Hoofdstuk IV.
De aangifte en de berekening van de productie van dierlijke mest


Afdeling I.
De aangifte


Art. 23.

§ 1

De volgende personen doen elk jaar, met toepassing van dit decreet, een aangifte:




 
de landbouwer die:
a) een bedrijf heeft met een productie aan dierlijke mest groter dan of gelijk aan 300 kg P2O5;
b) een bedrijf heeft waarvan op de verschillende exploitaties die deel uitmaken van het bedrijf, in het jaar in kwestie op een bepaald ogenblik gezamenlijk meer dan 300 kg P2O5 uit dierlijke mest opgeslagen was;
c) een bedrijf heeft waarvan de verschillende exploitaties die deel uitmaken van het bedrijf, in het kalenderjaar in kwestie op een bepaald ogenblik gezamenlijk een oppervlakte landbouwgrond groter dan of gelijk aan 2 ha in gebruik hebben;
d) een bedrijf heeft waarvan de verschillende exploitaties die deel uitmaken van het bedrijf, in het kalenderjaar in kwestie op een bepaald ogenblik gezamenlijk een effectieve oppervlakte groeimedium voor het telen van gewassen groter dan of gelijk aan 50 a hebben;
e) een bedrijf heeft waarvan de verschillende exploitaties die deel uitmaken van het bedrijf, in het jaar in kwestie op een bepaald ogenblik gezamenlijk een oppervlakte permanent overkapte landbouwgrond groter dan of gelijk aan 50 a in gebruik hebben;
f) als actieve landbouwer gekend is in het GBCS, vermeld in artikel 2, 14°, van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid, en geen verklaring heeft ingediend als vermeld in paragraaf 3, waaruit blijkt dat zijn bedrijf niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in a) tot en met e);
de uitbater van een mestverzamelpunt met een opslagcapaciteit groter dan of gelijk aan 300 kg P2O5;
de uitbater van een bewerkings- of verwerkingseenheid, met een bewerkings- of verwerkingscapaciteit voor dierlijke mest of andere meststoffen groter dan of gelijk aan 300 kg P2O5 per jaar;
eenieder die andere meststoffen produceert, verdeelt, importeert of exporteert, en die minstens 300 kg P2O5 laat afzetten op landbouwgrond in het Vlaamse Gewest;
eenieder die minstens 10.000 kg N per jaar uit kunstmest produceert, verdeelt, importeert of exporteert en die levert aan verdelers of aan landbouwers als vermeld in punt 1°;
eenieder die diervoeders produceert, invoert of verkoopt;
eenieder die het vorige jaar, ter uitvoering van punt 1° tot en met 7°, een aangifte heeft ingediend bij de Mestbank en niet aan de Mestbank heeft gemeld dat hij zijn bedrijf of uitbating heeft stopgezet, of die geen verklaring heeft afgelegd als vermeld in paragraaf 3;
de erkende mestvoerder, vermeld in artikel 48, die op een of meer documenten, opgesteld ter uitvoering van artikel 47 tot en met 60, als aanbieder of afnemer van meststoffen vermeld is.

 

De productie aan dierlijke mest van een bedrijf als vermeld in het eerste lid, 1°, a), wordt berekend als de som van de productie aan dierlijke mest van elke exploitatie van het bedrijf. De productie aan dierlijke mest van een exploitatie wordt berekend als het product, uitgedrukt in kg P2O5, van de gemiddelde veebezetting in de exploitatie gedurende het voorbije kalenderjaar, met de overeenkomstige productie per dier, vermeld in artikel 27, § 1.

 

Voor de berekening in een bepaald kalenderjaar van de effectieve oppervlakte groeimedium voor het telen van gewassen, vermeld in het eerste lid, 1°, d), worden de rijpaden en de ruimtes tussen de teelten meegerekend. Als er verschillende teeltlagen zijn, wordt de oppervlakte van elke teeltlaag opgeteld voor het verkrijgen van de effectieve oppervlakte. Als het maximum aantal lagen dat op enig moment in het kalenderjaar in kwestie in de desbetreffende bedrijfsruimte of op het desbetreffende perceel aanwezig was, groter is dan 1, wordt het resultaat van de optelling met 10 percent verminderd.

 

§ 2

Eenieder die dierlijke mest of andere meststoffen invoert in het Vlaamse Gewest of exporteert uit het Vlaamse Gewest is verplicht hiervan telkens aangifte te doen aan de Mestbank, door middel van de documenten die het vervoer van mest dienen te vergezellen, vermeld in de artikelen 48 tot en met 60. Deze documenten gelden als aangifte.

