Afdeling II.
De berekening van de productie van dierlijke mest


Art. 25.

Voor de berekening van de productie van dierlijke mest heeft de landbouwer de keuze tussen :

  1. het forfaitaire stelsel, waarbij de landbouwer de forfaitaire uitscheidingshoeveelheden, vermeld in artikel 27, in rekening brengt;
  2. het nutriŽntenbalansstelsel. In dit geval mag de landbouwer de reŽle uitscheidingshoeveelheden, vermeld in artikel 26, in rekening brengen.

In afwijking van het eerste lid moeten landbouwers wiens bedrijf een gemiddelde veebezetting van meer dan 200 dieren van de diercategorie andere varkens, heeft, gebruik maken van een nutriŽntenbalansstelsel, voor alle op het bedrijf gehouden dieren van de diersoort 2į VARKENS.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen


Art. 26.

ß 1.

De landbouwer die opteert voor het nutriŽntenbalansstelsel moet dat kenbaar maken aan de Mestbank aan de hand van de bijgevoegde stavings-stukken naar aanleiding van de aangifte, vermeld in artikel 23, betreffende het productiejaar waarop de aangifte betrekking heeft en naar aanleiding van een controle voor het lopende productiejaar. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast, ondermeer voor wat betreft de bepaling van de aan- en afvoerposten van de nutriŽntenbalans.

ß 2.

Wanneer de landbouwer heeft geopteerd voor het nutriŽntenbalansstelsel, kan voor de berekening van de productie van dierlijke mest de reŽle P2O5 -of reŽle N-uitscheiding per dier en per jaar worden gehanteerd voor :

  1. de dieren die gedurende een bepaalde periode uitsluitend met voeders werden gevoederd waarvan de fabrikanten in het kader van de productnormering een wijziging van de P2O5- of N-uitscheiding hebben gewaarborgd.
    Deze berekeningswijze, gesteund op reŽle waarden, geldt enkel voor exploitaties die gedurende een bepaalde periode uitsluitend voormelde voeders gebruiken voor alle dieren van de beschouwde diercategorie.
    Voor de toepassing van deze reŽle uitscheidingshoeveelheden moet de landbouwer jaarlijks aan de Mestbank het bewijs leveren dat bedoelde dieren gedurende de beschouwde periode uitsluitend met het voeder, bedoeld in het eerste lid, werden gevoederd. Als bewijs geldt een attest afgeleverd door de voeder leverancier. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast, ondermeer met betrekking tot de gegevens die op het attest dienen vermeld te worden;
  2. alle dieren die gehouden worden op een exploitatie waar gedurende het hele kalenderjaar voedertechnieken of voeders werden gebruikt die een wijziging van de P2O5- of N-uitscheiding tot gevolg hebben. Deze berekeningswijze, gesteund op reŽle waarden, geldt enkel voor exploitaties die uitsluitend voormelde voedertechnieken of voeders gebruiken. De bewijslast voor deze reŽle P2O5- of reŽle N-uitscheiding per dier en per jaar ligt bij de landbouwer.

ß 3.

De landbouwer die het nutriŽntenbalansstelsel toepast, moet de jaarlijks opgemaakte balansen, alsook de geŽigende bescheiden ter staving van de aan-en afvoerposten, gedurende 5 jaar ter inzage houden van de toezichthoudende ambtenaren. De bewijslast van de aan- en afvoerposten van de balans of balansen ligt bij de landbouwer.

ß 4.

[...]

ß 5.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, ondermeer met betrekking tot de wijze van opstelling van de bedoelde nutriŽntenbalans, het bepalen van de werkelijke mineraleninhoud van de diervoeders en de stukken die zij nodig acht ter staving van de voormelde nutriŽntenbalans.

ß 6.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen betreffende het gebruik door rundveebedrijven van een specifiek nutriŽntenbalanssysteem.


Art. 27.

ß 1

Wanneer de landbouwer kiest voor het forfaitair stelsel, vermeld in artikel 25, wordt uitgegaan van de

volgende forfaitaire uitscheidingsnormen per dier en per jaar :

