstuk 1.1.BIS ingevoegd, dat bestaat uit artikel 1.1bis/1, dat luidt als volgt:

 

“Hoofdstuk 1.1.BIS. De indelingslijst

 

Art. 1.1bis/1, De indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, is opgenomen in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.”.


Art. 167.

In artikel 1.2.2.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en 19 september 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1, tweede lid, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;

paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:

Ҥ2. De afwijking, vermeld in het eerste lid, is geldig tot een van de volgende gevallen zich voordoet:

  de geldigheidsduur van de omgevingsvergunning waarop ze betrekking heeft verstrijkt;
  als de afwijking voor een beperkte termijn is verleend: bij het verstrijken van die termijn;
  als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, als gevolg van:
   
a) een evaluatie als vermeld in artikel 1.4.1.1 of 1.4.2.1, de bijzondere milieuvoorwaarden bijstelt en die strenger zijn dan de voorwaarden die gelden als gevolg van de verleende afwijking;
b) een verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning, vermeld in artikel 83 van het decreet van 25 april 2014, de bijzondere milieuvoorwaarden bijstelt en die strenger zijn dan de voorwaarden die gelden als gevolg van de verleende afwijking;
  de voorwaarden waarvan afwijking is verleend, worden opgeheven of vervangen door andere voorwaarden.”;
in paragraaf 4 wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

 


Art. 168. In artikel 1.2.2.1bis, 2°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “leefmilieu” vervangen door het woord “milieu”.

Art. 169. Artikel 1.2.2.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en 16 mei 2014, wordt opgeheven.

Art. 170.

In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 februari 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

 

1°   afdeling 1.2.2ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt vervangen door wat volgt:

 

“Art. 1.2.2ter.1. §1. De afwijkingsaanvraag, vermeld in artikel 1.2.2.1, §1, wordt met een beveiligde zending ingediend bij de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.

        

§2 De verzoeker gebruikt hiertoe:

het formulier, opgenomen in bijlage 5, die als bijlage bij het besluit van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning is gevoegd; 
de in het formulier aangewezen addenda uit de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2, die bij het besluit van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning is gevoegd.

 

Het gemotiveerde verzoek omvat de gegevens die als verplicht in te vullen of bij te voegen voorgeschreven zijn in het formulier en de desbetreffende addenda.

 

De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn gemachtigd gezamenlijk het formulier en de addenda-bibliotheek, vermeld in het tweede lid, en de dossiersamenstelling te wijzigen, waarbij minstens de volgende gegevens worden gevraagd:

de naam, de hoedanigheid en het adres van de aanvrager; 
de naam en, in voorkomend geval, het ondernemersnummer van de exploitant; 
de identificatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die het voorwerp uitmaakt van de afwijkingsaanvraag; 
een omschrijving van de artikelen en de milieuvoorwaarden waarvan afwijking wordt gevraagd;
de technische redenen die de afwijking motiveren;
een voorstel van maatregelen die gelijkwaardige waarborgen bieden voor de bescherming van de mens en het milieu als de voorwaarden waarvan afwijking wordt gevraagd;
een nota waarin wordt aangetoond dat de voorgestelde maatregelen beantwoorden aan BBT.

 

Art. 1.2.2ter.2. De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, onderzoekt de ontvankelijkheid en volledigheid van de afwijkingsaanvraag.

 

Bij het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid wordt nagegaan of de afwijkingsaanvraag de gegevens, vermeld in artikel. 1.2.2ter.1, §2, bevat.

 

Als de afwijkingsaanvraag onvolledig is, vraagt de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, de aanvrager met een beveiligde zending de ontbrekende gegevens of documenten binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de datum van de verzending van het volledigheidsverzoek, bij de aanvraag te voegen.

 

Het resultaat van het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid van de afwijkingsaanvraag wordt met een beveiligde zending meegedeeld aan de aanvrager binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat vanaf de dag na de datum waarop de aanvraag is ingediend of vanaf de dag na de datum waarop de ontbrekende gegevens en documenten zijn ontvangen.

 

Als de aanvrager nalaat de ontbrekende gegevens of documenten, vermeld in het derde lid, binnen de termijn van dertig dagen bij de afwijkingsaanvraag te voegen, wordt de afwijkingsaanvraag van rechtswege als onvolledig beschouwd.

 

Als de afwijkingsaanvraag onontvankelijk of onvolledig is, wordt de procedure definitief stopgezet.

        

Art. 1.2.2ter.3. Voor afwijkingsaanvragen als vermeld in artikel 1.2.2.1, §1, die betrekking hebben op de inplantingsregels en voor afwijkingsaanvragen als vermeld in artikel 1.4 van titel III van het VLAREM, zal de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, op dezelfde dag dat met toepassing van artikel 1.2.2ter.2, vierde lid, aan de aanvrager wordt meegedeeld dat de aanvraag ontvankelijk en volledig is, de aanvraag ter beschikking stellen van de betrokken gemeente, met de opdracht om een openbaar onderzoek in te stellen.

 

Voor de organisatie van het openbaar onderzoek zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning van overeenkomstige toepassing, waarbij:

1° de vergunningsaanvraag of de aanvraag tot omgevingsvergunning moet worden gelezen als de afwijkingsaanvraag;

2° de vergunningsaanvrager moet worden gelezen als de aanvrager van de afwijkingsaanvraag.

 

Art. 1.2.2ter.4. Op dezelfde dag dat met toepassing van artikel 1.2.2ter.2, vierde lid, aan de aanvrager wordt meegedeeld dat de afwijkingsaanvraag ontvankelijk en volledig is, stelt de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, de afwijkingsaanvraag ter beschikking van de GOVC, vermeld in artikel 40 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.

 

De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, brengt aan de GOVC advies uit binnen een termijn van zestig dagen vanaf de dag dat met toepassing van artikel 1.2.2ter.2, vierde lid, aan de aanvrager wordt meegedeeld dat de afwijkingsaanvraag ontvankelijk en volledig is. De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, kan als ze dat noodzakelijk acht, het advies inwinnen van de adviesinstanties, vermeld in artikel 37 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.

 

Als de aanvrager bij het indienen van de afwijkingsaanvraag vraagt om gehoord te worden, wordt hij gehoord door de GOVC.

 

De GOVC brengt op basis van het aanvraagdossier, het advies van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en, in voorkomend geval, de adviezen die deze afdeling heeft ingewonnen, een advies uit binnen een termijn van negentig dagen vanaf de dag na de datum waarop de afwijkingsaanvraag aan haar ter beschikking is gesteld.

 

Voor de toepassing van dit artikel zetelen in de GOVC naast de personen, vermeld in artikel 40, §1, 1° tot en met 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, de adviesinstanties die over de afwijkingsaanvraag een advies hebben uitgebracht.

 

Art. 1.2.2ter.5. De beslissing over de afwijkingsaanvraag wordt genomen door de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, binnen een termijn van honderdvijftig dagen die ingaat vanaf de dag dat met toepassing van artikel 1.2.2ter.2, vierde lid, aan de aanvrager wordt meegedeeld dat de afwijkingsaanvraag ontvankelijk en volledig is.

 

De beslissing, vermeld in het eerste lid, bevat:

de datum van de afwijkingsaanvraag;
de naam of de hoedanigheid van de aanvrager;
de naam en, in voorkomend geval, het ondernemersnummer van de exploitant;
de identificatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die het voorwerp uitmaakt van de afwijkingsaanvraag;
een omschrijving van de artikelen en de milieuvoorwaarden waarvan afwijking wordt gevraagd;
in voorkomend geval, een verwijzing naar de aard van de standpunten, opmerkingen en bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek zijn ingediend, en de wijze waarop daarmee is omgegaan;
een motivering van de beslissing;
als de afwijking wordt toegestaan, de voorwaarden die gelijkwaardige waarborgen bieden voor de bescherming van de mens en het milieu als de voorwaarden waarvan de afwijking is toegestaan.

 

Art. 1.2.2ter.6. Voor de bekendmaking van de beslissing zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, van overeenkomstige toepassing.”;

 

2° artikel 1.2.2ter.7 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt opgeheven.


Art. 171. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 februari 2015, wordt afdeling 1.2.3, die bestaat uit artikel 1.2.3.1, opgeheven.

Art. 172. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 februari 2015, wordt afdeling 1.2.4, die bestaat uit artikel 1.2.4.1, opgeheven.

Art. 173.

In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 februari 2015, wordt een hoofdstuk 1.4, dat bestaat uit artikel 1.4.1.1 tot en met 1.4.6.1, ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Hoofdstuk 1.4. Evaluaties

 

Afdeling 1.4.1. Algemene evaluaties van GPBV-installaties

 

Art. 1.4.1.1. Een algemene evaluatie van de milieuvoorwaarden die van toepassing zijn op een GPBV-installatie, vermeld in artikel 5.4.11, §1, 1°, van titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wordt uitgevoerd:

binnen twee jaar na de bekendmaking in het publicatieblad van de Europese Unie van de door de Europese Commissie aangenomen nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies betreffende de hoofdactiviteit van de GPBV-installatie; 
voor zover er geen BBT-conclusies van toepassing zijn, als ontwikkelingen op het gebied van de BBT een significante vermindering van de emissies mogelijk maken. 
als de veroorzaakte verontreiniging van die aard is dat de bestaande emissiegrenswaarden in de vergunning moeten worden gewijzigd of nieuwe emissiegrenswaarden moeten worden opgenomen;
als de bedrijfsveiligheid van het proces of de activiteit de toepassing van andere technieken vereist;
als overeenkomstig artikel 3.3.0.3, 3°, aan een nieuwe of bijgewerkte milieukwaliteitsnorm moet worden voldaan.

 

Bij een algemene evaluatie, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, worden alle milieuvoorwaarden die op de GPBV-installatie van toepassing zijn, geëvalueerd.

 

Bij een algemene evaluatie, vermeld in het eerste lid, 1°, worden alle nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies in aanmerking genomen die voor de installatie gelden en die sinds de afgifte of de laatste evaluatie van de vergunning door de Europese Commissie zijn aangenomen.

 

De door de Europese Commissie aangenomen nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies betreffende de hoofdactiviteit van de GBPV-installatie worden binnen een maand na de bekendmaking in het publicatieblad van de Europese Unie door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, meegedeeld aan de exploitanten van de betrokken GPBV-installaties, als voorbereiding van de evaluaties.

 

Als conform artikel 1.4 van titel III van het VLAREM voor een GPBV-installatie een individuele afwijking van de BBT-GEN is toegestaan, wordt bij iedere algemene evaluatie opnieuw de toepassing van artikel 1.4, derde lid, van titel III van het VLAREM geëvalueerd.

 

Als voor een GPBV-installatie in een voorafgaande periode van vijftien jaar geen evaluatie werd uitgevoerd, kan, rekening houdende met het tijdstip waarop de milieuvoorwaarden zijn aangepast ingevolge een vergunningsaanvraag of ingevolge de toepassing van artikel 82, een algemene evaluatie worden gepland.

 

Afdeling 1.4.2. Gerichte evaluaties

 

Art. 1.4.2.1. De relevante milieuvoorwaarden die van toepassing zijn op een ingedeelde inrichting of activiteit, kunnen met het oog op de eventuele toepassing van artikel 82, eerste lid, 2°, van het decreet van 25 april 2014, worden onderworpen aan een gerichte evaluatie, vermeld in artikel 5.4.11, §1, 2°, van titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid:

voor de gevallen en aspecten bepaald in de richtlijnen over bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 5.4.6/1, tweede lid, van titel V van het voormelde decreet;
voor zover in een voorafgaande periode van vijftien jaar de te evalueren milieuvoorwaarden bij de beslissing over een vergunningsaanvraag of met toepassing van artikel 82 van het decreet van 25 april 2014 niet op relevante wijze zijn aangepast, in de hierna vermelde gevallen:
  a) inrichtingen of activiteiten, vermeld in indelingsrubriek 2.3.11, met uitzondering van de aspecten die betrekking hebben op het inert afval, het afval uit de winning, de behandeling en de opslag van turf en het niet–gevaarlijk niet-inert afval, tenzij de afvalstoffen worden gestort in een afvalvoorziening van categorie A, en met uitzondering van de afvalvoorzieningen, vermeld in artikel 5.2.6.10.1, §3, van dit besluit;
  b) afval (mee)verbrandingsinstallaties als vermeld in de indelingsrubrieken 2.3.4.1, b, c, e, f, g, h, j, k, l, m; 2.3.4.2, b, c, d, e, f, g en 2.3.5;
  c) het lozen in gewone oppervlaktewateren, openbare riolen of kunstmatige afvoerwegen voor regenwater, van gevaarlijke stoffen als vermeld in bijlage 2C, in concentraties die hoger zijn dan de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van artikel 3 van bijlage 2.3.1;
  d) het direct of indirect lozen in grondwater van gevaarlijke stoffen als vermeld in bijlage 2B.

 

Afdeling 1.4.3. Meerjarenprogramma voor evaluaties van GPBV-installaties

 

Onderafdeling 1.4.3.1. Vaststellen van het meerjarenprogramma

 

Art. 1.4.3.1.1. Het voortschrijdende meerjarenprogramma van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, bevat minstens de volgende gegevens: 

een plan van aanpak voor het uitvoeren van de algemene evaluaties, vermeld in artikel 5.4.11, §1, 1°, van titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, voor de eerstkomende vijf jaar; 
een nominatieve lijst van ingedeelde inrichtingen of activiteiten waarvoor in de loop van de komende twee jaar voormelde evaluatie gepland is met de concrete planning voor het eerstkomende jaar.

 

De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, bepaalt in haar plan van aanpak, vermeld in het eerste lid, voor elke categorie van GPBV-installaties die ze in aanmerking neemt voor het uitvoeren van een evaluatie in de volgende vijf kalenderjaren, of de redenen voor de evaluatie ten dele ook aanleiding geven tot een bijstelling van de algemene of sectorale milieuvoorwaarden.

 

Het voortschrijdende meerjarenprogramma wordt afgestemd op de programmatorische aanpak van de milieuhandhaving.

 

De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, stelt het voortschrijdende meerjarenprogramma vast na raadpleging van de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, §4 tot en met §16, van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.

 

Onderafdeling 1.4.3.2. Bekendmaking van het meerjarenprogramma

 

Art. 1.4.3.2.1. Het voortschrijdende meerjarenprogramma van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, wordt jaarlijks voor 1 oktober online bekendgemaakt op een daartoe geëigende plaats op de website van de afdeling en wordt meegedeeld aan de Vlaamse Regering. Het ligt ook ter inzage bij de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.

 

De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, stelt jaarlijks voor 1 oktober haar voortschrijdende meerjarenprogramma ter beschikking van de provinciale en de gewestelijke omgevingsvergunningscommissies en van de afdeling, bevoegd voor de milieuhandhaving.

 

Onderafdeling 1.4.3.3. Rapportage over de uitvoering van het meerjarenprogramma

 

Art. 1.4.3.3.1. De afdeling Milieu bevoegd voor de omgevingsvergunning stelt uiterlijk op 30 juni van elk jaar een rapport op over de mate waarin uitvoering is gegeven aan haar voortschrijdende meerjarenprogramma van het vorige jaar. Daarvoor kan de afdeling alle nuttige informatie inwinnen bij de bevoegde provinciale en gewestelijke omgevingsvergunningscommissies.

 

Het rapport, vermeld in het eerste lid, omvat minstens:

het bij het begin van het beschouwde jaar voorziene aantal algemene evaluaties;
het aantal uitgevoerde evaluaties voor het beschouwde jaar;
als er een verschil is tussen het aantal voorziene algemene evaluaties en het aantal uitgevoerde algemene evaluaties, een toelichting waarom het vooropgestelde aantal niet gehaald is.

 

Het rapport, vermeld in het eerste lid, wordt binnen een termijn van dertig dagen na de dag dat het is vastgesteld, bekendgemaakt overeenkomstig de bepalingen van artikel 1.4.3.2.1.

 

Afdeling 1.4.4. Instanties die belast zijn met het uitvoeren van evaluaties

 

Art. 1.4.4.1. Overeenkomstig artikel 5.4.12 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid worden de volgende instanties belast met het uitvoeren van evaluaties:

de bevoegde dienst van de gemeente voor ingedeelde inrichtingen of activiteiten die behoren tot projecten waarvoor het college van burgemeester en schepenen conform artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 bevoegd is om in eerste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing te nemen;
de provinciale omgevingsvergunningscommissie voor ingedeelde inrichtingen of activiteiten die behoren tot projecten waarvoor de deputatie conform artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 bevoegd is om in eerste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing te nemen;
de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie voor ingedeelde inrichtingen of activiteiten die behoren tot projecten waarvoor de Vlaamse Regering conform artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 bevoegd is om in eerste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing te nemen.

 

Afdeling 1.4.5. Het uitvoeren van evaluaties

 

Onderafdeling 1.4.5.1. Algemeen

 

Art. 1.4.5.1.1. §1 Voor het uitvoeren van de evaluatie wordt gebruikgemaakt van de bij monitoring of bij inspectie verkregen gegevens waarover de overheid beschikt.

 

De instanties die belast zijn met het uitvoeren van een evaluatie, vermeld in artikel 1.4.4.1, kunnen de exploitant om bijkomende gegevens vragen die voor de evaluatie van de milieuvoorwaarden noodzakelijk zijn en als die nog niet in hun bezit zijn, waaronder:

de maatregelen die de exploitant uitvoert of voorstelt naar aanleiding van de redenen die aanleiding hebben gegeven tot het opstarten van de evaluatie en die hem overeenkomstig artikel 1.4.5.2.1, §1, tweede lid, of 1.4.5.3.1, §1, tweede lid, zijn meegedeeld;
als de aanstelling van een milieucoördinator voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit verplicht is, de visie van de milieucoördinator op de maatregelen, vermeld in punt 1°;
als het een GPBV-installatie betreft: de resultaten van de monitoring van emissies en andere gegevens die een vergelijking mogelijk maken van de werking van de installatie met de BBT, zoals beschreven in de toepasselijke BBT-conclusies en met de BBT-GEN.

 

§2. De exploitant bezorgt de bijkomende gegevens, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, binnen een termijn van vijftig dagen vanaf de dag na de datum van verzending van de vraag.

 

Bij het overmaken van de gegevens, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, kan de exploitant de gegevens aangeven die vertrouwelijk moeten worden behandeld. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de regeling inzake passieve openbaarheid, vermeld in hoofdstuk II van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur.

 

Als de exploitant nalaat om de gevraagde gegevens binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, te bezorgen, kan de instantie die belast is met het uitvoeren van een evaluatie, vermeld in artikel 1.4.4.1, de evaluatie toch laten doorgaan.

 

§3. De instanties die belast zijn met het uitvoeren van een evaluatie, vermeld in artikel 1.4.4.1, stellen de gegevens, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, en paragraaf 2, bij de adviesaanvraag ter beschikking van de instanties die ze om advies vragen.

 

§4. Voor de toepassing van afdeling 1.4.5 is titel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning van overeenkomstige toepassing.

 

§5. De kennisgeving, vermeld in artikel 1.4.5.2.1, §1, tweede lid, en in artikel 1.4.5.3.1, §1, tweede lid, en het verslag met de conclusies van de uitgevoerde evaluatie, vermeld in artikel 1.4.5.2.2, §1, en in artikel 1.4.5.3.2, §1, worden door de exploitant ter beschikking gesteld van de werknemersvertegenwoordiging in de ondernemingsraad en van het comité voor preventie en bescherming op het werk. Bij ontstentenis van beide organen worden de documenten en gegevens ter beschikking gesteld van de vakbondsdelegatie van de onderneming.

 

Onderafdeling 1.4.5.2. De bevoegde dienst van de gemeente

 

Art. 1.4.5.2.1. §1. De bevoegde dienst van de gemeente die een evaluatie opstart, brengt de exploitant van de ingedeelde inrichting of activiteit daarvan met een beveiligde zending op de hoogte.

 

De kennisgeving bevat de aanleiding voor de evaluatie. De kennisgeving kan ook een verzoek om bijkomende gegevens als vermeld in artikel 1.4.5.1.1, §1, tweede lid, omvatten.

 

De bevoegde dienst van de gemeente kan ook informatie opvragen bij de bevoegde toezichthouder, vermeld in titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

 

§2. Als conform artikel 41 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning de provinciale omgevingsvergunningscommissie in eerste administratieve aanleg voor de ingedeelde inrichting of activiteit een advies verleent, vraagt de bevoegde dienst van de gemeente een advies aan de provinciale omgevingsvergunningscommissie.

 

De provinciale omgevingsvergunningscommissie verzoekt de adviesinstanties die conform artikel 37, §2 en §4 tot en met §16, van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg voor de ingedeelde inrichting of activiteit een advies verlenen, om advies.

 

De adviesinstanties verlenen hun advies aan de provinciale omgevingsvergunningscommissie binnen een termijn van vijfenveertig kalenderdagen na de ontvangst van het verzoek om advies. Als geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn van vijfenveertig kalenderdagen, wordt de adviesinstantie geacht van oordeel te zijn dat er geen bijstelling van de milieuvoorwaarden hoeft plaats te vinden.

 

De provinciale omgevingsvergunningscommissie verleent haar advies binnen een termijn van vijfenzeventig kalenderdagen na de ontvangst van het verzoek om advies. Als geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn van vijfenzeventig dagen, wordt de provinciale omgevingsvergunningscommissie geacht van oordeel te zijn dat er geen bijstelling van de milieuvoorwaarden hoeft plaats te vinden.

 

§3. Als de provinciale omgevingsvergunningscommissie geen adviesbevoegdheid als vermeld in paragraaf 2, heeft, kan de bevoegde dienst van de gemeente een advies vragen aan de adviesinstanties die conform artikel 37, §4 tot en met §16, van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg voor de ingedeelde inrichting of activiteit een advies verlenen.

 

De adviesinstanties verlenen hun advies aan de bevoegde dienst van de gemeente binnen een termijn van vijfenveertig kalenderdagen na de ontvangst van het verzoek om advies. Als geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn van vijfenveertig kalenderdagen, wordt de adviesinstantie geacht van oordeel te zijn dat er geen bijstelling van de milieuvoorwaarden hoeft plaats te vinden.

 

Art. 1.4.5.2.2. §1. De bevoegde dienst van de gemeente stelt een gemotiveerd verslag met de conclusies van de uitgevoerde evaluatie op binnen een termijn van honderdvijftig kalenderdagen na de verzending van de kennisgeving, vermeld in artikel 1.4.5.2.1, §1, eerste lid.

 

§2. Binnen een termijn van tien dagen na datum van het verslag deelt de bevoegde dienst van de gemeente het verslag met de conclusies van de evaluaties met een beveiligde zending mee aan:

de exploitant;
het college van burgemeester en schepenen;
de adviesinstanties of de provinciale omgevingsvergunningscommissie als die tijdig een advies hebben uitgebracht.

 

Als de bevoegde dienst van de gemeente in zijn conclusies van oordeel is dat er een noodzaak is tot bijstelling van de milieuvoorwaarden, zal de mededeling, vermeld in het eerste lid, 2°, het verzoek tot bijstelling van de milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 82, eerste lid, 2°, a), van het decreet van 25 april 2014, omvatten.

 

Onderafdeling 1.4.5.3. De omgevingsvergunningscommissies

 

Art. 1.4.5.3.1. §1. De bevoegde omgevingsvergunningscommissie die een evaluatie opstart, brengt de exploitant van de ingedeelde inrichting of activiteit daarvan met een beveiligde zending op de hoogte.

 

De kennisgeving bevat de aanleiding voor de evaluatie. De kennisgeving kan ook een verzoek om bijkomende gegevens als vermeld in artikel 1.4.5.1.1, §1, tweede lid, omvatten.

 

De bevoegde omgevingsvergunningscommissie kan ook informatie opvragen bij de bevoegde toezichthouder, vermeld in titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

 

§2. De bevoegde omgevingsvergunningscommissie verzoekt de adviesinstanties die conform artikel 37, §2, en §4 tot en met §16, van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg voor de ingedeelde inrichting of activiteit een advies verlenen, om advies.

 

De adviesinstanties verlenen hun advies aan de bevoegde omgevingsvergunningscommissie binnen een termijn van zestig kalenderdagen na de ontvangst van het verzoek om advies. Als geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn van zestig dagen, wordt de adviesinstantie geacht van oordeel te zijn dat er geen bijstelling van de milieuvoorwaarden hoeft plaats te vinden.

 

Art. 1.4.5.3.2. §1. De bevoegde omgevingsvergunningscommissie stelt een gemotiveerd verslag met de conclusies van de uitgevoerde evaluatie op binnen een termijn van honderdvijftig kalenderdagen na de verzending van de kennisgeving, vermeld in artikel 1.4.5.3.1, §1, eerste lid.

        

§2. Binnen een termijn van tien dagen na de datum van het verslag deelt de bevoegde omgevingsvergunningscommissie met een beveiligde zending het verslag met de conclusies van de uitgevoerde evaluaties mee aan:

de exploitant;
de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014;
de adviesinstanties als die tijdig een advies hebben uitgebracht.

 

Als de bevoegde omgevingsvergunningscommissie in haar conclusies van oordeel is dat er een noodzaak is tot bijstelling van de milieuvoorwaarden, zal de mededeling, vermeld in het eerste lid, 2°, het verzoek tot bijstelling van de milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 82, eerste lid, 2°, a), van het decreet van 25 april 2014, omvatten.