 

§ 3

De Vlaamse Regering kan bepaalde landbouwers, die niet aangifteplichtig zijn overeenkomstig paragraaf 1, verplichten om een verklaring af te leggen.

 

De landbouwers moeten zich daarvoor identificeren in het GBCS, vermeld in artikel 2, 14°, van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid, en een aantal gegevens meedelen, onder meer over de tot het bedrijf behorende landbouwgronden, de tot het bedrijf behorende oppervlakte groeimedium en de op het bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke mest, uitgedrukt in P2O5.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen betreffende de wijze waarop de verklaring, vermeld in het eerste lid, moet afgelegd worden en betreffende de gegevens die de landbouwers moeten meedelen en bepaalt welke landbouwers een verklaring moeten afleggen als vermeld in het eerste lid.

 

§ 4

Wanneer de aangifteplichtige overleden is of failliet verklaard rust de verplichting tot aangifte in het eerste geval op zijn erfgenamen of legatarissen en in het tweede geval op zijn curator.

 

§ 5

Elke aangifteplichtige landbouwer als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, doet elk jaar, per exploitatie, aangifte van de volgende gegevens:

het aantal standplaatsen van de dieren, vermeld in artikel 27, die konden gehouden worden op 1 januari van het lopende kalenderjaar;
per diercategorie, het gemiddeld aantal dieren vermeld in artikel 27, die gehouden zijn in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte. De dieren die behoren tot de diersoort rundvee moeten niet vermeld worden;
de opslagcapaciteit van mest op 1 januari van het lopende kalenderjaar, uitgedrukt in m3;
de opgeslagen hoeveelheid mest op 1 januari van het lopende kalenderjaar uitgedrukt in m` en de samenstelling ervan uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide;
het gebruik van kunstmest op eigen landbouwgronden gelegen in het Vlaamse Gewest, in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide;
de aanduiding op cartografisch materiaal van al de tot de exploitatie behorende landbouwgronden, woningen, inrichtingsgebouwen en daarbij horende voorzieningen;
een aanduiding, in de verzamelaanvraag, van al de tot de exploitatie behorende landbouwgronden, van de gebouwen en andere verharde oppervlakten, en van de volledige tot de exploitatie behorende oppervlakte groeimedium;
alle elementen die nodig zijn voor de onderbouwing van de nutriėntenbalans met betrekking tot het kalenderjaar voorafgaand aan de aangifte, als de landbouwer, in dat kalenderjaar, gebruikgemaakt heeft van een nutriėntenbalansstelsel als vermeld in artikel 25;
de hoeveelheid dierlijke mest, inclusief rechtstreekse uitscheiding bij begrazing, andere meststoffen en kunstmest, uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide, die in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte, is afgezet op eigen landbouwgrond buiten het Vlaamse Gewest;
10° de productie aan voedingswater uitgedrukt in m` en de samenstelling ervan uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte;
11° de productie aan spuistroom uitgedrukt in m` en de samenstelling ervan uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte. De Vlaamse Regering kan deze lijst aanvullen of wijzigen.

 

§ 6

De personeelsleden van de Vlaamse Landmaatschappij, de door haar erkende mestvoerders, de derden waarop de Vlaamse Landmaatschappij voor de uitoefening van haar taken een beroep doet, alsmede eenieder die in welke hoedanigheid ook kennis krijgen van de gegevens en inlichtingen, verzameld in uitvoering van dit decreet, zijn gehouden tot geheimhouding ervan. Deze geheimhoudingsverplichting doet geen afbreuk aan de regeling inzake openbaarmaking van milieu-informatie, vermeld in hoofdstuk II Passieve Openbaarheid, van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur. Deze geheimhoudingsverplichting is niet van toepassing voor uitwisselingen van gegevens met instanties als vermeld in artikel 4, § 1, 2°, van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur.


De Vlaamse Landmaatschappij mag de gegevens met betrekking tot de gemiddelde veebezetting als vermeld in paragraaf 1, 1°, overmaken aan de OVAM, die deze gegevens mag gebruiken in het kader van haar bevoegdheden rond de ophaling en verwerking van krengen.

