Afdeling I.
De aangifte


Art. 23.

§ 1

De volgende personen doen elk jaar, met toepassing van dit decreet, een aangifte:




 
de landbouwer die:
a) een bedrijf heeft met een productie aan dierlijke mest groter dan of gelijk aan 300 kg P2O5;
b) een bedrijf heeft waarvan op de verschillende exploitaties die deel uitmaken van het bedrijf, in het jaar in kwestie op een bepaald ogenblik gezamenlijk meer dan 300 kg P2O5 uit dierlijke mest opgeslagen was;
c) een bedrijf heeft waarvan de verschillende exploitaties die deel uitmaken van het bedrijf, in het kalenderjaar in kwestie op een bepaald ogenblik gezamenlijk een oppervlakte landbouwgrond groter dan of gelijk aan 2 ha in gebruik hebben;
d) een bedrijf heeft waarvan de verschillende exploitaties die deel uitmaken van het bedrijf, in het kalenderjaar in kwestie op een bepaald ogenblik gezamenlijk een effectieve oppervlakte groeimedium voor het telen van gewassen groter dan of gelijk aan 50 a hebben;
e) een bedrijf heeft waarvan de verschillende exploitaties die deel uitmaken van het bedrijf, in het jaar in kwestie op een bepaald ogenblik gezamenlijk een oppervlakte permanent overkapte landbouwgrond groter dan of gelijk aan 50 a in gebruik hebben;
f) als actieve landbouwer gekend is in het GBCS, vermeld in artikel 2, 14°, van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid, en geen verklaring heeft ingediend als vermeld in paragraaf 3, waaruit blijkt dat zijn bedrijf niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in a) tot en met e);
de uitbater van een mestverzamelpunt met een opslagcapaciteit groter dan of gelijk aan 300 kg P2O5;
de uitbater van een bewerkings- of verwerkingseenheid, met een bewerkings- of verwerkingscapaciteit voor dierlijke mest of andere meststoffen groter dan of gelijk aan 300 kg P2O5 per jaar;
eenieder die andere meststoffen produceert, verdeelt, importeert of exporteert, en die minstens 300 kg P2O5 laat afzetten op landbouwgrond in het Vlaamse Gewest;
eenieder die minstens 10.000 kg N per jaar uit kunstmest produceert, verdeelt, importeert of exporteert en die levert aan verdelers of aan landbouwers als vermeld in punt 1°;
eenieder die diervoeders produceert, invoert of verkoopt;
eenieder die het vorige jaar, ter uitvoering van punt 1° tot en met 7°, een aangifte heeft ingediend bij de Mestbank en niet aan de Mestbank heeft gemeld dat hij zijn bedrijf of uitbating heeft stopgezet, of die geen verklaring heeft afgelegd als vermeld in paragraaf 3;
de erkende mestvoerder, vermeld in artikel 48, die op een of meer documenten, opgesteld ter uitvoering van artikel 47 tot en met 60, als aanbieder of afnemer van meststoffen vermeld is.

 

De productie aan dierlijke mest van een bedrijf als vermeld in het eerste lid, 1°, a), wordt berekend als de som van de productie aan dierlijke mest van elke exploitatie van het bedrijf. De productie aan dierlijke mest van een exploitatie wordt berekend als het product, uitgedrukt in kg P2O5, van de gemiddelde veebezetting in de exploitatie gedurende het voorbije kalenderjaar, met de overeenkomstige productie per dier, vermeld in artikel 27, § 1.

 

Voor de berekening in een bepaald kalenderjaar van de effectieve oppervlakte groeimedium voor het telen van gewassen, vermeld in het eerste lid, 1°, d), worden de rijpaden en de ruimtes tussen de teelten meegerekend. Als er verschillende teeltlagen zijn, wordt de oppervlakte van elke teeltlaag opgeteld voor het verkrijgen van de effectieve oppervlakte. Als het maximum aantal lagen dat op enig moment in het kalenderjaar in kwestie in de desbetreffende bedrijfsruimte of op het desbetreffende perceel aanwezig was, groter is dan 1, wordt het resultaat van de optelling met 10 percent verminderd.

 

§ 2

Eenieder die dierlijke mest of andere meststoffen invoert in het Vlaamse Gewest of exporteert uit het Vlaamse Gewest is verplicht hiervan telkens aangifte te doen aan de Mestbank, door middel van de documenten die het vervoer van mest dienen te vergezellen, vermeld in de artikelen 48 tot en met 60. Deze documenten gelden als aangifte.

 

§ 3

De Vlaamse Regering kan bepaalde landbouwers, die niet aangifteplichtig zijn overeenkomstig paragraaf 1, verplichten om een verklaring af te leggen.