 

Afdeling 1.4.6. Beoordelingscriteria voor de bijstelling van de milieuvoorwaarden als gevolg van een evaluatie

 

Art. 1.4.6.1. Om tegemoet te komen aan de redenen van de evaluatie worden de milieuvoorwaarden waar nodig bijgesteld.

 

In geval van een GPBV-installatie worden de milieuvoorwaarden zo nodig bijgesteld in de volgende gevallen:

om binnen vier jaar na de bekendmaking ervan in het publicatieblad van de Europese Unie te voldoen aan nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies ook rekening houdend met artikel 1.4 en 1.9, eerste lid, 5°, van titel III van het VLAREM; 
als ontwikkelingen op het gebied van BBT een significante vermindering van de emissies mogelijk maken;
als de veroorzaakte verontreiniging van die aard is dat de bestaande emissiegrenswaarden moeten worden gewijzigd of nieuwe emissiegrenswaarden moeten worden opgelegd;
als de bedrijfsveiligheid van het proces of de activiteit de toepassing van andere technieken vereist;
om aan een nieuwe of bijgewerkte milieukwaliteitsnorm conform artikel 3.3.0.3, eerste lid, 3°, te voldoen.

  

In geval van ingedeelde inrichtingen of activiteiten als vermeld in artikel 1.4.2.1, 2°, a) en b), worden de milieuvoorwaarden zo nodig bijgesteld in de volgende gevallen:

als zich ingrijpende wijzigingen voordoen in de exploitatie van de voorziening of in het gestorte afval; 
op basis van de resultaten van de monitoring waarover de exploitant met toepassing van artikel 5.2.6.5.1, §3, verslag heeft uitgebracht of van de met toepassing van artikel 5.2.6.9.1 uitgevoerde inspecties;
in het licht van informatie-uitwisseling over aanzienlijke veranderingen in de beste beschikbare technieken.

 

In het geval van ingedeelde inrichtingen of activiteiten als vermeld in artikel 1.4.1.2, 2°, c) en d), worden de milieuvoorwaarden bijgesteld in functie van het maatregelenprogramma, vermeld in artikel 64 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.”.


Art. 174.

In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 februari 2015, wordt een hoofdstuk 1.5, dat bestaat uit artikel 1.5.1.1 tot en met 1.5.4.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Hoofdstuk 1.5. Kennisgevings- en toelatingsprocedure voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen

 

Afdeling 1.5.1. Algemene bepalingen

 

Art. 1.5.1.1. §1. De kennisgeving en, in voorkomend geval, de toelatingsaanvraag, vermeld in artikel 5.5.2, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, worden ingediend en afgehandeld conform de bepalingen van deze afdeling.

 

§2. Bij elke kennisgeving of toelatingsaanvraag bezorgt de gebruiker een openbaar dossier per aangetekende brief, digitaal of door afgifte tegen ontvangstbewijs aan de bevoegde instantie.

 

De gebruiker stuurt tegelijkertijd een exemplaar van het openbaar dossier en van het technisch dossier per aangetekende brief, digitaal of bij afgifte tegen ontvangstbewijs naar de technisch deskundige. De technisch deskundige brengt de bevoegde instantie op de hoogte van de ontvangst van het dossier.

 

§3. De kennisgeving en, in voorkomend geval de toelatingsaanvraag bevatten de gegevens, vermeld in afdeling 1.5.2.

 

§4. Het technisch dossier kan vertrouwelijke informatie bevatten die, in voorkomend geval, in een afzonderlijke gesloten enveloppe bij het technisch dossier gevoegd wordt.

 

De technisch deskundige besluit na overleg met de gebruiker welke informatie vertrouwelijk zal worden behandeld en brengt de gebruiker op de hoogte van zijn besluit. Elk meningsverschil tussen de gebruiker en de technisch deskundige daarover wordt beslecht door de bevoegde instantie.

 

Het vertrouwelijke karakter kan niet worden ingeroepen voor de volgende informatie:

karakteristieken van de GGO’s en pathogene organismen; 
de naam van de gebruiker;
de plaats van de activiteit;
het risiconiveau van de activiteiten, zoals bepaald conform rubriek 51 van de indelingslijst;
de inperkingsmaatregelen;
de conclusies over de te verwachten effecten, namelijk de mogelijke schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu.

 

De bevoegde instantie en de technisch deskundige geven aan derden geen informatie door die als vertrouwelijke informatie wordt beschouwd.

 

Bij definitieve weigering van de toelating of als de gebruiker de kennisgeving of de toelatingsaanvraag intrekt, wordt de vertrouwelijke informatie aangetekend en in een verzegelde enveloppe door de technisch deskundige naar de gebruiker teruggestuurd.

 

§5. De technisch deskundige bezorgt aan de bevoegde instantie per aangetekende brief, digitaal of door afgifte tegen ontvangstbewijs, binnen acht dagen na de ontvangst van de dossiers, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, een ontvangstbewijs waaruit de conformiteit van het openbaar dossier met het technisch dossier blijkt, of een opsomming van de gebreken van het openbaar dossier.

 

Art. 1.5.1.2. §1. Als een kennisgeving of een toelatingsaanvraag is ingediend, geeft de technisch deskundige een advies aan de bevoegde instantie binnen de termijnen, vermeld in afdeling 1.5.2.

 

Hij onderzoekt of het dossier voldoet aan de eisen, vermeld in dit besluit, of de verstrekte gegevens juist en volledig zijn, of de risicoanalyse en het risiconiveau correct zijn en, zo nodig, of de inperkings- en andere beschermingsmaatregelen en het afvalbeheer adequaat zijn.

 

§2. Als dat nodig is, kan de technisch deskundige overgaan tot raadplegingen of de gebruiker verzoeken nadere informatie te verstrekken. In dat geval worden de termijnen waarin het advies moet worden verstrekt, verlengd met de termijn waarin wordt gewacht op de nadere informatie. De termijn waarin de bevoegde instantie eventueel een beslissing moet nemen, schuift overeenkomstig op.

 

§3. Het advies bevat, afhankelijk van het risiconiveau, al de volgende gegevens of sommige ervan:

een beoordeling van de juistheid van het voorgestelde risiconiveau;
een beoordeling van de voorgestelde inperkings- en controlemaatregelen, inclusief het afvalbeheer;
eventueel een gemotiveerd voorstel tot aanpassing van de voorgestelde inperkings- en controlemaatregelen;
een beoordeling van de toelaatbaarheid van de activiteit vanuit het oogpunt van de risico’s voor de menselijke gezondheid en voor het leefmilieu;
in voorkomend geval, een gemotiveerd voorstel voor de toelatingstermijn.

 

§4. Bij gebrek aan advies binnen de gestelde termijn kan de procedure worden voortgezet.

 

Art. 1.5.1.3. §1. De bevoegde instantie neemt een gemotiveerde beslissing over de toelatingsaanvraag of eventueel over de kennisgeving binnen de termijn, vermeld in afdeling 1.5.2.

 

§2. Als dat nodig is, kan de bevoegde instantie:

de gebruiker verzoeken nadere informatie te verstrekken. In dat geval wordt de termijn waarin de beslissing eventueel moet worden genomen, verlengd met de termijn waarin wordt gewacht op de nadere informatie;
de omstandigheden van het voorgestelde ingeperkte gebruik of het risiconiveau waarin dat is ingedeeld, wijzigen;
aan het ingeperkte gebruik een tijdslimiet of bepaalde specifieke voorwaarden verbinden;
overgaan tot raadplegingen.

 

De bevoegde instantie kan eisen dat niet met het voorgestelde ingeperkte gebruik wordt begonnen of ze kan, op verzoek van de bevoegde toezichthouder, het lopende ingeperkte gebruik schorsen of beëindigen, totdat ze haar goedkeuring heeft gegeven.

 

De bevoegde instantie kan dat doen op basis van:

nadere informatie die ze heeft verkregen;
gewijzigde omstandigheden van het ingeperkte gebruik;
een wijziging van het risiconiveau;
de nakoming van de specifieke voorwaarden.

 

§3. De bevoegde instantie zendt binnen een termijn van tien dagen na de datum van de beslissing een afschrift van de beslissing aan:

de gebruiker;
de technisch deskundige;
het college van burgemeester en schepenen van de gemeenten waarin de activiteit gepland is of plaatsvindt;
de deputatie van de provincie waarin de activiteit gepland is of plaatsvindt, met uitzondering van beslissingen over activiteiten van risiconiveau 1;
de toezichthouder, bevoegd overeenkomstig titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid;
de dienst van de Civiele Bescherming, belast met de opstelling van het rampenplan, met uitzondering van beslissingen over activiteiten van risiconiveau 1 en 2.

 

§4. Tegen elke beslissing kan de gebruiker een heroverwegingsvordering indienen bij de bevoegde instantie.

 

Die vordering wordt per aangetekende brief, digitaal of door afgifte tegen ontvangstbewijs ingediend bij de bevoegde instantie, uiterlijk dertig dagen na de ontvangst van de beslissing, vermeld in paragraaf 3.

 

De heroverweging heeft geen opschortende werking op de beslissing.

 

De definitieve beslissing wordt binnen dertig dagen na de ontvangst van de vordering verzonden aan alle betrokkenen conform de bepalingen van paragraaf 3.

     

Tegen de definitieve beslissing, vermeld in het vierde lid, is geen beroep mogelijk.

 

Afdeling 1.5.2. Aanvullende bepalingen per risiconiveau

 

Art. 1.5.2.1. Bij de kennisgeving voor een eerste ingeperkt gebruik van risiconiveau 1 stuurt de gebruiker in afwijking van artikel 1.5.1.1, §2, eerste lid, het openbaar dossier samen met de melding naar de overheid, bevoegd voor de melding van de derde klasse. Die kennisgeving moet ten minste de gegevens bevatten, vermeld in bijlage 1.5.1.3, deel A.

 

De technisch deskundige deelt uiterlijk binnen dertig dagen na de datum van het indienen van de kennisgeving het advies, vermeld in artikel 1.5.1.2, mee aan de bevoegde instantie. Dat advies bevat minstens de gegevens, vermeld in artikel 1.5.1.2, §3, 1°, 2° en 3°.

 

Een eerste ingeperkt gebruik van risiconiveau 1 mag worden aangevat de dag na de kennisgeving, op voorwaarde dat de inperkings- en controlemaatregelen, voorgesteld in de kennisgeving, worden toegepast.

 

Bij elk volgend ingeperkt gebruik van risiconiveau 1 stuurt de gebruiker de risicoanalyse aan de technisch deskundige. De technisch deskundige brengt de bevoegde instantie op de hoogte van de ontvangst van de risicoanalyse van het volgende gebruik van risiconiveau 1. De gebruiker kan de activiteit van risiconiveau 1 aanvangen de dag na de verzending van de risicoanalyse. Zodra de technisch deskundige een probleem vaststelt met betrekking tot de risicoanalyse, informeert hij de bevoegde instantie daarover.

 

Art. 1.5.2.2. §1. De kennisgeving of, in voorkomend geval, de toelatingsaanvraag voor een eerste of volgend ingeperkt gebruik van risiconiveau 2 bevat ten minste de gegevens, vermeld in bijlage 1.5.1.3, deel B.

 

§2. De technisch deskundige deelt uiterlijk binnen dertig dagen na de datum van het indienen van de kennisgeving of toelatingsaanvraag het advies, vermeld in artikel 1.5.1.2, mee aan de bevoegde instantie.

 

Dat advies bevat alle gegevens, vermeld in artikel 1.5.1.2, §3.

 

§3. Bij een eerste ingeperkt gebruik van risiconiveau 2 kan met dat ingeperkte gebruik worden begonnen als de bevoegde instantie een voorafgaande schriftelijke toelating geeft. De bevoegde instantie deelt haar beslissing mee uiterlijk binnen vijfenveertig dagen na de indiening van de toelatingsaanvraag.

 

§4. Bij het volgende ingeperkte gebruik van risiconiveau 2 en als aan de vereisten die daarmee verband houden, is voldaan, mag de activiteit worden aangevat de dag na de datum van de nieuwe kennisgeving.

 

§5. De gebruiker kan in zijn kennisgeving om een formele toelating verzoeken. De bevoegde instantie deelt haar beslissing mee uiterlijk binnen vijfenveertig dagen na de indiening van de kennisgeving.

 

Art. 1.5.2.3. §1. De toelatingsaanvraag voor een eerste of volgend ingeperkt gebruik van risiconiveau 3 of hoger, bevat ten minste de gegevens, vermeld in bijlage 1.5.1.3, deel C.

 

§2. De technisch deskundige deelt in de gevallen, vermeld in paragraaf 4, uiterlijk binnen dertig dagen na de datum van de indiening van de toelatingsaanvraag het advies, vermeld in artikel 1.5.1.2, mee aan de bevoegde instantie.

 

De technisch deskundige deelt in de gevallen, vermeld in paragraaf 5, uiterlijk binnen zestig dagen na de datum van de indiening van de toelatingsaanvraag, het advies, vermeld in artikel 1.5.1.2, mee aan de bevoegde instantie.

 

Het advies bevat alle gegevens, vermeld in artikel 1.5.1.2, §3.

 

§3. Met eerste of volgend ingeperkt gebruik van risiconiveau 3 of hoger mag niet worden begonnen zonder voorafgaande schriftelijke toelating van de bevoegde instantie die haar beslissing schriftelijk meedeelt.

 

§4. De bevoegde instantie deelt haar beslissing mee uiterlijk binnen vijfenveertig dagen na de indiening van de toelatingsaanvraag als al eerder een toelating voor een ingeperkt gebruik van risiconiveau 3 of hoger is gegeven voor de inrichting waarin de activiteit wordt beoogd, en als is voldaan aan de eisen die daarmee verband houden voor toelating voor hetzelfde risiconiveau of voor een hoger risiconiveau.

 

§5. In de overige gevallen deelt de bevoegde instantie haar beslissing mee uiterlijk binnen negentig dagen na de indiening van de toelatingsaanvraag.

 

Afdeling 1.5.3. Algemene beginselen en inperkings- en andere beschermingsmaatregelen

 

Artikel 1.5.3.1. De bevoegde instantie bepaalt, in overeenstemming met het risiconiveau, welke algemene beginselen en relevante inperkings- en andere beschermingsmaatregelen van bijlage 5.51.4 van toepassing zijn om de blootstelling van de werkplek en het milieu aan GGO’s en pathogene organismen tot het laagste redelijkerwijs haalbare niveau te beperken en een hoog veiligheidsgehalte te garanderen.

 

Afdeling 1.5.4. Bijlagen

 

Artikel 1.5.4.1. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, kan bijlage 1.5.1.1, 1.5.1.2 en 1.5.1.3 aanpassen, afhankelijk van de opgedane ervaring, de wetenschappelijke of technische vooruitgang en de ontwikkeling van de Europese reglementering.

 

De technisch deskundige kan de inhoud van bijlage 1.5.1.1, 1.5.1.2 en 1.5.1.3 preciseren en interpreteren.”.


Art. 175. In het opschrift van afdeling 2.4.3 van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunningsaanvragen” vervangen door de woorden “aanvragen van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 176. In artikel 2.4.3.4, inleidende zin, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 177.

In artikel 2.4.3.5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en 7 maart 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in punt 1° wordt het woord “milieuvergunningen” vervangen door de woorden “omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”; 
in punt 2° wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”; 
in punt 3°, b), wordt het woord “milieuvergunningen” vervangen door de woorden “omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

 


Art. 178. In artikel 2.5.7.1, derde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 december 2006 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt de zinsnede “zoals gedefinieerd in artikel 1, 29°, van titel I van het VLAREM” opgeheven.

Art. 179. In artikel 2.7.2.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt de zinsnede “zoals vermeld in artikel 33bis van titel I van het VLAREM” vervangen door de zinsnede “die zijn vergund onder rubriek 2.3.4.1 of rubriek 2.3.4.2 van de indelingslijst, met uitzondering van inrichtingen die onder rubriek 2.3.4.1, a, en 2.3.4.2, a, zijn ingedeeld”.

Art. 180. [...]

Art. 181. [...]

Art. 182. [...]

Art. 183. In artikel 2.8.1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt de zinsnede “artikel 20 van titel I van het VLAREM” vervangen door de zinsnede “artikel 37 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”.

Art. 184. In artikel 2.8bis.0.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006, wordt de zinsnede “het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”.

Art. 185. Aan artikel 2.9.0.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2001, wordt de zinsnede “of artikel 5.4.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid” toegevoegd.

Art. 186. In artikel 2.9.0.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2001, wordt de zinsnede “artikel 20 van titel I van het VLAREM” vervangen door de zinsnede “artikel 37 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”.

Art. 187. In artikel 2.12.0.1, §3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2008, wordt de zinsnede “in een op basis van titel I, subrubriek 2.3.11, van het VLAREM verleende vergunning” vervangen door de zinsnede “in een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die de indelingsruriek 2.3.11 omvat” en worden de woorden “van titel II van het VLAREM” opgeheven.

Art. 188.

In artikel 3.1.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

 

in paragraaf 1 wordt de zinsnede “in uitvoering van het decreet betreffende de milieuvergunning en van Titel 3 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid” vervangen door de zinsnede “ter uitvoering van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, titel III of titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”;
in paragraaf 1 wordt de zinsnede “op alle ingedeelde inrichtingen zoals bedoeld in art. 2.1° van het decreet betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “op alle ingedeelde inrichtingen of activiteiten, vermeld in artikel 5.1.1, 8°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”;
in paragraaf 5, tweede lid, wordt de zinsnede “de lijst van bijlage 1 van titel I van het VLAREM” vervangen door de woorden “de indelingslijst”.

 


Art. 189. In artikel 3.2.1.2, §1, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning(en)” vervangen door de woorden “omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 190. In artikel 3.2.2.2, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt de zinsnede “de lijst van bijlage 1 van titel I van het VLAREM” vervangen door de woorden “de indelingslijst”.

Art. 191. [...]

Art. 192.

In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 februari 2015, wordt hoofdstuk 3.3, dat bestaat uit artikel 3.3.0.1 en 3.3.0.2, vervangen door wat volgt:

 

“Hoofdstuk 3.3. Bijzondere milieuvoorwaarden

 

Art. 3.3.0.1. De bijzondere milieuvoorwaarden bestaan uit een coherent geheel van voorschriften, maatregelen en verplichtingen om de hinder en de risico’s afkomstig van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, voor de mens en het milieu tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

 

Als dat noodzakelijk is, of, in voorkomend geval, ter uitvoering van Europese verplichtingen worden in de meldingsakte en in de omgevingsvergunning, vermeld in artikel 2, eerste lid, 6° respectievelijk 7°, van het decreet van 25 april 2014, bijzondere milieuvoorwaarden bepaald ter voorkoming en bestrijding van:

hinder en risico’s als gevolg van de directe of indirecte inbreng van stoffen, trillingen, warmte, licht of geluid in lucht, water of bodem die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kunnen aantasten; 
risico’s op ongevallen als gevolg van de exploitatie en de gevolgen daarvan voor de gezondheid van de mens en het milieu;
hinder en risico’s door uitputting van hernieuwbare en niet-hernieuwbare hulpbronnen, de verspilling van materialen en energie in het algemeen alsook de schadelijke gevolgen voor mens en milieu, verbonden aan materiaalgebruik en -verbruik;
mobiliteitshinder

 

Art. 3.3.0.2. De bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 3.3.0.1, kunnen onder meer voorzien in:

bepalingen waardoor er geen vermijdbare schade aan het milieu kan ontstaan en, als die schade toch zou ontstaan, de eisen waardoor de schade op kosten van de exploitant ongedaan kan worden gemaakt; 
de emissiegrenswaarden voor verontreinigende stoffen als vermeld in bijlage 1.1.2 en voor andere verontreinigende stoffen die in significante hoeveelheden uit de installatie in kwestie kunnen vrijkomen, gelet op de aard en het potentieel ervan voor de overdracht van verontreiniging tussen milieucompartimenten; 
de uitdrukkelijk berekende emissiegrenswaarden voor lucht en water die specifiek gelden voor de meeverbranding van afvalstoffen;
de bepalingen voor de monitoring en het beheer van de door de installatie voortgebrachte afvalstoffen;
de bepalingen om te voldoen aan de milieukwaliteitsnormen, vermeld in artikel 3.3.0.3, eerste lid, 3°, en aan BBT, vastgesteld conform de criteria, vermeld in bijlage 3.3;
bepalingen over het regelmatige onderhoud en bewaken van maatregelen die worden genomen ter voorkoming van emissies in de bodem en het grondwater;
bepalingen die noodzakelijk zijn bij andere bedrijfsomstandigheden dan normale bedrijfsomstandigheden, zoals het opstarten en stilleggen, lekken, storingen, korte stilleggingen en definitieve bedrijfsbeëindiging;
bepalingen over de minimalisering van de verontreiniging over lange afstand of van grensoverschrijdende verontreiniging;
bepalingen over de controle en beoordeling van de naleving van de milieuvoorwaarden, inclusief de emissiegrenswaarden.

 

Als die bepalingen moeten voorzien in monitoring van de emissies, worden de meetmethode, de meetfrequentie en de procedure voor de evaluatie van de metingen vermeld;

10° een lijst van de afvalcategorieën die mogen worden verwerkt. Die lijst omvat de totale hoeveelheid en, als dat mogelijk en nuttig is, de hoeveelheid per afvalcategorie. Als dat mogelijk is, worden die afvalcategorieën bijkomend opgelijst conform het onderscheid vermeld in bijlage 2.1 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement voor het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, zonder dat er aan die oplijsting rechtsgevolgen verbonden zijn;
11° bij een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie:
  a) bepalingen over de bemonsterings- en meetprocedures en over de bemonsterings- en meetfrequenties die worden gehanteerd om te voldoen aan de gestelde voorwaarden voor de monitoring van emissies;
  b) een vermelding van de totale afvalverbrandings- of meeverbrandingscapaciteit van de installatie;
  c) bepalingen over de pH, de temperatuur en het debiet van het geloosde afvalwater;
  d) de maximaal toelaatbare duur van technisch onvermijdelijke stilleggingen, storingen of defecten aan de reinigingsapparatuur of de meetapparatuur waarin de emissies in de lucht en de lozingen van afvalwater de vastgestelde emissiegrenswaarden mogen overschrijden;
12° bij een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie waarin gevaarlijke afvalstoffen worden verbrand:
  a) een specificatie van de minimale en de maximale toevoer van die gevaarlijke afvalstoffen;
  b) de laagste en de hoogste calorische waarde van die gevaarlijke afvalstoffen;
  c) de maximumgehalten aan pcb’s, pcp, chloor, fluor, zwavel, zware metalen en andere verontreinigende stoffen in de afvalstoffen;
13° een bijdrage tot de verwezenlijking van de doelstellingen, vermeld in artikel 5, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.

 

Art. 3.3.0.3. Voor de toepassing van artikel 3.3.0.1 en 3.3.0.2 gelden bijkomend de volgende bepalingen:

als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een BKG-installatie, kan de bevoegde overheid geen emissiegrenswaarden opleggen voor de emissie van BKG-emissies, tenzij dat noodzakelijk is om te verzekeren dat er geen significante plaatselijke verontreiniging wordt veroorzaakt; 

de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 3.3.0.2, 2°, kunnen, zo nodig, worden aangevuld of vervangen door gelijkwaardige parameters of gelijkwaardige technische maatregelen.

Met behoud van de toepassing van punt 3° van dit artikel zijn de emissiegrenswaarden, de gelijkwaardige parameters of de gelijkwaardige technische maatregelen, vermeld in het eerste lid, gebaseerd op BBT, zonder dat daarmee het gebruik van een bepaalde techniek of technologie wordt voorgeschreven;

als met het oog op een milieukwaliteitsnorm strengere voorwaarden moeten gelden dan de voorwaarden die door de toepassing van BBT haalbaar zijn, met behoud van de toepassing van alle andere maatregelen die getroffen kunnen worden om te voldoen aan de milieukwaliteitsnormen, worden in de vergunning extra bijzondere milieuvoorwaarden opgelegd;
met het oog op de bescherming van de mens en het milieu kunnen strengere bijzondere milieuvoorwaarden in de vergunning worden opgelegd dan de voorwaarden die haalbaar zijn door gebruik te maken van de BBT.

 

De strengere bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in het eerste lid, kunnen, in bijzondere omstandigheden, worden vastgesteld op grond van de noodzaak:

van de bescherming van de mens en het milieu als er voor bepaalde emissies geen milieukwaliteitsnorm bepaald is. In voorkomend geval moet daarbij onder meer rekening worden gehouden met de toxiciteit, de persistentie en de bio-accumulatie van de betrokken stoffen in het milieu waarin ze worden geëmitteerd; 
van het voorkomen van schade, hinder, en incidenten en ongevallen die de mens en het milieu aanzienlijk beïnvloeden;
om in functie van de specifieke lokale omstandigheden een hoog niveau van bescherming van de mens en het milieu te waarborgen;
om in functie van de specifieke lokale omstandigheden de hinder voor de mens en het milieu te beperken tot een aanvaardbaar niveau;
om de Europese verordeningen op het vlak van milieukwaliteitsbeheer te behalen;
om de doelstellingen die opgenomen zijn in goedgekeurde Vlaamse beleidsplannen, actieplannen en reductieprogramma’s te behalen;
om de doelstellingen die opgenomen zijn in geratificeerde internationale verdragen te behalen.