 

§ 7

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast betreffende de aangifte, vermeld in dit artikel, en stelt onder meer vast welke gegevens aangegeven dienen te worden, de wijze waarop deze gegevens aangegeven dienen te worden en de wijze waarop de gemiddelde veebezetting berekend wordt. De Vlaamse Regering kan hiervoor ook binnen eenzelfde type van aangifteplichtigen als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, een onderscheid maken. De Vlaamse Regering kan de verplichting tot aangifte als vermeld in paragraaf 1, 6°, beperken tot bepaalde producenten, invoerders of verkopers van diervoeders. De Vlaamse Regering kan de verplichting tot aangifte als vermeld in paragraaf 1, 5°, beperken tot bepaalde producenten, verdelers, importeurs of exporteurs van kunstmest.


Art. 24.

§ 1

Elke landbouwer als vermeld in artikel 23, § 1, die dieren houdt is ertoe gehouden een register bij te houden met betrekking tot de veestapel. In afwijking van het voorgaande moet voor dieren van de diersoort 1° RUNDVEE geen register bijgehouden worden.

 

Het register, vermeld in het eerste lid, wordt gebruikt voor het bepalen van de gemiddelde veebezetting. Voor dieren van de diersoort 1° RUNDVEE wordt de gemiddelde veebezetting bepaald op basis van de cijfergegevens over de dierenaantallen, vermeld in de databank van Dierengezondheidszorg Vlaanderen vzw.

 

In afwijking van het eerste en het tweede lid kan de Vlaamse Regering ook voor andere dieren dan runderen bepalen dat er geen of slechts een beperkt register moet bijgehouden worden of dat voor het bepalen van de gemiddelde veebezetting andere informatiebronnen dan louter het register, vermeld in het eerste lid, gebruikt worden.

 

§ 2

Eenieder die minstens 10 000 kg N per jaar, uit kunstmest produceert, verdeelt, importeert of exporteert en deze levert aan verdelers of landbouwers, is ertoe gehouden een register bij te houden met betrekking tot de hoeveelheden en soorten meststoffen, inzonderheid hun gehalte aan N en P2O5 die hij importeert, exporteert, verdeelt of levert aan landbouwers.


[...]

 

§ 3

Elke uitbater van een mestverzamelpunt met een opslagcapaciteit van meer dan 300 kg P2O5, en elke uitbater van een bewerkings- of verwerkingseenheid, met een bewerkings- of verwerkingscapaciteit voor dierlijke mest of andere meststoffen, van meer dan 300 kg P2O5 per jaar dient een register bij te houden met betrekking tot de in zijn uitbating verhandelde dierlijke mest en andere meststoffen.

 

§ 4

De in dit artikel bedoelde registers moeten gedurende vijfjaar op de plaats van uitbating ter inzage worden gehouden van de met het toezicht op de naleving van dit decreet belaste ambtenaren.

 

§ 5

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de in dit artikel bedoelde registers, en kan eveneens het bijhouden van een bemestingsregister opleggen. De Vlaamse Regering kan de verplichting tot het bijhouden van de in dit artikel bedoelde registers, beperken tot bepaalde types registerplichtigen als vermeld in dit decreet.


Afdeling II.
De berekening van de productie van dierlijke mest


Art. 25.

Voor de berekening van de productie van dierlijke mest heeft de landbouwer de keuze tussen :

  1. het forfaitaire stelsel, waarbij de landbouwer de forfaitaire uitscheidingshoeveelheden, vermeld in artikel 27, in rekening brengt;
  2. het nutriėntenbalansstelsel. In dit geval mag de landbouwer de reėle uitscheidingshoeveelheden, vermeld in artikel 26, in rekening brengen.

In afwijking van het eerste lid moeten landbouwers wiens bedrijf een gemiddelde veebezetting van meer dan 200 dieren van de diercategorie andere varkens, heeft, gebruik maken van een nutriėntenbalansstelsel, voor alle op het bedrijf gehouden dieren van de diersoort 2° VARKENS.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen


Art. 26.

§ 1.

De landbouwer die opteert voor het nutriėntenbalansstelsel moet dat kenbaar maken aan de Mestbank aan de hand van de bijgevoegde stavings-stukken naar aanleiding van de aangifte, vermeld in artikel 23, betreffende het productiejaar waarop de aangifte betrekking heeft en naar aanleiding van een controle voor het lopende productiejaar. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast, ondermeer voor wat betreft de bepaling van de aan- en afvoerposten van de nutriėntenbalans.

 

§ 2.