Diersoort P2O5 -uitscheiding (kg/dier, jaar) N-uitscheiding (kg/dier, jaar)
1į RUNDVEE:
a) Melkvee:
Melkkoeien met een melkproductie van maximaal 4000 kg melk/jaar 26 81
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 4000 tot maximaal 4250 kg melk/jaar 26,5 83
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 4250 tot maximaal 4500 kg melk/jaar 27 85
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 4500 tot maximaal 4750 kg melk/jaar 27,5 87
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 4750 tot maximaal 5000 kg melk/jaar 28 59
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 5000 tot maximaal 5250 kg melk/jaar 28,5 91
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 5250 tot maximaal 5500 kg melk/jaar 29 93
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 5500 tot maximaal 5750 kg melk/jaar 29,5 95
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 5750 tot maximaal 6000 kg melk/jaar 30 97
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 6000 tot maximaal 6250 kg melk/jaar 31 99
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 6250 tot maximaal 6500 kg melk/jaar 31,5 101
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 6500 tot maximaal 6750 kg melk/jaar 32,5 103
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 6750 tot maximaal 7000 kg melk/jaar 33 105
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 7000 tot maximaal 7250 kg melk/jaar 34 107
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 7250 tot maximaal 7500 kg melk/jaar 34,5 109
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 7500 tot maximaal 7750 kg melk/jaar 35,5 111
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 7750 tot maximaal 8000 kg melk/jaar 36 113
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 8000 tot maximaal 8250 kg melk/jaar 37 115
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 8250 tot maximaal 8500 kg melk/jaar 37,5 117
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 8500 tot maximaal 8750 kg melk/jaar 38,5 119
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 8750 tot maximaal 9000 kg melk/jaar 39 121
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 9000 tot maximaal 9250 kg melk/jaar 40 123
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 9250 tot maximaal 9500 kg melk/jaar 40,5 125
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 9500 tot maximaal 9750 kg melk/jaar 41,5 127
Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 9750 tot maximaal 10.000 kg melk/jaar 42 129

Melkkoeien met een melkproductie hoger dan 10.000 kg melk/jaar

43 131
Vervangingsvee jonger dan 1 jaar 10 33
Vervangingsvee van 1 jaar tot 2 jaar 19,2 58
b) Mestvee:
Zoogkoeien 25 65
Mestkalveren 3,6 10,5
Runderen jonger dan 1 jaar 7 22,3
Runderen van 1 jaar tot jonger dan 2 jaar 19,2 58
c) Andere runderen 29,5 77

2į VARKENS:

Biggen met een gewicht van 7 tot 20 kg 1,38 2,18
Beren 15,25 29,61
Zeugen, inclusief biggen met een gewicht kleiner dan 7 kg 15,25 29,61
Andere varkens:
van 20 tot 110 kg 4,97 12,68
van 110 kg of meer 15,25 29,61
3į PLUIMVEE
a) Legrassen:
Legkippen 0,45 0,81
(Groot)ouderdieren 0,45 0,81
Opfokpoeljen van legkippen 0,18 0,34
b) Vleesrassen:
Slachtkuikens 0,26 0,61
Slachtkuikenouderdieren 0,69 1,31
Opfokpoeljen van slachtkuikenouderdieren 0,26 0,52
c) struisvogels:
Struisvogels fokdieren 9,8 18

Struivogels slachtdieren

4,5 8,6
Struisvogels (van 0 tot 3 maand) †1,7 †3,5
d) Kalkoenen:
Kalkoenen slachtdieren 1,05 1,70
Kalkoenen ouderdieren 1,47 2
e) Ander pluimvee †0,19 0,24
4į PAARDEN:
Paarden (> 600 kg) 30 65
Paarden en pony’s (200-600 kg) 21 50
Paarden en pony’s (< 200 kg) 12 35
5į ANDERE:
a) Konijnen
Gesloten bedrijven (per vrouwelijk konijn) 3,91 7,22
Vetmesterij (per dier) 0,368 0,621
Kwekerij (per volwassen dier) 1,619 3,06
b) Geiten en schapen
Geiten en schapen jonger dan 1 jaar 1,72 4,36
Geiten en schapen ouder dan 1 jaar 4,14 10,5
c) Nertsen
Gesloten bedrijven (per moederdier) 1,3 2,3
Vetmesterij (per dier) 0,4 0,7
Kwekerij (per volwassen dier) 0,5 0,9

[...]

ß 2.

[...]

ß 3.

De Vlaamse Regering kan de lijst, vermeld in paragraaf 1, aanvullen of wijzigen.

ß 4.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, onder meer met betrekking tot het vaststellen van de mineraleninhoud van de verschillende soorten dierlijke mest, met betrekking tot de analyse van verhandelde meststoffen en van het bedrijfsmatige dierlijke mestoverschot en met betrekking tot het vaststellen van het aantal kg geproduceerde melk per jaar,en kan de diercategorieŽn, vermeld in ß 1, nader definiŽren.

ß 5.

De Vlaamse Regering stelt de stikstofverliezen uit de stal, de opslag en het vervoer vast voor de omrekening van het bruto-gehalte stikstof in dierlijke mest bij uitscheiding naar het netto-gehalte van stikstof in de dierlijke mest op het ogenblik van de afzet. Dit netto-gehalte wordt de forfaitaire netto-inhoudsnorm stikstof genoemd.