   

Bij de vaststelling van de strengere bijzondere milieuvoorwaarden wordt rekening gehouden met de volgende aspecten:

de ligging en de gebiedsbestemming van het bedrijf en de omgeving; 
de technische haalbaarheid van de voorgestelde maatregelen;
de economische haalbaarheid van de voorgestelde maatregelen;
de praktische haalbaarheid van de voorgestelde maatregelen;
de efficiëntie en de effectiviteit van de voorgestelde maatregelen;
de handhaafbaarheid van de voorgestelde maatregelen.”.

Art. 193.

In artikel 4.1.2.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1 wordt de zinsnede “van bijlage 18 van titel I van het VLAREM” vervangen door de zinsnede “van bijlage 3.3”;
in paragraaf 2 wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

 


Art. 194. In artikel 4.1.4.1, §1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 195. In artikel 4.1.4.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 196.

Aan artikel 4.1.5.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en 16 mei 2014, wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt:

“§3. In geval van schending van een milieuvoorwaarde inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, inzake voorkoming of beperking van emissies in lucht, water en bodem of inzake voorkoming van het ontstaan van afvalstoffen, brengt de exploitant van een GPBV-installatie of een inrichting als vermeld in rubriek 59 van de indelingslijst, de toezichthouder daarvan onmiddellijk op de hoogte en treft de exploitant onmiddellijk de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat op een zo kort mogelijke termijn weer aan de geschonden milieuvoorwaarde wordt voldaan.”.


Art. 197. In artikel 4.1.5.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt tussen de woorden “dit besluit” en de woorden “moeten bezorgd” de volgende zinsnede ingevoegd “en van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning wat betreft de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten”.

Art. 198.

In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 februari 2015, worden een artikel 4.1.5.4 en een artikel 4.1.5.5 ingevoegd, die luiden als volgt:

 

“Art. 4.1.5.4. Als een inrichting die bestemd is voor het winnen of het kunstmatig aanvullen van grondwater, of een gedeelte ervan, definitief buiten gebruik wordt gesteld, is de exploitant verplicht dat binnen een termijn van drie maanden te melden aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater, ongeacht de klasse waarin de inrichting is ingedeeld. De voormelde afdeling bezorgt onverwijld een kopie van die melding aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014.

 

Art. 4.1.5.5. De exploitant bezorgt op verzoek van de instanties die belast zijn met het uitvoeren van een evaluatie, vermeld in artikel 1.4.4.1, alle gegevens die met toepassing van artikel 1.4.5.1.1, §1, tweede lid, worden gevraagd.”.


Art. 199. In artikel 4.1.6.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 200. In artikel 4.1.6.2, §1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunningsvoorwaarden” vervangen door de woorden “voorwaarden met betrekking tot de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 201. In artikel 4.1.6.3 van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunningsvoorwaarden” vervangen door de woorden “bijzondere milieuvoorwaarden”.

Art. 202. In artikel 4.1.7.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 203.

In artikel 4.1.8.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid zoals aangevuld door het decreet van 19 april 1995” vervangen door de zinsnede “decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”;
in paragraaf 1, tweede lid, wordt punt 1° opgeheven;
in paragraaf 1, tweede lid, 2°, wordt de zinsnede “onder 1° of 2°” opgeheven;
in paragraaf 5, tweede lid, 1°, wordt de zinsnede “§1, 1°, 2°, 4° en 5°” vervangen door de zinsnede “§1, 2°, 4° en 5°”.

 


Art. 204. In artikel 4.1.8.3, §2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2006 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, wordt de zinsnede “de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

Art. 205.

In artikel 4.1.9.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in het eerste lid wordt de zinsnede “decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid zoals aangevuld door het decreet van 19 april 1995” vervangen door de zinsnede “decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”; 
in het tweede lid wordt de zinsnede “de inrichtingen die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM zijn ingedeeld in de eerste of tweede klasse” vervangen door de woorden “de inrichtingen die in de indelingslijst zijn ingedeeld in de eerste of tweede klasse”.

 


Art. 206.

In artikel 4.1.9.1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1 wordt de zinsnede “die in de indelingslijst als bijlage I bij titel I van het VLAREM is ingedeeld in de eerste klasse” vervangen door de zinsnede “die in de indelingslijst is ingedeeld in de eerste of tweede klasse en in de vijfde kolom van de indelingslijst is aangeduid met de letter A of B”; 
in paragraaf 2 wordt de zinsnede “die in de indelingslijst als bijlage I bij titel I van het VLAREM onder de 5de kolom met de letter “N” zijn aangeduid” vervangen door de zinsnede “die in de indelingslijst in de vijfde kolom met de letter “N” zijn aangeduid”;
in paragraaf 4, 5, 6, 8, 9, 10 en 11 wordt de zinsnede “de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” telkens vervangen door de zinsnede “de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

 


Art. 207.

In artikel 4.1.9.1.2. van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 19 september 2008 en 19 november 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 2, eerste lid, 1°, b), inleidende zin wordt de zinsnede “de inrichtingen die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de 5de kolom met de letter “A” zijn aangeduid” vervangen door de zinsnede “de inrichtingen die in de vijfde kolom van de indelingslijst met de letter “A” zijn aangeduid”; 
in paragraaf 2, eerste lid, 1°, c), inleidende zin, wordt de zinsnede “de inrichtingen die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de 5de kolom met de letter “B” zijn aangeduid” vervangen door de zinsnede “de inrichtingen die in vijfde kolom van de indelingslijst met de letter “B” zijn aangeduid”;
[...]  
in paragraaf 3, eerste lid, 1°, wordt de zinsnede “inrichtingen die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de vijfde kolom met de letter “A” zijn aangeduid” vervangen door de zinsnede “de inrichtingen die in de vijfde kolom van de indelingslijst met de letter “A” zijn aangeduid;
in paragraaf 3, eerste lid, 2°, wordt de zinsnede “inrichtingen die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de vijfde kolom met de letter “B” zijn aangeduid” vervangen door de zinsnede “de inrichtingen die in de vijfde kolom van de indelingslijst met de letter “B” zijn aangeduid”;
[...]  

Art. 208.

In artikel 4.1.9.1.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 7 maart 2008, 19 september 2008, 23 december 2011 en 16 juni 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1, 2°, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”; 
in paragraaf 3, derde lid, wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

 


Art. 209. In artikel 4.1.9.1.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 7 maart 2008 en 19 september 2008, wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” telkens vervangen door de zinsnede “de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning” en worden de woorden “afdeling bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

Art. 210.

In artikel 4.1.9.2.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1, eerste lid, inleidende zin, wordt de zinsnede “decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid zoals aangevuld door het decreet van 19 april 1995” vervangen door het woord “decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”;
in paragraaf 1, eerste lid, 2°, wordt de zinsnede “de VR-plichtige inrichtingen, vermeld in rubriek 17.2.2 van de indelingslijst in bijlage 1 bij titel I van het VLAREM” vervangen door de zinsnede “vermeld in rubriek 17.2.2 van de indelingslijst”;
in paragraaf 1, eerste lid, 3°, wordt de zinsnede “de inrichtingen die in de indelingslijst in bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de 6de kolom met de letter “P” zijn aangeduid” vervangen door de zinsnede “de inrichtingen die in zesde kolom van de indelingslijst met de letter “P” zijn aangeduid”;
in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zinsnede “decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid zoals aangevuld door het decreet van 19 april 1995” vervangen door de zinsnede “decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid” en wordt de zinsnede “de inrichtingen die in de indelingslijst in bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de 6de kolom met de letter “E” zijn aangeduid” vervangen door de zinsnede “de inrichtingen die in de zesde kolom van de indelingslijst met de letter “E” zijn aangeduid”.

 


Art. 211. In artikel 4.1.9.2.6, §1, 1°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008 en 7 juni 2013, wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

Art. 212. In artikel 4.1.9.3.1, §1, 3°, b), van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 213. In artikel 4.2.1.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 214.

In artikel 4.2.1.3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 9 mei 2008 en 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 3, en paragraaf 4, eerste lid, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”; 
in paragraaf 5, eerste lid, wordt het woord “milieuvergunningsvoorwaarden” vervangen door de woorden “bijzondere milieuvoorwaarden in de omgevingsvergunning”.

  


Art. 215. In artikel 4.2.2.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 12 mei 2006, 21 mei 2010 en 16 juni 2014, wordt de zinsnede “van titel II van het Vlarem” opgeheven”.

Art. 216.

In artikel 4.2.3.1, eerste lid, 3°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 mei 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

de zinsnede “van titel II van het Vlarem” wordt opgeheven; 
het woord “milieuvergunning” wordt telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

 


Art. 217.

In artikel 4.2.4.1, §3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en 16 mei 2014, worden de woorden “afdeling bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.


Art. 218. In artikel 4.2.5.1.1, §1, tweede lid, §2 en §3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 219. In artikel 4.2.5.1.2, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 220.

In artikel 4.2.5.2.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 2 wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”; 
in paragraaf 4 wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

    


Art. 221.

In artikel 4.2.5.3.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 2 wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”; 
in paragraaf 4 wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

   


Art. 222. In artikel 4.2.5.4.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 20 november 2009 en 23 december 2011, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 223. In artikel 4.2.8.1.1, §3, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 224.

In artikel 4.3.2.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in de inleidende zin en punt 4° wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”; 
in punt 5° wordt de zinsnede “van titel I van het VLAREM” opgeheven.

 


Art. 225.

In artikel 4.3.2.2, §2, tweede lid, en §3, eerste lid, van hetzelfde besluit, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.


Art. 226.

In artikel 4.3.2.3, §1, 1°, d) en 2°, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.


Art. 227.
In artikel 4.3.3.1, inleidende zin, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 228.

In artikel 4.4.2.2, §1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in het tweede lid wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;
in het vijfde lid wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

   


Art. 229. In artikel 4.4.2.3, §1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 230. In artikel 4.4.3.1, §2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 231. In artikel 4.4.3.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 232. In artikel 4.4.3.3, §2, vierde lid, en §3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 233. In artikel 4.4.4.1, §2, tweede lid en §3, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 234.

In artikel 4.4.4.2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 2, eerste lid, 5°, wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”;
in paragraaf 2, derde lid, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;
in paragraaf 4, eerste en derde lid, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;
in paragraaf 6 wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

 


Art. 235. In artikel 4.4.4.4, §1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 236.

In artikel 4.4.4.5 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in de inleidende zin wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;
in punt 1° wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;
in punt 2° wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

   


Art. 237. In artikel 4.4.7.2.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 januari 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 238.

In artikel 4.4.7.2.10 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 januari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

[...]  
in paragraaf 1, tweede lid wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit” en wordt de zinsnede “de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”;
in paragraaf 2 wordt de zinsnede “vermeld in punt “F15” van bijlage 4.B van titel I van het Vlarem” vervangen door de zinsnede “als vermeld in addendum E4, 10, van de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”.

 


Art. 239.

In artikel 4.5.4.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008 en 7 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 3 wordt de zinsnede “de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” telkens vervangen door de zinsnede “de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”;
in paragraaf 4, derde lid, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

   


Art. 240.

In artikel 4.5.6.1, §4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

het woord “milieuvergunning” wordt vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;
de zinsnede “de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” wordt telkens vervangen door de zinsnede “de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

 


Art. 241. In artikel 4.9.1.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004, wordt de zinsnede “,vermeld in artikel 5, §8, van titel I van het VLAREM” vervangen door de zinsnede “die bij de vergunningsaanvraag wordt gevoegd met toepassing van addendum C6, 10 en 11, van het aanvraagformulier vastgesteld in bijlage 1 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”.

Art. 242.

Aan artikel 4.10.1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in punt 3° wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;

er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:

“Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een BKG-installatie, kan de vergunning alleen worden verleend als de vergunningverlenende overheid ervan overtuigd is dat de exploitant in staat is de emissies van de broeikasgasemissies die relevant zijn voor de inrichting, te bewaken en erover te rapporteren. Dat betekent dat de exploitant in het bezit moet zijn van een monitoringplan, geverifieerd door het verificatiebureau en goedgekeurd door de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging.”.

   


Art. 243. In artikel 4.10.1.2, §3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 244.

In artikel 4.10.1.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

[...]  
in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zinsnede “aan de milieuvergunning, voegt de afdeling bevoegd voor luchtverontreiniging overeenkomstig artikel 45 van titel I van het VLAREM het actuele monitoringplan bij de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “bezorgt de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, het monitoringplan aan de bevoegde overheid die het bij de omgevingsvergunning voegt”;
in paragraaf 3 wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit”.

   


Art. 245. In artikel 4.10.1.5, §4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 246. In artikel 5.2.1.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001, 5 december 2003 en 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 247. In artikel 5.2.1.5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 248. In artikel 5.2.1.6, §4, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 249. [...]

Art. 250. In artikel 5.2.1.7, §1 en §4, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 251.

In artikel 5.2.1.8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, 13 juli 2001 en 7 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1 wordt het woord “milieuvergunningsvoorwaarden” vervangen door het woord “milieuvoorwaarden”;
in paragraaf 3 wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

 


Art. 252. In artikel 5.2.1.9, §4, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 253. In artikel 5.2.2.1.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 28 november 2003 en 12 mei 2006, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 254. In artikel 5.2.2.1.3, §2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 255. In artikel 5.2.2.2.1, §1bis, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 256. In artikel 5.2.2.3.7, 2° en 3°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 257. In artikel 5.2.2.3.8 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 258. In artikel 5.2.2.3.9 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 259. In artikel 5.2.2.4.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 260. In artikel 5.2.2.4.2, §4, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 261. In artikel 5.2.2.5.1 van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 262. In artikel 5.2.2.5.2, §3 en §4, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 263. In artikel 5.2.2.6.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 en 9 februari 2007, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 264. In artikel 5.2.2.6.3 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en 19 juni 2009, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 265. In artikel 5.2.2.7.1 van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 266. In artikel 5.2.2.7.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 november 2003 en 19 juni 2009, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 267. In artikel 5.2.2.8.1, §1 en §2, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 268.

In artikel 5.2.2.9.2, §1, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1 wordt de zin “Onder recipiënten worden zowel vaten, tanks, tankwagens, spoorwegwagons, bulkwagens als schepen bedoeld.” vervangen door de zin “Recipiënten zijn verpakkingen, containers, laadkisten voor vervoer, vaten, tanks, tankwagens, bulkwagens, spoorwagons en scheepsruimen, exclusief kratten en rolcontainers voor niet-gevaarlijke afvalstoffen, huisvuilwagens en veegmachines.”;

in paragraaf 1, 2 en 3 wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

 

 


Art. 269. In artikel 5.2.2.10.2, §1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit".

Art. 270.

In deel 5, hoofdstuk 5.2, afdeling 5.2.2 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 oktober 2014, wordt het opschrift van subafdeling 5.2.2.13 vervangen door wat volgt:

 

“Subafdeling 5.2.2.13. Inrichtingen voor het opslaan en behandelen met vochtige hitte en mechanische verkleining van infectieuze afvalstoffen met uitzondering van dierlijke bijproducten”.


Art. 271.

In artikel 5.2.2.13.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:

 

“In de inrichtingen, vermeld in het eerste lid, mogen uitsluitend de volgende afvalstoffen worden verwerkt:

infectieuze afvalstoffen die in aanmerking komen voor decontaminatie als vermeld in artikel 1.2.1, §2, 74°/1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
infectieuze afvalstoffen afkomstig van GGO’s en pathogene organismen van inrichtingen die ingedeeld zijn onder de rubriek 51 van de indelingslijst, behalve wanneer ze behoren tot inperkingsniveau 3 of 4. Decontaminatie sluit de mogelijkheden waarin voorzien is voor ingeperkt gebruik niet uit.”.

     


Art. 272. In artikel 5.2.3bis.1.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 273. In artikel 5.2.3bis.1.6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 274. In artikel 5.2.3bis.1.8, §1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 275. In artikel 5.2.3bis.1.9, §2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 276. In artikel 5.2.3bis.1.11, §6, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 277. In artikel 5.2.3bis.1.12, §2, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 278. In artikel 5.2.3bis.1.13, §3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 279. In artikel 5.2.3bis.1.14, §2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 280. In artikel 5.2.3bis.1.15 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 281. In artikel 5.2.3bis.1.16, §2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 282. In artikel 5.2.3bis.1.19, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 283. In artikel 5.2.3bis.1.20, §1, derde lid, en §2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2013 en gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 284. In artikel 5.2.3bis.1.23, §5, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 285.

In artikel 5.2.3bis.1.26 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 december 2003, 12 mei 2006 en 7 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 7, 8 en 9 wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;
in paragraaf 7, 8 en 9 wordt het woord “milieuvergunningsaanvraag” vervangen door de woorden “aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

 


Art. 286. In artikel 5.2.3bis.1.36, §3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 287. In artikel 5.2.3bis.2.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 288. In artikel 5.2.3bis.3.6, §2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 289. In artikel 5.2.3bis.4.3 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 290. In artikel 5.2.3bis.4.7, §4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 291. In artikel 5.2.3bis.4.10, §3, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 292. In artikel 5.2.4.1.2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 17 februari 2012, 7 juni 2013 en 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 293. In artikel 5.2.4.1.7, §2 en §4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 294. In artikel 5.2.4.1.8 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, 17 februari 2012, 16 mei 2014 en 23 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 295. In artikel 5.2.4.1.9 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 en 23 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 296. In artikel 5.2.4.1.10 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, 17 februari 2012, 16 mei 2014 en 23 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 297. In artikel 5.2.4.3.3, §1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 en gewijzigd bij de besluiten van 12 mei 2006 en 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 298. In artikel 5.2.4.4.1, §1 tot en met §3, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 299. In artikel 5.2.4.4.2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 300. In artikel 5.2.4.4.5 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 301. In artikel 5.2.4.4.6, §3, tweede lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 november 2003, 7 maart 2008 en 16 mei 2014, wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

Art. 302. In artikel 5.2.4.5.1, §2, 4, en §4 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 303. In artikel 5.2.4.5.2, §5 en §6, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 304. In artikel 5.2.4.5.3, §3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 305. In artikel 5.2.4.6.5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 306. In artikel 5.2.4.7.1, §9, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 307. In artikel 5.2.5.1.1 van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 308. In artikel 5.2.5.3.2 van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 309. In artikel 5.2.5.3.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 310. In artikel 5.2.5.5.1 van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 311. In artikel 5.2.5.5.2 van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 312. In artikel 5.2.5.5.3 van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 313. In artikel 5.2.5.5.4 van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 314. In artikel 5.2.5.5.5, derde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 315. In artikel 5.2.5.7.1, §9, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 316. In artikel 5.2.6.2.1, §2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2008, wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

Art. 317. In artikel 5.2.6.6.1, §4, derde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2008, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 318. In artikel 5.2.6.7.1, §1, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2008, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 319. In artikel 5.3.1.3, §4, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 320. In artikel 5.3.2.4 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 321. In artikel 5.4.1.3, §2, 2°, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 322. In artikel 5.4.1.5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 323. [...]

Art. 324. In artikel 5.4.2.3bis, §2, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 325. In artikel 5.4.3.1.1, §3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 326. In artikel 5.4.3.1.2 van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 327. In artikel 5.4.3.1.3, §3, 4°, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 328. In artikel 5.4.3.1.4 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006, 7 maart 2008, 19 september 2008, 24 april 2009, 23 december 2011 en 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 329. In artikel 5.4.3.2.3, §7, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 330. In artikel 5.4.4.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 331. In artikel 5.5.1.2, §1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 332. In artikel 5.5.1.3, §1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 333. In artikel 5.5.1.4, §2 en §3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 334. In artikel 5.5.1.5, §1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 335. In artikel 5.5.1.6, §1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 336. In artikel 5.6.1.1.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 337. In artikel 5.6.1.1.3, §2, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

Art. 338. In artikel 5.6.1.1.4, §5 en §6, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 339. In artikel 5.6.1.2.4, §1, 4°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

Art. 340. In artikel 5.6.1.2.5, §1, 4°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

Art. 341.

In artikel 5.6.1.2.8 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 2, 5°, wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”;
in paragraaf 3 wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning,”.

 


Art. 342. In artikel 5.6.1.2.11 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 343. In artikel 5.6.1.3.1, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 344. In artikel 5.6.1.3.11, §1, vierde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 345. In artikel 5.6.1.13.14, §4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning,”.

Art. 346. In artikel 5.6.1.13.17 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 347. In artikel 5.6.1.3.18, §3, §4 en §7, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 348.

Aan artikel 5.6.2.1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt:

 

“§5. Gedurende de periode, vermeld in artikel 14, §2, 1°, 5, en artikel 15, §2, van het samenwerkingsakkoord van 13 december 2002 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de uitvoering en financiering van bodemsanering van tankstations, zoals gewijzigd bij het Samenwerkingsakkoord van 9 februari 2007 tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 13 december 2002 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en financiering van bodemsanering van tankstations, mag geen enkele omgevingsvergunning voor de exploitatie van een tankstation verleend worden op een terrein waarvoor een ontvankelijke aanvraag tot tussenkomst in het kader van sluiting, al dan niet bij wijze van overgangsmaatregel, bij het Fonds, vermeld in artikel 2, 13°, van het voormelde samenwerkingsakkoord, is ingediend. Dat verbod geldt evenwel niet als het mandaat van het voormelde Fonds eindigt alvorens de bodemsanering beëindigd is of als de erkenning van het Fonds opgeheven wordt.

 

De periode, vermeld in het eerste lid, waarin geen omgevingsvergunning voor de exploitatie afgeleverd mag worden, zal blijken uit het Bofas-attest, vermeld in addendum R6.5 van de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.

 

Als uit het Bofas-attest, vermeld in addendum R6.5 van de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, blijkt dat voor het terrein bij het voormelde Fonds een ontvankelijke aanvraag tot tussenkomst in het kader van sluiting, al dan niet bij wijze van overgangsmaatregel, is ingediend waarbij de uitbating van het tankstation is stopgezet vóór 1 januari 1993, mag geen omgevingsvergunning voor de exploitatie afgeleverd worden, tenzij als bijlage bij het attest een document is bezorgd dat opgesteld is door de OVAM, waaruit blijkt dat de uitvoering van de bodemsanering niet wordt gehinderd door de nieuwe uitbating van het tankstation.”.


Art. 349. In artikel 5.6.2.3.8, §1, en §2, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” telkens vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

Art. 350. In artikel 5.7.1.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 19 september 2008 en 23 december 2011, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 351. In artikel 5.7.1.3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 7 juni 2013 en 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 352. In artikel 5.7.1.4, §1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 353. In artikel 5.7.10.1, §2, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 354. In artikel 5.7.15.2, §2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 355. In artikel 5.9.2.1bis, §1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2003 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 356. In artikel 5.9.2.2, §5, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2003 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 357. In artikel 5.9.2.3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2003 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 358. In artikel 5.9.4.1, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de woorden “het milieuvergunningsdossier” vervangen door de woorden “de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 359. In artikel 5.9.5.1, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunningsdossier” vervangen door de woorden “dossier voor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 360. In artikel 5.9.6.1, §2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en 16 mei 2014, worden de woorden “voorwaarden die in de milieuvergunning” vervangen door de woorden “milieuvoorwaarden die in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 361. In artikel 5.9.8.4, §5, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 362. In artikel 5.9.10.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2003, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 363. In artikel 5.9.12.2, vijfde lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 364. In artikel 5.10.0.5 van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 365. In artikel 5.11.0.2, §2, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 366.

In artikel 5.11.0.5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 november 2003, 19 juni 2009 en 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 2 en 5 wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;
in paragraaf 2ter worden de woorden “afdeling Milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

 


Art. 367. In artikel 5.13.0.2, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 368. In artikel 5.13.0.5, §4, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 369. In artikel 5.14.0.1, §5, tweede lid, en §7, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 370. In artikel 5.15.0.6, §1, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 371. In artikel 5.15.0.7, eerste lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 372. In artikel 5.16.1.8, §1, 4°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 373. In artikel 5.16.2.1.1, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 374. In artikel 5.16.2.2.2, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 375. In artikel 5.16.2.2.5, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 376. In artikel 5.16.2.2.6, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 377. In artikel 5.16.3.3, §3, 3°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart 2003, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 378. In artikel 5.16.4.1.3, §1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 379. In artikel 5.16.4.4.0, 6°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 380. In artikel 5.16.4.4.10, §2, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 381. In artikel 5.16.4.4.11, §1, vierde lid, 2°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunningsaanvraag” vervangen door “aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 382. In artikel 5.16.8.1, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 383. In artikel 5.16.8.2, §5, 6°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 384. In artikel 5.16.8.4, §6, 5°, c), van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 385.

In artikel 5.16.8.5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 3 en 6 wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;
in paragraaf 7 wordt het woord “milieuvergunningsaanvraag” vervangen door de woorden “aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

 


Art. 386.

In artikel 5.17.1.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1 wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;
in paragraaf 4 wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

 


Art. 387.