Wanneer de landbouwer heeft geopteerd voor het nutriėntenbalansstelsel, kan voor de berekening van de productie van dierlijke mest de reėle P2O5 -of reėle N-uitscheiding per dier en per jaar worden gehanteerd voor :

  1. de dieren die gedurende een bepaalde periode uitsluitend met voeders werden gevoederd waarvan de fabrikanten in het kader van de productnormering een wijziging van de P2O5- of N-uitscheiding hebben gewaarborgd.
    Deze berekeningswijze, gesteund op reėle waarden, geldt enkel voor exploitaties die gedurende een bepaalde periode uitsluitend voormelde voeders gebruiken voor alle dieren van de beschouwde diercategorie.
    Voor de toepassing van deze reėle uitscheidingshoeveelheden moet de landbouwer jaarlijks aan de Mestbank het bewijs leveren dat bedoelde dieren gedurende de beschouwde periode uitsluitend met het voeder, bedoeld in het eerste lid, werden gevoederd. Als bewijs geldt een attest afgeleverd door de voeder leverancier. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast, ondermeer met betrekking tot de gegevens die op het attest dienen vermeld te worden;
  2. alle dieren die gehouden worden op een exploitatie waar gedurende het hele kalenderjaar voedertechnieken of voeders werden gebruikt die een wijziging van de P2O5- of N-uitscheiding tot gevolg hebben. Deze berekeningswijze, gesteund op reėle waarden, geldt enkel voor exploitaties die uitsluitend voormelde voedertechnieken of voeders gebruiken. De bewijslast voor deze reėle P2O5- of reėle N-uitscheiding per dier en per jaar ligt bij de landbouwer.

 

§ 3.

De landbouwer die het nutriėntenbalansstelsel toepast, moet de jaarlijks opgemaakte balansen, alsook de geėigende bescheiden ter staving van de aan-en afvoerposten, gedurende 5 jaar ter inzage houden van de toezichthoudende ambtenaren. De bewijslast van de aan- en afvoerposten van de balans of balansen ligt bij de landbouwer.

 

§ 4.

[...]

 

§ 5.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, ondermeer met betrekking tot de wijze van opstelling van de bedoelde nutriėntenbalans, het bepalen van de werkelijke mineraleninhoud van de diervoeders en de stukken die zij nodig acht ter staving van de voormelde nutriėntenbalans.

 

§ 6.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen betreffende het gebruik door rundveebedrijven van een specifiek nutriėntenbalanssysteem.


Art. 27.

§ 1

Wanneer de landbouwer kiest voor het forfaitair stelsel, vermeld in artikel 25, wordt uitgegaan van de

volgende forfaitaire uitscheidingsnormen per dier en per jaar :

 

Diersoort P2O5 -uitscheiding (kg/dier, jaar) N-uitscheiding (kg/dier, jaar)
1° RUNDVEE:    
a) Melkvee:    
Melkkoeien met een melkproductie van maximaal 4000 kg melk/jaar 26 81
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 4000 tot maximaal 4250 kg melk/jaar 26,5 83
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 4250 tot maximaal 4500 kg melk/jaar 27 85
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 4500 tot maximaal 4750 kg melk/jaar 27,5 87
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 4750 tot maximaal 5000 kg melk/jaar 28 59
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 5000 tot maximaal 5250 kg melk/jaar 28,5 91
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 5250 tot maximaal 5500 kg melk/jaar 29 93
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 5500 tot maximaal 5750 kg melk/jaar 29,5 95
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 5750 tot maximaal 6000 kg melk/jaar 30 97
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 6000 tot maximaal 6250 kg melk/jaar 31 99
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 6250 tot maximaal 6500 kg melk/jaar 31,5 101
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 6500 tot maximaal 6750 kg melk/jaar 32,5 103
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 6750 tot maximaal 7000 kg melk/jaar 33 105
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 7000 tot maximaal 7250 kg melk/jaar 34 107
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 7250 tot maximaal 7500 kg melk/jaar 34,5 109
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 7500 tot maximaal 7750 kg melk/jaar 35,5 111
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 7750 tot maximaal 8000 kg melk/jaar 36 113
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 8000 tot maximaal 8250 kg melk/jaar 37 115
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 8250 tot maximaal 8500 kg melk/jaar 37,5 117
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 8500 tot maximaal 8750 kg melk/jaar 38,5 119
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 8750 tot maximaal 9000 kg melk/jaar 39 121
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 9000 tot maximaal 9250 kg melk/jaar 40 123
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 9250 tot maximaal 9500 kg melk/jaar 40,5 125
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 9500 tot maximaal 9750 kg melk/jaar 41,5 127
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 9750 tot maximaal 10.000 kg melk/jaar 42 129

Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 10.000 kg melk/jaar

43 131
Vervangingsvee jonger dan 1 jaar 10 33
Vervangingsvee van 1 jaar tot 2 jaar 19,2 58
b) Mestvee:    
Zoogkoeien 25 65
Mestkalveren 3,6 10,5
Runderen jonger dan 1 jaar 7 22,3
Runderen van 1 jaar tot jonger dan 2 jaar 19,2 58
c) Andere runderen 29,5 77

2° VARKENS:

   
Biggen met een gewicht van 7 tot 20 kg 1,38 2,18
Beren 15,25 29,61
Zeugen, inclusief biggen met een gewicht kleiner dan 7 kg 15,25 29,61
Andere varkens:    
van 20 tot 110 kg 4,97 12,68
van 110 kg of meer 15,25 29,61
3° PLUIMVEE    
a) Legrassen:    
Legkippen 0,45 0,81
(Groot)ouderdieren 0,45 0,81
Opfokpoeljen van legkippen 0,18 0,34
b) Vleesrassen:    
Slachtkuikens 0,26 0,61
Slachtkuikenouderdieren 0,69 1,31
Opfokpoeljen van slachtkuikenouderdieren 0,26 0,52
c) struisvogels:    
Struisvogels fokdieren 9,8 18

Struivogels slachtdieren

4,5 8,6
Struisvogels (van 0 tot 3 maand)  1,7  3,5
d) Kalkoenen:    
Kalkoenen slachtdieren 1,05 1,70
Kalkoenen ouderdieren 1,47 2
e) Ander pluimvee  0,19 0,24
4° PAARDEN:    
Paarden (> 600 kg) 30 65
Paarden en pony’s (200-600 kg) 21 50
Paarden en pony’s (< 200 kg) 12 35
5° ANDERE:    
a) Konijnen    
Gesloten bedrijven (per vrouwelijk konijn) 3,91 7,22
Vetmesterij (per dier) 0,368 0,621
Kwekerij (per volwassen dier) 1,619 3,06
b) Geiten en schapen    
Geiten en schapen jonger dan 1 jaar 1,72 4,36
Geiten en schapen ouder dan 1 jaar 4,14 10,5
c) Nertsen    
Gesloten bedrijven (per moederdier) 1,3 2,3
Vetmesterij (per dier) 0,4 0,7
Kwekerij (per volwassen dier) 0,5 0,9

 

[...]

 

§ 2.

[...]

 

§ 3.

De Vlaamse Regering kan de lijst, vermeld in paragraaf 1, aanvullen of wijzigen.

 

§ 4.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, onder meer met betrekking tot het vaststellen van de mineraleninhoud van de verschillende soorten dierlijke mest, met betrekking tot de analyse van verhandelde meststoffen en van het bedrijfsmatige dierlijke mestoverschot en met betrekking tot het vaststellen van het aantal kg geproduceerde melk per jaar,en kan de diercategorieėn, vermeld in § 1, nader definiėren.

 

§ 5.

De Vlaamse Regering stelt de stikstofverliezen uit de stal, de opslag en het vervoer vast voor de omrekening van het bruto-gehalte stikstof in dierlijke mest bij uitscheiding naar het netto-gehalte van stikstof in de dierlijke mest op het ogenblik van de afzet. Dit netto-gehalte wordt de forfaitaire netto-inhoudsnorm stikstof genoemd.


Afdeling III.
De berekening van de bedrijfsmatige mestoverschotten


Art. 28.

§ 1

Als de landbouwer overeenkomstig de bepalingen van artikel 25, heeft geopteerd voor het forfaitaire stelsel, wordt voor een bepaald kalenderjaar, voor een bedrijf het mestoverschot bepaald als de som van de mestoverschotten van de verschillende exploitaties die tot het bedrijf behoren. Hierbij houdt men eveneens rekening met de negatieve mestoverschotten van de exploitaties.


