Hoofdstuk 3.7.
Raffineren van aardolie en gas


Afdeling 3.7.1.
Toepassingsgebied en definities


Art. 3.7.1.1.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

eenheid: een segment of onderdeel van de installatie waarin een specifieke bewerkingsactiviteit wordt verricht;
nieuwe eenheid: een eenheid die op de plaats van de installatie pas wordt vergund na 28 oktober 2014, of een eenheid die volledig wordt vervangen op de bestaande fundamenten van de installatie na 28 oktober 2014;
bestaande eenheid: een andere eenheid dan een nieuwe eenheid;
procesafgassen: het verzamelde gas dat wordt geproduceerd tijdens een proces en dat moet worden behandeld;
rookgas: de uitlaatgassen die een eenheid verlaten na een oxidatiestap, doorgaans verbranding;
VOS: een organische verbinding alsook de fractie creosoot die bij 293,15 K een dampspanning van 0,01 kPa of meer of onder de specifieke gebruiksomstandigheden een vergelijkbare vluchtigheid heeft;
diffuse VOS-emissies: de niet-gekanaliseerde VOS-emissies die niet worden uitgestoten via specifieke emissiepunten. Ze kunnen afkomstig zijn van oppervlaktebronnen of puntbronnen;
gefluïdiseerd katalytisch kraken: een omzettingsproces om zware koolwaterstoffen te verbeteren door gebruik te maken van warmte en een katalysator om grotere koolwaterstofmoleculen op te breken in lichtere moleculen;
raffinagebrandstof: een vast, vloeibaar of gasvormig brandbaar materiaal verkregen uit de distillatie en omzettingsfasen van de raffinage van ruwe aardolie;
10° raffinagerestgas, afgekort RFG: de afgassen van de distillatie- en omzettingseenheden die worden gebruikt als brandstof;
11° verbrandingseenheid: een eenheid waarin raffinagebrandstoffen alleen worden verbrand of samen met andere brandstoffen voor de productie van energie op de raffinaderij;
12° indirecte monitoring van emissies naar lucht: raming van de emissieconcentratie in het rookgas van een verontreinigende stof verkregen door een passende combinatie van metingen van vervangende parameters, berekeningen en periodieke schoorsteenmetingen;
13° de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas: het uitvoeringsbesluit 2014/738/EU van de Commissie van 9 oktober 2014 tot vaststelling van de BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad, voor het raffineren van aardolie en gas, gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie L307 van 28 oktober 2014.

 

 

 

 


Art. 3.7.1.2.

§1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 1.1, 16.1.a) en 20.1.2 van de indelingslijst. Bestaande installaties, voldoen uiterlijk op 28 oktober 2018 aan dit hoofdstuk.

 

De overeenkomstige GPBV-activiteiten zijn de activiteiten vermeld in punt 1.2, van bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.

 

§2. Het toepassingsgebied van dit hoofdstuk omvat de volgende processen en activiteiten:

 1° alkylering: alle alkyleringsprocessen. Dat zijn waterstoffluoride (HF), zwavelzuur (H2SO4) en vaste zuren;
 2° productie van basisolie: deasfalteren, aromatische extractie, wasverwerking en hydrofinishing van smeerolie;
 3° productie van bitumen: alle technieken gaande van opslag tot toevoegingsmiddelen in eindproducten;
 4° katalytisch kraken: alle soorten eenheden voor katalytisch kraken, zoals eenheden voor gefluïdiseerd katalytisch kraken;
 5° katalytisch reformeren: continu, cyclisch en semiregeneratief katalytisch reformeren;
 6°  vercooksing: vertraagde en gefluïdiseerde vercooksingsprocessen en het calcineren van cokes;
 7°  afkoeling: afkoeltechnieken die in raffinaderijen worden toegepast;
 8° ontzouting: ontzouting van ruwe aardolie;
 9° verbrandingseenheden voor energieproductie die raffinagebrandstoffen verbranden, met uitzondering van eenheden die alleen conventionele of commerciële brandstoffen gebruiken;
10° etherificatie: productie van chemische stoffen die worden gebruikt als additieven in motorbrandstoffen;
11° gasscheiding: scheiding van lichte fracties van ruwe aardolie;
12° waterstofverbruikende processen: hydrokraken, hydrogenerende raffinage, hydrobehandelingen, hydroconversie, hydrobewerking en hydrogeneringsprocessen;
13° waterstofproductie: gedeeltelijke oxidatie, stoomreforming, met gas verhitte reforming en waterstofzuivering;
14° isomerisatie van koolwaterstofverbindingen C4, C5 en C6;
15° aardgascentrales: verwerking van aardgas, met inbegrip van het vloeibaar maken van aardgas;
16° polymerisatie: polymerisatie, dimerisatie en condensatie;
17° primaire distillatie: atmosferische en vacuümdistillatie;
18° productbehandelingen: stankverwijderingsproces en eindproductbehandelingen;
19° opslag en behandeling van raffinagematerialen: opslag, mengen, laden en lossen van raffinagematerialen;
20° viscositeitsreductie en andere thermische conversies;
21° afvalgasbehandeling: technieken om emissies naar lucht te beperken of te bestrijden;
22° afvalwaterbehandeling: technieken om afvalwater vóór de lozing te behandelen;
23° afvalbeheer: technieken die de productie van afval voorkomen of beperken.

 

§3. De bepalingen, vermeld in paragraaf 1, hebben geen betrekking op de volgende activiteiten of processen:

de exploratie naar en productie van ruwe aardolie en aardgas;

het transport van ruwe aardolie en aardgas;
het in de handel brengen en de distributie van producten.

   


Afdeling 3.7.2.
Algemene bepalingen


Art. 3.7.2.1.

De processpecifieke bepalingen, vermeld in afdeling 3.7.3 tot en met 3.7.19, zijn van toepassing naast de algemene bepalingen die in deze afdeling beschreven worden.


Art. 3.7.2.2.

Met toepassing van de bepalingen, vermeld in BBT 30, 44, 4647 en 54 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas, kan er vanwege de toepasbaarheid worden afgeweken van artikel 3.7.8.2, 3.7.14.1, 3.7.14.3, 3.7.15.1 en 3.7.17.1 in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.


Art. 3.7.2.3.

Voor het verbeteren van de totale milieuprestatie van de installaties voor de raffinage van aardolie en gas, wordt een milieubeheersysteem uitgevoerd en nageleefd dat al de volgende elementen omvat:

betrokkenheid van het management, inclusief het senior management;
2°   de uitwerking van een milieubeleid dat de continue verbetering van de installatie door het management omvat;
3°  het plannen en vaststellen van noodzakelijke procedures, doelstellingen en streefcijfers, samen met een financiële planning en investeringen;
de uitvoering van procedures, waarbij meer bepaald aandacht wordt geschonken aan:
  a) de bedrijfsorganisatie en de verantwoordelijkheid van het personeel;
  b)  opleiding, bewustmaking en bekwaamheid;
  c)  communicatie;
  d)  betrokkenheid van de werknemers;
  e) documentatie;
  f)  efficiënte procescontrole;
  g) onderhoudsprogramma's;
  h) noodplan en rampenbestrijding;
  i) het waarborgen van de naleving van de milieuwetgeving;
het controleren van de prestaties en het nemen van corrigerende maatregelen, waarbij meer bepaald aandacht wordt geschonken aan:
  a)  monitoring en meting;
  b) corrigerende en preventieve maatregelen;
  c) bijhouden van gegevens;
  d) interne en externe, waar mogelijk onafhankelijke, audits, om vast te stellen of het milieubeheersysteem voldoet aan de voorgenomen regelingen en of het op de juiste wijze wordt uitgevoerd en gehandhaafd;
evaluatie van het milieubeheersysteem door het senior management om te waarborgen dat het geschikt, adequaat en doeltreffend blijft;
het volgen van de ontwikkeling van schonere technologieën;
8°  bij het ontwerp van een nieuwe inrichting en gedurende de volledige levensduur ervan rekening houden met de milieueffecten tijdens de latere ontmanteling van de installatie;
het op regelmatige tijdstippen uitvoeren van een benchmarkonderzoek in de bedrijfstak.

 


Art. 3.7.2.4. Energie wordt efficiënt gebruikt door gebruik te maken van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 2 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

Art. 3.7.2.5. Stofemissies, afkomstig van de opslag en behandeling van stoffige materialen worden voorkomen of, als dat niet mogelijk is, beperkt door gebruik van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 3 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

Art. 3.7.2.6. Voor periodieke metingen van atmosferische emissies wordt de meetwaarde bepaald als gemiddelde waarde van drie steekproefmonsters van elk minstens dertig minuten.

Art. 3.7.2.7. Bij continue metingen van atmosferische emissies wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden als geen maandgemiddelde, dat bepaald wordt als het gemiddelde van alle geldige uurgemiddelden die zijn gemeten over een periode van een maand, boven de emissiegrenswaarde ligt.

Art. 3.7.2.8.

De emissiegrenswaarden voor verbrandingseenheden, vermeld in dit hoofdstuk, zijn gedefinieerd bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6% voor vaste brandstoffen, 3% voor verbrandingseenheden, met uitzondering van gasturbines en stationaire motoren, die vloeibare en gasvormige brandstoffen gebruiken, en 15% voor gasturbines, met inbegrip van STEG, en stationaire motoren.

 

De emissiegrenswaarden voor de regeneratoren van het katalytische kraakproces en voor de eenheden voor zwavelterugwinning uit het afvalgas, vermeld in dit hoofdstuk, zijn gedefinieerd bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 3%.


Art. 3.7.2.9.

De monitoring van emissies in de lucht wordt verricht overeenkomstig de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.4.2 bij titel II van het VLAREM. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.


Art. 3.7.2.10.

Aan eenheden voor katalytisch kraken en verbrandingseenheden worden de relevante procesparameters in verband met verontreinigende emissies gemonitord met de volgende aangegeven frequentie en met de geschikte technieken:

 

O2-gehalte in rookgassen: continu;
stikstof- en zwavelgehalte in brandstof of toevoer bij afwezigheid van continue metingen voor NOx en SO2: jaarlijks, alsook bij iedere belangrijke wijziging van brandstof of toevoer.

 


Art. 3.7.2.11.

Diffuse VOS-emissies naar lucht afkomstig van de volledige raffinaderij worden gemonitord door de toepassing van afdeling 4.4.6 en subafdeling 5.17.4.5 van titel II van het VLAREM.

 

In aanvulling van subafdeling 5.17.4.5 van titel II van het VLAREM, gelden de bepalingen van voormelde subafdeling voor vaste houders die vloeibare koolwaterstofverbindingen bevatten met een dampspanning van meer dan 4 kPa, bepaald volgens de Reidmethode, en gelden de bepalingen van voormelde subafdeling ook voor vaste houders met een volume kleiner dan 500 m3.


Art. 3.7.2.12. Emissies naar lucht worden voorkomen of beperkt door de eenheden voor de verwijdering van zure gassen, de zwavelterugwinningseenheden en alle andere afvalgasbehandelingssystemen te exploiteren met een hoge beschikbaarheid en optimale capaciteit.

Art. 3.7.2.13.

Voor verbrandings- of proceseenheden waar SCR of SNCR-technieken worden gebruikt, geldt een emissiegrenswaarde voor ammoniak van 15 mg/Nm³.

 

De concentratie ammoniak in de afgassen van verbrandings- of proceseenheden waar SCR of SNCR-technieken worden gebruikt, wordt continu gemeten.


Art. 3.7.2.14.

Bij gebruik van een eenheid voor het strippen van de zure waterstroom, worden emissies naar lucht voorkomen en beperkt door de zure afgassen, afkomstig van die eenheid, naar een zwavelterugwinningseenheid of een gelijkwaardig gasbehandelingssysteem af te leiden.

 

Onbehandelde gassen afkomstig van het strippen van zuur water, mogen niet direct worden verbrand.


Art. 3.7.2.15.

Emissies naar water worden gemonitord met de frequentie, vermeld in de volgende tabel. De monitoringfrequentie heeft betrekking op een schepmonster, een debietproportioneel 24 uur-mengmonster of een schepmonster en een debietproportioneel 24 uur-mengmonster als vermeld in artikel 4.2.6.1 van titel II van het VLAREM. De monitoring van emissies in water wordt verricht overeenkomstig de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.

 

parameter

minimale monitoringfrequentie

minerale-olie-index (HOI)

dagelijks

zwevende stoffen

dagelijks

CZV (1)

dagelijks

BZV

wekelijks

totaal stikstof

dagelijks

lood

driemaandelijks

cadmium

driemaandelijks

nikkel

driemaandelijks

kwik

driemaandelijks

vanadium

driemaandelijks

fenolindex

maandelijks

benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xyleen (BTEX)

maandelijks

(1)  Als een correlatie ter plaatse beschikbaar is, mag het CZV worden vervangen door TOC.
De correlatie tussen CZV en TOC wordt wel geval per geval vastgesteld door een MER-deskundige, erkend in de discipline water,
deeldomein oppervlakte- en afvalwater als vermeld in artikel 6, 1°, d), 4), van het VLAREL van 19 november 2010.


Art. 3.7.2.16.

Het waterverbruik en het volume verontreinigd water, alsook de emissies naar water, afkomstig van viscositeitsreductie en andere thermische processen, worden beperkt door gebruik van al de volgende technieken:

integratie van waterstromen, voor nieuwe eenheden;
water- en drainagesysteem voor scheiding van vervuilde waterstromen, voor nieuwe eenheden;
scheiding van niet-vervuilde waterstromen, voor nieuwe eenheden;
voorkoming van accidentele lozingen en lekkages.

 


Art. 3.7.2.17.

Tenzij het anders is vermeld, worden de middelingstijden voor emissies in het water als volgt bepaald:

daggemiddelde: gemiddelde over een bemonsteringsperiode van 24 uur, genomen als een met het debiet evenredig samengesteld monster of, op voorwaarde dat een toereikende stabiliteit van het debiet is aangetoond, een tijdsevenredig monster;
2°  jaargemiddelde: voortschrijdend gemiddelde van alle daggemiddelden, verkregen binnen een jaar, gewogen naargelang de dagelijkse debieten.

 


Art. 3.7.2.18.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op lozingen op oppervlaktewater, afkomstig van de raffinage van aardolie en gas.

 

parameter

eenheid

emissiegrenswaarde

middelingstijd

HOI

mg/l

2,5

jaargemiddelde

ZS

mg/l

25

jaargemiddelde

CZV

mg/l

raffineren van aardolie: 125

raffineren van aardgas: 125

ogenblikkelijk

jaargemiddelde

Ntot

mg/l

raffineren van aardolie: 25

raffineren van aardgas: 25

daggemiddelde

jaargemiddelde

Pb

mg/l

0,030

jaargemiddelde

Cd

mg/l

raffineren van aardolie: 0,005

raffineren van aardgas: 0,0008

ogenblikkelijk

daggemiddelde

Ni

mg/l

0,03

daggemiddelde

Hg

mg/l

raffineren van aardolie: 0,001

raffineren van aardgas: 0,0003

ogenblikkelijk

daggemiddelde

Benzeen

mg/l

raffineren van aardolie: 0,005

raffineren van aardgas: 0,01

ogenblikkelijk

daggemiddelde

 


Art. 3.7.2.19. De productie van afval wordt voorkomen of, als dat niet mogelijk is, beperkt door een afvalbeheerplan aan te nemen en ten uitvoer te leggen dat, volgens prioriteit, garandeert dat afval wordt behandeld met het oog op hergebruik, recyclage, terugwinning of verwijdering.

Art. 3.7.2.20. De hoeveelheid slib die moet worden behandeld of verwijderd, wordt beperkt door gebruik van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 15 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

Art. 3.7.2.21. De productie van afvalstoffen afkomstig van uitgewerkte vaste katalysatoren, wordt beperkt door gebruik van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 16 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

Art. 3.7.2.22. Geluidshinder wordt voorkomen of beperkt door gebruik van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 17 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

Art. 3.7.2.23.

Diffuse VOS-emissies worden voorkomen of beperkt door gebruik van de volgende technieken:

technieken in verband met het ontwerp van de inrichting, voor nieuwe eenheden;
technieken in verband met het opzetten en de inbedrijfstelling van inrichtingen, voor nieuwe eenheden;
technieken in verband met de exploitatie van de inrichting, meer bepaald de toepassing van de bepalingen van afdeling 4.4.6 en subafdeling 5.17.4.5 van titel II van het VLAREM.

Afdeling 3.7.3.
Alkyleringsproces


Subafdeling 3.7.3.1.
Alkylering van waterstoffluoride


Art. 3.7.3.1.1.

Waterstoffluoride-emissies naar lucht afkomstig van de alkylering van waterstoffluoride worden voorkomen door gebruik van natte gaswassing met alkalische oplossing om niet-condenseerbare gasstromen te behandelen voor die via de fakkel afgeblazen worden.

 

Vanwege de gevaarlijke aard van waterstoffluoride worden veiligheidsvereisten in acht genomen.


Art. 3.7.3.1.2.

Emissies naar water afkomstig van de alkylering van waterstoffluoride worden beperkt door gebruik van een combinatie van de volgende technieken:

1°  precipitatie-/neutralisatiefase;
scheidingsfase.

Subafdeling 3.7.3.2.
Alkylering van zwavelzuur


Art. 3.7.3.2.1. Emissies naar water, afkomstig van de alkylering van zwavelzuur, worden beperkt door het gebruik van zwavelzuur te beperken door het verbruikte zuur te regenereren en het in dat proces geproduceerde afvalwater te neutraliseren voor het naar de afvalwaterbehandeling afgeleid wordt.

Afdeling 3.7.4.
Productieprocessen van basisolie


Art. 3.7.4.1. Emissies van gevaarlijke stoffen naar lucht en water, afkomstig van de productieprocessen van basisolie worden voorkomen en beperkt door gebruik van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 22 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

Afdeling 3.7.5.
Productieproces van bitumen


Art. 3.7.5.1. Emissies naar lucht, afkomstig van het productieproces van bitumen worden voorkomen en beperkt door gasvormige topproducten te behandelen aan de hand van een van de technieken, vermeld in BBT 23 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

Subafdeling 3.7.6.
Gefluïdiseerd katalytisch kraken


Art. 3.7.6.1. De emissies van CO naar lucht afkomstig van de regenerator van het katalytische kraakproces, worden beperkt door gebruik van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 27 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

Art. 3.7.6.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies naar lucht afkomstig van de regenerator in het katalytische kraakproces:

 

parameter

opmerkingen

emissiegrenswaarde
(mg/Nm³)

NOx, uitgedrukt als NO2

nieuwe eenheid

100

bestaande eenheid/volledige verbranding

zonder injectie van antimoon voor passivering van metaal

300

met injectie van antimoon voor passivering van metaal

700

bestaande eenheid/ gedeeltelijke verbranding

zonder injectie van antimoon voor passivering van metaal

400

met injectie van antimoon voor passivering van metaal

700

stof

nieuwe eenheid

25 (1)

bestaande eenheid

50 (1)

 

SO2

nieuwe eenheid

300

bestaande eenheid/ volledige verbranding

bij zwavelarme toevoer (of hydrobehandeling), of bij gaswassing

600

in alle andere gevallen

800

bestaande eenheid/ gedeeltelijke verbranding

bij zwavelarme toevoer (of hydrobehandeling), of bij gaswassing

600

in alle andere gevallen

1200

CO

gedeeltelijke verbranding

100

(1)  De emissiegrenswaarde voor stof geldt niet voor roetblazen in CO-ketel en via de gaskoeler.

 


Art. 3.7.6.3.

De concentratie van de parameters in de afgassen van de regenerator van het katalytisch kraakproces wordt gemeten met de frequentie, vermeld in de volgende tabel:

 

parameter

meetfrequentie

SO2, NOx, stof en CO

continu

SO3

bij kalibratie van het SO2-monitoringsysteem

nikkel, antimoon en vanadium

zesmaandelijks en na belangrijke wijzigingen in de eenheid (1)

(1)  In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan afwijking verleend worden van deze monitoringfrequenties als de gegevensreeksen duidelijk een toereikende stabiliteit aantonen

 

De continue meting van SO2, vermeld in het eerste lid, kan vervangen worden door berekeningen op basis van metingen van het zwavelgehalte van de brandstof of de toevoer als kan worden aangetoond dat het in een gelijkwaardige nauwkeurigheid resulteert.

 

De meting van antimoon, vermeld in het eerste lid, is alleen vereist als tijdens het proces antimoon wordt geïnjecteerd.

 

De directe metingen van nikkel, vanadium en antimoon, vermeld in het eerste lid, kunnen vervangen worden door analyses op basis van het metaalgehalte in de fijne katalysatordeeltjes en in de brandstof.


Afdeling 3.7.7.
Katalytisch reformeren


Art. 3.7.7.1.

De emissies van dioxinen en furanen naar lucht, afkomstig van de eenheid voor katalytisch reformeren worden beperkt door gebruik van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 28 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

 

De concentratie dioxinen en furanen in de afgassen van de eenheid voor katalytisch reformeren wordt jaarlijks gemeten.


Afdeling 3.7.8.
Vercooksingsproces


Art. 3.7.8.1. De emissies naar lucht, afkomstig van vercooksingsprocessen, worden beperkt door gebruik van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 29 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

Art. 3.7.8.2. De emissies van NOx naar lucht, afkomstig van het calcineren van groene cokes, worden beperkt door gebruik van selectieve niet-katalytische reductie.

Art. 3.7.8.3. De emissies van SOX naar lucht, afkomstig van het calcineren van groene cokes, worden beperkt door gebruik van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 31 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

Art. 3.7.8.4.

Er geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 50 mg/Nm3 voor de geloosde afgassen van eenheden voor het calcineren van groene cokes.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde, vermeld in het eerste lid, afgeweken worden voor eenheden waarvoor een elektrostatische precipitator niet toepasbaar is. De individueel afwijkende emissiegrenswaarde bedraagt in dat geval maximaal 150 mg/Nm³.


Art. 3.7.8.5.

De concentratie van de parameters in de afgassen van calcineereenheden wordt gemeten met de frequentie, vermeld in de volgende tabel:

 

parameter

meetfrequentie

SO2, NOx en stof

continu

SO3

bij kalibratie van het SO2-monitoringsysteem

 

De continue meting van SO2, vermeld in het eerste lid, kan vervangen worden door berekeningen op basis van metingen van het zwavelgehalte van de brandstof of de toevoer als kan worden aangetoond dat het in een gelijkwaardige nauwkeurigheid resulteert, of door een andere vorm van indirecte monitoring.


Afdeling 3.7.9.
Ontzoutingsproces


Art. 3.7.9.1. Het verbruik van water en emissies naar water, afkomstig van het ontzoutingsproces worden beperkt door gebruik van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 33 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

Afdeling 3.7.10.
Verbrandingseenheden


Art. 3.7.10.1.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de emissies naar lucht afkomstig van verbrandingseenheden. Voor gasturbines hebben de emissiegrenswaarden betrekking op de gecombineerde emissies van de gasturbine en de aanvullende terugwinningsketels als die aanwezig zijn.

 

parameter opmerkingen emissiegrenswaarde (mg/Nm³)
NOx, uitgedrukt als NO2 gasturbines, met inbegrip van STEG en KV-STEG bestaande turbine 120
nieuwe turbine, bij brandstof met H2-gehalte > 10% 75
nieuwe turbine, in alle andere gevallen 50
gasgestookte verbrandingseenheid, met uitzondering van gasturbines bestaande eenheid, bij gebruik van luchtvoorverwarming > 200°C
of bij brandstof met H2-gehalte > 50%
200
bestaande eenheid, in alle andere gevallen 150
nieuwe eenheid 100
gemengde verbrandingseenheid, met uitzondering van gasturbines bestaande eenheid 300 (1)
stof gemengde verbrandingseenheid, met uitzondering van gasturbines bestaande eenheid 50
nieuwe eenheid < 50 MW 25
SO2 verbrandingseenheid waarin RFG wordt gestookt, met uitzondering van gasturbines 35 (2)    
gemengde verbrandingseenheid, met uitzondering van gasturbines en stationaire gasmotoren bestaande eenheid 600
CO   100
(1) Bij bestaande eenheden <100 MW op stookolie met een stikstofgehalte boven 0,5 gewichtspercent of bij gebruik van vloeibare brandstof >50%, of bij bestaande eenheden die gebruikmaken van luchtvoorverwarming,
geldt een emissiegrenswaarde voor NOx van 450 mg/Nm3.
(2) Bij specifieke configuratie van RFG-behandeling met een lage bedrijfsdruk van de gaswasser en met een raffinagerestgas met een H/C-molverhouding boven 5 geldt een emissiegrenswaarde voor SO2 van 45 mg/Nm³.

 

In de tabel, vermeld in het eerste lid, wordt verstaan onder KV-STEG: STEG met geïntegreerde vergassing.


Art. 3.7.10.2.

In afwijking van artikel 5.43.2.23 en artikel 5.43.3.25 van titel II van het VLAREM wordt de concentratie van de parameters in de rookgassen van verbrandingseenheden gemeten met de frequentie, vermeld in de volgende tabel. Het nominaal thermisch ingangsvermogen wordt bepaald als het totale nominale thermische ingangsvermogen van alle verbrandingseenheden die zijn aangesloten op de schoorsteen waar de uitstoot plaatsvindt.

 

nominaal thermisch ingangsvermogen

parameter

meetfrequentie

≥ 100 MW    

SO2, NOx en stof

Continu (1)

 

SO3

bij kalibratie van het SO2-monitoringsysteem

 

CO

continu

 

nikkel en vanadium

om de zes maanden en na belangrijke wijzigingen in de eenheid (2) (3)

≥ 50 tot 100 MW

SO2, NOx en stof

Continu [...] (4)

 

SO3

bij kalibratie van het SO2-monitoringsysteem

 

CO

om de drie maanden

 

nikkel en vanadium

om de zes maanden en na belangrijke wijzigingen in de eenheid (2) (3)

> 5 MW tot 50 MW

SOx, NOx en stof

om de drie maanden (5) (6)

 

CO

om de drie maanden

 

nikkel en vanadium

om de zes maanden en na belangrijke wijzigingen in de eenheid (2) (3)

≤5 MW

SOx, NOx en stof

jaarlijks en na belangrijke brandstofwijzigingen (3) (6)

 

CO

om de zes maanden (3)

 

nikkel en vanadium

om de zes maanden en na belangrijke wijzigingen in de eenheid (2) (3)

 

(1) Voor verbrandingseenheden met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 100 MW of meer die gestookt worden met olie waarvan het zwavelgehalte bekend is, als er geen ontzwavelingsuitrusting is, kan de continue meting van SO2 vervangen worden door berekeningen op basis van metingen van het zwavelgehalte van de brandstof of de toevoer, als kan worden aangetoond dat het in een gelijkwaardige nauwkeurigheid resulteert, of door een andere vorm van indirecte continue monitoring.
(2) De directe metingen van nikkel en vanadium, vermeld in het eerste lid, kunnen vervangen worden door analyses op basis van het metaalgehalte in de fijne katalysatordeeltjes en in de brandstof. Meting van nikkel en vanadium is niet vereist in geval van verbrandingseenheden waarin alleen gasvormige brandstoffen gestookt worden.
(3)  In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan afwijking verleend worden van deze monitoringfrequenties als de gegevensreeksen duidelijk een toereikende stabiliteit aantonen.
(4) Voor verbrandingseenheden met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer tot 100 MW, kan de continue meting van NOx en stof vervangen worden door indirecte continue monitoring en kan de continue meting van SO2 vervangen worden door berekeningen op basis van metingen van het zwavelgehalte van de brandstof of de toevoer, als kan worden aangetoond dat het in een gelijkwaardige nauwkeurigheid resulteert, of door een andere vorm van indirecte continue monitoring. Voor stof worden in dit geval ten minste om de zes maanden emissiemetingen uitgevoerd.
(5) Voor verbrandingseenheden met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW tot 50 MW volstaat een jaarlijkse meting voor stof als het gaat om verbrandingseenheden die in hoofdzaak gevoed worden met gasvormige brandstoffen en een jaarlijkse meting voor SOx als het gaat om verbrandingseenheden die gestookt worden met ontzwaveld raffinaderijgas waarvan het zwavelgehalte minder dan 150 ppm bedraagt.
(6) Voor verbrandingseenheden met een nominaal thermisch ingangsvermogen kleiner dan 50 MW kan de directe meting van SOx, NOx en stof vervangen worden door indirecte monitoring.

 


Art. 3.7.10.3.

Tenzij het anders is vermeld, gelden voor grote stookinstallaties aanvullend de bepalingen, vermeld in afdeling 5.43.3 van titel II van het VLAREM, met uitzondering van de erin vastgestelde emissiegrenswaarden voor andere stookinstallaties dan gasturbines en stationaire motoren die gevoed worden met gasvormige of vloeibare brandstoffen. Voor andere grote stookinstallaties dan gasturbines en stationaire motoren die gevoed worden met gasvormige of vloeibare brandstoffen, gelden aanvullend de emissiegrenswaarden, vermeld in afdeling 5.20.2 van titel II van het VLAREM.


Afdeling 3.7.11.
Etherificatieproces


Art. 3.7.11.1. De emissies naar lucht afkomstig van het etherificatieproces worden beperkt door een passende behandeling van procesafgassen waarin ze worden afgeleid naar het raffinagerestgassysteem.

Art. 3.7.11.2. Een verstoring van de biobehandeling wordt voorkomen door gebruik te maken van een opslagtank en een geschikt productieplanbeheer voor de eenheid om het opgeloste gehalte van toxische stoffen in de afvalwaterstroom vóór de laatste behandeling te controleren.

Afdeling 3.7.12.
Isomerisatieproces


Art. 3.7.12.1. Emissies van chloorverbindingen naar lucht worden beperkt door de optimalisatie van het gebruik van organische chloorverbindingen die worden gebruikt om de katalysatoractiviteit te handhaven, als een dergelijk proces aanwezig is, of door het gebruik van niet-gechloreerde katalytische systemen.

Afdeling 3.7.13.
Raffineren van aardgas


Art. 3.7.13.1.

De emissies van zwaveldioxide naar lucht afkomstig van de aardgasinrichting worden beperkt door de toepassing van al de volgende technieken:

1°  verwijdering van zuur gas;
zwavelterugwinningseenheid;
restgasbehandelingseenheid.

Art. 3.7.13.2. Stikstofoxide-emissies naar lucht, afkomstig van de aardgasinrichting worden beperkt door de toepassing van BBT 34 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

Art. 3.7.13.3. De emissies van kwik, als die aanwezig zijn in ruw aardgas, worden voorkomen door verwijdering van kwik en terugwinning van kwikhoudende slib met het oog op afvalverwijdering.

Afdeling 3.7.14.
Distillatieproces


Art. 3.7.14.1. De afvalwaterstromen afkomstig van het distillatieproces worden voorkomen en beperkt door vloeistofringvacuümpompen of oppervlaktecondensoren te gebruiken.

Art. 3.7.14.2. Watervervuiling, afkomstig van het distillatieproces wordt voorkomen of beperkt door zuur water naar de strippingeenheid af te leiden.

Art. 3.7.14.3. Emissies naar lucht, afkomstig van distillatie-eenheden worden voorkomen of beperkt door te zorgen voor de passende behandeling van procesafgassen, in het bijzonder niet-condenseerbare afgassen, door zuur gas te verwijderen vóór verder gebruik.

Afdeling 3.7.15.
Behandelingsproces van producten


Art. 3.7.15.1. De emissies naar lucht, afkomstig van het behandelingsproces van producten, worden beperkt door te zorgen voor de passende verwijdering van afgassen, meer bepaald sterk ruikende lucht, afkomstig van stankverwijderingseenheden, door die af te leiden naar een verwerkingseenheid.

Art. 3.7.15.2. In geval van een behandelingsproces van producten waarbij caustische middelen worden gebruikt, wordt de productie van afval en afvalwater beperkt door een caustische cascadeoplossing en een globaal beheer van verbruikte caustische middelen, met inbegrip van recyclage na een passende behandeling, te hanteren.

Afdeling 3.7.16.
Opslag- en behandelingsprocessen


Art. 3.7.16.1.

§1.
Bovengrondse verticale houders die vloeibare koolwaterstofverbindingen bevatten met een dampspanning van meer dan 4 kPa, bepaald volgens de Reidmethode, worden uitgerust met vlottende daken, voorzien van de beste beschikbare dichtingen, vermeld in paragraaf 2 tot en met 7.

 

§2.
Houders, uitgerust met een uitwendig vlottend dak, zijn voorzien van een primaire afdichting om de ringvormige ruimte tussen de wand van de houder en de buitenste rand van het vlottende dak af te dichten, en van een secundaire afdichting die boven de primaire afdichting is aangebracht, zodat in vergelijking met een vergelijkbare houder met vast dak zonder dampbeheersvoorzieningen, dat wil zeggen een houder met vast dak en alleen vacuüm/overdrukklep, in totaal 95% of meer van de damp wordt vastgehouden.

 

Houders die na 28 oktober 2018 in gebruik worden genomen, worden aanvullend uitgerust met een tertiaire dichting waardoor een minimaal rendement van 98% of meer wordt bereikt.

 

§3.
De houders, uitgerust met een intern vlottend dak, zijn voorzien van een primaire afdichting, zodat in vergelijking met een vergelijkbare houder met vast dak zonder dampbeheersvoorzieningen, namelijk een houder met vast dak en alleen vacuüm/overdrukklep, in totaal 90% of meer van de damp wordt vastgehouden.

 

Houders die na 1 januari 2016 in gebruik worden genomen, worden aanvullend uitgerust met een dubbele dichting zodat een rendement van 98% of meer wordt bereikt.

 

§4.
Om het rendement, vermeld in paragraaf 2 en 3, te bepalen, worden berekeningsmethoden uit de literatuur gebruikt die ten minste rekening houden met de volgende parameters: de dampspanning bij opslagtemperatuur, het moleculaire gewicht van de dampen, het type afdichting, de diameter van de houder en de vrije damphoogte. De berekeningen van het rendement worden voor elke houder ter beschikking gehouden van de toezichthouder.

 

§5.
Als het rendement, vermeld in paragraaf 2 en 3, niet gerealiseerd kan worden vanwege de specifieke karakteristieken van de betrokken houder, wordt aangetoond dat de beste beschikbare primaire, secundaire en tertiaire dichtingen worden ingezet. Dat kan door aan te tonen dat de geïnstalleerde dampvoorzieningen het rendement wel zouden bereiken in een houder met gemiddelde karakteristieken.

 

§6.
In afwijking van paragraaf 1 zijn ook tanks met een vast dak, verbonden met een dampterugwinningseenheid, toegelaten, als daarbij minimaal hetzelfde rendement als vermeld in paragraaf 3 wordt gerealiseerd.

 

§7.
Alle naden, verbindingen en doorvoeringen van de drijvende daken worden afgedicht met toepassing van de beste beschikbare technieken.


Art. 3.7.16.2. De emissies van VOS naar lucht, afkomstig van de opslag van vloeibare koolwaterstofverbindingen met een dampspanning van meer dan 4 kPa, bepaald volgens de Reidmethode, worden beperkt door gebruik van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 50 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

Art. 3.7.16.3. De emissies naar bodem en grondwater, afkomstig van de opslag van vloeibare koolwaterstofverbindingen worden voorkomen of beperkt door gebruik van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 51 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

Art. 3.7.16.4.

§1. Verplaatsingsdampen uit vaste en mobiele tanks die worden gevuld met vloeibare koolwaterstofverbindingen met een dampspanning van meer dan 4 kPa, bepaald volgens de Reidmethode, worden via een dampdichte leiding teruggevoerd naar een dampterugwinningseenheid, waarbij een terugwinning van ten minste 95% bewerkstelligd wordt.

 

Voor zeeschepen zijn de bepalingen, vermeld in het eerste lid, uitsluitend van toepassing als op jaarbasis meer dan 1 miljoen kubieke meter van de stoffen of mengels, vermeld in het eerste lid wordt beladen.

 

Als dampterugwinning onveilig of technisch onmogelijk is vanwege de hoeveelheden retourdamp, kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit toestemming verleend worden om de dampterugwinningseenheid te vervangen door een dampverwerkingseenheid.

 

§2. De emissiegrenswaarden, vermeld in volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van de dampterugwinnings- of dampverwerkingseenheid.

 

parameter

emissiegrenswaarde

middelingstijd

NMVOS

5 g/Nm³

uurgemiddelde

Benzeen

1 mg/Nm³

uurgemiddelde

 

§3. Uiterlijk drie maanden na de datum van ingebruikname en vervolgens minstens eenmaal per jaar, wordt door een erkend laboratorium in de discipline lucht, vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL, een verslag opgesteld. Hierin worden de resultaten van de metingen, uitgevoerd ter bepaling van de gemiddelde concentratie van dampen in de afvoer van de dampterugwinningseenheid, weergegeven, besproken en getoetst aan de emissiegrenswaarden, vermeld in §2. De termijn tussen twee controlemetingen mag in geen geval vijftien maanden overschrijden. Het verslag wordt opgestuurd naar de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, en de Vlaamse Milieumaatschappij.

 

De metingen worden uitgevoerd conform de bepalingen, vermeld in bijlage 5.17.9, §3, 2°, van titel II van het VLAREM.

 

§4. Elke periode van buitengebruikstelling van de dampterugwinnings- of dampverwerkingseenheid wordt in een register vermeld, alsook de reden daarvan en de getroffen maatregelen. Dat register ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van exploitatie.


Afdeling 3.7.17.
Zwavelbehandeling van afvalgassen


Art. 3.7.17.1.

De emissies van zwavel naar lucht afkomstig van afgassen die waterstofsulfide bevatten, worden beperkt door al de volgende technieken:

1°  verwijdering van zuur gas;
2°  zwavelterugwinningseenheid;
restgasbehandelingseenheid.

 

Bij de verwijdering van zuur gas wordt waterstofsulfide in het behandelde RFG verwijderd om te voldoen aan de emissiegrenswaarde voor SO2 als vermeld in art. 3.7.10.1.

 

Wat betreft het zwavelterugwinningsrendement voor de hele behandelingsketen gelden de bepalingen vermeld in artikel 5.20.2.7, §3 van titel II van het VLAREM.


Art. 3.7.17.2.

De concentratie SO2 in de geloosde afgassen van zwavelterugwinningseenheden wordt continu gemeten.

 

De continue meting van SO2, vermeld in het eerste lid, kan vervangen worden door een continue materiaalbalans of de monitoring van andere relevante procesparameters, op voorwaarde dat passende metingen van de efficiëntie van de zwavelterugwinningseenheid gebaseerd zijn op tweejaarlijkse proeven van de prestaties van de inrichting.


Afdeling 3.7.18.
Fakkels


Art. 3.7.18.1. De emissies, afkomstig van fakkels, naar lucht worden voorkomen door affakkeling alleen toe te passen om veiligheidsredenen of voor niet-routinematige bedrijfsomstandigheden.

Art. 3.7.18.2.

Als affakkelen onvermijdelijk is, worden de emissies naar lucht, afkomstig van fakkels, beperkt door gebruik te maken van de volgende technieken:

correct ontwerp van de inrichting, voor nieuwe eenheden. In bestaande eenheden kan een systeem voor de terugwinning van afgefakkeld gas worden ingebouwd;
2°  inrichtingsbeheer;
3°  correct ontwerp van affakkelingsinrichtingen, voor nieuwe eenheden;
4°  monitoring en verslaglegging.

 


Afdeling 3.7.19.
Geïntegreerd emissiebeheer


Art. 3.7.19.1.

In afwijking van de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 3.7.6.2 en artikel 3.7.10.1, en in afwijking van de bepalingen, vermeld in artikel 3.7.17.1, kan ter verwezenlijking van een algemene reductie van NOx- en SO2-emissies naar lucht, afkomstig van verbrandingseenheden, FCC-eenheden en zwavelterugwinningseenheden, een techniek voor geïntegreerd emissiebeheer gehanteerd worden. De toepassing van die techniek en de emissiegrenswaarden voor NOx die gelden voor alle verbrandingseenheden en FCC-eenheden en de emissiegrenswaarden voor SO2 die gelden voor alle verbrandingseenheden, FCC-eenheden en zwavelterugwinningseenheden, worden in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vastgelegd, conform de bepalingen van BBT 57 en BBT 58 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas. De exploitant verstrekt daarvoor de informatie, vermeld in bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd, aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, als die daarom verzoekt.

 

In afwijking van het eerste lid blijven de emissiegrenswaarden voor NOx en SO2, vermeld in artikel 3.7.6.2 en artikel 3.7.10.1, en het zwavelterugwinningsrendement, vermeld in artikel 3.7.17.1, gelden voor elke nieuwe verbrandingseenheid, nieuwe FCC-eenheid en nieuwe zwavelterugwinningseenheid die wordt opgenomen in het systeem voor geïntegreerd emissiebeheer.

 

In het tweede lid wordt verstaan onder FCC-eenheid: de eenheid voor gefluïdiseerd katalytisch kraken.

 

Als een techniek voor geïntegreerd emissiebeheer toegepast wordt, wordt de monitoring van NOx- en SO2-emissies, vermeld in artikel 3.7.6.3, artikel 3.7.10.2 en artikel 3.7.17.2, aangevuld met de volgende zaken:

een monitoringplan, met inbegrip van een beschrijving van de gemonitorde processen, een lijst van de emissiebronnen en bronstromen die voor elk proces worden gemonitord, alsook een beschrijving van de gebruikte methodologie, de onderliggende aannames en de bijbehorende betrouwbaarheidsgraad;
2°  continue monitoring van het rookgasdebiet van de betrokken eenheden, hetzij via directe metingen, hetzij via een gelijkwaardige methode;
een gegevensbeheersysteem voor de verzameling, verwerking en verslaglegging van alle monitoringgegevens die nodig zijn om de emissies te bepalen van de bronnen die onder de techniek voor geïntegreerd emissiebeheer vallen.

 

Als een techniek voor geïntegreerd emissiebeheer toegepast wordt, wordt uiterlijk op 30 maart 2020 de informatie, vermeld in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd, bezorgd aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning. De informatie heeft betrekking op de jaren 2017, 2018 en 2019.