Artikel 5.17.1.3 van hetzelfde besluit, opgeheven door het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing:

 

“Art. 5.17.1.3. De exploitant van een inrichting waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in hoeveelheden die gelijk zijn aan of groter zijn dan de hoeveelheid, vermeld in bijlage 5, kolom 2 van deel 1 en 2, bij dit besluit, stelt een preventiebeleid voor zware ongevallen vast. Dat beleid staat borg voor een hoog beschermingsniveau van de menselijke gezondheid en het milieu en is evenredig met de gevaren van zware ongevallen.

 

De exploitant stelt een document op waarin hij dat beleid beschrijft. Het bevat de algemene doelen van en de beginselen voor het handelen van de exploitant, alsook de rol en de verantwoordelijkheid van het management, en de verbintenis de beheersing van gevaren van zware ongevallen continu te verbeteren en een hoog beschermingsniveau te waarborgen. De exploitant houdt het document ter beschikking van de bevoegde inspectiediensten.

 

Het tweede lid is niet van toepassing als de exploitant een document heeft opgesteld dat het preventiebeleid voor zware ongevallen beschrijft vóór de inwerkingtreding van het samenwerkingsakkoord van 1 juni 2006 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot wijziging van het samewerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, en de informatie die opgenomen is in het document, beantwoordt aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, en ongewijzigd is gebleven.

 

De exploitant voert het preventiebeleid voor zware ongevallen uit, met passende middelen, structuren en een veiligheidsbeheersysteem, in overeenstemming met bijlage 5bis. Het veiligheidsbeheersysteem is gebaseerd op de evaluatie van de risico’s en is evenredig met de gevaren van zware ongevallen, de activiteiten en de complexiteit van de organisatie van de inrichting.

 

De exploitant herziet het preventiebeleid voor zware ongevallen periodiek en ten minste om de vijf jaar. Voor zover dat nodig is, stuurt de exploitant het preventiebeleid bij en past hij het document, vermeld in het tweede lid, aan overeenkomstig die bijsturing.”.


Art. 388. In artikel 5.17.2.4, §5, van hetzelfde besluit, vervangen bij besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008 en 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 389. In artikel 5.17.3.1.8, §1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 390. In artikel 5.17.3.3.3, §3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 391. In artikel 5.17.3.3.9, §4, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 392. In artikel 5.17.3.3.12, §3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

Art. 393. In artikel 5.17.3.3.16, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 394. In artikel 5.17.3.3.17, 2°, a), van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 395. In artikel 5.17.4.1.3, §1, §3 en §4, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 396.

In artikel 5.17.4.1.4, §2, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.


Art. 397. In artikel 5.17.4.1.6, §3 en §4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 398. In artikel 5.17.4.1.9, §3 en §4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 399. In artikel 5.17.4.1.12, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 400. In artikel 5.17.4.1.15, §6, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 401. In artikel 5.17.4.1.18, §2, 3°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 402. [...]

Art. 403. In artikel 5.17.4.2.8, §2, 5° en §3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

Art. 404. In artikel 5.17.4.2.11, §1, tweede lid, §2, eerste en tweede lid, en §5, inleidende zin, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 405. In artikel 5.17.4.2.12, §5 en §6, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 406. In artikel 5.17.4.3.1, §1, eerste lid, en §2, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 407. In artikel 5.17.4.3.8, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 408. In artikel 5.17.4.3.12, §1, vierde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 409. In artikel 5.17.4.3.16, §4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

Art. 410.

In artikel 5.17.4.3.19 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1, tweede lid, en paragraaf 2, wordt de zin “Die houders blijven bestaande houders, ook bij hernieuwing van de milieuvergunning.” vervangen door de zin “Die houders blijven bestaande houders, ook bij hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.”;
in paragraaf 5 worden de woorden “bijzondere voorwaarden die zijn opgelegd in de milieuvergunning” vervangen door de woorden “bijzondere milieuvoorwaarden die zijn opgelegd in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

 


Art. 411. In artikel 5.17.4.3.20, §3, §4 en §7, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 412. In artikel 5.17.4.4.1.3, §3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

Art. 413. In artikel 5.18.1.1, §2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen” en wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 414. In artikel 5.18.1.2, §1, 3°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 415. In artikel 5.18.2.1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 416. In artikel 5.18.2.6.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 417. In artikel 5.18.2.6.2, §1, eerste en tweede lid, en §2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 418. In artikel 5.18.2.7.2, §1 en §2, eerste en derde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 419. In artikel 5.18.2.8.1, eerste en tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 420. In artikel 5.18.2.8.2, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 421. In artikel 5.18.2.9.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 422. In artikel 5.18.2.13.1, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 423. In artikel 5.18.2.14.1, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 424. In artikel 5.19.1.2, §1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 425. In artikel 5.19.1.3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 426. In artikel 5.19.1.4, §2, §3 en §4, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 427. In artikel 5.19.2.1.1, §11, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 428.
In artikel 5.19.2.3.3, 7°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 429. In artikel 5.20.2.8, §4, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 430. In artikel 5.20.5.1, §2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 431. In artikel 5.20.6.1.1, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, worden de woorden “van titel II van het VLAREM” opgeheven.

Art. 432. [...]

Art. 433. In artikel 5.20.6.4.2, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 434. In artikel 5.23.1.1, eerste en tweede lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 435.

In artikel 5.28.2.3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2003, 7 maart 2008, 7 juni 2013 en 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 2, b), wordt de zinsnede “Afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning” en wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;
in paragraaf 9 wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

 


Art. 436. In artikel 5.28.3.2.1, §2 en §3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 437.

In artikel 5.28.3.2.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2003, 23 december 2011 en 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

 


Art. 438. In artikel 5.28.3.3.1, §1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2003 en 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 439. In artikel 5.28.3.4.1, §1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2003, 23 december 2011 en 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 440. In artikel 5.28.3.4.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2003, 12 december 2003, 23 december 2011 en 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 441. In artikel 5.29.0.6, §1, van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 442. In artikel 5.29.0.9, 1°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 443. In artikel 5.29.0.9bis, 3°, b), van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunningsaanvraag” vervangen door de woorden “aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 444. In artikel 5.29.0.11 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 445. In artikel 5.30.0.1, §2, 1° en 2°, van hetzelfde besluit, wordt de zinsnede “die niet onder toepassing van Titel I van het VLAREM vallen” vervangen door de zinsnede “die niet in de indelingslijst zijn ingedeeld”. 

Art. 446. In artikel 5.30.2.6 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 447. In artikel 5.30.4.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 448. In artikel 5.32.7.1.1, §3, 5°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 449. In artikel 5.32.7.3.3, §2, 5°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, wordt de zinsnede “Afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

Art. 450. In artikel 5.32.7.4.3, §2, 5°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, wordt de zinsnede “Afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

Art. 451. In artikel 5.32.7.5.4, §3, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 452. In artikel 5.32.8.2.7, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 453. In artikel 5.32.8.2.8, derde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 454. In artikel 5.32.9.1.2, §2, van hetzelfde besluit, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 455. In artikel 5.32.9.1.4, §2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008 en 7 juni 2013, worden de woorden “in titel I van het VLAREM” vervangen door de woorden “in het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”.

Art. 456. In artikel 5.32.9.2.1 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 457. In artikel 5.32.9.2.2 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 458. In artikel 5.32.9.3.1 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 459. In artikel 5.32.9.3.2 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 460. In artikel 5.32.9.4.2, §8, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 461. In artikel 5.32.9.7.1, §3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 462. In artikel 5.32.9.7.2, §5, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 463. In artikel 5.32.9.7.3, §3, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 464. In artikel 5.32.9.8.5, §6bis, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 465. In artikel 5.32.10.1, §3, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 466. In artikel 5.32.10.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 15 juni 1999 en 19 september 2008, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 467. In artikel 5.32.10.3 van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 468. In artikel 5.32.10.4 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 469. In artikel 5.32.10.7, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 470. In artikel 5.33.0.4 van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 471. In artikel 5.41.1.4 van hetzelfde besluit, vernummerd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 472. In artikel 5.41.2.2, §3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 473. In artikel 5.43.2.5 van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunningsaanvraag” vervangen door de woorden “aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 474. In artikel 5.43.2.19, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 475. In artikel 5.43.2.21 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 476. In artikel 5.43.2.22 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 477. In artikel 5.43.2.24, §2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 478. In artikel 5.43.2.25, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 479. In artikel 5.43.2.34, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 480. In artikel 5.43.3.16, §1, 2°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 481. In artikel 5.43.3.18, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 482. In artikel 5.43.3.19, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit” en wordt het woord “wijziging” vervangen door het woord “bijstelling”.

Art. 483.

Artikel 5.43.3.20 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt vervangen door wat volgt:

 

“Art. 5.43.3.20. Voor een nieuw te exploiteren stookinstallatie met een nominaal elektrisch vermogen van 300 MW of meer, of de verandering van stookinstallaties waarvoor de oorspronkelijke stedenbouwkundige vergunning of, bij gebrek aan een dergelijke procedure, een milieuvergunning of een omgevingsvergunning is verleend op of na 25 juni 2009, en die na verandering een nominaal elektrisch vermogen van 300 MW of meer hebben, maakt de exploitant geschikte ruimte op de locatie van de installatie vrij om koolstofdioxide af te vangen en te comprimeren als voldaan is aan de volgende drie voorwaarden:

er zijn geschikte opslaglocaties voor de geologische opslag van koolstofdioxide voorhanden;
de bestaande faciliteiten voor het transport van koolstofdioxide zijn in technisch en economisch opzicht haalbaar;
de installatie is in technisch en economisch opzicht geschikt om voor koolstofdioxide afvang te worden aangepast.”.

 


Art. 484. In artikel 5.43.3.24, §1, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 485. In artikel 5.43.3.25, §4, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 486. In artikel 5.43.3.26, §4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 487. In artikel 5.43.3.37, §2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 488. In artikel 5.43.4.3, eerste lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 489. In artikel 5.45.2.1, §2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 490. In artikel 5.45.2.3 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 491. In artikel 5.46.0.3 van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 492. In artikel 5.49.0.4, §1, eerste lid, en §2, 2°, d), van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 493.

In artikel 5.51.4.2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1, 1°, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;
in paragraaf 3 wordt de zinsnede “Hoofdstuk XIVbis van titel I van het Vlarem” vervangen door de zinsnede “hoofdstuk 1.5”.

 


Art. 494. In artikel 5.53.2.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 495. In artikel 5.53.4.1, §2, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 496. In artikel 5.53.4.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 497. In artikel 5.53.4.5, §2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 498. In artikel 5.53.4.6, §1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 499. In artikel 5.53.6.2.7, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 500. In artikel 5.53.6.3.1, §2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 501. In artikel 5.53.6.4.5, §1, §2 en §3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 502. In artikel 5.55.2.4, §1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 503. In artikel 5.55.2.7, §2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 504. In artikel 5.57.1.1, §2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 2005, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 505. In artikel 5.57.1.2, §2 en §5, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 2005, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 506. In artikel 5.57.2.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 2005, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 507.

In artikel 5.57.2.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 2005 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1 en 3 wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;
in paragraaf 2, tweede lid, 1°, wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

  


Art. 508. In artikel 5.59.1.2, §3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2001, wordt de zinsnede “hoofdstuk IIIbis van titel I van het VLAREM” vervangen door de zinsnede “het decreet van 25 april 2014”.

Art. 509. In artikel 5.59.2.1, §1, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

Art. 510. In artikel 5.60.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 31 mei 2002 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 511. In artikel 5.60.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 31 mei 2002 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 512. In artikel 5.60.5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 513. In artikel 5.61.2, §2 tot en met §5, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 514. In artikel 5.62.2.2, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 515. In artikel 5.62.3.2, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

Art. 516. In artikel 5bis.0.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt de zinsnede “artikel 20 van het Milieuvergunningsdecreet” vervangen door de zinsnede “artikel 5.4.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”.

Art. 517. In artikel 5bis.0.2, §4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt het woord “verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”.

Art. 518.

In artikel 5bis.15.5.4.3.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 3, eerste lid, wordt het woord “milieuvergunningsvoorwaarden” vervangen door de woorden “voorwaarden met betrekking tot de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;
in paragraaf 4 wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

 


Art. 519. In artikel 5bis.15.5.4.3.6, §4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 520. In artikel 5bis.15.5.4.8.5, §1, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 521. In artikel 5bis.19.8.4.2.4, §9, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 522.

In artikel 5bis.19.8.4.5.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 3, eerste lid, wordt het woord “milieuvergunningsvoorwaarden” vervangen door de woorden “voorwaarden met betrekking tot de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;
in paragraaf 4 wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

 


Art. 523. In artikel 5bis.19.8.4.5.6, §4, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2011, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 524. In artikel 5bis.19.8.4.11.5, §1, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2006, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 525. In artikel 6.1.0.1. van hetzelfde besluit wordt de zin “Ze zijn evenwel niet van toepassing op de ingedeelde inrichtingen zoals bedoeld in art.2 van het decreet houdende de milieuvergunning.” opgeheven.

Art. 526. In artikel 6.2.2.1.2, §4, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008, wordt het woord “milieuvergunningsvoorwaarden” vervangen door de woorden “bijzondere milieuvoorwaarden”.

Art. 527. In artikel 6.2.2.4.1, §3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 528. In artikel 6.5.5.2, §2, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt de zinsnede “afdeling bevoegd voor milieuvergunningen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning,”.

Art. 529. In artikel 6.5.5.3, §1, eerste lid, 7°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009, wordt de zinsnede “afdeling bevoegd voor milieuvergunningen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

Art. 530. In artikel 2, §1, van bijlage 4.2.5.2 bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 531. In artikel 4, §2, eerste lid, 5°, van bijlage 4.2.5.2 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

Art. 532. In artikel 3, §1, eerste lid, van bijlage 4.2.5.4 bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 533. In artikel 2 van bijlage 4.5.2 bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008 wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” telkens vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning,”.

Art. 534. In artikel 2, tweede lid, van bijlage 4.5.3 bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning,”.

Art. 535.

In bijlage 5.2.2.13 B bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

 

1° de tekst:

 

T = A + B / ( lnP +C )

met

T = temperatuur (K)

P = druk (MPa)

A = 42,6776 K

B = -3.892,7 K

C = -9,48654

  

wordt vervangen door wat volgt:

 

T = A + B / ( ln (P/10) + C )

met

T = temperatuur (K)

P = druk (bar)

A = 42,6776 K

B = -3.892,7 K

C = -9,48654

 

 2° in de grafiek worden de woorden “druk (bar)” vervangen door de woorden “absolute druk (bar)”.


Art. 536. In bijlage 5.2.2.13 C, punt 1.1 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013, wordt de zinsnede “verkleinen tot minstens 90% of een deeltjesgrootte van max 5mm” vervangen door de zinsnede “verkleinen zodat ten minste 90 gew. % van de deeltjes een maximale grootte hebben van 5 mm”.

Art. 537. In bijlage 5.3.1.a bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 538. In bijlage 5.3.1.b bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 539. In punt 21 van bijlage 5.3.2 bij hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 540. In punt 24bis, c), van bijlage 5.3.2 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 541. [...]

Art. 542. In hoofdstuk VII van bijlage 5.9 bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt de zinsnede "zoals bedoeld in rubriek 28.2. van de lijst en indeling van de als hinderlijk beschouwde inrichtingen (bijlage 1 van VLAREM I)” vervangen door de zinsnede “zoals vermeld in rubriek 28.2 van de indelingslijst”.

Art. 543.

In artikel 1 van bijlage 5.32.2.2bis bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

 


Art. 544.

In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2014, worden de bijlagen 1, 1.5.1.1, 1.5.1.2, 1.5.1.3, 2, 2bis, 2ter, 2quinquies, 3.3, 5 en 5bis ingevoegd, die bij dit besluit zijn gevoegd als respectievelijk bijlage 8 tot en met 18.

 


Hoofdstuk 3.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten


Art. 545.

In artikel 1, 4°, b) van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 februari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

 

in punt 1) worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”;
in punt 2) wordt de zinsnede “de werkzaamheden gemeld zijn, overeenkomstig artikel 4.2.2. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening” vervangen door de zinsnede “de handelingen, vermeld in artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, gemeld zijn, conform hoofdstuk 10 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”;

in punt 3) worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”. 

 


Art. 546. In artikel 2, §2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006 en 17 januari 2014, worden tussen de woorden “stedenbouwkundige vergunning” en de woorden “werd gegeven” de woorden “of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen” ingevoegd.

Art. 547. In artikel 23, eerste lid, 1°/1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 februari 2013, worden de woorden “de stedenbouwkundige vergunning voor de saneringswerkzaamheden” vervangen door de woorden “de omgevingsvergunning voor de saneringswerkzaamheden” en wordt de zinsnede “overeenkomstig artikel 4.2.2. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening” vervangen door de zinsnede “conform hoofdstuk 10 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”.

Art. 548. In artikel 26, §1, 1°/1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 februari 2013, worden de woorden “de stedenbouwkundige vergunning voor de saneringswerkzaamheden” vervangen door de woorden “de omgevingsvergunning voor de saneringswerkzaamheden” en wordt de zinsnede “overeenkomstig artikel 4.2.2. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening” vervangen door de zinsnede “conform hoofdstuk 10 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”.

Hoofdstuk 4.
Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 oktober 1997 betreffende de wijziging van waterkeringen, overstromingsbekkens, wachtbekkens en toegangswegen


Art. 549. In artikel 2, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 oktober 1997 betreffende de wijziging van waterkeringen, overstromingsbekkens, wachtbekkens en toegangswegen, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, worden de woorden “een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsaanvraag” vervangen door de woorden “een aanvraag tot omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden”.

Hoofdstuk 5.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu


Art. 550.

In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, wordt punt 15° vervangen door wat volgt:

 

“15° afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning: de afdeling bij het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse overheid die bevoegd is voor de omgevingsvergunning;”.


Art. 551. In artikel 2, vierde lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede “toepassing van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 of van andere uitvoeringsplannen in het kader van de wetgeving inzake ruimtelijke ordening” vervangen door de zinsnede “toepassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of van andere uitvoeringsplannen in het kader van de wetgeving inzake ruimtelijke ordening”.

Art. 552. In artikel 9, 2°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009, worden de woorden “regelmatige stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 553.

In artikel 39, §3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, wordt punt 2° vervangen door wat volgt:

 

“2° de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning;”.


Art. 554.

In artikel 40 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 2, tweede lid, 2°, wordt de zinsnede “de bouw- en de milieuvergunning” vervangen door de woorden “de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen en de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;

in paragraaf 3 wordt punt 3° vervangen door wat volgt:

“3° een eensluidend verklaard afschrift van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit en van eventuele andere vereiste vergunningen;”.

 


Hoofdstuk 6.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999 houdende de procedureregels inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden


Art. 555. In artikel 22, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999 houdende de procedureregels inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 mei 2008, worden de woorden “de stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen” en worden de woorden “de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “de aanvraag van die vergunning”.

Hoofdstuk 7.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen


Art. 556.

In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

de woorden “stedenbouwkundige vergunning” worden telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”;
aan paragraaf 3, 4°, worden de woorden “of omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden” toegevoegd.

 


Hoofdstuk 8.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2000 tot bepaling van de categorieën van bedrijven waarvoor en de gebieden waarbinnen artikel 5.6.7, § 2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening niet kan worden toegepast


Art. 557. In het opschrift van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2000 tot bepaling van de categorieën van bedrijven waarvoor en de gebieden waarbinnen artikel 5.6.7, § 2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening niet kan worden toegepast, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009, wordt de zinsnede “artikel 5.6.7, § 2, eerste lid” vervangen door de zinsnede “artikel 5.6.7, §1, eerste lid”.

Art. 558.

Artikel 1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009, wordt vervangen door wat volgt:

 

“Artikel 1. Afwijkingen van de stedenbouwkundige voorschriften, vermeld in artikel 5.6.7, §1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, kunnen niet worden toegestaan, als door de hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, die inrichting of activiteit geheel of gedeeltelijk ligt of zal liggen in een gebied dat als volgt is ingedeeld:

een groengebied, waaronder kan worden onderscheiden:
  a) een natuurgebied;
  b) een natuurgebied met wetenschappelijke waarde of een natuurreservaat;
een natuurontwikkelingsgebied;
een overstromingsgebied;
een bosgebied.

 

De verbodsbepalingen, vermeld in het eerste lid, gelden niet voor het houden van dieren conform indelingsrubriek 9.3. tot en met 9.6. van de indelingslijst, opgenomen in bijlage 1 bij titel II van het VLAREM, met de bijbehorende installaties en opslagplaatsen.”.


Art. 559.

Artikel 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009, wordt vervangen door wat volgt:

 

“Art. 2. Afwijkingen van de stedenbouwkundige voorschriften, vermeld in artikel 5.6.7, §1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, kunnen niet worden toegestaan voor de hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die betrekking heeft op inrichtingen of activiteiten waarvoor een milieueffectrapport of een omgevingsveiligheidsrapport vereist is voor de volledigheid van de aanvraag van een omgevingsvergunning.”.


Hoofdstuk 9.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 tot aanwijzing van de handelingen in de zin van artikel 4.1.1, 5°, artikel 4.4.7, § 2, en artikel 4.7.1, § 2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en tot regeling van het vooroverleg met de Vlaamse Bouwmeester


Art. 560. In het opschrift van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 tot aanwijzing van de handelingen in de zin van artikel 4.1.1, 5°, artikel 4.4.7, §2, en artikel 4.7.1, §2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en tot regeling van het vooroverleg met de Vlaamse Bouwmeester worden de woorden “en tot regeling van het vooroverleg met de Vlaamse Bouwmeester” opgeheven.

Art. 561. [...]

Art. 562.

In artikel 1/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

punt 1° wordt vervangen door wat volgt:

“1° aanvrager: de aanvrager van een omgevingsvergunning;”;

in punt 3° wordt punt a) vervangen door wat volgt:

“a) hetzij vergund en nog niet uitgevoerd, als de aanvraag wordt ingediend binnen de geldigheidstermijn van de initiële omgevingsvergunning;”.

 


Art. 563.

In artikel 3 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2012 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 2, vierde lid, worden de woorden “Het vergunningverlenende bestuursorgaan” vervangen door de zinsnede “De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 en 52 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning,”; 

in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden “het vergunningverlenende bestuursorgaan” vervangen door de zinsnede “de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 en 52 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning,”;
in paragraaf 3, derde lid, worden de woorden “Dat bestuursorgaan” vervangen door de zinsnede “Die bevoegde overheid, vermeld in het eerste lid,”;
in paragraaf 3, vierde lid, worden de woorden “Het vergunningverlenende bestuursorgaan” vervangen door de zinsnede “De bevoegde overheid, vermeld in het eerste lid,”.

 


Art. 564. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, wordt hoofdstuk III/1, dat bestaat uit artikel 3/1, opgeheven.

Art. 565. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, wordt hoofdstuk IV, dat bestaat uit artikel 4, opgeheven.

Art. 566.

In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, wordt hoofdstuk IV/bis, dat bestaat uit artikel 4bis, opgeheven.

 


Hoofdstuk 10.
Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 mei 2000 tot vaststelling van nadere regels voor de samenstelling, de organisatie en de werkwijze van de provinciale en gemeentelijke commissies voor ruimtelijke ordening


Art. 567. In artikel 5, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 mei 2000 tot vaststelling van nadere regels voor de samenstelling, de organisatie en de werkwijze van de provinciale en gemeentelijke commissies voor ruimtelijke ordening, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009, wordt de zin “De voorzitter van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening dient deze commissie ook bijeen te roepen binnen vijftien dagen die volgen op een verzoek om advies over een vergunningsaanvraag, dat wordt voorgelegd door de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar overeenkomstig artikel 4.7.16, § 3, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.” opgeheven.

Hoofdstuk 11.
Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 mei 2000 ter uitvoering van sommige artikelen van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen


Art. 568. In artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 mei 2000 ter uitvoering van sommige artikelen van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Hoofdstuk 12.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing


Art. 569.

In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in het eerste lid worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning tot ontbossing”; 
in het tweede lid wordt het woord “verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”.

  


Art. 570. In artikel 3, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning tot ontbossing”.

Art. 571. In artikel 4, vierde lid, 2° en 3°, van hetzelfde besluit, ingevoegd door het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 2015, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 572. In artikel 6, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning tot ontbossing”.

Art. 573. In artikel 8, vijfde lid, van hetzelfde besluit, vervangen door het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 2015, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning tot ontbossen” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning tot ontbossen” en de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 574. In artikel 9 van hetzelfde besluit worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 575. In artikel 10 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning tot ontbossing”.

Art. 576. In artikel 11 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 577. In artikel 13, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt het woord “verkavelingsvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”.

Art. 578. In artikel 16 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning tot ontbossing”.

Art. 579. In artikel 17, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning tot ontbossing”.

Hoofdstuk 13.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van varkens


Art. 580.

In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van varkens, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2006, wordt punt 3° vervangen door wat volgt:

 

“3° varkenshouder: de houder van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die onder de toepassing valt van de indelingsrubrieken 9.4 en 9.5 van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;”.


Art. 581. In artikel 7, §2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 582. In artikel 9, §9, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2006, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Hoofdstuk 14.
Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2002 tot uitvoering van het Hoofdstuk IIIbis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging en Hoofdstuk IVbis van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer


Art. 583.