Het mestoverschot van een bepaalde exploitatie:

uitgedrukt in kg P2O5, wordt bepaald als de op de exploitatie geproduceerde hoeveelheid P2O5 uit dierlijke mest, verminderd met de hoeveelheid P2O5 uit dierlijke mest die op basis van de gegevens in de aangifte, vermeld in artikel 23, voor dat kalenderjaar op de oppervlakte landbouwgronden van de exploitatie, mocht worden opgebracht als vermeld in dit decreet. De op de exploitatie geproduceerde hoeveelheid P2O5 uit dierlijke mest, is het product van de gemiddelde veebezetting in de exploitatie gedurende dat kalenderjaar met de overeenkomstige productie per dier, berekend overeenkomstig artikel 27, uitgedrukt in kg P2O5. Bij het bepalen van de hoeveelheid P2O5 uit dierlijke mest die op basis van de gegevens in de aangifte, vermeld in artikel 23, voor dat kalenderjaar op de oppervlakte landbouwgronden van de exploitatie, mocht worden opgebracht als vermeld in dit decreet, wordt eveneens rekening gehouden met beheerovereenkomsten die de hoeveelheid meststoffen die op een perceel mag opgebracht worden, beperken;
uitgedrukt in kg N, wordt bepaald als de netto op de exploitatie geproduceerde hoeveelheid N uit dierlijke mest, verminderd met de hoeveelheid N uit dierlijke mest die op basis van de gegevens in de aangifte, vermeld in artikel 23, voor dat kalenderjaar op de oppervlakte landbouwgronden van de exploitatie, mocht worden opgebracht als vermeld in dit decreet. De netto op de exploitatie geproduceerde hoeveelheid N uit dierlijke mest, is de op de exploitatie geproduceerde hoeveelheid N uit dierlijke mest, verminderd met de stikstofverliezen, bepaald overeenkomstig artikel 27, § 5. De op de exploitatie geproduceerde hoeveelheid N uit dierlijke mest is het product van de gemiddelde veebezetting in de exploitatie gedurende dat kalenderjaar met de overeenkomstige productie per dier, berekend overeenkomstig artikel 27, uitgedrukt in kg N. Bij het bepalen van de hoeveelheid N uit dierlijke mest die op basis van de gegevens in de aangifte, vermeld in artikel 23, voor dat kalenderjaar op de oppervlakte landbouwgronden van de exploitatie, mocht worden opgebracht als vermeld in dit decreet, wordt eveneens rekening gehouden met beheerovereenkomsten die de hoeveelheid meststoffen die op een perceel mag opgebracht worden, beperken.


Als in de loop van een bepaald kalenderjaar een exploitatie overgelaten wordt met bijhorende gronden kunnen de overlatende landbouwer en de overnemende landbouwer overeenkomen dat voor dat kalenderjaar het bedrijf van de overlatende landbouwer en het bedrijf van de overnemende landbouwer als één gemeenschappelijk bedrijf worden beschouwd om:

het vervoer van meststoffen vast te leggen;
het aantal kg geproduceerde melk per jaar per melkkoe vast te stellen;
de administratieve geldboete, vermeld in artikel 63, § 1, en de straffen, vermeld in artikel 71, § 2, 1° en 2°, op te leggen.

 

De overnemende en de overlatende landbouwer kunnen bepalen dat een van hen aansprakelijk is voor het gemeenschappelijk bedrijf. Bij gebrek aan een dergelijke bepaling zijn zij allebei hoofdelijk aansprakelijk voor het gemeenschappelijk bedrijf.

 

Als in de loop van een bepaald kalenderjaar een exploitatie of bedrijf met bijbehorende gronden overgelaten wordt, kunnen de overlater en overnemer overeenkomen dat voor de berekening van het mestoverschot van dat kalenderjaar een bepaald deel van de mogelijkheden tot opbrenging van dierlijke mest op de overgelaten gronden in het bedrijf van de overlater in rekening wordt gebracht en een bepaald deel in het bedrijf van de overnemer in rekening wordt gebracht.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen en kan de situaties waarvoor twee bedrijven kiezen om als één gemeenschappelijk bedrijf te worden beschouwd als vermeld in het derde lid, 1° tot en met 3°, uitbreiden.

 

§ 2

Als de landbouwer heeft geopteerd voor het nutriėntenbalansstelsel, wordt het mestoverschot van een bedrijf voor een bepaald kalenderjaar berekend overeenkomstig de methode bepaald in paragraaf 1, met dien verstande dat nu de reėle uitscheidingshoeveelheden, bepaald overeenkomstig artikel 26, of de reėle stikstofverliezen in rekening worden gebracht.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen.

 

 

§ 3

De Mestbank maakt jaarlijks, voor elk bedrijf, voor de nutriėnten N en P2O5, een mestbalans op, op basis van de berekening als vermeld in artikel 62bis.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen.