Hoofdstuk 3.6.
Productie van pulp, papier en karton


Afdeling 3.6.1.
Toepassingsgebied en definities


Art. 3.6.1.1.

§1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 33.1 en 33.2, e), van de indelingslijst. Bestaande installaties, als vermeld in artikel 3.6.1.2, 2°, voldoen uiterlijk op 30 september 2018 aan dit hoofdstuk.

 

De overeenkomstige GPBV-activiteiten zijn de activiteiten vermeld in punt 6.1, a), en 6.1, b), van bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.

 

§2. Het toepassingsgebied van dit hoofdstuk omvat de volgende processen:

de volgende chemische pulpproducties:
  a) pulpproces op basis van sulfaat (kraft);
  b) pulpproces op basis van sulfiet;
mechanische en chemisch-mechanische pulpproductie;
verwerking van papier voor recyclage met en zonder ontinkting;
papierproductie en aanverwante processen;
alle terugwinningsinstallaties en kalkovens geėxploiteerd in pulp- en papierfabrieken.

 

§3. De bepalingen, vermeld in paragraaf 1, hebben geen betrekking op de volgende activiteiten:

fabricage van papierpulp uit niet-houtachtig ruw vezelmateriaal;
stationaire verbrandingsmotoren;
andere stookinstallaties om stoom en elektriciteit op te wekken dan terugwinningsinstallaties;
drogers met interne branders voor papiermachines en coaters.

 


Art. 3.6.1.2.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

nieuwe installatie: een installatie die voor het eerst wordt vergund op het terrein van de installatie na 30 september 2014 of een volledige vervanging van een installatie op bestaande fundamenten van de installatie na 30 september 2014;
bestaande installatie: een andere installatie dan een nieuwe installatie;
totaal gereduceerde zwavel, afgekort TRS: de som van de volgende gereduceerde onwelriekende zwavelverbindingen gegenereerd in het pulpproductieproces: waterstofsulfide, methylmercaptaan, dimethylsulfide en dimethyldisulfide, uitgedrukt als zwavel;
sterk geurende gassen: de geconcentreerde, niet-condenseerbare geurende gassen. Dat zijn TRS-houdende gassen uit het koken, verdampen en strippen van condensaten;
zwak geurende gassen: de verdunde, niet-condenseerbare geurende gassen. Dat zijn TRS-houdende gassen die geen sterk geurende gassen zijn;
geļntegreerde productie: de productie waarbij zowel de pulp als het papier of het karton op dezelfde locatie wordt geproduceerd. De pulp wordt in de regel niet gedroogd voor de fabricage van het papier of karton;
niet-geļntegreerde productie: de productie van een van de volgende zaken:
  a) marktpulp in fabrieken waar geen papiermachines in gebruik zijn;
  b) papier of karton uitsluitend op basis van marktpulp, dus pulp die in andere fabrieken is geproduceerd;
nettoproductie:
  a) voor papierfabrieken: de onverpakte, verkoopbare productie na de laatste rollensnijmachine, dat wil zeggen voordat het verder wordt verwerkt of getransformeerd;
  b) voor offline coaters: de productie na het coaten;
  c) voor tissuepapierfabrieken: de verkoopbare productie na de tissuepapiermachine voor herwikkelprocessen zonder kern;
  d) voor marktpulpfabrieken: de productie na de verpakking, uitgedrukt in luchtgedroogde ton; 
  e) voor geļntegreerde fabrieken:
    1) de nettoproductie van pulp: de productie na de verpakking, uitgedrukt in luchtgedroogde ton, plus de naar de papierfabriek gebrachte pulp, uitgedrukt in 90% droogheid, wat neerkomt op luchtdroog;
    2) de nettoproductie van papier: dezelfde productie als vermeld in punt a);
hardhout: de groep van houtsoorten zoals esp, beuk, berk en eucalyptus. De term hardhout wordt gebruikt als het tegenovergestelde van naaldhout;
10° naaldhout: het hout van naaldbomen, waaronder dennen en sparren. De term naaldhout wordt gebruikt als het tegenovergestelde van hardhout;
11° ADt: air dry ton of luchtgedroogde ton van pulp, uitgedrukt als 90% droog;
12° vluchtige organische stof, afgekort VOS: een organische verbinding, alsook de fractie creosoot, die bij 293,15 K een dampspanning van 0,01 kPa of meer heeft of die onder specifieke gebruiksomstandigheden een vergelijkbare vluchtigheid heeft;
13° de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton: het uitvoeringsbesluit 2014/687/EU van de Commissie van 26 september 2014 tot vaststelling van de BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad, voor de productie van pulp, papier en karton, gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie L284 van 30 september 2014.

 

 

 


Art. 3.6.1.3. Voor geļntegreerde en multiproduct- pulp- en papierfabrieken worden de emissiegrenswaarden, die worden bepaald voor de individuele processen of producten, gecombineerd volgens een mengregel op basis van het aandeel in het debiet.

Afdeling 3.6.2.
Algemene bepalingen


Art. 3.6.2.1.

De processpecifieke bepalingen vermeld in afdeling 3.6.3 tot en met 3.6.7, zijn van toepassing naast de algemene bepalingen die in deze afdeling beschreven worden.


Subafdeling 3.6.2.1.
Milieubeheersysteem


Art. 3.6.2.1.1.

Voor het verbeteren van de totale milieuprestatie van de installaties voor de productie van pulp, papier en karton, wordt een milieubeheersysteem uitgevoerd en nageleefd dat al de volgende elementen omvat:

1°  de betrokkenheid van het kader, met inbegrip van het hogere kader;
2°  de vaststelling van een milieubeleid dat de continue verbetering van de installatie door het kader omvat;
3°  de planning en vaststelling van de noodzakelijke procedures, doelstellingen en streefcijfers, samen met de financiėle planning en investeringen;
4°  de toepassing van procedures met bijzondere aandacht voor:
  a)  structuur en verantwoordelijkheid;
  b)  opleiding, bewustzijn en vakbekwaamheid;
  c) communicatie;
  d) betrokkenheid van de werknemers;
  e) documentatie;
  f)  efficiėnte procesbeheersing;
  g) onderhoudsprogramma's;
  h) paraatheid ten overstaan van noodsituaties en rampenplannen;
  i) waarborgen van de naleving van het milieurecht;
5°  de controle van de uitvoering en het nemen van corrigerende maatregelen, met bijzondere aandacht voor:
  a) monitoring en meting;
  b) corrigerende en preventieve maatregelen;
  c) bijhouden van gegevens;
  d)  waar mogelijk: onafhankelijke interne en externe controle om te bepalen of het milieubeheersysteem voldoet aan de voorgenomen regelingen en naar behoren ten uitvoer is gelegd en bijgehouden;
de herziening van het milieubeheersysteem en de continue controle van de geschiktheid, adequaatheid en doeltreffendheid ervan door het hogere kader;
het volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieėn;
8°  de aandacht voor de milieueffecten van de uiteindelijke ontmanteling van de installatie bij de ontwerpfase van een nieuwe fabriek, en gedurende de hele levensduur;
de toepassing van de sectorale benchmarking op regelmatige basis.

 


Subafdeling 3.6.2.2.
Materialenbeheer en goede bedrijfspraktijk


Art. 3.6.2.2.1.

Het milieueffect van het productieproces wordt beperkt door de toepassing van de principes van goede bedrijfspraktijk door gebruik te maken van de volgende technieken:

 

de chemicaliėn en additieven zorgvuldig selecteren en controleren;
2°  de input-outputanalyse maken met een lijst van chemische stoffen, met inbegrip van de hoeveelheden en toxicologische eigenschappen;
3°  het gebruik van chemicaliėn beperken tot het vereiste minimumniveau in overeenstemming met de kwaliteitsspecificaties van het eindproduct;
het gebruik vermijden van schadelijke stoffen en die vervangen door minder schadelijke alternatieven;
de hoeveelheid stoffen beperken die de bodem indringen door lekken, luchtafzetting en de inadequate opslag van grondstoffen, producten of residuen;
een programma opzetten om lekken te beheersen en relevante bronnen verder in te kapselen om verontreiniging van bodem en grondwater te voorkomen;
de leidingen en opslagsystemen optimaal ontwerpen om de oppervlakken schoon te houden en de behoefte aan spoelen en reinigen te beperken.

 


Art. 3.6.2.2.2. Het vrijkomen van niet gemakkelijk biologisch afbreekbare organische chelaatvormers, zoals ethyleendiaminetetra-azijnzuur (EDTA) of diethyleentriaminepenta-azijnzuur (DTPA), bij het bleken met peroxide wordt beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 3 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Subafdeling 3.6.2.3.
Water en afvalwater


Art. 3.6.2.3.1.

Procesparameters die relevant zijn voor emissies in het water, worden gemeten met frequentie, vermeld in de volgende tabel:

 

parameter

meetfrequentie

waterdebiet, temperatuur en pH

continu

P- en N-gehalte in biomassa, slibvolume-index, overtollige ammonium en orthofosfaat in het afvalwater, en microscopische controle van de biomassa

om de drie maanden


Art. 3.6.2.3.2. Emissies van relevante metalen in het water, zoals Zn, Cu, Cd, Pb en Ni, worden om de drie maanden gemeten.

Art. 3.6.2.3.3.

Tenzij het anders is vermeld, worden de middelingstijden voor emissies in het water als volgt bepaald:

het daggemiddelde: het debietproportioneel 24uur-mengmonster;
het jaargemiddelde: het voortschrijdend gemiddelde van alle daggemiddelden, genomen binnen een jaar, gewogen op basis van de dagelijkse productie, en uitgedrukt als massa van uitgestoten stoffen per eenheid van massa van de gegenereerde of verwerkte producten of materialen.

Art. 3.6.2.3.4.

De monitoring van emissies in het water wordt verricht overeenkomstig de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.2.5.2 van titel II van het VLAREM. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.


Art. 3.6.2.3.5. Het afvalwaterdebiet bij droge ontschorsing bedraagt maximaal 2,5 m³/ADt.

Art. 3.6.2.3.6.

De maximale afvalwaterdebieten, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing bij lozing na de behandeling van het afvalwater, uitgedrukt in voortschrijdende jaargemiddelden:

 

sector

afvalwaterdebiet

gebleekte kraftpulp

50 m³/ADt

ongebleekte kraftpulp

40 m³/ADt

gebleekte sulfietpulp van papierkwaliteit

50 m³/ADt

magnesiumpulp

70 m³/ADt

oplosbare pulp

60 m³/ADt

neutraal sulfiet, halfchemische pulp

20 m³/ADt

mechanische pulp

16 m³/t

chemisch-thermomechanische en chemisch-mechanische pulp

16 m³/ADt

papierfabrieken die gebruikmaken van gerecycleerde vezels zonder ontinkting

10 m³/t

papierfabrieken die gebruikmaken van gerecycleerde vezels met ontinkting

15 m³/t

fabrieken voor tissuepapier die gebruikmaken van gerecycleerde vezels zonder ontinkting

25 m³/t

niet-geļntegreerde papierfabrieken

20 m³/t

 


Art. 3.6.2.3.7. Als de stikstof in de chemische additieven niet biologisch beschikbaar is of als de nutriėntenbalans een overschot vertoont, worden emissies van nutriėnten in ontvangende wateren beperkt door chemische additieven met een hoog stikstof- en fosforgehalte te vervangen door additieven met een laag stikstof- en fosforgehalte.

Art. 3.6.2.3.8.

Emissies van verontreinigende stoffen in ontvangende wateren worden beperkt door de toepassing van:

primaire fysisch-chemische behandeling;
secundaire biologische behandeling.