In artikel 2, §1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2002 tot uitvoering van het Hoofdstuk IIIbis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging en Hoofdstuk IVbis van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer worden de volgende wijzigingen aangebracht:

 

in punt 1°, a), wordt de zinsnede “lozings- of milieuvergunning” vervangen door de woorden “lozingsvergunning of omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”; 
in punt 3°, a), wordt de zinsnede “lozings- of milieuvergunning” vervangen door de woorden “lozingsvergunning of omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;
in punt 4°, a), wordt de zinsnede “lozings- of milieuvergunning” vervangen door de woorden “lozingsvergunning of omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

 


Art. 584.

In artikel 7 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1 wordt de zinsnede “lozings- of milieuvergunning” vervangen door de woorden “lozingsvergunning of omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”; 
in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zinsnede “lozings- respectievelijk milieuvergunning” vervangen door de woorden “lozingsvergunning respectievelijk omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

 


Hoofdstuk 15.
Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2002 houdende de nadere bepaling van de regels en bevoegdheden voor de uitvoering van het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen op de onbevaarbare waterlopen


Art. 585. In artikel 6, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2002 houdende de nadere bepaling van de regels en bevoegdheden voor de uitvoering van het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen op de onbevaarbare waterlopen, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, worden de woorden “aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsaanvraag” vervangen door de woorden “aanvraag tot omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden”.

Hoofdstuk 16.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2003 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van rundvee


Art. 586.

In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2003 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van rundvee, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2006, wordt punt 3° vervangen door wat volgt:

 

“3° rundveehouder: de houder van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die onder de toepassing valt van de indelingsrubriek 9.4.2, 9.4.3 en/of 9.5, vermeld in de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”.


Art. 587. In artikel 7, §2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 588. In artikel 9, §9, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2006, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Hoofdstuk 17.
Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 november 2003 houdende maatregelen ter uitvoering van het gebiedsgericht natuurbeleid


Art. 589. In artikel 21, §2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 november 2003 houdende maatregelen ter uitvoering van het gebiedsgericht natuurbeleid, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 januari 2013, wordt de zinsnede “het decreet van 18 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”.

Hoofdstuk 18.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 ter uitvoering van de bepalingen over de oprichting en de organisatie van het Garantiefonds voor Huisvesting in het kader van PPS-projecten sociale huisvesting


Art. 590. In artikel I.4 van de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 ter uitvoering van de bepalingen over de oprichting en de organisatie van het Garantiefonds voor Huisvesting in het kader van PPS-projecten sociale huisvesting worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 591. In artikel II.8.1, tweede lid, van de bijlage bij hetzelfde besluit worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 592.

Artikel II.8.2 van de bijlage bij hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:

 

“II.8.2 Stedenbouw

 

De opstalgever verklaart dat voor het goed dat hierbij in opstal wordt gegeven, geen omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden of geen stedenbouwkundig attest is uitgereikt waaruit blijkt dat een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen verkregen zou kunnen worden, en dat het bijgevolg niet zeker is dat op het goed kan worden gebouwd of dat er op het goed een vaste of verplaatsbare inrichting kan worden aangebracht die voor bewoning kan worden gebruikt.

 

De opstalhouder zal geen enkel gebouw, noch vaste of verplaatsbare inrichting die voor bewoning gebruikt zou kunnen worden, op het hierbij in opstal gegeven goed mogen oprichten zonder omgevingsvergunning. Hij kan die vergunning aanvragen zonder tussenkomst van of verhaal tegen de opstalgever.

 

In het algemeen zal de opstalhouder, in het geval hij op het goed bouwt, herbouwt, verbouwt, sloopt of de functie ervan wijzigt, of als hij het goed eventueel onteigent of onderwerpt aan een rooilijnplan, zich moeten onderwerpen aan alle bestaande en toekomstige reglementen en voorschriften die de bevoegde overheden hebben vastgesteld of nog zullen vaststellen, zonder tussenkomst van of verhaal tegen de opstalgever.

 

De aandacht van de partijen wordt erop gevestigd dat de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning van toepassing zijn op de huidige opstal.

 

Om te voldoen aan de vereisten, vermeld in artikel 5.2.5 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, verklaren de partijen dat (aan te vullen) …

 

Daarnaast is artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dat de omgevingsvergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen regelt, van toepassing.”.


Art. 593. In artikel II.13 van de bijlage bij hetzelfde besluit worden de woorden “stedenbouwkundige vergunningen” vervangen door de woorden “omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen”.

Hoofdstuk 19.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 betreffende de erkenning en de financiële ondersteuning van verblijven in het kader van "Toerisme voor Allen"


Art. 594. In artikel 10, tweede lid, 7°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 betreffende de erkenning en de financiële ondersteuning van verblijven in het kader van “Toerisme voor Allen”, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 april 2008, wordt de zinsnede “stedenbouwkundige vergunning, afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 595. In artikel 22 van hetzelfde besluit wordt het woord “bouwvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 596.

In artikel 25 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 april 2008, wordt het woord “bouwvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

 


Hoofdstuk 20.
Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 juni 2004 houdende het toekennen van een gewestbijdrage aan grijswaterleveranciers voor de uitbouw van grijswatercircuits ter bescherming van de kwetsbare watervoerende lagen


Art. 597. In artikel 1, 6°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 juni 2004 houdende het toekennen van een gewestbijdrage aan grijswaterleveranciers voor de uitbouw van grijswatercircuits ter bescherming van de kwetsbare watervoerende lagen, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2010, wordt de zinsnede “als vermeld in bijlage 1, rubriek 53, van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “als vermeld in rubriek 53 van de indelingslijst, als vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”.

Hoofdstuk 21.
Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage


Art. 598. In artikel 3, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 599. In bijlage II, 11, b), bij hetzelfde besluit wordt de zinsnede “rubriek 17.3, bijlage I, titel I van Vlarem” vervangen door de zinsnede “rubriek 17.3 van de indelingslijst zoals vermeld in artikel 5.2.1, § 1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”.

Hoofdstuk 22.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 2006 betreffende de voorwaarden voor de overdracht van onroerende goederen door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en de sociale huisvestingsmaatschappijen ter uitvoering van de Vlaamse Wooncode


Art. 600. In artikel 5, eerste lid, 3°, van bijlage VI bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 2006 betreffende de voorwaarden voor de overdracht van onroerende goederen door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en de sociale huisvestingsmaatschappijen ter uitvoering van de Vlaamse Wooncode, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 oktober 2013, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 601. In artikel 6, eerste lid, 3°, van bijlage VI bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 oktober 2013, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Hoofdstuk 23.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 2006 inzake de minimale weguitrusting


Art. 602. In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 2006 inzake de minimale weguitrusting, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Hoofdstuk 24.
Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 tot regeling van de investeringswaarborg voor woonzorgcentra, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 september 2006 tot regeling van de alternatieve investeringswaarborg verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden


Art. 603. In artikel 15, derde lid, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 tot regeling van de investeringswaarborg voor woonzorgcentra, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 september 2006 tot regeling van de alternatieve investeringswaarborg verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Hoofdstuk 25.
Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 2007 tot uitvoering van hoofdstuk IIIbis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging


Art. 604.

In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 2007 tot uitvoering van hoofdstuk IIIbis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging worden de volgende wijzigingen aangebracht

in paragraaf 1, a), wordt de zinsnede “lozings- en milieuvergunning” vervangen door de woorden “lozingsvergunning en omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;
in paragraaf 3, a), en paragraaf 4, a), wordt de zinsnede “lozings- of milieuvergunning” vervangen door de woorden “lozingsvergunning en omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

 


Art. 605. In artikel 3, § 1 en § 2, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede “lozings-respectievelijk milieuvergunning” telkens vervangen door de zinsnede “lozingsvergunning, respectievelijk omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Hoofdstuk 26.
Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2007 tot uitvoering van hoofdstuk IIIbis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging


Art. 606. In artikel 2, § 1, 1°, a), § 1, 3°, a), en § 1, 4°, a), van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2007 tot uitvoering van hoofdstuk IIIbis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van oppervlaktewateren tegen verontreiniging, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007, wordt de zinsnede “lozings- of milieuvergunning” vervangen door de woorden “lozingsvergunning of omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 607.

In artikel 7 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1 wordt de zinsnede “lozings- of milieuvergunning” vervangen door de woorden “lozingsvergunning of omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit” en wordt de zinsnede “lozings- respectievelijk milieuvergunning” vervangen door de woorden “lozingsvergunning respectievelijk omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;
in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zinsnede “lozings- respectievelijk milieuvergunning” vervangen door de woorden “lozingsvergunning respectievelijk omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

 


Hoofdstuk 27.
Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2007 betreffende de toewijzing, het gebruik en de overname van de nutriëntenemissierechten en betreffende de bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking


Art. 608. In artikel 2, § 7, tweede lid, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2007 betreffende de toewijzing, het gebruik en de overname van de nutriëntenemissierechten en betreffende de bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 609.

In artikel 6 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 3, 2°, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;
in paragraaf 4, 2°, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 610. In artikel 12, tweede lid, 5°, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede “een als hinderlijk ingedeelde veeteeltinrichting als bedoeld onder rubriek DIEREN 9.3 tot en met 9.8 van bijlage 1 bij Vlarem I” vervangen door de zinsnede “een als hinderlijk ingedeelde veeteeltinrichting als vermeld in rubriek DIEREN 9.3 tot en met 9.8 in de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”.

Art. 611. In artikel 21, eerste lid, 3°, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede “een als hinderlijk ingedeelde veeteeltinrichting als bedoeld onder rubriek DIEREN 9.3 tot en met 9.8 van bijlage 1 bij het Vlarem I vervangen door de zinsnede “een als hinderlijk ingedeelde veeteeltinrichting als vermeld in rubriek DIEREN 9.3 tot en met 9.8 in de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”.

Art. 612. In het opschrift van hoofdstuk VI van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunningen” vervangen door de woorden “omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 613. In artikel 24, § 1, van hetzelfde besluit worden de woorden “de milieuvergunningsverlenende overheden” telkens vervangen door de woorden “de overheden die de omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit verlenen” en wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 614. In artikel 25, § 1, 2°, en § 2, 2°, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunningen” vervangen door de woorden “omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 615. In artikel 28, § 6, van hetzelfde besluit worden de woorden “de milieuvergunningsverlenende overheden” telkens vervangen door de woorden “de overheden die de omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit verlenen” en wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Hoofdstuk 28.
Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en bodembescherming


Art. 616.

In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en 15 maart 2013, wordt punt 4° vervangen door wat volgt :

“4° decreet betreffende de omgevingsvergunning : het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;”.


Art. 617. [...]

Art. 618. [...]

Art. 619. [...]

Art. 620. [...]

Art. 621. [...]

Art. 622. In artikel 81, tweede lid, 1°, van hetzelfde besluit wordt het woord “Milieuvergunningsdecreet” vervangen door de woorden “decreet betreffende de omgevingsvergunning”.

Art. 623. [...]

Art. 624.

In artikel 102 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :

[...]  
punt 3° wordt vervangen door wat volgt : “3° door de voorgestelde aanpassing is voor de meldingsplichtige inrichting of de inrichting met verplichte omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, opgenomen in het conform verklaarde bodemsaneringsproject of het conform verklaarde beperkt bodemsaneringsproject, krachtens de geldende regelgeving een milieueffectrapport of een veiligheidsrapport vereist;”.

Art. 625. [...]

Art. 626.

In artikel 122, tweede lid, 1°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 september 2012, wordt punt a) vervangen door wat volgt :

“a) de toestand betreffende de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit;”.


Art. 627. In artikel 161, § 2, 4°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2011, wordt de zinsnede “volgens rubriek 60 van bijlage 1 bij Vlarem I” telkens vervangen door de zinsnede “volgens rubriek 60 van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”.

Art. 628. In artikel 175, § 2, 1°, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede “een vergunde inrichting als vermeld in subrubriek 20.3.5 of rubriek 30 van bijlage 1 van het besluit van Vlarem I” vervangen door de zinsnede “een vergunde inrichting als vermeld in subrubriek 20.3.5 of rubriek 30 van de indelingslijst vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”.

Hoofdstuk 29.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 houdende bepaling van de nadere regels voor de opmaak, de actualisering en de financiering van het register van de onbebouwde percelen


Art. 629. In artikel 1, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 houdende bepaling van de nadere regels voor de opmaak, de actualisering en de financiering van het register van de onbebouwde percelen worden tussen het woord “verkavelingsvergunning” en het woord “bestaat” de woorden “of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden” ingevoegd.

Art. 630.

In artikel 17 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in het eerste lid worden de woorden “gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar” vervangen door de woorden “gemeentelijke omgevingsambtenaar”;
in het tweede lid worden de woorden “provinciale stedenbouwkundige ambtenaar of provinciale ambtenaar bevoegd voor het grond- en pandenbeleid” vervangen door de woorden “provinciale ambtenaar, bevoegd voor de ruimtelijke ordening of het grond- en pandenbeleid”.

 


Hoofdstuk 30.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 september 2008 betreffende de samenstelling, organisatie en werking van de Vlaamse Commissie voor Ruimtelijke Ordening (VLACORO)


Art. 631. In artikel 2, eerste lid, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 september 2008 betreffende de samenstelling, organisatie en werking van de Vlaamse Commissie voor Ruimtelijke Ordening (VLACORO) worden de woorden “gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaren” vervangen door de woorden “gemeentelijke omgevingsambtenaren met voldoende kennis van de ruimtelijke ordening”.

Hoofdstuk 31.
Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2008 betreffende nadere regels rond tuinbouw ter uitvoering van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen


Art. 632. In artikel 13, § 3, eerste lid, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2008 betreffende nadere regels rond tuinbouw ter uitvoering van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Hoofdstuk 32.
Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid


Art. 633.

In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

punt 11° wordt vervangen door wat volgt : “11° decreet betreffende de omgevingsvergunning : het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;”
punt 22° wordt vervangen door wat volgt : “22° de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning : de afdeling bij het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van het Vlaams Ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie, die bevoegd is voor de omgevingsvergunning;”;
punt 26° wordt vervangen door wat volgt : “26° de afdeling, bevoegd voor erkenningen : de afdeling bij het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van het Vlaams Ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie, die bevoegd is voor de omgevingsvergunning;”;

 


Art. 634. In artikel 12, 2°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor de milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

Art. 635. [...]

Art. 636. [...]

Art. 637.

In artikel 23 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt punt 5° vervangen door wat volgt :

“5° het decreet betreffende de omgevingsvergunning;”.


Art. 638. [...]

Art. 639. [...]

Art. 640. [...]

Art. 641. In artikel 28/1, 2°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, wordt het woord “Milieuvergunningendecreet” vervangen door de woorden “decreet betreffende de omgevingsvergunning”.

Art. 642. [...]

Art. 643. In artikel 30, 2°, van hetzelfde besluit wordt het woord “Milieuvergunningendecreet” vervangen door de woorden “decreet betreffende de omgevingsvergunning”.

Art. 644. [...]

Art. 645. [...]

Art. 646. In artikel 35/6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 647. [...]

Art. 648. [...]

Art. 649. [...]

Art. 650. [...]

Art. 651. In bijlage VIII van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2014, wordt de zinsnede “vermeld in de lijst van hinderlijke inrichtingen, opgenomen als bijlage I bij titel I van het VLAREM” vervangen door de zinsnede “vermeld in de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”.

Hoofdstuk 33.
Wijzigingen van het Soortenbesluit van 15 mei 2009


Art. 652.

In artikel 23, tweede lid, van het Soortenbesluit van 15 mei 2009, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 januari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

punt 8° wordt vervangen door wat volgt :

“8° een omgevingsvergunning, verleend met toepassing van artikel 6, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, voor een project of voor een verandering van een project waarvoor ook een afwijking krachtens de bepalingen van dit besluit nodig is, in voorkomend geval onder de voorwaarden en lasten, vermeld in de vergunning of afwijking.”;

punt 9° wordt opgeheven.

 


Hoofdstuk 34.
Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 tot uitvoering van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het toeristische logies


Art. 653. In artikel 1, 19°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 tot uitvoering van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het toeristische logies, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2012, worden de woorden “of een stedenbouwkundig uittreksel” vervangen door de zinsnede “, een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of een uittreksel uit het plannen- en vergunningenregister”.

Hoofdstuk 35.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 betreffende sommige aspecten van de planbatenheffing


Art. 654.

In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 betreffende sommige aspecten van de planbatenheffing worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in het derde lid wordt het woord “verkavelingsvergunning” telkens vervangen door de woorden “verkavelingsvergunning of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden”;
in het vierde lid worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

 


Hoofdstuk 36.
Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van de regels voor het verlenen van de voorafgaande vergunning voor sommige woonzorgvoorzieningen


Art. 655. In artikel 7, § 1, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van de regels voor het verlenen van de voorafgaande vergunning voor sommige woonzorgvoorzieningen worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Hoofdstuk 37.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers


Art. 656. In artikel 47 van bijlage XII bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers worden tussen de woorden “stedenbouwkundige vergunning” en de woorden “voor de geplande bouwwerkzaamheden” de woorden “of omgevingsvergunning” ingevoegd.

Hoofdstuk 38.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 maart 2010 betreffende stedenbouwkundige attesten, projectvergaderingen en stedenbouwkundige inlichtingen


Art. 657. In het opschrift van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 maart 2010 betreffende stedenbouwkundige attesten, projectvergaderingen en stedenbouwkundige inlichtingen wordt de zinsnede “, projectvergaderingen” opgeheven.

Art. 658.

In artikel 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt :

 

Ҥ 1. In de gevallen waarin met toepassing van artikel 24 en 42 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning advies moet worden gevraagd over de aanvragen tot een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden, wordt ook advies gevraagd bij de behandeling van de aanvraag van een stedenbouwkundig attest.

 

Aan de adviesvereiste, vermeld in het eerste lid, kan worden voorbijgegaan als het advies niet wordt verleend binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de dag van de ontvangst van de adviesvraag.”.


Art. 659. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, wordt hoofdstuk 2, dat bestaat uit artikel 5 tot en met 9, opgeheven.

Hoofdstuk 39.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 betreffende de meldingsplichtige handelingen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening


Art. 660. [...]

Art. 661.

In artikel 6 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013 en 16 mei 2014, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :

 

“De bepalingen van dit hoofdstuk gelden niet voor handelingen die strijdig zijn met de voorschriften van stedenbouwkundige verordeningen, ruimtelijke uitvoeringsplannen, plannen van aanleg of vergunningen voor het verkavelen van gronden, of met de uitdrukkelijke voorwaarden van omgevingsvergunningen, met behoud van de toepassing van de andere regelgeving die van toepassing is.”.


Art. 662. Artikel 7 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 april 2014, wordt opgeheven.

Hoofdstuk 40.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is


Art. 663.

In het opschrift van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is worden de volgende wijzigingen aangebracht:

tussen de woorden “tot bepaling van” en het woord “handelingen” wordt het woord “stedenbouwkundige” ingevoegd;
de woorden “stedenbouwkundige vergunning” worden vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.

Art. 664. In artikel 1.3 van hetzelfde besluit worden de woorden “stedenbouwkundige vergunningen” vervangen door de woorden “omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 665. In artikel 1.4 van hetzelfde besluit worden de woorden “of verkavelingsvergunningen” vervangen door de zinsnede “, verkavelingsvergunningen of omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden”.

Art. 666. In artikel 2.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 januari 2014, worden de woorden “Een stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 667. In artikel 3.1 van hetzelfde besluit worden de woorden “Een stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 668.

In artikel 4.1 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in de inleidende zin worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”;
in punt 6° wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “milieuvergunning of de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 669. In artikel 5.1 van hetzelfde besluit, vervangen en vernummerd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 januari 2014, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 670. In artikel 5.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 januari 2014, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 671. In artikel 6.1 van hetzelfde besluit worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 672. In artikel 6.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 673. In artikel 7.1 van hetzelfde besluit worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 674. In artikel 7.2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 januari 2014, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 675. In artikel 7.3 van hetzelfde besluit worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 676. In artikel 7.4 van hetzelfde besluit worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 677. In artikel 8.1 van hetzelfde besluit worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 678. In artikel 8.2, 8°, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 679. In artikel 8.3 van hetzelfde besluit worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 680. In artikel 8.4, eerste lid, en artikel 8.5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 januari 2014, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 681. In artikel 9 van hetzelfde besluit worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 682. In artikel 10 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 november 2010, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 683. In artikel 11.1, 11.2, 11.3, 11.4, 11.5, 11.6, 11.7, 11.8, 12.1, 12.2, 12.3 en 13.1 van hetzelfde besluit worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 684. In artikel 13.2 van hetzelfde besluit worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Hoofdstuk 41.
Wijziging van het VLAREL van 19 november 2010


Art. 685.

In artikel 4, § 1, van het VLAREL van 19 november 2010, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en 16 mei 2014, worden punt 6° en 7° vervangen door wat volgt :

“6° de afdeling bevoegd voor erkenningen : de afdeling bij het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van het Vlaams Ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie, die bevoegd is voor de omgevingsvergunning;
7° de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning : de afdeling bij het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van het Vlaams Ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie, die bevoegd is voor de omgevingsvergunning.”.


Art. 686. [...]

Art. 687. In artikel 18 wordt de zinsnede “vastgesteld in bijlage 1 van titel I van het VLAREM” telkens vervangen door de zinsnede “vastgesteld in de indelingslijst vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”.

Art. 688. In artikel 19, 2°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt de zinsnede “afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

Art. 689. [...]

Art. 690. In artikel 32, § 2, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt de zinsnede “de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” telkens vervangen door de zinsnede “de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

Art. 691.

In artikel 42 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in punt 4° wordt de zinsnede “de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” telkens vervangen door de zinsnede “de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”;
in punt 5° wordt de zinsnede “de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”;
in punt 6° wordt de zinsnede “de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” telkens vervangen door de zinsnede “de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”;
in punt 7° wordt de zinsnede “de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen” vervangen door de zinsnede “de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning”.

 


Art. 692.

In bijlage 2 bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

het woord “Milieuvergunningsprocedures” wordt vervangen door de woorden “Procedures inzake de omgevingsvergunningen voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten”;
de woorden “stedenbouwkundige vergunning” worden vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de uitvoering van stedenbouwkundige handelingen”;
het woord “milieuvergunningsaanvraag” wordt vervangen door de woorden “aanvraag tot het bekomen van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

 


Art. 693. In bijlage 17 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt de zinsnede “bijlage 1 van titel 1 van het VLAREM” vervangen door de zinsnede “de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”.

Hoofdstuk 42.
Wijzigingen van het Energiebesluit van 19 november 2010


Art. 694.

In artikel 1.1.1, § 2, van het Energiebesluit van 19 november 2010, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

in punt 2° wordt de zinsnede “de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009” vervangen door de zinsnede “de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals dat artikel gold voor de wijziging ervan bij het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”;
punt 19° wordt vervangen door wat volgt : “19° de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning : de afdeling bij het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van het Vlaams Ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie, die bevoegd is voor de omgevingsvergunning;”;
er wordt een punt 73/1° ingevoegd, dat luidt als volgt : “73/1° omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen : de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen als vermeld in artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en artikel 2, eerste lid, 7°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;”;
in punt 98° wordt de zinsnede “de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009” vervangen door de zinsnede “de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals dat artikel gold voor de wijziging ervan bij het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”.

Art. 695. In artikel 6.1.16, § 1, eerste lid, 7°, a), van hetzelfde besluit worden de woorden “de stedenbouwkundige aanvraag en de milieuvergunningsaanvraag” vervangen door de zinsnede “de stedenbouwkundige aanvraag, de milieuvergunningsaanvraag of de omgevingsvergunningsaanvraag”.

Art. 696.

In artikel 6.2/1.7, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in het eerste lid, 1°, worden de woorden “milieuvergunning of een stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de zinsnede “milieuvergunning, een stedenbouwkundige vergunning of een omgevingsvergunning”;
in het eerste lid, 2°, worden de woorden “milieuvergunningen en stedenbouwkundige vergunningen” vervangen door de zinsnede “milieuvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen of omgevingsvergunningen”;
in het vierde lid worden de woorden “geen milieu- of stedenbouwkundige vergunningen” vervangen door de zinsnede “geen milieuvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen of omgevingsvergunningen”.

 


Art. 697. In artikel 6.4.1/1/1, zesde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 698.
In artikel 6.4.1/3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2011 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
in het eerste lid, inleidende zin, worden de woorden “de aanvraag van de stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “de aanvraag van de stedenbouwkundige vergunning of van de omgevingsvergunning”;
in het eerste lid, 1° en 2°, worden de woorden “verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

 


Art. 699.
In artikel 6.5.5, § 7, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
de woorden “gewestelijke milieuvergunningscommissie” worden telkens vervangen door de woorden “gewestelijke omgevingsvergunningscommissie”;

in het tweede lid wordt punt 1° vervangen door wat volgt:

(...)

Art. 700.
In artikel 7.4.2, § 1, zevende lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “milieuvergunning of omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 701.
In artikel 7.4.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
in paragraaf 4, eerste lid, 1°, worden de woorden “aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning of een aanvraag tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de zinsnede “aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning, een stedenbouwkundige vergunning of een omgevingsvergunning”; 
in paragraaf 4, eerste lid, 2°, worden de woorden “milieuvergunningen en stedenbouwkundige vergunningen” vervangen door de zinsnede “milieuvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen of omgevingsvergunningen”;
in paragraaf 5, eerste lid, wordt punt 6° vervangen door wat volgt:
(...)
 