 

De landbouwers moeten zich daarvoor identificeren in het GBCS, vermeld in artikel 2, 14°, van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid, en een aantal gegevens meedelen, onder meer over de tot het bedrijf behorende landbouwgronden, de tot het bedrijf behorende oppervlakte groeimedium en de op het bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke mest, uitgedrukt in P2O5.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen betreffende de wijze waarop de verklaring, vermeld in het eerste lid, moet afgelegd worden en betreffende de gegevens die de landbouwers moeten meedelen en bepaalt welke landbouwers een verklaring moeten afleggen als vermeld in het eerste lid.

 

§ 4

Wanneer de aangifteplichtige overleden is of failliet verklaard rust de verplichting tot aangifte in het eerste geval op zijn erfgenamen of legatarissen en in het tweede geval op zijn curator.

 

§ 5

Elke aangifteplichtige landbouwer als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, doet elk jaar, per exploitatie, aangifte van de volgende gegevens:

het aantal standplaatsen van de dieren, vermeld in artikel 27, die konden gehouden worden op 1 januari van het lopende kalenderjaar;
per diercategorie, het gemiddeld aantal dieren vermeld in artikel 27, die gehouden zijn in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte. De dieren die behoren tot de diersoort rundvee moeten niet vermeld worden;
de opslagcapaciteit van mest op 1 januari van het lopende kalenderjaar, uitgedrukt in m3;
de opgeslagen hoeveelheid mest op 1 januari van het lopende kalenderjaar uitgedrukt in m` en de samenstelling ervan uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide;
het gebruik van kunstmest op eigen landbouwgronden gelegen in het Vlaamse Gewest, in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide;
de aanduiding op cartografisch materiaal van al de tot de exploitatie behorende landbouwgronden, woningen, inrichtingsgebouwen en daarbij horende voorzieningen;
een aanduiding, in de verzamelaanvraag, van al de tot de exploitatie behorende landbouwgronden, van de gebouwen en andere verharde oppervlakten, en van de volledige tot de exploitatie behorende oppervlakte groeimedium;
alle elementen die nodig zijn voor de onderbouwing van de nutriëntenbalans met betrekking tot het kalenderjaar voorafgaand aan de aangifte, als de landbouwer, in dat kalenderjaar, gebruikgemaakt heeft van een nutriëntenbalansstelsel als vermeld in artikel 25;
de hoeveelheid dierlijke mest, inclusief rechtstreekse uitscheiding bij begrazing, andere meststoffen en kunstmest, uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide, die in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte, is afgezet op eigen landbouwgrond buiten het Vlaamse Gewest;
10° de productie aan voedingswater uitgedrukt in m` en de samenstelling ervan uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte;
11° de productie aan spuistroom uitgedrukt in m` en de samenstelling ervan uitgedrukt in kg stikstof en difosforpentoxide in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte. De Vlaamse Regering kan deze lijst aanvullen of wijzigen.

 

Ter staving van het gegeven als vermeld in het eerste lid, 5°, beschikt de landbouwer in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aangifte over een overzicht van alle leveringen van kunstmest op zijn bedrijf, gestaafd door de nodige documenten.

 

§ 6

De personeelsleden van de Vlaamse Landmaatschappij, de door haar erkende mestvoerders, de derden waarop de Vlaamse Landmaatschappij voor de uitoefening van haar taken een beroep doet, alsmede eenieder die in welke hoedanigheid ook kennis krijgen van de gegevens en inlichtingen, verzameld in uitvoering van dit decreet, zijn gehouden tot geheimhouding ervan. Deze geheimhoudingsverplichting doet geen afbreuk aan de regeling inzake openbaarmaking van milieu-informatie, vermeld in hoofdstuk II Passieve Openbaarheid, van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur. Deze geheimhoudingsverplichting is niet van toepassing voor uitwisselingen van gegevens met instanties als vermeld in artikel 4, § 1, 2°, van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur.


De Vlaamse Landmaatschappij mag de gegevens met betrekking tot de gemiddelde veebezetting als vermeld in paragraaf 1, 1°, overmaken aan de OVAM, die deze gegevens mag gebruiken in het kader van haar bevoegdheden rond de ophaling en verwerking van krengen.

 

§ 7

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast betreffende de aangifte, vermeld in dit artikel, en stelt onder meer vast welke gegevens aangegeven dienen te worden, de wijze waarop deze gegevens aangegeven dienen te worden en de wijze waarop de gemiddelde veebezetting berekend wordt. De Vlaamse Regering kan hiervoor ook binnen eenzelfde type van aangifteplichtigen als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, een onderscheid maken. De Vlaamse Regering kan de verplichting tot aangifte als vermeld in paragraaf 1, 6°, beperken tot bepaalde producenten, invoerders of verkopers van diervoeders. De Vlaamse Regering kan de verplichting tot aangifte als vermeld in paragraaf 1, 5°, beperken tot bepaalde producenten, verdelers, importeurs of exporteurs van kunstmest.


Art. 24.

§ 1

Elke landbouwer als vermeld in artikel 23, § 1, die dieren houdt is ertoe gehouden een register bij te houden met betrekking tot de veestapel. In afwijking van het voorgaande moet voor dieren van de diersoort 1° RUNDVEE geen register bijgehouden worden.

 

Het register, vermeld in het eerste lid, wordt gebruikt voor het bepalen van de gemiddelde veebezetting. Voor dieren van de diersoort 1° RUNDVEE wordt de gemiddelde veebezetting bepaald op basis van de cijfergegevens over de dierenaantallen, vermeld in de databank van Dierengezondheidszorg Vlaanderen vzw.

 

In afwijking van het eerste en het tweede lid kan de Vlaamse Regering ook voor andere dieren dan runderen bepalen dat er geen of slechts een beperkt register moet bijgehouden worden of dat voor het bepalen van de gemiddelde veebezetting andere informatiebronnen dan louter het register, vermeld in het eerste lid, gebruikt worden.

 

§ 2

Eenieder die minstens 10 000 kg N per jaar, uit kunstmest produceert, verdeelt, importeert of exporteert en deze levert aan verdelers of landbouwers, is ertoe gehouden een register bij te houden met betrekking tot de hoeveelheden en soorten meststoffen, inzonderheid hun gehalte aan N en P2O5 die hij importeert, exporteert, verdeelt of levert aan landbouwers.

 

Uiterlijk vanaf 1 juli 2020 moet het bijhouden van het register, vermeld in deze paragraaf, op een digitale wijze gebeuren waarbij de geregistreerde gegevens geautomatiseerd doorgestuurd worden naar de Mestbank. De Vlaamse Regering kan hiervoor de nadere regels bepalen en zal, als dit digitaal bijhouden en doorsturen niet uiterlijk vanaf 1 juli 2020 gerealiseerd kan worden, extra maatregelen nemen.


[...]

 

§ 3

Elke uitbater van een mestverzamelpunt met een opslagcapaciteit van meer dan 300 kg P2O5, en elke uitbater van een bewerkings- of verwerkingseenheid, met een bewerkings- of verwerkingscapaciteit voor dierlijke mest of andere meststoffen, van meer dan 300 kg P2O5 per jaar dient een register bij te houden met betrekking tot de in zijn uitbating verhandelde dierlijke mest en andere meststoffen.

 

Vanaf 1 januari 2020 gebruikt de uitbater van een bewerkings- of verwerkingseenheid debietmeters ter staving van de werking van de bewerkings- of verwerkingseenheid en van de notities in het register dat een uitbater van een bewerkings- of verwerkingseenheid moet bijhouden als vermeld in het eerste lid. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels hieromtrent en bepaalt waar en hoeveel debietmeters er geplaatst moeten worden, op welke wijze de informatie van de debietmeters geregistreerd wordt, hoe de informatie van de debietmeters doorgegeven wordt aan de Mestbank.

 

De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaronder een uitbating in afwijking van het tweede lid niet over debietmeters moet beschikken.

 

§ 4

De in dit artikel bedoelde registers moeten gedurende vijfjaar op de plaats van uitbating ter inzage worden gehouden van de met het toezicht op de naleving van dit decreet belaste ambtenaren.

 

§ 5

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de in dit artikel bedoelde registers, en kan eveneens het bijhouden van een bemestingsregister opleggen. De Vlaamse Regering kan de verplichting tot het bijhouden van de in dit artikel bedoelde registers, beperken tot bepaalde types registerplichtigen als vermeld in dit decreet.

 

§ 6.

Elke landbouwer die percelen landbouwgrond gebruikt, houdt een register bij met betrekking tot de hoeveelheid kunstmest die hij op zijn bedrijf ontvangt en gebruikt. Het gebruik van de kunstmest wordt geregistreerd op perceelsniveau.

 

Uiterlijk vanaf 1 juli 2020 moet het bijhouden van het register, vermeld in deze paragraaf, op een digitale wijze gebeuren waarbij de geregistreerde gegevens geautomatiseerd doorgestuurd worden naar de Mestbank. De Vlaamse Regering kan hiervoor de nadere regels bepalen en zal, als dit digitaal bijhouden en doorsturen niet uiterlijk vanaf 1 juli 2020 gerealiseerd kan worden, extra maatregelen nemen.