 

Secundaire biologische behandeling is niet van toepassing op installaties waar de biologische belasting van het afvalwater na de primaire behandeling zeer laag is.


Art. 3.6.2.3.9.

De emissies van verontreinigende stoffen in ontvangende wateren uit biologische waterzuiveringsinstallaties worden beperkt door de toepassing van:

optimaal ontwerp en exploitatie van de biologische zuiveringsinstallatie;
regelmatige controle van de actieve biomassa;
de aanvoer van nutriėnten, zoals stikstof en fosfor, afstemmen op de werkelijke behoefte aan actieve biomassa.

Subafdeling 3.6.2.4.
Energie


Art. 3.6.2.4.1.

Het brandstof- en energieverbruik in de pulp- en papierfabrieken wordt beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 6 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton, en door de toepassing van een energiebeheersysteem dat:

het volledige verbruik en de productie van energie van de fabriek controleert;
de mogelijkheden voor de terugwinning van energie opspoort, kwantificeert en optimaliseert;
de geoptimaliseerde situatie voor energieverbruik monitort en beschermt.

Subafdeling 3.6.2.5.
Geuremissies


Art. 3.6.2.5.1. De emissies van geurstoffen afkomstig uit het afvalwater worden voorkomen en beperkt door de toepassing van een combinatie van technieken, vermeld in BBT 7 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Subafdeling 3.6.2.6.
Luchtemissies


Art. 3.6.2.6.1.

Procesparameters die relevant zijn voor emissies in de lucht, worden gemeten met de frequentie, vermeld in de volgende tabel:  

parameter meetfrequentie
druk, temperatuur, zuurstof, CO en waterdampgehalte in rookgassen voor verbrandingsprocessen continu
debiet en CH4-gehalte van biogas dat is ontstaan in de anaerobe behandeling van afvalwater continu
het H2S- en CO2-gehalte in biogas dat is ontstaan bij de anaerobe afvalwaterbehandeling om de vier maanden

Art. 3.6.2.6.2. Diffuse zwavelemissies uit relevante bronnen worden regelmatig gecontroleerd.

Art. 3.6.2.6.3.

Tenzij het anders is vermeld, worden de middelingstijden voor emissies in de lucht als volgt bepaald:

het gemiddelde van de hele bemonsteringsperiode: de gemiddelde waarde van drie opeenvolgende metingen van ten minste dertig minuten elk;
het daggemiddelde: het gemiddelde over een periode van 24 uur op basis van geldige uurgemiddelden uit continue metingen;
3°  het jaargemiddelde: het gemiddelde van alle geldige uurgemiddelden in geval van continue metingen of gemiddelde van alle gemiddelden van de hele bemonsteringsperiode, verkregen gedurende een jaar in geval van periodieke metingen.

Art. 3.6.2.6.4.

De monitoring van emissies in de lucht wordt verricht overeenkomstig de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.4.2 van titel II van het VLAREM. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.


Subafdeling 3.6.2.7.
Productieresiduen


Art. 3.6.2.7.1. De hoeveelheid afval die wordt verwijderd, wordt beperkt door een systeem voor afvalbeheer en -evaluatie, inclusief afvalinventarissen, in te stellen dat afval hergebruik mogelijk maakt, of, als dat niet mogelijk is, afvalrecyclage, of, als dat niet mogelijk is, “andere vormen van terugwinning”, inclusief de toepassing van een combinatie van technieken, vermeld in BBT 12 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Subafdeling 3.6.2.8.
Geluidsemissies


Art. 3.6.2.8.1. Geluidsemissies van de pulp- en papierindustrie worden beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 17 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Subafdeling 3.6.2.9.
Ontmanteling


Art. 3.6.2.9.1.

Om verontreinigingsrisico’s te voorkomen als een installatie wordt ontmanteld, wordt/worden:

ervoor gezorgd dat ondergrondse opslagtanks en leidingen in de ontwerpfase worden vermeden, of dat hun locatie goed bekend is en gedocumenteerd wordt;
een plan met instructies vastgesteld om procesapparatuur, vaten en leidingen te legen;
3°  ervoor gezorgd dat de installatie op een schone manier wordt afgesloten door het terrein schoon te maken en te herstellen in zijn oorspronkelijke staat. Als dat mogelijk is, worden de natuurlijke bodemfuncties beschermd;
de verplichtingen en de procedure van artikel 122 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 van overeenkomstige toepassing;
op basis van een risicoanalyse een transparant plan ontwikkeld voor de stopzetting van de activiteiten op het terrein en de sluiting van de installatie, waarin rekening wordt gehouden met specifieke plaatselijke omstandigheden.

Afdeling 3.6.3.
Kraftpulpproductie


Art. 3.6.3.1.

Voor geļntegreerde pulp- en papierfabrieken die aan kraftpulpproductie doen, zijn de processpecifieke bepalingen voor papierproductie, vermeld in afdeling 3.6.7, van toepassing, in aanvulling op de bepalingen van deze afdeling.


Art. 3.6.3.2. Als in deze afdeling voor dezelfde problematiek emissiegrenswaarden voor dezelfde gemiddelde periode worden opgegeven in andere eenheden, worden die verschillende manieren om emissiegrenswaarden uit te drukken, gezien als gelijkwaardige alternatieven.

Art. 3.6.3.3.

Met toepassing van de bepalingen, vermeld in BBT 20 en 30 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton, kan er vanwege de toepasbaarheid worden afgeweken van artikel 3.6.3.2.1 en 3.6.3.3.1 in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.


Subafdeling 3.6.3.1.
Water en afvalwater


Art. 3.6.3.1.1.