Art. 702.
In artikel 7.5.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
in paragraaf 4, eerste lid, 1°, worden de woorden “aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning of een aanvraag tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de zinsnede “aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning, een stedenbouwkundige vergunning of een omgevingsvergunning”;
in paragraaf 4, eerste lid, 2°, worden de woorden “milieuvergunningen en stedenbouwkundige vergunningen” vervangen door de zinsnede “milieuvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen of omgevingsvergunningen”;
in paragraaf 5, eerste lid, wordt punt 6° vervangen door wat volgt:
(...)

Art. 703.
In artikel 7.6.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
in paragraaf 4, eerste lid, 1°, worden de woorden “aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning of een aanvraag tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de zinsnede “aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning, een stedenbouwkundige vergunning of een omgevingsvergunning”;
in paragraaf 4, eerste lid, 2°, worden de woorden “milieuvergunningen en stedenbouwkundige vergunningen” vervangen door de zinsnede “milieuvergunningen, stedenbouwkundige vergunningen of omgevingsvergunningen”;
in paragraaf 5, eerste lid, wordt punt 5° vervangen door wat volgt:
(...)

Art. 704.
In artikel 9.1.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 20 mei 2011 en 29 november 2013, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 705.
In artikel 9.1.2, § 3 en § 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013, worden de woorden “de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd” vervangen door de woorden “de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen aangevraagd”.

Art. 706.
In artikel 9.1.11 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 september 2012 en 29 november 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
in paragraaf 1, 5°, worden de woorden “de stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”;
in paragraaf 1, 6° tot 8°, worden de woorden “de stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”;
in paragraaf 2, eerste lid, 4°, worden de woorden “de stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”;
in paragraaf 2, eerste lid, 5° tot 7°, worden de woorden “de stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”;
in paragraaf 2, tweede lid, 1°, worden de woorden “de stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”;
in paragraaf 2, tweede lid, 2° en 3°, worden de woorden “de stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”;
in paragraaf 4 worden de woorden “de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd” telkens vervangen door de woorden “de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen aangevraagd”.

Art. 707.
In artikel 9.1.11/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
in punt 1° worden de woorden “de stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”;
in punt 2° en 3° worden de woorden “de stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 708.
In artikel 9.1.12/1, § 1, 2°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 mei 2011 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013, worden de woorden “de stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 709.
In artikel 9.1.12/2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij besluit van de Vlaamse Regering van 28 september 2012 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013, worden de woorden “de stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 710.
In artikel 9.1.12/3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij besluit van de Vlaamse Regering van 28 september 2012 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013, worden de woorden “de stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 711.
In artikel 9.1.13, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 mei 2011, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “stedenbouwkundige vergunning of een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 712.
In artikel 9.1.17 van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 april 2014, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 713.
In artikel 9.1.20 van hetzelfde besluit worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “stedenbouwkundige vergunning of een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 714.
In artikel 9.1.21 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
de zinsnede “tijdelijke vergunning, met toepassing van artikel 4.6.1, in fine, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009” wordt vervangen door de zinsnede “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen voor bepaalde duur, met toepassing van artikel 68, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”;
de woorden “die tijdelijke vergunning” worden vervangen door de woorden “die omgevingsvergunning van bepaalde duur”.

Art. 715.
In artikel 9.1.30, § 2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013, worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 716.
In artikel 9.1.32, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013, wordt de zinsnede “een stedenbouwkundige vergunning, van de stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de zinsnede “een stedenbouwkundige vergunning of een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, van de stedenbouwkundige vergunning of de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Hoofdstuk 43.
Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de procedure en de uitvoeringsmodaliteiten voor het voorbereiden, het uitvoeren en het opvolgen van de projecten in het projectgrindwinningscomité


Art. 717.

In artikel 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de procedure en de uitvoeringsmodaliteiten voor het voorbereiden, het uitvoeren en het opvolgen van de projecten in het projectgrindwinningscomité wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt:

 

Ҥ 2. De individuele vergunning voor projectgrindwinning wordt door de minister verleend nadat de omgevingsvergunning voor de stedenbouwkundige handelingen, vermeld in het maatschappelijk project, is verleend, voorzover de houder van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of de kandidaat-exploitant voldoet aan de vereisten die in het maatschappelijk project zijn vermeld.


Hoofdstuk 44.
Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 april 2011 houdende bepalingen van rechten en plichten van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk en hun klanten met betrekking tot de levering van water bestemd voor menselijke consumptie, de uitvoering van de saneringsverplichting en het algemeen waterverkoopreglement


Art. 718. In artikel 9, § 1, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 april 2011 houdende bepalingen van rechten en plichten van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk en hun klanten met betrekking tot de levering van water bestemd voor menselijke consumptie, de uitvoering van de saneringsverplichting en het algemeen waterverkoopreglement wordt de zinsnede “lozings- of milieuvergunning” vervangen door de woorden “lozingsvergunning of omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Hoofdstuk 45.
Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 2011 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder investeringssubsidies kunnen worden toegekend aan toeristische logiezen


Art. 719.

In artikel 5, § 3, eerste lid, 1°, b), van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 2011 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder investeringssubsidies kunnen worden toegekend aan toeristische logiezen worden de volgende wijzigingen aangebracht:

de zinsnede “stedenbouwkundige vergunning als vermeld in artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009” wordt vervangen door de zinsnede “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen als vermeld in artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening”;
de woorden “een stedenbouwkundige vergunning” worden vervangen door de woorden “een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”; 3° de woorden “de akteneming door het college van burgemeester en schepenen van de melding” worden vervangen door de zinsnede “de meldingsakte, vermeld in artikel 2, eerste lid, 6°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”.

 


Hoofdstuk 46.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen


Art. 720. [...]

Art. 721. In artikel 2.4.2.2, 6°, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 722. In artikel 4.2.2 van hetzelfde besluit, wordt het woord “Milieuvergunningendecreet” vervangen door de woorden “Decreet betreffende de omgevingsvergunning”.

Art. 723. In artikel 4.3.3, § 1 en § 4, van hetzelfde besluit worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 724. [...]

Art. 725. [...]

Art. 726. [...]

Art. 727. In artikel 5.2.4.8, § 4, 2°, van hetzelfde besluit, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 728. In artikel 5.2.5.3 van hetzelfde besluit, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 729.

In artikel 7.2.1.4, derde lid, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:

het woord “milieuvergunning” wordt vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;
het woord “Milieuvergunningendecreet” wordt vervangen door de woorden “decreet betreffende de omgevingsvergunning”.

Art. 730.

In artikel 7.3.1.2 van hetzelfde besluit wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt :

 

“§ 1. De afvalstoffenproducenten en grondstoffenproducenten die zijn opgenomen in de selectie, vermeld in artikel 7.3.1.1, eerste lid, alsook de afvalstoffenproducenten van bedrijfsafvalstoffen, vermeld in de indelingslijst, vermeld in artikel van 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, brengen verslag uit over de in het vorige kalenderjaar geproduceerde afvalstoffen en grondstoffen.”.


Art. 731. [...]

Art. 732. [...]

Art. 733. In bijlage 10.7 bij hetzelfde besluit wordt de zinsnede “vermeld in de lijst van hinderlijke inrichtingen, opgenomen als bijlage I bij titel I van het Vlarem, met de letter R in de zevende kolom” vervangen door de zinsnede “opgenomen in de indelingslijst, vermeld in artikel van 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, met de letter R in de zevende kolom”.

Hoofdstuk 47.
Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2012 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties, luchtvaartactiviteiten en de inzet van flexibele mechanismen


Art. 734.

In artikel 1, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2012 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties, luchtvaartactiviteiten en de inzet van flexibele mechanismen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en 4 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in punt 6°, b), wordt de zinsnede “zoals omschreven in de indelingslijst in bijlage 1 van titel I van het VLAREM en aangeduid met de letter Y in de vierde kolom van de indelingslijst” vervangen door de zinsnede: “zoals omschreven in de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, aangeduid met de letter Y in de vierde kolom van de indelingslijst”;
in punt 13°, b), wordt het woord “milieuvergunning(en)” vervangen door het woord “omgevingsvergunning(en)”.

Art. 735. In artikel 9, § 1, en § 2, 3°, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 736. In artikel 11, § 2, 3°, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 737.

In artikel 17 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1, eerste en tweede lid, wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;
in paragraaf 1, derde lid, wordt het woord “milieuvergunningssituatie” vervangen door de woorden “situatie inzake de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;
in paragraaf 2, eerste lid, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;
in paragraaf 2, derde lid, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit” en wordt het woord “milieuvergunningsvoorwaarden” vervangen door de woorden “voorwaarden met betrekking tot de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

 


Art. 738. In artikel 23, eerste, tweede en vierde lid, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 739. In artikel 36, derde lid, 4°, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunningen” vervangen door de woorden “omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 740. In artikel 43, § 1, eerste lid, 1° tot en met 3°, en tweede lid, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 741. In bijlage 2, 5°, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 742.

In bijlage 3 bij hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in hoofdstuk 2, 19°, a), en 20°, a), wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”;
in hoofdstuk 3, 3.2, negende alinea, 2°, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

 


Art. 743. In bijlage 5, derde alinea, 4°, bij hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning(en)” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Hoofdstuk 48.
Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 betreffende toerismesubsidies


Art. 744. In artikel 7, § 7, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 betreffende toerismesubsidies, wordt tussen de woorden “een stedenbouwkundige vergunning” en de woorden “of een stedenbouwkundig attest” de zinsnede “, een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen” ingevoegd.

Hoofdstuk 49.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 2013 tot bepaling van de nadere regels betreffende de organisatorische omkadering, de financiering en de samenwerking voor het mobiliteitsbeleid


Art. 745. In artikel 4, § 2, vijfde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 2013 tot bepaling van de nadere regels betreffende de organisatorische omkadering, de financiering en de samenwerking voor het mobiliteitsbeleid worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen” en wordt de zinsnede “artikel 4.7.16, § 1 of artikel 4.7.26, § 4, eerste lid, 2°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009” vervangen door de zinsnede “artikel 24, eerste lid, artikel 42, eerste lid, of artikel 59, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”.

Art. 746. In artikel 43, § 2, 1°, c), van hetzelfde besluit worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 747. In artikel 47, § 2, 1°, c), van hetzelfde besluit worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 748. In artikel 55, § 3, eerste lid, 3°, van hetzelfde besluit worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Art. 749. In artikel 56, § 2, eerste lid, 3°, van hetzelfde besluit worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Hoofdstuk 50.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 maart 2013 tot bepaling van de nadere regels inzake het planologisch attest


Art. 750.

In artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 maart 2013 tot bepaling van de nadere regels inzake het planologisch attest, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “gemeentelijk stedenbouwkundig ambtenaar” vervangen door de woorden “gemeentelijke omgevingsambtenaar”;
in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden “gemeentelijk stedenbouwkundig ambtenaar” vervangen door de woorden “gemeentelijke omgevingsambtenaar”.

Hoofdstuk 51.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013 betreffende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor woningen


Art. 751.

In artikel 18, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013 betreffende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor woningen worden de volgende wijzigingen aangebracht :

punt 1° wordt vervangen door wat volgt :
“1° 36 maanden als er een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen nodig is met toepassing van artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;”;
in punt 2° worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Hoofdstuk 52.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013 houdende de voorwaarden waaronder de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en het Vlaams Woningfonds bijzondere sociale leningen aan particulieren kunnen toestaan


Art. 752.

In artikel 1, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013 houdende de voorwaarden waaronder de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en het Vlaams Woningfonds bijzondere sociale leningen aan particulieren kunnen toestaan, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

punt 2° wordt vervangen door wat volgt :

“2° bouwgrond : de grond, met uitsluiting van kavels, die paalt aan een voldoende uitgeruste weg als vermeld in artikel 4.3.5 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, en die ligt in een woongebied of in een woonuitbreidingsgebied dat al voor bebouwing in aanmerking komt met toepassing van artikel 5.6.6 van de voormelde codex;”;

in punt 4° worden tussen de woorden “een verkavelingsvergunning” en de woorden “van een niet vervallen” de woorden “of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden” ingevoegd.

 


Art. 753. In artikel 10, vierde lid, van hetzelfde besluit worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Hoofdstuk 53.
Wijzigingen van het Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit van 20 december 2013


Art. 754. Aan artikel 2.1.6.0.2, 1°, van het Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit van 20 december 2013 worden de woorden “of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen” toegevoegd.

Art. 755. In artikel 2.1.6.0.3, 1°, van hetzelfde besluit worden tussen de woorden “stedenbouwkundige vergunning” en de woorden “voor de renovatiewerkzaamheden” de woorden “of omgevingsvergunning” ingevoegd.

Art. 756. In artikel 2.6.7.0.1, § 2, eerste lid, 5°, van hetzelfde besluit worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning en milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit of voor stedenbouwkundige handelingen”.

Hoofdstuk 54.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013 betreffende de voorafgaande vergunning voor centra voor kortverblijf en woonzorgcentra en tot wijziging van de regels betreffende de voorafgaande vergunning en de erkenning van die centra


Art. 757. In artikel 9, tweede lid, 8°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013 betreffende de voorafgaande vergunning voor centra voor kortverblijf en woonzorgcentra en tot wijziging van de regels betreffende de voorafgaande vergunning en de erkenning van die centra worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning” telkens vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Hoofdstuk 55.
Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 houdende vaststelling van de regels inzake het lozen van bedrijfsafvalwater op een openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie


Art. 758.

In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 houdende vaststelling van de regels inzake het lozen van bedrijfsafvalwater op een openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in punt 12° wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit” en wordt de zinsnede “decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”;
in punt 18° wordt de zinsnede “als vermeld in subrubriek 53.2 van de indelingslijst van het VLAREM I;” vervangen door de zinsnede “als vermeld in subrubriek 53.2 van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”;
in punt 19° wordt de zinsnede “als vermeld in de rubriek 3.6.4 van bijlage 1 bij het VLAREM” vervangen door de zinsnede “als vermeld in de rubriek 3.6.4 van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”.

 


Art. 759. In artikel 2, § 1, derde lid, 6°, van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Hoofdstuk 56.
Wijzigingen van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014


Art. 760.

Artikel 6.3.1 van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014 wordt vervangen door wat volgt :

 

“Art. 6.3.1. § 1. Als voor de handelingen aan of in beschermde goederen een omgevingsvergunning of een vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking overeenkomstig de VCRO, het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het Bosdecreet van 13 juni 1990 of het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu vereist is, wordt de aanvraag van een toelating ingediend conform de bepalingen van artikel 6.4.4, § 2 en § 3, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.

 

§ 2. Als de handelingen aan of in beschermde goederen overeenkomstig de bepalingen van de VCRO, het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het Bosdecreet van 13 juni 1990 en het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu zijn vrijgesteld van vergunning, toelating of machtiging, wordt de aanvraag van een toelating voor handelingen aan of in beschermde monumenten, beschermde cultuurhistorische landschappen of beschermde archeologische sites ingediend en behandeld volgens de procedure, vermeld in artikel 6.3.2 tot en met 6.3.11 van dit besluit.”.


Art. 761. In artikel 6.3.2, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede “het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”.

Art. 762.

Artikel 6.3.27 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :

 

“Art. 6.3.27. Deze onderafdeling is van toepassing op de administratieve beroepen tegen een beslissing houdende de toekenning of weigering van een vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking overeenkomstig het Bosdecreet van 13 juni 1990 of het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu voor een handeling als vermeld in artikel 6.4.4, § 2 en § 3, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, als in het beroepschrift middelen worden opgeworpen tegen het advies van het agentschap over die vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking.”.


Art. 763. In artikel 6.5.1 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede “het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning” telkens vervangen door de zinsnede “het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”.

Art. 764. In artikel 11.2.34, 3°, van hetzelfde besluit worden de woorden “de stedenbouwkundige vergunning” vervangen door de woorden “de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen”.

Hoofdstuk 57.
Wijzigingen van titel III van het VLAREM van 16 mei 2014


Art. 765. In artikel 1.3 van titel III van het VLAREM van 16 mei 2014, wordt de zinsnede “artikel 30bis, § 4, van titel I van het VLAREM kan in de milieuvergunning” vervangen door de zinsnede “artikel 3.3.0.3, 3°, van titel II van het VLAREM kan in de omgevingsvergunning”.

Art. 766.

In artikel 1.4 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :

in het eerste lid wordt de zinsnede

“In afwijking van artikel 30bis, § 10, van titel I van het VLAREM, en met behoud van de toepassing van artikel 30bis, § 4, van titel I van het VLAREM” vervangen door de zinsnede “In afwijking van artikel 1.9, 5°, van dit besluit, en met behoud van de toepassing van artikel 3.3.0.3, 3°, van titel II van het VLAREM”, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning” en wordt het woord “milieuvergunningsvoorwaarden” vervangen door de woorden “bijzondere milieuvoorwaarden”;

het derde en vierde lid worden vervangen door wat volgt :

“De vraag tot afwijking, vermeld in het eerste lid, wordt met een beveiligde zending ingediend bij de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.

De afwijkingsaanvraag omvat de volgende gegevens :

de naam, de hoedanigheid en het adres van de aanvrager;
de naam en, in voorkomend geval, het ondernemersnummer van de exploitant;
de identificatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die het voorwerp uitmaakt van de afwijkingsaanvraag;
de vermelding van het toepasselijke BREF, de toepasselijke BBT uit de BBT-conclusies en, voor zover dat van toepassing is, de overeenkomstige voorwaarden met betrekking tot de emissiegrenswaarden, alsook de artikelen van dit besluit waarvoor de afwijking wordt aangevraagd;
een beoordeling waaruit blijkt dat het behalen van emissieniveaus die samenhangen met de BBT zoals beschreven in de BBT-conclusies, zou leiden tot buitensporige hogere kosten in verhouding tot de milieuvoordelen, als gevolg van een van de volgende oorzaken :
  a) de geografische ligging of de plaatselijke milieuomstandigheden van de installatie in kwestie;
  b) de technische kenmerken van de installatie in kwestie;
een voorstel van emissiegrenswaarden waarbij wordt aangetoond dat ze niet hoger zijn dan :
  a) de desbetreffende emissiegrenswaarden, vermeld in titel II van het VLAREM, als er niet in een afwijkingsmogelijkheid van titel II van het VLAREM is voorzien;
  b) de eventueel toepasselijke grenswaarden, vermeld in bijlage 2;
een voorstel van maatregelen die waarborgen dat er geen aanzienlijke verontreiniging wordt veroorzaakt en dat een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel wordt bereikt;
een nota waarin wordt aangetoond dat de voorgestelde maatregelen beantwoorden aan de BBT, met bijzondere aandacht voor de criteria, vermeld in bijlage 3.3 van titel II van het VLAREM.”;

er wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
“De afwijking, vermeld in het eerste lid, is geldig tot een van de volgende gevallen zich voordoet :

de geldigheidsduur van de omgevingsvergunning waarop ze betrekking heeft verstrijkt;
als de afwijking voor een beperkte termijn werd verleend, bij het verstrijken van deze termijn;
de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning :
  a) stelt de bijzondere milieuvoorwaarden bij als gevolg van een evaluatie als vermeld in artikel 1.4.1.1 en 1.4.2.1 van titel II van het VLAREM, en deze milieuvoorwaarden zijn strenger dan de voorwaarden die gelden als gevolg van de verleende afwijking;
  b) stelt de bijzondere milieuvoorwaarden bij als gevolg van een verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning, vermeld in artikel 83 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, en deze milieuvoorwaarden zijn strenger dan de voorwaarden die gelden als gevolg van de verleende afwijking;
de voorwaarden waarvan afwijking is verleend, worden opgeheven of vervangen door andere voorwaarden.”.

Art. 767. Artikel 1.5 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
“Art. 1.5. De behandeling van de afwijkingsaanvraag, vermeld in artikel 1.4 van dit besluit, de beslissing erover en de bekendmaking van de beslissing gebeuren conform de bepalingen van artikel 1.2.2ter.2 tot en met artikel 1.2.2ter.6 van titel II van het VLAREM.”.

Art. 768. In artikel 1.6 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede “milieuvergunning artikel 30bis, § 10, 2°, van titel I van het VLAREM” vervangen door de zinsnede “omgevingsvergunning artikel 1.9, 5°, b), van dit besluit,”.

Art. 769. In artikel 1.7 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede “milieuvergunning met toepassing van artikel 30bis, § 8, van titel I van het VLAREM” vervangen door de zinsnede “omgevingsvergunning met toepassing van artikel 1.9, 3°,”.

Art. 770.

In hetzelfde besluit worden een artikel 1.8 en 1.9 ingevoegd, die luiden als volgt :

 

“Art. 1.8. Met behoud van de toepassing van artikel 3.3.0.2 van titel II van het VLAREM, omvatten de bijzondere milieuvoorwaarden bovendien :

de bepalingen waaruit blijkt dat rekening wordt gehouden met de algemene beginselen, vermeld in artikel 2.1.1;
voor installaties die in de achtste kolom van de indelingslijst worden aangeduid met de kenletter S : de bepalingen over de periodieke monitoring van bodem en grondwater met betrekking tot relevante gevaarlijke stoffen die op het terrein kunnen worden aangetroffen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming. Daarbij wordt rekening gehouden met de mogelijkheid van bodem- en grondwaterverontreiniging op het terrein van de installatie;
met toepassing van artikel 1.9, 5°, b), de bepalingen dat de resultaten van de monitoring van emissies beschikbaar zijn voor dezelfde periode en referentieomstandigheden als voor de BBT-GEN.

 

Art. 1.9. Met behoud van de toepassing van artikel 3.3.0.3 van titel II van het VLAREM gelden bij het vaststellen van de bijzondere milieuvoorwaarden de volgende bepalingen :

in voorkomend geval vormen de BBT-conclusies de referentie voor de vaststelling van milieuvoorwaarden. In afwachting van de aanneming door de Europese Commissie van het besluit met betrekking tot die BBT-conclusies gelden de BBT, afkomstig van de BREF’s die door de Europese Commissie vóór 7 januari 2011 zijn aangenomen, met uitzondering van de emissiegrenswaarden, vermeld in punt 5° en artikel 1.4;
conform artikel 3.3.0.3, 4°, tweede lid, van titel II van het VLAREM kunnen strengere bijzondere vergunningsvoorwaarden vastgesteld worden dan die welke haalbaar zijn door gebruik te maken van de BBT-conclusies;
als de milieuvoorwaarden worden vastgesteld op basis van een beste beschikbare techniek die niet in een van de desbetreffende BBT-conclusies staat beschreven, gelden de volgende voorwaarden :
  a) de techniek wordt bepaald met bijzondere aandacht voor de criteria, vermeld in bijlage 3.3 van titel II van het VLAREM;
  b) er is voldaan aan de definitie van emissiegrenswaarde, vermeld in artikel 1.1.2, en artikel 3.3.0.3, 2°, tweede lid, van titel II van het VLAREM, de punten 5° en 6°, en artikel 1.4; Als de BBT-conclusies, vermeld in het eerste lid, geen BBT-GEN bevatten, garandeert de techniek, vermeld in het eerste lid, een niveau van milieubescherming dat gelijkwaardig is aan dat van de BBT, vermeld in de BBT-conclusies;
als op een activiteit of op een type productieproces geen BBT-conclusies van toepassing zijn of als die BBT-conclusies niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit of het proces behandelen, worden de bijzondere milieuvoorwaarden vastgesteld, na voorafgaande raadpleging van de exploitant, op basis van de BBT die voor de desbetreffende activiteiten of processen bepaald zijn met bijzondere aandacht voor de criteria, vermeld in bijlage 3.3 van titel II van het VLAREM;
de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 3.3.0.2, 2°, van titel II van het VLAREM, waarborgen dat de emissies onder normale bedrijfsomstandigheden niet hoger zijn dan de BBT-GEN die zijn vastgesteld in de BBT-conclusies, door te opteren voor een van de volgende mogelijkheden :
  a) door emissiegrenswaarden vast te stellen die niet hoger zijn dan de BBT-GEN. Die emissiegrenswaarden worden uitgedrukt voor dezelfde of voor kortere periodes en voor dezelfde referentieomstandigheden als de BBT-GEN;
  b) door emissiegrenswaarden vast te stellen die, wat betreft waarden, perioden en referentieomstandigheden, verschillen van de emissiegrenswaarden, vermeld in punt a);
  Als emissiegrenswaarden worden vastgesteld met toepassing van het eerste lid, b), worden ten minste jaarlijks de resultaten van de monitoring van die emissies beoordeeld door de vergunningverlenende overheid die in eerste aanleg bevoegd is, zodat die kan nagaan of de emissies in normale bedrijfsomstandigheden niet hoger waren dan de BBT-GEN;
er kan een tijdelijke vrijstelling toegestaan worden van de eisen, vermeld in punt 5°, artikel 3.3.0.3, 2°, tweede lid, van titel II van het VLAREM, en artikel 2.1.1, 1° en 2°, voor een totale periode van ten hoogste negen maanden om technieken in opkomst te testen en te gebruiken, op voorwaarde dat na de vermelde periode hetzij met de techniek wordt gestopt, hetzij met de activiteit in kwestie in elk geval de BBT-GEN niet worden overschreden;
met behoud van de toepassing van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden worden de eisen voor monitoring, vermeld in artikel 3.3.0.2, 9°, tweede lid, van titel II van het VLAREM, in voorkomend geval gebaseerd op de conclusies voor monitoring die in de BBT-conclusies worden beschreven.”.

