Hoofdstuk 3.5.
Productie van chlooralkali


Afdeling 3.5.1.
Toepassingsgebied en definities


Art. 3.5.1.1.

§1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 7.11.2°, a) en c), van de indelingslijst, voor de productie van chlooralkali (chloor, waterstof, kaliumhydroxide en natriumhydroxide) door de elektrolyse van pekel. Bestaande installaties, als vermeld in artikel 3.5.1.2, 2°, voldoen uiterlijk op 11 december 2017 aan dit hoofdstuk.

 

De overeenkomstige GPBV-activiteiten zijn de activiteiten, vermeld in punt 4.2, a) en c), van bijlage 1 bij dit besluit.

 

§2. Het toepassingsgebied van dit hoofdstuk omvat de volgende processen:

1°  de opslag van zout;
de bereiding, zuivering en resaturatie van pekel;
de elektrolyse van pekel;
4°  de concentratie, zuivering, opslag van natrium- of kaliumhydroxide en het werken ermee;
5°  het koelen, drogen, de zuivering, de compressie, het vloeibaar maken, de opslag van chloor en het werken ermee;
het koelen, de zuivering, de compressie, de opslag van waterstof en het werken ermee;
7°   de ombouw van kwikcelleninstallaties tot membraancelleninstallaties;
8°  de buitengebruikstelling van kwikcelleninstallaties;
de sanering van locaties voor productie van chlooralkali.

 

§3. Paragraaf 1 heeft geen betrekking op de volgende activiteiten:

de elektrolyse van zoutzuur voor de productie van chloor;
de elektrolyse van pekel voor de productie van natriumchloraat;
de elektrolyse van gesmolten zouten voor de productie van alkali- of aardalkalimetalen en chloor;
de productie van specialiteiten, zoals alcoholaten, dithionieten en alkalimetalen, door het gebruik van amalgaam van alkalimetalen, geproduceerd met de kwikcellentechniek;
de productie van chloor, waterstof of natrium- of kaliumhydroxide door andere processen dan elektrolyse.

 

 

§4. Dit hoofdstuk heeft geen betrekking op de volgende aspecten van productie van chlooralkali:

de behandeling van afvalwater in een downstream-behandelingsinstallatie;
geluidsemissies.

Art. 3.5.1.2.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

nieuwe installatie: een installatie die pas na 11 december 2013 in gebruik is genomen of een volledige vervanging is van een installatie op de bestaande fundamenten van de installatie na 11 december 2013;
bestaande installatie: een andere installatie dan een nieuwe installatie;
de BBT-conclusies voor de productie van chlooralkali: het uitvoeringsbesluit 2013/732/EU van de Commissie van 9 december 2013 tot vaststelling van de BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies voor de productie van chlooralkali, gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie L332 van 11 december 2013.

 


Art. 3.5.1.3. Tenzij het anders is vermeld, kunnen de bepalingen in dit hoofdstuk algemeen worden toegepast.

Afdeling 3.5.2.
Algemene bepalingen


Art. 3.5.2.1. Voor de productie van chlooralkali wordt gebruikgemaakt van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 1 van de BBT-conclusies voor de productie van chlooralkali. De kwikcellentechniek wordt onder geen omstandigheden toegepast. Diafragma’s van asbest worden niet gebruikt.

Art. 3.5.2.2.

Om de emissies van kwik te beperken en om het ontstaan van met kwik vervuild afval tijdens de buitengebruikstelling of ombouw van kwikcelleninstallaties te beperken, is een buitengebruikstellingsplan beschikbaar en wordt dat uitgevoerd. Al de volgende kenmerken zijn in het buitengebruikstellingsplan verwerkt:

 

een deel van het personeel dat ervaring heeft met het beheer van de voormalige installatie wordt betrokken bij alle fasen van uitwerking en uitvoering;
er wordt voorzien in procedures en instructies voor alle uitvoeringsfasen;
er wordt voorzien in een gedetailleerd trainings- en toezichtprogramma voor personeel zonder ervaring met het werken met kwik;
de hoeveelheid metallisch kwik dat moet worden teruggewonnen, wordt bepaald en de hoeveelheid afval die moet worden afgevoerd, en de kwikvervuiling die zich daarin bevindt, wordt geschat;
er wordt voorzien in werkzones die:
  a) zijn voorzien van een overdakking;
  b) zijn uitgerust met een gladde, aflopende en ondoordringbare vloer om gemorst kwik naar een opvangbak te leiden;
  c) goed verlicht zijn;
  d) vrij zijn van obstakels en puin dat kwik kan opnemen;
  e) zijn uitgerust met een watertoevoer voor wassen;
  f) zijn aangesloten op een afvalwaterbehandelingssysteem;
de cellen worden geleegd en metallisch kwik wordt overgebracht naar houders door:
  a) het systeem gesloten te houden als dat mogelijk is;
  b) kwik te wassen;
  c) gebruik te maken van overbrengen onder invloed van de zwaartekracht als dat mogelijk is;
  d) vaste onzuiverheden uit het kwik te verwijderen als dat noodzakelijk is;
  e) de houders te vullen tot ≤ 80 % van de volumetrische inhoud ervan;
  f) de houders hermetisch af te dichten na het vullen;
  g) de lege cellen te wassen en ze vervolgens te vullen met water;
alle ontmantelings- en sloopactiviteiten worden uitgevoerd door:
  a) hete methoden om uitrusting te slopen, te vervangen door koude methoden als dat mogelijk is;
  b) vervuilde uitrusting op te slaan in daarvoor geschikte zones;
  c) de vloer in het werkgebied regelmatig te wassen;
  d) gemorst kwik snel op te ruimen door gebruik te maken van ademhalingsuitrusting met actieve koolfilters;
  e) afvalstromen te registreren;
  f) afval dat met kwik is vervuild, te scheiden van afval dat niet met kwik is vervuild;
  g) afval dat met kwik vervuild is geraakt, te decontamineren door gebruik te maken van mechanische en fysieke behandelingstechnieken, chemische behandelingstechnieken of thermische behandelingstechnieken;
  h) gedecontamineerde uitrusting te hergebruiken of te recyclen als dat mogelijk is;
  i) het gebouw waarin de cellenzaal zich bevindt, te reinigen door de muren en de vloer schoon te maken, en ze vervolgens te coaten of te verven om ze een ondoordringbaar oppervlak te geven als het gebouw opnieuw zal worden gebruikt;
  j) de afvalwateropvangsystemen in of rond de installatie te reinigen of te vervangen;
  k) het werkgebied af te sluiten en ventilatielucht te zuiveren als hoge concentraties kwik worden verwacht. Zuiveringstechnieken voor ventilatielucht zijn onder meer adsorptie op jodium- of zwavelhoudend actieve kool, gasreinigen met hypochloriet of gechloreerde pekel, of het toevoegen van chloor om vast dikwikdichloride te vormen;
  l) kwikhoudend afvalwater, waaronder waswater dat afkomstig is van het reinigen van beschermende uitrusting, te behandelen;
  m) kwik in lucht, water en afval te monitoren, waaronder gedurende een gepaste tijd na de afronding van de buitengebruikstelling of ombouw;
indien nodig wordt metallisch kwik tussentijds opgeslagen op de locatie in opslagruimtes die:
  a) goed verlicht en weerbestendig zijn;
  b) zijn uitgerust met een geschikte secondaire insluiting die 110% van het vloeistofvolume van enige afzonderlijke houder kan vasthouden;
  c) vrij zijn van obstakels en puin dat kwik kan opnemen;
  d) zijn uitgerust met ademhalingsuitrusting met actieve koolfilters;
  e) periodiek worden geïnspecteerd, zowel visueel als met kwikbewakingsapparatuur;
als dat nodig is, wordt afval getransporteerd, mogelijk verder behandeld en afgevoerd.

 


Art. 3.5.2.3.

Om de mogelijke vervuiling van de bodem, het grondwater en de lucht te beperken en de verspreiding van mogelijke vervuiling en overdracht aan flora en fauna van chlooralkalisites te stoppen, moeten alle verplichtingen die voortvloeien uit het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en zijn uitvoeringsbesluiten worden nageleefd.

 

Als overeenkomstig voormeld decreet tot bodemsanering moet worden overgegaan, bevat het bodemsaneringsproject ook een financiële planning en een overzicht van de geplande investeringen om de doelstelling te behalen. Deze bepaling wordt vastgesteld ter uitvoering van artikel 48 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006.


Art. 3.5.2.4.

De monitoring van emissies in de lucht wordt verricht overeenkomstig de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.4.2 bij titel II van het VLAREM. De monitoring van emissies in water wordt verricht overeenkomstig de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.


Afdeling 3.5.3.
Energie


Art. 3.5.3.1. In het elektrolyseproces wordt efficiënt met energie omgegaan door gebruik te maken van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 5 van de BBT-conclusies voor de productie van chlooralkali.

Art. 3.5.3.2. Om efficiënt met energie om te gaan, wordt de waterstof die tijdens de elektrolyse mee geproduceerd is, zo veel mogelijk als een chemisch reagens of brandstof gebruikt.

Afdeling 3.5.4.
Luchtemissies


Art. 3.5.4.1.

De emissies van chloor en chloordioxide worden aan de uitlaat van de chloorabsorptie-eenheid continu gemeten door middel van elektrochemische cellen.

 

Er geldt een emissiegrenswaarde voor chloor en chloordioxide, uitgedrukt als Cl2, van 1 mg/m³ voor de geloosde afgassen van de chloorabsorptie-eenheid. In functie van deze emissiegrenswaarde worden de emissies van chloor en chloordioxide aan de uitlaat van de chloorabsorptie-eenheid, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, jaarlijks gemeten door middel van absorptie in een oplossing gevolgd door analyse, waarbij de meetwaarde wordt bepaald als de gemiddelde waarde van ten minste drie opeenvolgende metingen met tussentijd van een uur.


Art. 3.5.4.2. Voor de eliminatie van stikstoftrichloride of voor de terugwinning van chloor uit restgas mag niet gebruikgemaakt worden van tetrachloormethaan.

Afdeling 3.5.5.
Afvalwater


Art. 3.5.5.1.

Het milieuprestatieniveau voor kwikemissies naar water, uitgedrukt als Hg, bij de uitlaat van de kwikzuiveringseenheid tijdens buitengebruikstelling of ombouw bedraagt minder dan 0,015 mg/l, in debietproportionele 24 uurmengmonsters die, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, dagelijks aan de uitlaat van de kwikbehandelingseenheid worden genomen.


Art. 3.5.5.2. Het ontstaan van afvalwater wordt beperkt door gebruik te maken van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 4 van de BBT-conclusies voor de productie van chlooralkali.

Art. 3.5.5.3. Emissies van vervuilende stoffen naar het water worden beperkt door gebruik te maken van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 11 van de BBT-conclusies voor de productie van chlooralkali.

Art. 3.5.5.4.

Chloride-emissies van de chlooralkali-installatie naar het water worden beperkt door gebruik te maken van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 4 van de BBT-conclusies voor de productie van chlooralkali. De emissies van chloride worden, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, maandelijks gemeten in de pekelspui.


Art. 3.5.5.5.

De emissies van vrij chloor van de chlooralkali-installatie naar water worden beperkt door afvalwaterstromen die vrij chloor bevatten, zo dicht mogelijk bij de bron te behandelen om vervluchtiging van chloor of het ontstaan van gehalogeneerde verbindingen te voorkomen. De emissiegrenswaarde van vrij chloor, uitgedrukt als Cl2, bedraagt minder dan 0,2 mg/l, in steekproefmonsters die, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, ten minste een keer per maand worden genomen op het punt waar de emissie de installatie verlaat.

 

 

De emissies van vrij chloor dicht bij de bron worden continu gemeten.

 


Art. 3.5.5.6.

Chloraatemissies van de chlooralkali-installatie naar het water worden beperkt door gebruik te maken van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 14 van de BBT-conclusies voor de productie van chlooralkali. De emissies van chloraat worden, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, maandelijks gemeten op het punt waar de emissie de installatie verlaat.


Art. 3.5.5.7.

Emissies van gehalogeneerde organische verbindingen van de chlooralkali-installatie naar het water worden beperkt door gebruik te maken van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 15 van de BBT-conclusies voor de productie van chlooralkali. De emissies van gehalogeneerde organische verbindingen worden, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, jaarlijks gemeten in de pekelspui.


Art. 3.5.5.8.

De emissies van sulfaat worden, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, jaarlijks gemeten in de pekelspui.


Art. 3.5.5.9.

De emissies van relevante zware metalen worden, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, jaarlijks gemeten in de pekelspui.


Afdeling 3.5.6.
Afval


Art. 3.5.6.1. Het milieuprestatieniveau voor de hoeveelheid van afgewerkt zwavelzuur dat moet worden afgevoerd, uitgedrukt als H2SO4 (96 gewichtsprocent), bedraagt minder dan 0,1 kg per ton geproduceerd chloor.