Voor fabrieken die kraftpulp produceren, zijn voor de niet-geļntegreerde productie van marktpulp en het pulpproductiegedeelte van geļntegreerde fabrieken de emissiegrenswaarden en, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, de meetfrequenties, vermeld in de volgende tabel, van toepassing op de lozing van afvalwater in oppervlaktewater:

 

parameter

emissiegrenswaarde, voortschrijdend jaargemiddelde (in kg/ADt)

meetfrequentie

gebleekte kraftpulp

ongebleekte kraftpulp

CZV (1)

20

8

dagelijks (2)

BZV

-

-

wekelijks

zwevende stoffen

1,5

1,0

dagelijks (2)

totaal stikstof

0,25

0,2

wekelijks (2)

totaal fosfor

0,03 (3)

0,02

wekelijks (2)

EDTA, DTPA

-

-

maandelijks (4)

AOX

0,2 (5)

-

maandelijks (6)

(1)  Als totaal organische koolstof (TOC) al wordt gemeten als een voorname sleutelprocesparameter, is het niet nodig om CZV te meten. Er wordt echter wel door een MER-deskundige, erkend in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater als vermeld in artikel 6, 1°, d), 4), van het VLAREL van 19 november 2010, een correlatie tussen de twee parameters vastgesteld voor de specifieke emissiebron en de stap van de afvalwaterbehandeling.
(2) Er kunnen ook snelle testmethodes worden gebruikt. Voor CZV en zwevende stoffen wordt maandelijks door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL van 19 november 2010, gecontroleerd of de resultaten van de snelle tests in overeenstemming zijn met de meetmethodes, vermeld in artikel 3.6.2.3.4. Voor totaal stikstof en totaal fosfor wordt om de drie maanden door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL van 19 november 2010, gecontroleerd of de resultaten van de snelle tests in overeenstemming zijn met de meetmethodes, vermeld in artikel 3.6.2.3.4.
(3)  Bij gebruik van eucalyptus geldt een emissiegrenswaarde van 0,11 kg/ADt als voortschrijdend jaargemiddelde voor totaal fosfor.
(4) Van toepassing als EDTA of DTPA worden gebruikt in het proces.
(5) Toepasbaar voor fabrieken die chloorhoudende bleekmiddelen gebruiken.
(6)  Niet van toepassing op installaties die kunnen aantonen dat er geen AOX wordt gegenereerd of toegevoegd via chemische additieven en grondstoffen.

 

De emissiegrenswaarden in de tabel, vermeld in het eerste lid, zijn niet toepasbaar voor fabrieken die oplosbare kraftpulp produceren.

 


Subafdeling 3.6.3.2.
Luchtemissies


Art. 3.6.3.2.1.

§1.

Om geuremissies en de totale emissies ten gevolge van sterk en zwak geurende gassen te beperken, worden diffuse emissies voorkomen door alle procesgebaseerde, zwavelhoudende afgassen af te vangen, met inbegrip van zwavelhoudende emissies langs ventilatiegaten, door toepassing van al de volgende technieken:

collectorsystemen voor sterk en zwak geurende gassen, met de volgende elementen:
  a) afdekkingen, afzuigkappen, leidingen en afzuigsystemen met voldoende capaciteit;
  b) systemen voor continue detectie van lekken;
  c) veiligheidsmaatregelen en apparatuur;
verbranding van sterk en zwak geurende gassen. Om ervoor te zorgen dat sterk geurende gassen altijd kunnen worden verbrand, worden back-upsystemen geļnstalleerd;
voor de behandeling van sterk geurende gassen: detecteren wanneer het verbrandingssysteem niet beschikbaar is en eventuele, daaruit resulterende emissies.

 

§2.

Voor stoomketels geldt een emissiegrenswaarde van 0,2 kg S/ADt als jaargemiddelde voor totaal gereduceerde zwavel in restgassen van zwak geurende gassen. De emissies van totaal gereduceerde zwavel worden om de vier maanden gemeten.

 

In het eerste lid wordt verstaan onder restgassen van zwak geurende gassen: de zwak geurende gassen die worden uitgestoten op andere manieren dan via een terugwinningsinstallatie, een kalkoven of een TRS-brander.


Art. 3.6.3.2.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van een terugwinningsinstallatie:

 

parameter opmerkingen emissiegrenswaarde
daggemiddelde
(in mg/Nm³ bij 6% O2) (1)
jaargemiddelde
(in mg/Nm³ bij 6% O2)
jaargemiddelde
(in kg/ADt)
SO2   DS < 75% 70 50 -
DS 75-83% 50 25 -
totaal gereduceerde zwavel (TRS)   10 (2) 5 -
gasvormige S (TRS-S + SO2-S) DS < 75% - - 0,17
DS 75-83% - - 0,13
NOX, uitgedrukt als NO2 naaldhout DS < 75% - 200 1,4
DS 75-83% 1,6
hardhout DS < 75% - 200 1,4
DS 75-83% 1,7
stof   - 25 0,20

(1) Emissiegrenswaarden hebben geen betrekking op de perioden waarin de terugwinningsinstallatie werkt met een DS-gehalte

     dat veel lager ligt dan het normale DS-gehalte ten gevolge van een stillegging of onderhoud van de installatie om zwart residuloog te concentreren.

(2)  van toepassing zonder de verbranding van sterk geurende gassen

DS = droge-stof-gehalte van zwart residuloog

 

De concentratie van de parameters SO2, TRS, NOX en stof in de afgassen van de terugwinningsinstallatie wordt continu gemeten.