 


Art. 771. In artikel 2.2.2 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede “titel I” vervangen door de zinsnede “titel II.

Art. 772. In artikel 2.2.3 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede “titel I” vervangen door de zinsnede “titel II.

Art. 773. In artikel 2.3.2 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede “30bis, § 10, 2°, van titel I van het VLAREM” vervangen door de zinsnede “artikel 1.9, 5°, b),”.

Art. 774. In artikel 2.3.3 van hetzelfde besluit wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning”.

Art. 775. Artikel 2.3.4 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.

Art. 776. In artikel 3.1.1.1, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede “titel I” vervangen door de zinsnede “titel II".

Art. 777. In artikel 3.2.1.1, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede “titel I” vervangen door de zinsnede “titel II.

Hoofdstuk 58.
Wijzigingen van de bijlage III van titel III van het VLAREM


Art. 778.

In de bijlage III van titel III van het Vlarem, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in de regel:

2.3.3 De exploitant brengt de toezichthouder regelmatig en ten minste jaarlijks op de hoogte van de informatie die wordt verkregen op basis van de resultaten van de monitoring van emissies, die door dit besluit of de milieuvergunning werd opgelegd, en van andere vereiste gegevens aan de hand waarvan de toezichthouder de naleving van de vergunningsvoorwaarden kan toetsen.

 wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door het woord “omgevingsvergunning” en wordt het woord “vergunningsvoorwaarden” vervangen door het woord “milieuvoorwaarden”.

de regel

2.3.4 De exploitant bezorgt op verzoek van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, alle gegevens die voor de toetsing van de vergunningsvoorwaarden, vermeld in artikel 41bis van titel I van het VLAREM, noodzakelijk zijn, waaronder met name de resultaten van de monitoring van emissies en andere gegevens die een vergelijking mogelijk maken van de werking van de installatie met de BBT zoals beschreven in de toepasselijke BBT-conclusies en met de BBT-GEN.

wordt opgeheven.


Hoofdstuk 59.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten


Art. 779. In artikel 29, § 1, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten worden de punten 2° en 3° opgeheven.

Hoofdstuk 60.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 betreffende steun aan de investeringen en aan de overname in de landbouw


Art. 780. In artikel 5, § 1, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 betreffende steun aan de investeringen en aan de overname in de landbouw, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “milieuvergunning of omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 781. In artikel 9, vierde lid, 6°, van hetzelfde besluit, wordt het woord “milieuvergunning” vervangen door de woorden “milieuvergunning of omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Art. 782. In artikel 15, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden “stedenbouwkundige vergunning of een milieuvergunning” vervangen door de woorden “omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit”.

Titel 10.
Slotbepalingen


Hoofdstuk 1.
Opheffingsbepalingen


Art. 783.

De volgende regelingen worden opgeheven:

het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2014
het besluit van de Vlaamse Regering van 4 maart 1997 houdende delegatie van de bepaling van de vorm van modelformulieren inzake ruimtelijke ordening;
het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsaanvragen en aanvragen tot verkavelingswijziging, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014;
het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 tot bepaling van de werken en handelingen die vrijgesteld zijn van het eensluidend advies van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014;
[...]  
het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 betreffende de dossiersamenstelling van de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014;
het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 betreffende de dossiersamenstelling van de aanvraag voor een verkavelingsvergunning, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014;
het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot aanwijzing van de instanties die over een vergunningsaanvraag advies verlenen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014;
het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 tot regeling van sommige onderdelen van de administratieve beroepsprocedure inzake stedenbouwkundige of verkavelingsvergunningen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 september 2012.

Hoofdstuk 2.
Overgangsbepalingen wat betreft de rapportage over de naleving van de beslissingstermijnen


Art. 784.

De rapportage door de gemeenten, de provincies en de Vlaamse Regering, vermeld in artikel 14 van het decreet van 25 april 2014, gebeurt aan de hand van de gegevens, opgenomen in het uitwisselingsplatform.

 

De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, kunnen samen de nadere modaliteiten voor die rapportage vaststellen.


Hoofdstuk 3.
Overgangsbepalingen wat betreft de omzetting van een milieuvergunning van bepaalde duur in een vergunning van onbepaalde duur


Afdeling 1.
Het indienen van de mededeling met de vraag tot omzetting


Art. 785.

De mededeling met de vraag tot omzetting, vermeld in artikel 390, § 1, eerste lid, 1°, van het decreet van 25 april 2014, wordt met een beveiligde zending door de aanvrager gedaan bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2015.

 

De persoon die de mededeling doet, gebruikt hiertoe:

het formulier, vastgesteld in bijlage 19, die bij dit besluit is gevoegd;
de in het formulier aangewezen addenda uit de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.

 

De mededeling met de vraag tot omzetting omvat de gegevens die als verplicht in te vullen of bij te voegen voorgeschreven zijn in het formulier en de desbetreffende addenda.

 

De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn gemachtigd gezamenlijk het formulier en de addenda-bibliotheek, vermeld in het tweede lid, en de dossiersamenstelling te wijzigen, waarbij minstens de volgende gegevens worden gevraagd:

het voorwerp van de mededeling;
de identificatiegegevens van de plaats waar het voorwerp van de mededeling uitgevoerd zal worden;
plannen;
de identificatiegegevens van de exploitant.

Afdeling 2.
Behandeling van de mededeling met de vraag tot omzetting


Onderafdeling 1.
Onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid


Art. 786.

Het bevoegde bestuur onderzoekt of de mededeling met de vraag tot omzetting:

bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, is ingediend;
tussen de achtenveertig en zesendertig maanden voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de milieuvergunning is ingediend;
de gegevens en bijlagen, vermeld in artikel 785, omvat.

 

Binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat de dag na de datum van de indiening van de mededeling met de vraag tot omzetting, bevestigt het bevoegde bestuur de ontvangst ervan aan de aanvrager. Bij de ontvangstbevestiging wordt de aanvrager, in voorkomend geval:

ervan op de hoogte gebracht dat de mededeling met de vraag tot omzetting niet conform het eerste lid, 2°, is ingediend waardoor ze onontvankelijk is en de procedure wordt stopgezet;
gevraagd de ontbrekende gegevens of documenten, vermeld in artikel 785, binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat de dag na de datum van de verzending van de ontvangstbevestiging, aan de mededeling toe te voegen.

 

Als de aanvrager nalaat de ontbrekende gegevens of bijlagen, vermeld in het tweede lid, binnen de termijn van dertig dagen toe te voegen, wordt de mededeling van rechtswege als onvolledig beschouwd, de procedure stopgezet en de aanvrager daarvan met een beveiligde zending op de hoogte gebracht.


Onderafdeling 2.
Onderzoek naar de vereiste van een milieueffectrapport


Art. 787.

Het bevoegde bestuur onderzoekt of de mededeling met de vraag tot omzetting een milieueffectrapport vereist.

 

Als met toepassing van artikel 4.3.3, § 2, van het DABM een project-MER-screeningsnota bij de mededeling is gevoegd, voert het bevoegde bestuur het onderzoek op basis van die nota en beslist of er voor de verdere exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit een milieueffectrapport moet worden opgesteld.

 

Het resultaat van het onderzoek, vermeld in het eerste lid, bevat in voorkomend geval:

als besloten wordt dat een project-MER moet worden opgesteld, de belangrijkste redenen waarom een project-MER moet worden opgesteld, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria, vermeld in bijlage II van het DABM;

als besloten wordt dat er geen project-MER hoeft te worden opgesteld, de belangrijkste redenen waarom er geen project-MER hoeft te worden opgesteld, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria, vermeld in bijlage II van het DABM, en, als de aanvrager die heeft voorgesteld, de kenmerken van het project of de geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke nadelige milieueffecten zouden zijn geweest.


Het bevoegde bestuur houdt, als dat relevant is, bij de beslissing, vermeld in het derde lid, rekening met de resultaten van de voorafgaande controles die zijn verricht, of met de beoordelingen van de effecten op het milieu die zijn gemaakt met toepassing van titel IV van het DABM of met toepassing van andere gewestelijke of federale regelgeving.

 

Het resultaat van het onderzoek, vermeld in het eerste lid, en, in voorkomend geval, de beslissing, vermeld in het tweede lid, worden met een beveiligde zending aan de aanvrager meegedeeld binnen een termijn van negentig dagen vanaf de dag na de datum waarop de mededeling is ingediend hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten.

 

Als geen milieueffectrapport is vereist, wordt in de mededeling aan de aanvrager, vermeld in het vijfde lid, verwezen naar de opdracht aan de gemeente om een openbaar onderzoek in te stellen.


Onderafdeling 3.
Organisatie van het openbaar onderzoek


Art. 788.

Voor zover uit het onderzoek blijkt dat de ontvankelijk en volledig bevonden mededeling met de vraag tot omzetting geen milieueffectrapport vereist, stelt het bevoegde bestuur op dezelfde dag van de mededeling aan de aanvrager, vermeld in artikel 787, vijfde lid, het dossier ter beschikking van de gemeente waar het voorwerp van de ingedeelde inrichting of activiteit ligt, met de opdracht om een openbaar onderzoek in te stellen.

 

Voor de organisatie van het openbaar onderzoek zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5, van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:

de vergunningsaanvraag of de aanvraag tot omgevingsvergunning moeten worden gelezen als de mededeling van de vraag tot omzetting van een milieuvergunning van bepaalde duur in een vergunning van onbepaalde duur;
de vergunningsaanvrager moet worden gelezen als de aanvrager;
de tekst die gebruikt wordt voor de bekendmaking altijd melding maakt van de mogelijkheid om met toepassing van artikel 390, § 1, eerste lid, 2°, van het decreet van 25 april 2014 een bezwaar in te dienen;
de beslissing over de project-MER-screeningsnota in voorkomend geval deel uitmaakt van het dossier dat ter inzage wordt gelegd op het gemeentehuis.

 

Tijdens het openbaar onderzoek kan het betrokken publiek naast een bezwaar, een verzoek tot het uitvoeren van een passende beoordeling, vermeld in artikel 36ter, § 3, derde lid, van het Natuurdecreet, indienen.


Onderafdeling 4.
Raadpleging van de adviesinstanties


Art. 789.

§ 1. Op de dag dat het bevoegde bestuur de gemeente de opdracht geeft om een openbaar onderzoek in te stellen, stelt het bevoegde bestuur het dossier ter beschikking van:

de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, als ze in eerste administratieve aanleg over een vergunningsaanvraag voor de exploitatie van de betrokken ingedeelde inrichting of activiteit advies geven en voor zover ze de mededeling met de vraag tot omzetting niet zelf hebben ingediend, met het verzoek om hun eventuele bezwaren tegen de omzetting mee te delen;
het adviserend schepencollege, met het bevel om mee te delen of de ingedeelde inrichting of activiteit stedenbouwkundig hoofdzakelijk is vergund als vermeld in artikel 4.1.1, 7°, a), van de VCRO.

 

De leidend ambtenaar van de adviesinstanties en het adviserend schepencollege delen hun eventuele bezwaren respectievelijk de informatie, vermeld in het eerste lid, 2°, mee binnen een termijn van dertig dagen na de dag waarop hun het dossier ter beschikking is gesteld.

 

§ 2. Als tijdens het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 788, het betrokken publiek een verzoek tot het uitvoeren van een passende beoordeling, vermeld in artikel 36ter, § 3, derde lid, van het Natuurdecreet, indient, stelt het bevoegde bestuur dat verzoek met een beveiligde zending ter beschikking van het Agentschap voor Natuur en Bos.

 

Het Agentschap voor Natuur en Bos beslist overeenkomstig artikel 36ter, § 3, derde lid, van het Natuurdecreet over de vereiste om een passende beoordeling op te stellen.

 

Binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag na de datum waarop het verzoek ter beschikking van het Agentschap voor Natuur en Bos wordt gesteld, stelt het agentschap de beslissing, vermeld in het tweede lid, met een beveiligde zending ter beschikking van het bevoegde bestuur.


Art. 790.

Het bevoegde bestuur stelt een verslag op over de toepassing van artikel 788 en 789. In voorkomend geval bevat het verslag de redenen waarom niet voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 390, § 1, eerste lid, 2°, 3° en 4°, wat betreft de passende beoordeling, van het decreet van 25 april 2014.


Afdeling 3.
Aktename van de mededeling met de vraag tot omzetting


Art. 791.

Als aan de voorwaarden, vermeld in artikel 390, § 1, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014, is voldaan, neemt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, binnen een termijn van acht maanden vanaf de dag na de datum waarop de mededeling met de vraag tot omzetting op volledige wijze is ingediend, conform artikel 390, § 2, van het decreet van 25 april 2014, akte van de mededeling met opgave van de geactualiseerde vergunningssituatie op het vlak van de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten.


Art. 792. Het bevoegde bestuur stelt de akte, vermeld in artikel 791, ter beschikking van de aanvrager met een beveiligde zending binnen een termijn van tien dagen. Het bevoegde bestuur stelt de akte, vermeld in artikel 791, ter beschikking van de adviesinstanties en het adviserend schepencollege, vermeld in artikel 789, met een digitale zending binnen een termijn van tien dagen.

Art. 793.

Als aan de voorwaarden, vermeld in artikel 390, § 1, eerste lid, 2°, 3° en 4°, wat betreft de passende beoordeling, van het decreet van 25 april 2014, niet is voldaan, zal het bevoegde bestuur de redenen daarvan aan de aanvrager meedelen met een beveiligde zending binnen een termijn van acht maanden vanaf de dag na de datum waarop de mededeling met de vraag tot omzetting op volledige wijze werd ingediend.


Afdeling 4.
Behandeling van de mededeling met de vraag tot omzetting volgens de gewone vergunningsprocedure


Art. 794.

Als aan de voorwaarden, vermeld in artikel 390, § 1, eerste lid, 2° of 4°, van het decreet van 25 april 2014, niet is voldaan, omvat de beveiligde zending aan de aanvrager, vermeld in artikel 787 of artikel 793, de vraag om het dossier aan te vullen met:

de overige gegevens en de bijlagen die in het formulier, vastgesteld in bijlage 1, als verplicht in te vullen of bij te voegen zijn voorgeschreven als ze nog niet zijn bezorgd;
het milieueffectrapport of de passende beoordeling als dat vereist is;
in voorkomend geval, de beslissing tot afwijking van algemene of sectorale milieuvoorwaarden.

 

Na toevoeging van de gegevens, bijlagen of rapporten, vermeld in het eerste lid, brengt het bevoegde bestuur de aanvrager op de hoogte van de datum van het opstarten van de gewone vergunningsprocedure voor de omzetting van de milieuvergunning van bepaalde duur in een vergunning van onbepaalde duur.

 

De vraag tot omzetting wordt in dit geval behandeld conform artikel 390, § 4 van het decreet van 25 april 2014.


Hoofdstuk 4.
Diverse overgangsbepalingen


Art. 795.

Voor de behandeling van en de beslissing over vergunningsaanvragen, mededelingen van een kleine verandering, meldingen, verzoeken tot aanvulling of wijziging van de milieuvoorwaarden of afwijkingsaanvragen van de milieuvoorwaarden voor ingedeelde inrichtingen, die voor de inwerkingtreding van artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning zijn ingediend, wordt de indelingslijst vastgesteld in bijlage 1 van titel I van het Vlaams Regelement betreffende de milieuvergunning die gold op de datum van de indiening, toegepast.


Art. 796.

De toetsingen en het onderzoek van de milieuvoorwaarden van vergunde inrichtingen of activiteiten uitgevoerd overeenkomstig artikel 41, 41bis, 41ter en 41quater van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning, waarvan de exploitant in kennis is gesteld voor 1 januari 2018, worden behandeld op grond van de bepalingen die geldig waren op het tijdstip van de kennisgeving aan de exploitant.

 

De toetsing van die milieuvoorwaarden die uitgevoerd is overeenkomstig artikel 41bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning, wordt in aanmerking genomen bij het vaststellen van het tijdstip waarop een GPBV-installatie aan een algemene evaluatie als vermeld in artikel 1.4.1.1, zesde lid, van titel II van het VLAREM, wordt onderworpen.


Art. 796/1.

Voor de toepassing van artikel 35, § 6, van dit besluit wordt ook na de vervanging van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen door het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen, vermeld in artikel 2.1.5 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, gebruikgemaakt van de wegenselecties, opgenomen in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen zoals het tot dan toe gold.


Hoofdstuk 5.
Inwerkingtredings- en uitvoeringsbepalingen


Art. 797. [...]

Art. 798.

Art. 798. Dit besluit treedt in werking op 23 februari 2017, met uitzondering van:

artikel 3, 4, 5, 39, 40, 141 tot en met 146, die uitwerking hebben vanaf 28 november 2016;
artikel 24, §4, dat in werking treedt op 15 mei 2017;
artikel 173, dat in werking treedt op 1 januari 2018.

Art. 799. De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Bijlage 1.
Aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit

Bijlage 1. wordt gewijzigd bij art. 1, B.Vl.R.  5 september 2018, B.S. 15 januari 2018
Art. 2. In bijlage 1 bij hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 maart 2018, wordt het onderdeel 6 vervangen door het onderdeel 6, zoals opgenomen in bijlage 1 gevoegd bij dit besluit.
 

 

 

 

 

6. Gegevens van de MER-plicht

 

 

 

U vult dit onderdeel in als uw aanvraag betrekking heeft op:

  • stedenbouwkundige handelingen waarvoor de medewerking van een architect vereist is;
  • verhardingen, infrastructuurwerken of technische werken;
  • terreinaanlegwerken;
  • de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van klasse 1 of 2, tenzij het voorwerp van de aanvraag louter een hernieuwing van een milieu- of omgevingsvergunning betreft en de hernieuwing betrekking heeft op activiteiten die geen fysieke ingrepen in het leefmilieu tot gevolg hebben;
  • vegetatiewijzigingen.

 

 

 

6.1

Heeft de aanvraag betrekking op een project als vermeld in bijlage I van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten, onderworpen aan milieueffectrapportage (milieueffectrapport)?

 

 

ja. Op welke rubrieken van bijlage I van het vermelde besluit heeft de aanvraag betrekking?

 

 

 

     

 

 

nee. Ga naar vraag 6.6.

 

 

 

6.2

Heeft de dienst MER het milieueffectrapport al definitief goedgekeurd?

 

 

ja. Voeg het defintief goedgekeurd milieueffectrapport en de definitieve goedkeuringsbeslissing als bijlage D1 bij het formulier.

Als u de vragen van onderdeel 7, en eventueel onderdeel 3, beantwoordt, kunt u verwijzen naar de specifieke analyse en evaluatie in het definitief goedgekeurd milieueffectrapport. Geef daarbij duidelijk aan welke milderende maatregelen uit het definitief goedgekeurd milieueffectrapport effectief uitgevoerd zullen worden.

Ga naar vraag 6.4.

 

 

nee. Ga naar vraag 6.3.

 

 

 

6.3

Heeft de dienst MER het ontwerp van milieueffectrapport al voorlopig goed- of afgekeurd?

 

 

ja. Voeg het ontwerp van milieueffectrapport en de voorlopige goed-of afkeuring als bijlage D2 bij het formulier.

Als u de vragen van onderdeel 7, en eventueel onderdeel 3, beantwoordt, kunt u verwijzen naar de specifieke analyse en evaluatie in het ontwerp van milieueffectrapport. Geef daarbij duidelijk aan welke milderende maatregelen uit het ontwerp van milieueffectrapport effectief uitgevoerd zullen worden.

Ga naar vraag 6.4.

 

 

nee. Voeg het ontwerp van milieueffectrapport en bijhorende beslissing van de dienst Mer over de aanmelding als bijlage D2 bij het formulier.

Als u de vragen van onderdeel 7, en eventueel onderdeel 3, beantwoordt, kunt u verwijzen naar de specifieke analyse en evaluatie in het ontwerp van milieueffectrapport. Geef daarbij duidelijk aan welke milderende maatregelen uit het ontwerp van milieueffectrapport effectief uitgevoerd zullen worden.

Ga naar vraag 6.4.

 

 

 

6.4

Beschikt u over de beslissing van de dienst MER om bepaalde gegevens van het milieueffectrapport te onttrekken aan de openbaarheid overeenkomstig artikel 4.3.8, §1, van het DABM?

 

 

ja. Wat is de datum van deze beslissing?

Neem de confidentiële gegevens op in een document dat u als bijlage F1 bij dit formulier voegt.

 

 

dag

  

maand

  

jaar

    

 

 

nee

 

 

 

6.5

Heeft uw aanvraag een afwijking nodig overeenkomstig artikel 56 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid?

De vergunning voor een project moet geweigerd worden wanneer het project een achteruitgang van de toestand van een waterlichaam kan teweegbrengen of het bereiken van de doelstellingen voor het waterlichaam kan verhinderen. Deze doelstellingen zijn opgenomen in de stroomgebiedbeheersplannen.

Een waterlichaam gaat achteruit als een van de kwaliteitselementen een klasse achteruitgaat, zelfs als het waterlichaam hierdoor niet wordt ingedeeld in een lagere klasse. Ook een verslechtering van een kwaliteitselement dat zich al in de laagste klasse bevindt, is een achteruitgang.

Voor oppervlaktewater gaat het over de biologische, hydromorfologische, fysico-chemische elementen en de specifiek verontreinigende stoffen die de ecologische toestand of het potentieel bepalen en de gevaarlijke stoffen die de chemische toestand bepalen.

De enige uitzondering hierop is wanneer een afwijking wordt toegestaan. In addendum D5 wordt nagegaan of het project voor een afwijking in het kader van artikel 56 van het decreet Integraal Waterbeleid in aanmerking komt.

 

Als u deze vraag beantwoord hebt, gaat u naar onderdeel 7.

 

 

ja. Voeg de gegevens die gevraagd worden in addendum D5 als bijlage D5 bij dit formulier.

 

 

nee

 

 

 

6.6

Heeft de aanvraag betrekking op een project als vermeld in bijlage II van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten, onderworpen aan milieueffectrapportage (gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting)?

 

ja. Op welke rubrieken van bijlage II van het vermelde besluit heeft de aanvraag betrekking?

Als de dienst Mer een ontheffing heeft verleend, voegt u het gemotiveerde verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting, samen met het bewijs dat de ontheffing is verleend door de dienst MER, als bijlage D3 bij dit formulier. Als u de vragen van onderdeel 7, en eventueel onderdeel 3, beantwoordt, kunt u verwijzen naar de analyse en evaluatie in het gemotiveerde verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting.

Als de dienst Mer geen ontheffing heeft verleend, voegt u het ontwerp van milieueffectrapport als bijlage D2 bij dit formulier. Als u de vragen van onderdeel 7, en eventueel onderdeel 3, beantwoordt, kunt u verwijzen naar de analyse en evaluatie in het ontwerp van milieueffectrapport. Geef daarbij duidelijk aan welke milderende maatregelen uit het milieueffectrapport effectief uitgevoerd zullen worden.

Als u deze vraag beantwoord hebt, gaat u naar onderdeel 7. Beantwoord ook vraag 6.2, 6.3, 6.4 en 6.5.

 

     

 

nee. Ga naar vraag 6.7.

 

6.7

Heeft de aanvraag betrekking op een project als vermeld in bijlage III van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten, onderworpen aan milieueffectrapportage (project-MER-screening)?

 

ja. Op welke rubrieken van bijlage III van het vermelde besluit heeft de aanvraag betrekking?

Vul addendum D4 in om de ligging van het project ten opzichte van de vermelde gebieden te beschrijven. Voeg het als bijlage D4 bij dit formulier.

Maak een project-MER-screeningsnota door de vragen in onderdeel 7 te beantwoorden. Motiveer voor elk effect in de desbetreffende bijlage waarom de te verwachten effecten volgens u niet aanzienlijk zijn.

Als u deze vraag beantwoord hebt, gaat u naar vraag 6.8.

 

     

 

nee. Ga naar vraag 7.1 als de aanvraag betrekking heeft op de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit. Ga naar vraag 8.1 als de aanvraag geen betrekking heeft op de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit.

 

6.8

Zijn er aanzienlijke effecten te verwachten?

Baseer u hiervoor op uw antwoorden uit onderdeel 7.

 

ja. Voeg het ontwerp van milieueffectrapport als bijlage D2 bij dit formulier. Beantwoord ook vraag 6.2, 6.3, 6.4 en 6.5.

 

nee. Op basis van de kenmerken van het project, de omgeving en de analyse van de effecten van de aanvraag op de omgeving (onderdeel 7) zijn er geen aanzienlijke effecten te verwachten.

 

 

Bijlage 1. wordt gewijzigd bij art. 1, B.Vl.R.  5 september 2018, B.S. 19 oktober 2018

Art. 1.

In bijlage 1 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 maart 2018, worden de onderdelen 2, 7, 8 en 12 vervangen door de onderdelen 2, 7, 8 en 12, zoals opgenomen in bijlage 1 gevoegd bij dit besluit.

 

 

 

2. Gegevens van de stedenbouwkundige handelingen

 

 

U vult dit onderdeel in als uw aanvraag betrekking heeft op de uitvoering van stedenbouwkundige handelingen.

 

2.1

Welke stedenbouwkundige handelingen wilt u uitvoeren?

U kunt een of meer hokjes aankruisen.

a)

handelingen waarvoor de medewerking van een architect vereist is. Kruis aan om welke handelingen het gaat.

 

bouwen of herbouwen. Hoeveel gebouwen worden gebouwd of herbouwd?

Herbouwen houdt in dat meer dan veertig procent van de buitenmuren van een gebouw afgebroken wordt. Vul voor elk gebouw addendum B2 in en voeg het als bijlage B2 bij dit formulier.

 

    

nieuwe of te herbouwen gebouwen

 

 

verbouwen. Hoeveel bestaande gebouwen worden verbouwd?

 

     

te verbouwen gebouwen

 

Om welke soort verbouwing gaat het?

 

verbouwen zonder functiewijziging en zonder wijziging van het aantal woongelegenheden.

Vul voor elk gebouw addendum B2 in en voeg het als bijlage B2 bij dit formulier.

 

verbouwen met gehele of gedeeltelijke wijziging van de hoofdfunctie van een bebouwd onroerend goed.

Vul voor elk gebouw addendum B2 in en voeg het als bijlage B2 bij dit formulier.

 

verbouwen met opsplitsing van een woning of wijziging in een gebouw van het aantal woongelegenheden die hoofdzakelijk bestemd zijn voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande.

Vul voor elk gebouw addendum B2 in en voeg het als bijlage B2 bij dit formulier.

 

slopen van niet vrijstaande gebouwen of constructies. Vul de gegevens in over de gebouwen die gesloopt worden.

 

aantal

     

 

 

totale grondoppervlakte

     

 

totaal volume

     

b)

verhardingen, infrastructuurwerken of technische werken. Vul addendum B22 in en voeg het als bijlage B22 bij dit formulier.

c)

terreinaanlegwerken. Kruis aan om welke terreinaanlegwerken het gaat.

 

ontbossen. Als de ontbossing gecompenseerd moet worden met toepassing van artikel 90bis van het Bosdecreet van 13 juni 1990, vult u het voorstel tot compensatie in op het voorgeschreven formulier. Voeg dat voorstel tot compensatie en, in voorkomend geval, een kopie van de ministeriële beslissing tot ontheffing van het verbod tot ontbossing als bijlage B23 bij dit formulier.

 

hoogstammige bomen vellen die geen deel uitmaken van een bos. Vul addendum B20 in en voeg het als bijlage B20 bij dit formulier.

 

het reliëf van de bodem aanmerkelijk wijzigen. Vul addendum B20 in en voeg het als bijlage B20 bij dit formulier.

 

recreatieve terreinen aanleggen of wijzigen. Het gaat hier bijvoorbeeld om een golfterrein, een voetbalterrein, een tennisveld of een zwembad.

 

aanleggen van recreatieve terreinen

Vul addendum B20 in en voeg het als bijlage B20 bij dit formulier.

 

wijzigen van recreatieve terreinen

Vul addendum B20 in en voeg het als bijlage B20 bij dit formulier.

 

een grond gebruiken, aanleggen of inrichten. Het gaat hier bijvoorbeeld om het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, of allerlei materialen of afval, het parkeren van voertuigen, wagens of aanhangwagens of het plaatsen van een of meer verplaatsbare constructies die voor bewoning kunnen worden gebruikt. Vul addendum B20 in en voeg het als bijlage B20 bij dit formulier.

d)

de hoofdfunctie van een bebouwd onroerend goed geheel of gedeeltelijk wijzigen zonder stabiliteitswerken uit te voeren. Vul voor elk gebouw addendum B2 in en voeg het als bijlage B2 bij dit formulier.

Van hoeveel gebouwen wordt de hoofdfunctie gewijzigd?

 

_ _    

gebouwen

e)

een woning opsplitsen of in een gebouw het aantal woongelegenheden die hoofdzakelijk bestemd zijn voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande, wijzigen zonder stabiliteitswerken uit te voeren. Vul voor elk gebouw addendum B2 in en voeg het als bijlage B2 bij dit formulier.

In hoeveel gebouwen wordt het aantal woongelegenheden gewijzigd?

 

     

gebouwen

 

f)

handelingen aan en rond gebouwen waarvoor de medewerking van een architect niet vereist is.

Aan hoeveel gebouwen worden handelingen uitgevoerd?

 

     

gebouwen

 

Om welke handelingen gaat het? U kunt een of meer hokjes aankruisen.

 

binnenverbouwingen uitvoeren zonder stabiliteitswerken uit te voeren. Vul voor elk gebouw addendum B2 in en voeg het als bijlage B2 bij dit formulier.

 

handelingen uitvoeren aan gevels en daken of instandhoudings- en renovatiewerken uitvoeren binnen in een gebouw, zonder stabiliteitswerken en wijzigingen van oppervlakte of volume. Vul voor elk gebouw addendum B17 in en voeg het als bijlage B17 bij dit formulier.

 

bijgebouwen, zoals garages en veranda's, plaatsen. Vul voor elk gebouw addendum B18 in en voeg het als bijlage B18 bij dit formulier.

 

niet-overdekte lage constructies, zoals terrassen, zwembaden en vijvers, bij een gebouw plaatsen. Vul voor elk gebouw addendum B19 in en voeg het als bijlage B19 bij dit formulier.

 

andere handelingen verrichten. Andere handelingen zijn onder meer de plaatsing van zonnepanelen of zonneboilers, schotelantennes, kleine windturbines, airco's, stacaravans of kleine tuinconstructies, of de opslag van materialen. Vul addendum B21 in en voeg het als bijlage B21 bij dit formulier.

 

bomen vellen die geen deel uitmaken van een bos. Vul addendum B20 in en voeg het als bijlage B20 bij dit formulier.

 

het reliëf van de bodem wijzigen. Vul addendum B20 in en voeg het als bijlage B20 bij dit formulier.

 

verwijderen van vrijstaande (bij)gebouwen, niet-overdekte lage constructies of andere beperkte handelingen. Vul de gegevens in over de gebouwen die verwijderd worden.

 

aantal

     

 

 

totale grondoppervlakte

     

 

totaal volume

     

 

g)

Publiciteitsinrichtingen. Kruis aan om wat het gaat.

Vul addendum B24 in en voeg het als bijlage B24 bij dit formulier.

 

een nieuwe publiciteitsinrichting (met inbegrip van vernieuwen van bestaande vergunning)

 

aantal

     

 

een te wijzigen publiciteitsinrichting

 

aantal

     

 

een te verwijderen publiciteitsinrichting

 

aantal

     

 

2.2

Waarop heeft uw dossier betrekking?

Op basis van deze vraag wordt bepaald of de hemelwaterverordening van toepassing is. U kunt een of meer hokjes aankruisen.

 

de bouw, herbouw of uitbreiding van overdekte constructies waarbij de nieuwe oppervlakte groter is dan 40 m². Vul addendum B25 in en voeg het als bijlage B25 bij dit formulier.

 

de aanleg, heraanleg of uitbreiding van verhardingen waarbij de nieuwe oppervlakte groter is dan 40 m². Vul addendum B25 in en voeg het als bijlage B25 bij dit formulier.

 

de aanleg van een afwatering voor de constructies of de verhardingen, vermeld bij de twee bovenstaande aankruishokjes, waarvan het hemelwater voorheen op natuurlijke wijze in de bodem infiltreerde. Vul addendum B25 in en voeg het als bijlage B25 bij dit formulier.

 

geen van de bovenstaande mogelijkheden

 

2.3

Bent u al begonnen met de uitvoering van de stedenbouwkundige handelingen waarvoor u nu een vergunning vraagt?

 

ja, er is geen proces-verbaal opgesteld.

 

ja, er is een proces-verbaal opgesteld. Vul de gegevens in van het proces-verbaal.

 

datum

dag

  

maand

  

jaar

    

 

 

opsteller

     

 

ja, er is een rechterlijke uitspraak gedaan. Vul de gegevens in van de rechterlijke uitspraak.

 

datum

dag

  

maand

  

jaar

    

 

 

opsteller

     

 

nee

 

2.4

Voeg de plannen en de foto’s over de stedenbouwkundige handelingen bij dit formulier. Maak het dossier op volgens het van toepassing zijnde normenboek, dat de Vlaamse administratie ter beschikking stelt. Voeg de plannen en foto’s als bijlage B27.X bij dit formulier, waarbij u de X invult overeenkomstig het normenboek.

 

2.5

Heeft de aanvraag betrekking op sloop-, renovatie-, of ontmantelingswerken:

  • bij gebouwen waarvan het totale bouwvolume groter is dan 1000 m² voor alle nietresidentiële gebouwen waarop de vergunning betrekking heeft
  • bij gebouwen waarvan het totale bouwvolume groter is dan 5000 m² voor alle in hoofdzaak residentiële gebouwen, met uitzondering van eengezinswoningen, waarop de vergunning betrekking heeft
  • in het kader van infrastructuurwerken waarvoor een omgevingsvergunning vereist is ; en onderhoudswerken aan infrastructuur waarvoor een omgevingsvergunning vereist is en waarvan het volume groter is dan 250 m3

 

ja. Voeg het sloopopvolgingsplan, bedoeld in artikel 4.3.3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen als bijlage B30 bij dit formulier.

 

nee

 

2.6

Als uw aanvraag zich beperkt tot:

2.1f) handelingen aan en rond gebouwen waarvoor de medewerking van een architect niet vereist is, of

2.1g) plaatsing van publiciteitsinrichtingen,

dan hoeft u de verdere vragen van dit onderdeel 2 niet in te vullen.

 

U hoeft in dat geval ook de vragen van onderdeel 6 en 7 niet in te vullen, behalve wanneer u in onderdeel 3 de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van klasse 1 of 2 aanvraagt.

 

2.7

Vul in hoeveel parkeerplaatsen beschikbaar zijn op het goed.

Het goed omvat de percelen waarop de aanvraag slaat. Hou alleen rekening met parkeerplaatsen die uitsluitend voor het goed zijn voorbehouden. De parkeerplaatsen op straat telt u dus niet mee. Ook parkeerplaatsen in het gebouw telt u niet mee. Die worden elders ingevuld.

 

 

totaal aantal

 

     

parkeerplaatsen

 

 

aangepaste en voorbehouden 

 

     

parkeerplaatsen

 

plaatsen voor fietsen

 

     

plaatsen

 

2.8

Heeft de aanvraag betrekking op een groepswoningbouwproject of op een project voor de bouw of de herbouw van appartementsgebouwen?

 

ja. Vul addendum B29 in en voeg het als bijlage B29 bij dit formulier.

 

nee

 

2.9

Heeft de aanvraag betrekking op minstens een van volgende zaken:

  • het aanleggen van ten minste 200 parkeerplaatsen,
  • het wijzigen van een bestaande parkeergelegenheid waarbij het aantal parkeerplaatsen door de wijziging de drempel van 200 parkeerplaatsen of een veelvoud ervan overschrijdt,
  • het bouwen van ten minste 250 woongelegenheden;
  • het bouwen van gebouwen of gebouwencomplexen voor handel, horeca, kantoorfuncties en diensten met een totale brutovloeroppervlakte na de werkzaamheden van ten minste 7 500 m2,
  • het uitbreiden van in vorig punt vermelde gebouwen of gebouwencomplexen, waarbij de totale brutovloeroppervlakte door die uitbreiding de drempel van 7500 m2 of een veelvoud ervan overschrijdt;
  • het bouwen van gebouwen of gebouwencomplexen voor industrie en bedrijvigheid met een totale brutovloeroppervlakte na de werkzaamheden van ten minste 15 000 m2,
  • het uitbreiden van in vorig punt vermelde gebouwen of gebouwencomplexen, waarbij de totale brutovloeroppervlakte door die uitbreiding de drempel van 15 000 m2 of een veelvoud ervan overschrijdt?

 

ja. Voeg een mobiliteitsstudie als bijlage E1bis bij dit formulier. U hoeft dit niet te doen als de aanvraag een milieueffectrapport bevat dat de mobiliteit behandelt.

 

nee

 

2.10

Kan de aanvraag een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone veroorzaken (zoals bedoeld in artikel 36ter, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu) zodat een voortoets of passende beoordeling nodig is?

 

ja. Voeg de gegevens die gevraagd worden in addendum E6 als bijlage E6 bij dit formulier.

 

nee

 

2.11

Maak een verantwoordingsnota op zoals opgenomen in addendum B26 en voeg ze als bijlage B26 bij dit formulier.

 

2.12

Als de aanvraag betrekking heeft op werken vermeld in artikel 34 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening betreffende toegankelijkheid voeg dan een advies zoals bedoeld in dat artikel of een verklaring dat binnen de voorziene termijn geen advies werd uitgebracht, toe als bijlage B31 bij dit formulier.

 

2.13

Voeg als bijlage B32 een bekrachtigde of ter bekrachtiging ingediende archeologienota toe als ze vereist is overeenkomstig artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.

 

2.14

Voeg, indien ze niet elders zijn opgenomen, als bijlage B33 de elementen, vermeld in artikel 6.3.2, tweede lid, van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014, toe als de aanvraag betrekking heeft op handelingen aan of in een beschermd goed, waarvoor een toelating vereist is als vermeld in artikel 6.4.4, § 2, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.

 

 

 

7. Mogelijke effecten van de aanvraag op de omgeving (mens en milieu)

 

 

U vult vragen 7.1 tot en met 7.12 in als een van de volgende gevallen zich voordoet:

  • de aanvraag heeft betrekking op de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van klasse 1 of 2;
  • de aanvraag heeft betrekking op een project als vermeld in bijlage I, II of III van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten, onderworpen aan milieueffectrapportage.

Als de aanvraag enkel betrekking heeft op de melding van een ingedeelde inrichting of activiteit, vult u alleen vraag 7.13 in.

Kruis per aspect alleen ‘nee’ aan als er geen milderende maatregelen genomen hoeven te worden om geen relevant effect te veroorzaken op dit aspect. Beoordeel ook de relevante effecten tijdens de bouw- of installatiefase als de aanvraag betrekking heeft op een project als vermeld in bijlage III van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten, onderworpen aan milieueffectrapportage (project-MER-screening).

Als u de vragen in de addenda beantwoordt, kunt u eventueel verwijzen naar de analyse en evaluatie in het (ontwerp van) milieueffectrapport of in het gemotiveerde verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting, als die documenten bestaan.

Hou bij de bespreking van de maatregelen om de potentiële effecten te milderen rekening met de beste beschikbare technieken (BBT).

Bij het invullen van de onderstaande vragen moet er rekening gehouden worden met de elementen van bijlage II van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM).

 

7.1

Heeft de aanvraag mogelijke effecten op de mobiliteit?

 

ja. Voeg de gegevens die gevraagd worden in addendum E1 als bijlage E1 bij dit formulier.

 

 Nee. Er zijn geen effecten denkbaar.

 

7.2

Heeft de aanvraag mogelijke effecten op de bodem?

 

 ja. Voeg de gegevens die gevraagd worden in addendum E2 als bijlage E2 bij dit formulier.

 

 nee. Er zijn geen effecten denkbaar.

 

7.3

Heeft de aanvraag mogelijke effecten op het watersysteem?

 

 ja. Voeg de gegevens die gevraagd worden in addendum E3 als bijlage E3 bij dit formulier. Bij aanvragen voor ingedeelde inrichtingen of activiteiten die betrekking hebben op indelingsrubriek 3, 53, 54, 55 en 56, worden bijkomend de mogelijke effecten van die inrichtingen of activiteiten op het watersysteem besproken in de bijlagen die volgens vraag 3.5 bij dit formulier gevoegd moeten worden.

 

 nee. Er zijn geen effecten denkbaar.

 

7.4

Heeft de aanvraag mogelijke effecten op de luchtkwaliteit?

 

ja. Voeg de gegevens die gevraagd worden in addendum E4 als bijlage E4 bij dit formulier.

 

nee. Er zijn geen effecten denkbaar.

 

7.5

Zijn er mogelijke effecten van geluid of trillingen ten gevolge van de aanvraag?

 

ja. Voeg de gegevens die gevraagd worden in addendum E5 als bijlage E5 bij dit formulier.

 

nee. Er zijn geen effecten denkbaar.

 

7.6

Heeft de aanvraag mogelijke effecten op biodiversiteit?

 

 ja. Voeg de gegevens die gevraagd worden in addendum E6 als bijlage E6 bij dit formulier.

 

 nee. Er zijn geen effecten denkbaar.

 

7.7

Heeft de aanvraag een mogelijk risico op zware ongevallen of rampen?

 

 ja. Voeg de gegevens die gevraagd worden in addendum E7 als bijlage E7 bij dit formulier.

 

 nee. Er zijn geen effecten denkbaar.

 

7.8

Heeft de aanvraag mogelijke effecten op onroerend erfgoed?

 

 ja. Voeg de gegevens die gevraagd worden in addendum E8 als bijlage E8 bij dit formulier.

 

 nee. Er zijn geen effecten denkbaar.

 

7.9

Zijn er mogelijke effecten van licht of straling ten gevolge van de aanvraag?

 

 ja. Voeg de gegevens die gevraagd worden in addendum E9 als bijlage E9 bij dit formulier.

 

 nee. Er zijn geen effecten denkbaar.

 

7.10

Zijn er mogelijke effecten van de productie van afvalstoffen ten gevolge van de aanvraag andere dan deze ten gevolge van opslag en verwerking?

U moet deze vraag alleen beantwoorden als de aanvraag betrekking heeft op een project als vermeld in bijlage III van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten, onderworpen aan milieueffectrapportage (project-MER-screening).

 

ja. Voeg de gegevens die gevraagd worden in addendum E10 als bijlage E10 bij dit formulier.

 

nee. Er zijn geen effecten denkbaar.

 

7.11

Heeft de aanvraag mogelijk nog andere relevante effecten?

 

ja. Voeg de gegevens die gevraagd worden in addendum E11 als bijlage E11 bij dit formulier.

 

nee

 

7.12

Zijn er door de relatie met andere projecten relevante cumulatieve effecten te verwachten?

 

ja. Voeg de gegevens die gevraagd worden in addendum E12 als bijlage E12 bij dit formulier.

 

nee

 

7.13

Geef een beschrijving van de mogelijke effecten op de omgeving in een document dat u als bijlage E bij dit formulier voegt.

Er kunnen mogelijke effecten zijn op gebied van onder meer mobiliteit, bodem, watersysteem, luchtkwaliteit, geluid en trillingen, biodiversiteit, zware ongevallen of rampen, onroerend erfgoed en afvalstoffen. Mogelijk zijn er relevante cumulatieve effecten met andere projecten.

Geef ook aan welke milderende maatregelen genomen zullen worden om geen effecten te veroorzaken.

 

 

 

8. Gegevens over de procedure

 

8.1

Heeft de aanvraag betrekking op de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten en wilt u dat bepaalde gegevens uit de aanvraag niet openbaar worden gemaakt?

Als u bepaalde gegevens uit een milieueffectrapport (MER) of omgevingsveiligheidsrapport niet openbaar wilt maken, moet u over een positieve beslissing daarover van de dienst MER/VR beschikken (zie ook vraag 4.4). Als u bepaalde gegevens die niet zijn opgenomen in een MER of OVR, niet openbaar wilt maken, voegt u een motivering bij dit formulier.

 

ja. Neem die gegevens en de bijbehorende motivering op in een document dat u als bijlage F1 bij dit formulier voegt.

 

nee

 

8.2

Als er een dossiertaks betaald moet worden, voegt u het betalingsbewijs als bijlage F2 bij dit formulier.

 

8.3

Als de procedure voorziet in een advies van de omgevingsvergunningscommissie, wilt u dan door die commissie gehoord worden?

Die mogelijkheid bestaat voor projecten die aan bepaalde voorwaarden voldoen.

 

ja

 

nee

 

8.4

Heeft de aanvraag betrekking op een Vlaams of een provinciaal project?

De lijsten waarin is opgenomen of een project Vlaams of provinciaal is, vindt u op www.omgevingsloket.be.

 

een Vlaams project of een onderdeel ervan. Welke rubrieken van de lijst van de Vlaamse projecten zijn van toepassing?

 

     

 

een provinciaal project dat geen Vlaams project of een onderdeel ervan is. Welke rubrieken van de lijst van de provinciale projecten zijn van toepassing?

 

     

 

noch een Vlaams project, noch een provinciaal project, noch een onderdeel ervan

 

8.5

Welke is de bevoegde overheid voor de behandeling van uw aanvraag?

De bevoegdheidsregeling is opgenomen in artikel 15 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning.

 

het college van burgemeester en schepenen

 

de deputatie

 

de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar

 

8.6

Voor welke termijn vraagt u de omgevingsvergunning?

 

voor onbepaalde duur

 

geheel of gedeeltelijk voor bepaalde duur. Dit houdt in dat u voor het hele project of voor onderdelen ervan een vergunning voor een bepaalde termijn aanvraagt. Voeg de gegevens die gevraagd worden in addendum F3 als bijlage F3 bij dit formulier.

 

8.7

Wilt u uw omgevingsvergunning uitvoeren in fases?

 

ja. Voeg de gegevens die gevraagd worden in addendum F4 als bijlage F4 bij dit formulier.

 

nee

 

8.8

Wilt u per e-mail gecontacteerd worden over de procedure?

De communicatie betreft onder meer het versturen van de beslissing en de uitnodiging voor de hoorzitting (indien van toepassing).

 

ja. Geef uw e-mailadres.

 

     

 

nee.

 

8.9

Vul uw adresgegevens in.

 

straat en nummer

     

 

postnummer en gemeente

     

 

land

     

 

8.10

Heeft de aanvraag betrekking op een ingedeelde inrichting of activiteit die over een comité voor preventie en bescherming op het werk beschikt?

 

ja. Wilt u dat de beslissing per e-mail wordt bezorgd aan het comité voor preventie en bescherming op het werk?

 

ja. Geef het e-mailadres.

 

     

 

nee. Vul de adresgegevens in.

 

straat en nummer

     

 

postnummer en gemeente

     

 

land

     

 

nee

 

 

 

 

12. Overzichtslijst van de bijlagen

 

 

12.1

Kruis de bijlagen aan die u bij dit formulier voegt.

 

 

bijlage A1: situeringsplan

 

 

bijlage B2: gebouwen

 

 

bijlage B3: eengezinswoning

 

 

bijlage B4: meergezinswoning

 

 

bijlage B5: studentenkamerwoning of kamerwoning

 

 

bijlage B6: commerciële functies (detailhandel, dancing, restaurant en café, kantoorfunctie, dienstverlening en vrije beroepen)

 

 

bijlage B7: dagrecreatie, met inbegrip van sport – gegevens van het complex

 

 

bijlage B8: dagrecreatie, met inbegrip van sport – gegevens van het gebouw

 

 

bijlage B9: verblijfsrecreatie – gegevens van het complex

 

 

bijlage B10: verblijfsrecreatie - gegevens van het gebouw

 

 

bijlage B11: industrie en bedrijvigheid - gegevens van het complex

 

 

bijlage B12: industrie en bedrijvigheid - gegevens van het gebouw

 

 

bijlage B13: land- en tuinbouw in de ruime zin – gegevens van het complex

 

 

bijlage B14: land- en tuinbouw in de ruime zin – gegevens van het gebouw

 

 

bijlage B15: gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen – gegevens van het complex

 

 

bijlage B16: gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen – gegevens van het gebouw

 

 

bijlage B17: verbouwen van gevels en daken en inwendige renovatiewerken

 

 

bijlage B18: bijgebouwen

 

 

bijlage B19: niet-overdekte lage constructies bij een gebouw

 

 

bijlage B20: vellen van bomen en terreinaanlegwerken

 

 

bijlage B21: andere handelingen (vrijgesteld van de medewerking van een architect)

 

 

bijlage B22: verhardingen, infrastructuur en technische werken

 

 

bijlage B23: ontbossen

 

 

bijlage B24: publiciteitsinrichtingen

 

 

bijlage B25: aanstiplijst hemelwater

 

 

bijlage B26: verantwoordingsnota

 

 

bijlage B27.X: plannen en documenten voor de stedenbouwkundige handelingen

 

 

bijlage B29: bescheiden woonaanbod

 

 

bijlage B30: sloopopvolgingsplan

 

 

bijlage B31: advies toegankelijkheid

 

 

bijlage B32: bekrachtigde of ter bekrachtiging ingediende archeologienota

 

 

bijlage B33: informatie onroerend erfgoed

 

 

bijlage B34: advies hulpverleningszone (brandweer)

 

 

bijlage B40: units

 

 

bijlage C1: korte, niet-technische omschrijving van het voorwerp van de aanvraag

 

 

bijlage C2: ligging van de ingedeelde inrichting of activiteit

 

 

bijlage C3: motivatie bij vroegtijdige hernieuwing

 

 

bijlage C4: indelingsrubrieken van de ingedeelde inrichting of activiteit

 

 

bijlage C6: materialen, grondstoffen en processen

 

 

bijlage C6.7: energiestudie

 

 

bijlage C6.8: energieplan / bewijs van toetreding tot de energiebeleidsovereenkomst

 

 

bijlage C7: toestellen

 

 

bijlage C8A: specifieke plannen voor ingedeelde inrichtingen of activiteiten