Art. 3.6.3.2.3.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van een kalkoven:

 

parameter opmerkingen emissiegrenswaarde
jaargemiddelde
(in mg/Nm³ bij 6% O2)
jaargemiddelde
(in kg/ADt)
SO2 als sterke gassen niet in de kalkoven worden verbrand 70   -
als sterke gassen in de kalkoven worden verbrand 120 -
gasvormige S (TRS-S + SO2-S) als sterke gassen niet in de kalkoven worden verbrand - 0,07
als sterke gassen in de kalkoven worden verbrand - 0,12
totaal gereduceerde zwavel (TRS) als sterke gassen in de kalkoven worden verbrand 40 -
als sterke gassen niet in de kalkoven worden verbrand 10 -
NOX, uitgedrukt als NO2     vloeibare brandstoffen, afkomstig van plantaardig materiaal,
waaronder brandstoffen die worden verkregen als bijproducten van het pulpproductieproces
350 0,35
alle andere vloeibare brandstoffen 200 0,2
gasvormige brandstoffen, afkomstig van plantaardig materiaal,
waaronder brandstoffen die worden verkregen als bijproducten van het pulpproductieproces
450 0,45
alle andere gasvormige brandstoffen 350 0,3
stof   25 0,02

 

De concentratie van de parameters SO2, TRS, NOX en stof in de afgassen van de kalkoven, vermeld in het eerste lid, wordt gemeten met de frequentie, vermeld in de volgende tabel:  

 

parameter meetfrequentie
SO2, NOX, stof       continu
TRS om de vier maanden

 


Art. 3.6.3.2.4.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van een speciale TRS-brander voor de verbranding van sterk geurende gassen:

 


parameter

emissiegrenswaarde

jaargemiddelde (in mg/Nm³ bij 9% O2)

jaargemiddelde (in kg/ADt)

SO2

120

-

totaal gereduceerde zwavel (TRS)

5

-

gasvormige S (TRS-S + SO2-S)

-

0,05 (1)

NOX, uitgedrukt als NO2

400

0,1

(1)  Deze emissiegrenswaarde is gebaseerd op een gasstroom van 100 tot 200 Nm3/ADt.

 

De concentratie van de parameters SO2, TRS en NOX in de afgassen van de TRS-brander, vermeld in het eerste lid, wordt gemeten met de frequentie, vermeld in de volgende tabel:

 

parameter

meetfrequentie

SO2, NOX

continu

TRS

om de vier maanden

 


Subafdeling 3.6.3.3.
Productieresiduen


Art. 3.6.3.3.1. Afvalproductie wordt voorkomen en de hoeveelheid te verwijderen vast afval wordt zoveel mogelijk beperkt door recyclage van stof uit de elektrostatische stofvangers van de terugwinningsinstallatie met zwart residuloog.

Subafdeling 3.6.3.4.
Energie


Art. 3.6.3.4.1. Het verbruik van thermische energie wordt beperkt, de voordelen van de gebruikte energiedragers worden zoveel mogelijk benut en het stroomverbruik wordt beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 31 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Art. 3.6.3.4.2. Het rendement van de stroomproductie wordt geoptimaliseerd door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 32 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Afdeling 3.6.4.
Sulfietpulpproductie


Art. 3.6.4.1.

Voor geļntegreerde pulp- en papierfabrieken die werken met sulfiet zijn de processpecifieke bepalingen voor papierproductie, vermeld in de afdeling 3.6.7, van toepassing, in aanvulling op de bepalingen in deze afdeling.


Subafdeling 3.6.4.1.
Water en afvalwater


Art. 3.6.4.1.1.

Voor een fabriek die pulp produceert op basis van sulfiet of magnefiet, zijn voor de niet-geļntegreerde productie van marktpulp en voor het pulpproductiegedeelte van geļntegreerde fabrieken de emissiegrenswaarden en, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, de meetfrequenties, vermeld in de volgende tabel, van toepassing op de lozing van afvalwater in oppervlaktewater:

 

parameter

eenheid

emissiegrenswaarde, voortschrijdend jaargemiddelde

meetfrequentie

pulp van papierkwaliteit op basis van gebleekt sulfiet

pulp van papierkwaliteit op basis van magnefiet

neutraal sulfiet, halfchemische pulp

CZV (1)

kg/ADt

30 (3)(4)

35

11

dagelijks (2)

BZV

 

-

-

-

wekelijks

zwevende stoffen

kg/ADt

1,5 (3)

2,0

1,3

dagelijks (2)

totaal stikstof

kg/ADt

0,3 (3)

0,25

0,2 (5)

wekelijks (2)

totaal fosfor

kg/ADt

0,05 (3)(4)

0,07

0,02

wekelijks (2)

EDTA, DTPA

 

-

-

-

maandelijks (6)

AOX

mg/l

1,5 (7)

-

-

maandelijks (8)

(1)

Als totaal organische koolstof (TOC) al wordt gemeten als een voorname sleutelprocesparameter, is het niet nodig om CZV te meten. Er wordt echter wel door een MER-deskundige, erkend in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater als vermeld in artikel 6, 1°, d), 4), van het VLAREL van 19 november 2010, een correlatie tussen de twee parameters vastgesteld voor de specifieke emissiebron en de stap van de afvalwaterbehandeling.

(2)

Er kunnen ook snelle testmethodes worden gebruikt. Voor CZV en zwevende stoffen wordt maandelijks door een erkend

laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL van 19 november 2010, gecontroleerd of de resultaten van de snelle tests in overeenstemming zijn met de meetmethodes, vermeld in artikel 3.6.2.3.4. Voor totaal stikstof en totaal fosfor wordt om de drie maanden door een erkend laboratorium in de discipline water,

deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL van 19 november 2010, gecontroleerd of de resultaten van de snelle tests in overeenstemming zijn met de meetmethodes, vermeld in artikel 3.6.2.3.4.

(3)

Niet van toepassing op fabrieken die vetvrije pulp produceren.

(4) Niet van toepassing op marktpulp op basis van eucalyptus.
(5) Niet van toepassing op neutraal sulfiet, halfchemische pulpproductie op basis van ammonium.
(6) Van toepassing als EDTA of DTPA worden gebruikt in het proces.
(7) Niet van toepassing op chloorvrije fabrieken.
(8)

Niet van toepassing op installaties die kunnen aantonen dat er geen AOX wordt gegenereerd of toegevoegd via chemische additieven en grondstoffen; niet van toepassing op fabrieken die volledig chloorvrij bleken en neutraal sulfiet, halfchemische pulpfabrieken. 

 

De emissiegrenswaarden in de tabel, vermeld in het eerste lid, zijn niet toepasbaar voor fabrieken die oplosbare pulp produceren en voor de productie van speciale pulp voor chemische toepassingen.


Subafdeling 3.6.4.2.
Luchtemissies


Art. 3.6.4.2.1. De emissies van SO2 worden voorkomen en beperkt door alle sterk geconcentreerde SO2-gasstromen uit de productie van zuur residuloog, kookketels, diffusieketels of blaastanks te verzamelen, om de zwavelcomponenten terug te winnen.

Art. 3.6.4.2.2. Diffuse zwavelhoudende geuremissies uit spoeling, screening en verdampers worden voorkomen en beperkt door die zwak geurende gassen te verzamelen en door de toepassing van een van de technieken, vermeld in BBT 35 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Art. 3.6.4.2.3.

§1. De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen uit een terugwinningsinstallatie:

 

 

parameter

opmerkingen

emissiegrenswaarde

daggemiddelde (in mg/Nm³ bij 5% O2)

jaargemiddelde (in mg/Nm³ bij 5% O2)

gemiddelde over de bemonsteringsperiode (in mg/Nm3 bij 5% O2)

NOX, uitgedrukt als NO2

fabrieken die werken op basis van ammonium

580

450

-

alle andere fabrieken

350

270

-

NH3 (1)

 

-

5

-

stof (2)

terugwinningsinstallaties in fabrieken die meer dan 25% hardhout als grondstof gebruiken

-

-

30

alle andere terugwinningsinstallaties

-

-

20

SO2 (3)

 

300 (4)

250

-

(1) De emissiegrenswaarde voor ammoniak geldt alleen bij de toepassing van selectieve niet-katalytische reductie.
(2) Niet van toepassing op fabrieken die werken met ammonium.
(3)

Niet van toepassing op terugwinningsinstallaties die permanent worden gebruikt in zure omstandigheden, dat wil zeggen bij het gebruik van sulfietresiduloog als spoelmiddel voor gaswassers in het kader van het sulfietterugwinningsproces.

(4)

Niet van toepassing tijdens “zure bedrijfsvoering”, namelijk periodes waarin preventieve spoeling en reiniging plaatsvinden om aanzetting in de gaswassers te verwijderen. Tijdens die periodes geldt een emissiegrenswaarde van 500 mg SO2/Nm3 (halfuurgemiddelde, bij 5% O2) bij de reiniging van een van de gaswassers en 1200 mg SO2/Nm3 (halfuurgemiddelde, bij 5% O2) als de laatste gaswasser wordt gereinigd.

 

De concentratie van de parameters in de afgassen van de terugwinningsinstallatie, vermeld in het eerste lid, wordt gemeten met de frequentie, vermeld in de volgende tabel:

 

parameter

meetfrequentie

SO2, NOX

continu

stof

maandelijks

NH3

maandelijks

 

§2. De “zure bedrijfsvoering”, namelijk de periode waarin preventieve spoeling en reiniging plaatsvinden om aanzetting in de gaswassers te verwijderen, wordt beperkt tot ongeveer 240 uur per jaar voor de gaswassers, en minder dan 24 uur per maand voor de laatste monosulfietgaswasser.


Subafdeling 3.6.4.3.
Energie


Art. 3.6.4.3.1. Het verbruik van thermische energie wordt beperkt, de voordelen van de energiedragers die worden gebruikt, worden gemaximaliseerd, en het verbruik van elektriciteit wordt beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 38 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Art. 3.6.4.3.2. Het rendement van de elektriciteitsopwekking wordt geoptimaliseerd door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 39 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Afdeling 3.6.5.
Mechanische en chemisch-mechanische pulpproductie


Art. 3.6.5.1.

Deze afdeling is van toepassing op de geļntegreerde productie van papier en karton uit mechanische pulp, op de productie van mechanische pulp uit niet-geļntegreerde fabrieken en op de productie van chemisch-thermomechanische en chemisch-mechanische pulp uit geļntegreerde of niet-geļntegreerde fabrieken.

 

Voor geļntegreerde pulp- en papierfabrieken die werken met chemisch-thermomechanische en chemisch-mechanische pulp zijn de processpecifieke bepalingen voor papierproductie, vermeld in afdeling 3.6.7, van toepassing, in aanvulling op de bepalingen in deze afdeling.

 

Artikel 3.6.7.1.3, 3.6.7.2.1, 3.6.7.3.1, 3° en 3.6.7.4.1 zijn ook van toepassing op geļntegreerde fabrieken voor mechanische pulp, papier en karton, in aanvulling op de bepalingen in deze afdeling.


Subafdeling 3.6.5.1.
Water en afvalwater


Art. 3.6.5.1.1.

Voor de geļntegreerde productie van papier en karton uit mechanische pulp die in de installatie is geproduceerd, voor de niet-geļntegreerde productie van mechanische pulp en voor de productie van chemisch-thermomechanische of chemisch-mechanische pulp uit geļntegreerde of niet-geļntegreerde fabrieken zijn de emissiegrenswaarden en, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, de meetfrequenties, vermeld in de volgende tabel, van toepassing op de lozing van afvalwater in oppervlaktewater:

 

parameter

opmerkingen

emissiegrenswaarde, voortschrijdend jaargemiddelde

meetfrequentie

geļntegreerde productie van papier en karton uit mechanische pulp die in de installatie is geproduceerd of niet-geļntegreerde productie van mechanische pulp (in kg/t)

geļntegreerde of niet-geļntegreerde productie van chemisch-thermomechanische of chemisch-mechanische pulp

(in kg/ADt)

CZV (1)

sterk gebleekte mechanische pulp, met 70 - 100% van de vezels in het eindproduct

8

20

dagelijks (2)

in alle andere gevallen

4,5

BZV

 

-

-

wekelijks

zwevende stoffen

 

0,45

0,9

dagelijks (2)

totaal stikstof

 

0,1

0,18

wekelijks (2)

totaal fosfor

 

0,01

0,01

wekelijks (2)

EDTA, DTPA

 

-

-

maandelijks (3)

AOX

 

-

-

maandelijks (4) (5)

(1)

Als totaal organische koolstof (TOC) al wordt gemeten als een voorname sleutelprocesparameter, is het niet nodig om CZV te meten. Er wordt echter wel door een MER-deskundige, erkend in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater als vermeld in artikel 6, 1°, d), 4), van het VLAREL van 19 november 2010, een correlatie tussen de twee parameters vastgesteld voor de specifieke emissiebron en de stap van de afvalwaterbehandeling.

(2) 

Er kunnen ook snelle testmethodes worden gebruikt. Voor CZV en zwevende stoffen wordt maandelijks door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL van 19 november 2010, gecontroleerd of de resultaten van de snelle tests in overeenstemming zijn met de meetmethodes, vermeld in artikel 3.6.2.3.4. Voor totaal stikstof en totaal fosfor wordt om de drie maanden door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL van 19 november 2010, gecontroleerd of de resultaten van de snelle tests in overeenstemming zijn met de meetmethodes, vermeld in artikel 3.6.2.3.4.

(3) Van toepassing als EDTA of DTPA worden gebruikt in het proces.
(4) 

Niet van toepassing op installaties die kunnen aantonen dat er geen AOX wordt gegenereerd of toegevoegd via chemische additieven en grondstoffen.

(5) 

Niet van toepassing op chemisch-thermomechanische of chemisch-mechanische pulpfabrieken.


Subafdeling 3.6.5.2.
Energie


Art. 3.6.5.2.1. Het verbruik van thermische en elektrische energie wordt beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 41 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Afdeling 3.6.6.
Verwerking van papier voor hergebruik


Art. 3.6.6.1.

Deze afdeling is van toepassing op alle geļntegreerde papierfabrieken die gebruikmaken van gerecycleerde vezels en alle niet-geļntegreerde pulpfabrieken die gebruikmaken van gerecycleerde vezels.

 

Artikel 3.6.7.1.3, 3.6.7.2.1, 3.6.7.3.1, 3° en 3.6.7.4.1 zijn ook van toepassing op de productie van papier in geļntegreerde pulp-, papier- en kartonfabrieken die gebruikmaken van gerecycleerde vezels, in aanvulling op de bepalingen in deze afdeling.


Subafdeling 3.6.6.1.
Materialenbeheer


Art. 3.6.6.1.1. De verontreiniging van de bodem en het grondwater wordt voorkomen of het gevaar daarvan wordt beperkt, en het wegwaaien van papier voor hergebruik en diffuse stofemissies van de recyclagewerf wordt beperkt door de toepassing van een van de technieken of een combinatie ervan, vermeld in BBT 42 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Subafdeling 3.6.6.2.
Water en afvalwater


Art. 3.6.6.2.1. Het watergebruik, de hoeveelheid afvalwater en de verontreiniging worden beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 43 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Art. 3.6.6.2.2. In fabrieken met geavanceerde watercircuitsluiting die papier verwerken voor hergebruik, wordt geavanceerde sluiting van watercircuits gehandhaafd, en worden mogelijke nadelige effecten van het verhoogde hergebruik van proceswater vermeden door de toepassing van een van de technieken of een combinatie ervan, vermeld in BBT 44 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Art. 3.6.6.2.3.

Voor niet-geļntegreerde pulpfabrieken die gebruikmaken van gerecycleerde vezels en voor de geļntegreerde productie van papier en karton op basis van pulp uit gerecycleerde vezels zijn de emissiegrenswaarden en, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, de meetfrequenties, vermeld in de volgende tabel, van toepassing op de lozing van afvalwater in oppervlaktewater:

 

parameter

opmerkingen

emissiegrenswaarde, voortschrijdend jaargemiddelde (in kg/t)

meetfrequentie

zonder ontinkting

met ontinkting

tissuepapier

alle andere

CZV (1)

 

1,4

4,0

3,0

dagelijks (2)

BZV

 

-

-

-

wekelijks

zwevende stoffen

bestaande installaties

0,45

0,4

0,3

dagelijks (2)

nieuwe installaties

0,2

totaal stikstof

 

0,09

0,15

0,1

wekelijks (2)

totaal fosfor

fabrieken met een hoeveelheid afvalwater tussen 5 en 10 m3/t

0,008

0,015

0,01

wekelijks (2)

alle andere fabrieken

0,005

EDTA, DTPA

 

-

-

-

maandelijks (3)

AOX

 

0,05 (4)

0,05 (4)

maandelijks (5)

(1)

Als totaal organische koolstof (TOC) al wordt gemeten als een voorname sleutelprocesparameter, is het niet nodig om CZV te meten. Er wordt echter wel door een MER-deskundige, erkend in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater als vermeld in artikel 6, 1°, d), 4), van het VLAREL van 19 november 2010, een correlatie tussen de twee parameters vastgesteld voor de specifieke emissiebron en de stap van de afvalwaterbehandeling.

(2) Er kunnen ook snelle testmethodes worden gebruikt. Voor CZV en zwevende stoffen wordt maandelijks door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL van 19 november 2010, gecontroleerd of de resultaten van de snelle tests in overeenstemming zijn met de meetmethodes, vermeld in artikel 3.6.2.3.4. Voor totaal stikstof en totaal fosfor wordt om de drie maanden door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL van 19 november 2010, gecontroleerd of de resultaten van de snelle tests in overeenstemming zijn met de meetmethodes, vermeld in artikel 3.6.2.3.4.
(3) Van toepassing als EDTA of DTPA worden gebruikt in het proces.
(4)  De emissiegrenswaarde voor AOX geldt alleen voor natsterktepapier.
(5)  Niet van toepassing op installaties die kunnen aantonen dat er geen AOX wordt gegenereerd of toegevoegd via chemische additieven en grondstoffen.

 


Subafdeling 3.6.6.3.
Energie


Art. 3.6.6.3.1. Het verbruik van elektrische energie binnen papierfabrieken die gebruikmaken van gerecycleerde vezels, wordt beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 46 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Afdeling 3.6.7.
Papierproductie en aanverwante processen


Art. 3.6.7.1.

Deze afdeling is van toepassing op alle niet-geļntegreerde papier- en kartonfabrieken, en op de papier- en kartonproductie van geļntegreerde kraft-, sulfiet-, chemisch-thermomechanische en chemisch-mechanische pulp- en papierfabrieken.

 

Artikel 3.6.7.1.3, 3.6.7.2.1, 3.6.7.3.1, 3° en 3.6.7.4.1 zijn van toepassing op alle geļntegreerde pulp- en papierfabrieken.

 

Voor geļntegreerde kraft-, sulfiet-, chemisch-thermomechanische en chemisch-mechanische pulp- en papierfabrieken zijn de processpecifieke bepalingen voor het verpulpen, namelijk respectievelijk de afdeling 3.6.3, 3.6.4 en 3.6.5, ook van toepassing, in aanvulling op de bepalingen in deze afdeling.


Subafdeling 3.6.7.1.
Water en afvalwater


Art. 3.6.7.1.1. Het ontstaan van afvalwater wordt beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 47 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Art. 3.6.7.1.2. Het watergebruik en emissies in het water uit speciale papierfabrieken worden beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 48 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Art. 3.6.7.1.3. De uitstoot van emissies van coatingkleuren en bindmiddelen die de werking van de biologische afvalwaterbehandelingsinstallatie kunnen verstoren, wordt beperkt door de terugwinning van coatingkleuren of het hergebruik van pigmenten, of, als dat technisch niet haalbaar is, door de voorbehandeling van afvalwater dat coatingkleuren bevat.

Art. 3.6.7.1.4.

Voor het productieproces voor papier en karton van geļntegreerde kraft-, sulfiet-, chemisch-thermomechanische en chemisch-mechanische pulp- en papierfabrieken en van niet-geļntegreerde papier- en kartonfabrieken zijn de emissiegrenswaarden en, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, de meetfrequenties, vermeld in de volgende tabel, van toepassing op de lozing van afvalwater in oppervlaktewater:

 

parameter

emissiegrenswaarde, voortschrijdend jaargemiddelde (in kg/t)

meetfrequentie

gespecialiseerde papierfabriek (3)

alle andere papier- en kartonfabrieken

CZV (1)

5

1,5

dagelijks (2)

BZV

-

-

wekelijks

zwevende stoffen

1

0,35

dagelijks (2)

totaal stikstof

0,4

 

0,1 (4)

 

wekelijks (2)

totaal fosfor

0,04

0,012

wekelijks (2)

EDTA, DTPA

-

-

maandelijks (5)

AOX

0,05 (6)

0,05 (6)

maandelijks (7)

(1) Als totaal organische koolstof (TOC) al wordt gemeten als een voorname sleutelprocesparameter, is het niet nodig om CZV te meten. Er wordt echter wel door een MER-deskundige, erkend in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater als vermeld in artikel 6, 1°, d), 4), van het VLAREL van 19 november 2010, een correlatie tussen de twee parameters vastgesteld voor de specifieke emissiebron en de stap van de afvalwaterbehandeling.
(2) Er kunnen ook snelle testmethodes worden gebruikt. Voor CZV en zwevende stoffen wordt maandelijks door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL van 19 november 2010, gecontroleerd of de resultaten van de snelle tests in overeenstemming zijn met de meetmethodes, vermeld in artikel 3.6.2.3.4. Voor totaal stikstof en totaal fosfor wordt om de drie maanden door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL van 19 november 2010, gecontroleerd of de resultaten van de snelle tests in overeenstemming zijn met de meetmethodes, vermeld in artikel 3.6.2.3.4.
(3) Een gespecialiseerde papierfabriek is een fabriek die papier en karton van verschillende kwaliteitsniveaus voor speciale, industriėle of niet-industriėle, doeleinden produceert dat wordt gekenmerkt door specifieke eigenschappen, een relatief kleine eindafzetmarkt of niche-toepassingen die vaak speciaal zijn ontworpen voor een bepaalde klant of groep van eindgebruikers. Die soorten papier en karton vallen buiten de standaardpapiercategorieėn.
(4)  Voor tissuepapier geldt een emissiegrenswaarde van 0,15 kg/t als voortschrijdend jaargemiddelde voor totaal stikstof.
(5)  Van toepassing als EDTA of DTPA worden gebruikt in het proces.
(6)

De emissiegrenswaarde voor AOX geldt alleen voor decoratie- en natsterktepapier.

(7)  Niet van toepassing op installaties die kunnen aantonen dat er geen AOX wordt gegenereerd of toegevoegd via chemische additieven en grondstoffen.

 


Subafdeling 3.6.7.2.
Luchtemissies


Art. 3.6.7.2.1. De VOS-emissies van offline- of onlinecoaters worden beperkt door coatingkleurrecepten te kiezen die de VOS-emissies beperken.

Subafdeling 3.6.7.3.
Productieresiduen


Art. 3.6.7.3.1.

De hoeveelheid te verwijderen afval wordt geminimaliseerd door het ontstaan van afval te voorkomen en dat afval te hergebruiken door de toepassing van een combinatie van de volgende technieken:

1° herwinning van vezels en vulmiddelen en de behandeling van witwater;

2° hercirculatiesysteem voor papieruitval;

3° terugwinning van coatingkleuren of hergebruik van pigmenten;

4° hergebruik van vezelslib uit de primaire afvalwaterbehandeling.


Subafdeling 3.6.7.4.
Energie


Art. 3.6.7.4.1. Het verbruik van thermische en elektrische energie wordt beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 53 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.