Besluit steun aan landbouwers
Besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid

Gelet op verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad, het laatst gewijzigd bij verordening (EU) nr. 994/2014 van de Commissie van 13 mei 2014;
Gelet op verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad, gewijzigd bij verordening (EU) nr. 1310/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013;
Gelet op verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad, het laatst gewijzigd bij gedelegeerde verordening (EU) nr. 1001/2014 van de Commissie van 18 juli 2014;
Gelet op gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot wijziging van bijlage X bij die verordening;
Gelet op gedelegeerde verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden;
Gelet op uitvoeringsverordening (EU) nr. 641/2014 van de Commissie van 16 juni 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;
Gelet op uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden;
Gelet op het decreet van 28 juni 2013 betreffende het landbouw- en visserijbeleid, artikel 4, 1°;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 tot instelling van een bedrijfstoeslagregeling en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en tot toepassing van de randvoorwaarden;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2006 tot instelling van bepaalde rundvleespremies;
Gelet op de machtiging nr. 42/2005 van de commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer tot toegang van het rijksregister en gebruik van het identificatienummer van het rijksregister met het oog op de uitbouw van een e-loket, gegeven op 9 november 2005;
Gelet op de machtiging nr. 08/009 van het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid, gegeven op 5 februari 2008;
Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 8 april 2014;
Gelet op het overleg tussen de gewestregeringen en de federale overheid op 24 april 2014, bekrachtigd door de Interministeriële Conferentie voor het Landbouwbeleid op 17 juni 2014;
Gelet op het advies van de Strategische Adviesraad voor Landbouw en Visserij, gegeven op 10 juni 2014;
Gelet op het advies van de Milieu- en Natuurraad Vlaanderen (Minaraad), gegeven op 19 juni 2014;
Gelet op advies 56.585/1/V van de Raad van State, gegeven op 27 augustus 2014, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
(...)

Hoofdstuk 1.
Algemene bepalingen


Afdeling 1.
Definities


Artikel 1.
In dit besluit wordt verstaan onder:
actieve landbouwer: een landbouwer die niet is uitgesloten van rechtstreekse betalingen conform artikel 9 van verordening (EU) nr. 1307/2013 en artikel 7 en 8 van dit besluit;
agromilieu- en klimaatmaatregelen: verbintenissen die landbouwers afsluiten voor de uitvoering van landbouwpraktijken die een positieve bijdrage leveren tot het milieu en het klimaat met toepassing van artikel 28 van verordening (EU) nr. 1305/2013;
[...]
berm: strook grond, meestal een grasstrook, die de scheiding vormt tussen wegeninfrastructuur, zoals wegen, spoorwegen, fietspaden of trottoirs, aan de ene kant en een andere vaste grens, zoals een waterloop, een talud of een eigendomsgrens, aan de andere kant;
[bevoegde entiteit: het Departement Landbouw en Visserij van het Vlaams Ministerie van Landbouw en Visserij;]
5°/1
[bomenrij: een lijnvormig vrijstaand landschapselement, bestaande uit minstens drie bomen in één rij geplant met maximaal twintig meter tussen de stammen;]
ecologisch aandachtsgebied: een gebied als vermeld in artikel 46, tweede lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013;
eID: de elektronische identiteitskaart, vermeld in artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 25 maart 2003 betreffende de identiteitskaarten;
e-loket: het elektronisch loket dat wordt ontwikkeld en beheerd door de bevoegde entiteit;
e-loketgebruiker: de fysieke persoon die als landbouwer, als persoon die deel uitmaakt van de landbouwer of als gevolmachtigde van de landbouwer gebruik maakt van het e-loket;
10°
gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014: de gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot wijziging van bijlage X bij die verordening;
11°
gedelegeerde verordening (EU) nr. 640/2014: de gedelegeerde verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden;
12°
groep van bomen: bomen in groep met overlappende kruinen. Een groep van bomen heeft een maximale oppervlakte van 0,30 hectare;
13°
haag of heg: een rij bomen of struiken die vlak naast elkaar zijn geplaatst en de doorkijk en doorgang belemmeren. Een haag of heg is overal minder dan 2 meter breed;
13°/1
[hoofdteelt: de teelt die op 31 mei van het kalenderjaar op het perceel aanwezig is. Als op die datum geen teelt, een grasachtige voorteelt of een gewas dat uitsluitend als groenbedekker bestemd is en nog niet vernietigd is, aanwezig is op het perceel, dan is de hoofdteelt de eerstvolgende teelt die op het perceel wordt ingezaaid;]
14°
hoogstamboomgaard: een perceel landbouwgrond met hoogstamfruitbomen;
15°
houtkant: een vrijstaande en uitgestrekte vegetatiestrook die bestaat uit struiken of uit bomen die geen doorkijk toelaten. Een houtkant is maximaal 10 meter breed;
16°
houtwal: een houtkant die op een verhoging ligt;
17°
jonge landbouwer: een natuurlijke persoon die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 50, tweede lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013, en die voldoende vakbekwaam is, of een rechtspersoon of groepering van natuurlijke personen die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 49 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 en waarin minstens één natuurlijke persoon van de bedrijfshoofden voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 50, tweede lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013, en voldoende vakbekwaam is;
18°
landbouwer: een landbouwer als vermeld in artikel 4, eerste lid, a), van verordening (EU) nr. 1307/2013;
19°
landschapselement: element in het landschap, met name een poel, een houtwal of houtkant, een haag of heg, een bomenrij, een hoogstamboomgaard, een geïsoleerde boom, een groep van bomen [of een sloot];
20°
minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de landbouw;
21°
natuurlijke graslanden: gronden met ruige grassen, grassen met een belangrijke aanwezigheid van mossen, kruidachtige gewassen of andere weinig voedzame grassoorten, of ouder weidegras met een zekere graad van veronkruiding;
22°
overmacht en uitzonderlijke omstandigheden: de gevallen van overmacht en uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van verordening (EU) nr. 1306/2013;
23°
poel: een geïsoleerd watervlak in een natuurlijke laagte, in een uitgraving of in een geconstrueerd waterbekken dat het grootste deel van het jaar met water gevuld is en niet verbonden is met waterlopen. Een poel heeft een maximale oppervlakte van 0,10 hectare;
24°
randvoorwaarden: de beheerseisen die voortvloeien uit de Europese richtlijnen en verordeningen, vermeld in bijlage II van verordening (EU) nr. 1306/2013, en de normen inzake een goede landbouw- en milieuconditie die zijn vastgesteld ter uitvoering van artikel 93, eerste lid, van verordening (EU) nr. 1306/2013, alsook wat de jaren 2015 en 2016 betreft, de instandhouding van blijvend grasland zoals bepaald in artikel 93, derde lid, van verordening (EU) nr. 1306/2013;
25°
reserve: het bedrag dat conform artikel 30 en 31 van verordening (EU) nr. 1307/2013 als regionale reserve beschikbaar is voor toewijzing aan de landbouwers;
26°
sloot: een waterloop in een natuurlijke of aangelegde laagte, van maximaal 6 meter breed en geschikt voor afvoer van water. Waterlopen met betonnen wanden worden niet als sloot beschouwd;
27°
startende landbouwer: een landbouwer die voldoet aan één van onderstaande omschrijvingen:
a)
een natuurlijke persoon die voldoet aan de definitie, vermeld in artikel 30, elfde lid, b), van verordening (EU) nr. 1307/2013 en artikel 28, vierde lid, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014, en die voldoende vakbekwaam is;
b)
een rechtspersoon of groepering van natuurlijke personen die voldoet aan de definitie, vermeld in artikel 30, elfde lid, b), van verordening (EU) nr. 1307/2013 en artikel 28, vierde lid, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014, waarvan alle natuurlijke personen die bedrijfshoofd zijn van de rechtspersoon of groepering voldoende vakbekwaam zijn. Als de rechtspersoon geheel of ten dele gevormd wordt door andere rechtspersonen, dan geldt voor die rechtspersonen dat elk van de natuurlijke personen die bedrijfshoofd zijn van die rechtspersonen, of van onderliggende rechtspersonen van die rechtspersonen, voldoende vakbekwaam moeten zijn;
28°
uitvoeringsverordening (EU) nr. 641/2014: de uitvoeringsverordening (EU) nr. 641/2014 van de Commissie van 16 juni 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;
29°
uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014: de uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden;
30°
vergroening: de klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken, vermeld in titel III, hoofdstuk 3, van verordening (EU) nr. 1307/2013;
31°
verordening (EG) nr. 73/2009: de verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van de gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003;
32°
verordening (EU) nr. 1305/2013: de verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad;
33°
verordening (EU) nr. 1306/2013: de verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad;
34°
verordening (EU) nr. 1307/2013: de verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad;
35°
verzamelaanvraag: de verzamelaanvraag, vermeld in artikel 11 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 640/2014 en in artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 houdende bepalingen tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;
36°
enveloppe voor rechtstreekse betalingen: het gedeelte van het nationale maximum, vermeld in bijlage II bij verordening (EU) nr. 1307/2013, dat na toepassing van de verdeelsleutel tussen de gewesten toekomt aan de zone Noord, dat bestaat uit het Vlaamse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
37°
braakliggend land: bouwland waarop geen landbouwproductie plaatsvindt maar waarop ofwel een spontane vegetatie tot ontwikkeling komt ofwel een maatregel wordt genomen om de biodiversiteitsvoordelen te vergroten. Percelen met gras als hoofdteelt in de voorgaande campagne kunnen niet als braakliggend land beschouwd worden.

Art. 2.
[...]

Afdeling 2.
Enveloppe voor rechtstreekse betalingen en algemene bepalingen


Art. 3.
Ter uitvoering van artikel 14 van verordening (EU) nr. 1307/2013 worden de volgende percentages van de jaarlijkse enveloppe voor rechtstreekse betalingen beschikbaar gesteld als aanvullende steun voor maatregelen in het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma's die overeenkomstig verordening (EU) nr. 1305/2013 uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling worden gefinancierd:
5 % in kalenderjaar 2015;
7,5 % in kalenderjaar 2016 en 2017;
10 % in kalenderjaar 2018, 2019 en 2020.
De verschillende enveloppes voor de basisbetaling, de reserve, de vergroeningsbetaling, de betaling voor jonge landbouwers, de betaling voor gekoppelde steun en de overboeking conform artikel 15 van dit besluit worden berekend op basis van de jaarlijkse enveloppe voor rechtstreekse betalingen na aftrek van de bedragen, vermeld in het eerste lid.

Art. 4.
Er worden geen rechtstreekse betalingen uitgekeerd aan de landbouwers voor wie het totaal van de rechtstreekse betalingen die zijn aangevraagd of zijn toe te kennen in een bepaald kalenderjaar vóór de toepassing van verlagingen of uitsluitingen als vermeld in artikel 63 van verordening (EU) 1306/2013, minder dan 400 euro bedraagt.

Art. 5.
De minister kan bepalen in welke situaties overmacht of uitzonderlijke omstandigheden kunnen ingeroepen worden conform artikel 2 van verordening (EU) nr. 1306/2013.

Afdeling 3.
Actieve landbouwer


Art. 6.
Een landbouwer die zich in één van de gevallen, vermeld in artikel 7 en 8, bevindt, wordt niet beschouwd als een actieve landbouwer, met uitzondering van de landbouwers die een tegenbewijs als vermeld in artikel 8, § 1, afleveren.
Ter uitvoering van artikel 9, vierde lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013, wordt het tijdens het voorgaande jaar ontvangen bedrag aan rechtstreekse betalingen vastgesteld op nul euro. Bijgevolg worden aan een landbouwer die zich in één van de gevallen, vermeld in artikel 7 en 8 van dit besluit, bevindt, overeenkomstig het eerste lid geen rechtstreekse betalingen toegekend ongeacht het bedrag aan rechtstreekse betalingen dat hij het voorgaande jaar ontvangen heeft.

Art. 7.
Een landbouwer aan wie geen rechtstreekse betalingen kunnen worden toegekend conform artikel 9, eerste lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013, wordt niet beschouwd als een actieve landbouwer.
Voor de toepassing van artikel 9, eerste lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013, wordt verstaan onder minimumactiviteit: de minimumactiviteit, vermeld in artikel 23 van dit besluit.
Om te voldoen aan de definitie van actieve landbouwer, moet de landbouwer de minimumactiviteit, vermeld in het eerste lid, uitvoeren op ten minste 75 % van zijn geconstateerde areaal natuurlijke graslanden.

Art. 8.

§ 1

Conform artikel 9, tweede lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013, worden uitbaters van luchthavens, spoorwegdiensten, waterwerken, vastgoeddiensten en permanente sport- en recreatiegebieden, niet beschouwd als actieve landbouwers, behoudens tegenbewijs.

§ 2

In paragraaf 1 wordt verstaan onder:
[uitbater van vastgoeddiensten: een vastgoedmakelaar als vermeld in artikel 1, 4°, van de wet van 11 februari 2013 houdende organisatie van het beroep van vastgoedmakelaar, die is ingeschreven op het tableau van vastgoedmakelaars of de lijst van stagiairs, vermeld in artikel 3, eerste lid, van de voormelde wet, alsook de natuurlijke persoon en de rechtspersoon of de groep van natuurlijke personen of rechtspersonen uit wiens activiteitencode in de Kruispuntbank van Ondernemingen van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, blijkt dat ze vastgoedactiviteiten uitoefenen, hoewel ze niet ingeschreven zijn op het voormelde tableau;]
uitbater van permanente sport- en recreatiegronden: een uitbater van één of meer permanente sport- en recreatiegronden of -terreinen die wegens hun uitrusting, inrichting of toegankelijkheid bestendig bruikbaar zijn voor recreatie of sportbeoefening, ongeacht of de recreatie ook werkelijk op permanente wijze wordt uitgeoefend. Gronden en terreinen die hieronder vallen zijn onder andere golfterreinen, paardenrenbanen en maneges;
uitbater van waterwerken: een watermaatschappij, die belast is met waterwinning, waterbehandeling of drinkwatervoorziening.
Landbouwers die permanente sport- en recreatiegronden hebben aangelegd in het kader van de verbreding of diversificatie van landbouwactiviteiten naar niet-agrarische activiteiten, zoals hoevetoerisme, hoevekamperen, boerengolf en teambuildingspelen, worden voor de toepassing van dit artikel niet beschouwd als uitbaters van permanente sport- en recreatiegronden als vermeld in het eerste lid, 2°.
De minister bepaalt de vorm en de inhoud van het tegenbewijs, vermeld in paragraaf 1, en de wijze waarop dat tegenbewijs geleverd moet worden aan de bevoegde entiteit, conform artikel 11 tot en met 13 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014.

Hoofdstuk 2.
Activering van het betalingsrechtensysteem


Afdeling 1.
Toegang tot het betalingsrechtensysteem en berekening van de waarde van de betalingsrechten


Art. 9.
De actieve landbouwers die in 2015 minimaal twee subsidiabele hectaren aangeven, kunnen betalingsrechten ontvangen in 2015 met toepassing van artikel 24, eerste lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013. Daarvoor dienen ze een aanvraag tot het verkrijgen van betalingsrechten in uiterlijk op de uiterste indieningsdatum van de verzamelaanvraag in 2015. Om betalingsrechten te kunnen ontvangen, moeten ze in 2013 recht gehad hebben op rechtstreekse betalingen met toepassing van verordening (EG) nr. 73/2009, vóór de toepassing van verlagingen en uitsluitingen als vermeld in titel II, hoofdstuk 4, van de voormelde verordening. [Landbouwers die in 2013 geen recht hadden op rechtstreekse betalingen, maar in dat jaar groenten, fruit, consumptieaardappelen, pootaardappelen, siergewassen of wijn verbouwden, kunnen conform artikel 24, lid 1, derde alinea, a, i), van verordening (EU) nr. 1307/2013 ook betalingsrechten ontvangen.]

Art. 10.
Het aantal betalingsrechten dat een actieve landbouwer in 2015 krijgt, is gelijk aan het laagste aantal van zijn aantal geconstateerde subsidiabele hectaren in 2013, vermeld in artikel 34, tweede lid, van verordening (EG) nr. 73/2009, en zijn aantal geconstateerde subsidiabele hectaren in 2015 met toepassing van artikel 24, tweede lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013 en artikel 15 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014.

Art. 11.

§ 1

De bevoegde entiteit stelt de waarden van de betalingsrechten in 2015 voor de gehele periode 2015 tot en met 2019 vast. De waarden worden gedifferentieerd conform artikel 25, tweede lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013. De waarde van elk afzonderlijk betalingsrecht convergeert in de periode 2015 tot en met 2019 met toepassing van artikel 25, achtste lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013, naar een waarde in 2019 die vastgesteld wordt door de berekeningen, vermeld in paragraaf 2, toe te passen.

§ 2

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder regionaal gemiddelde in 2019: het regionaal gemiddelde in 2019, berekend op de wijze, vermeld in artikel 25, vijfde lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013.
Voor elk betalingsrecht wordt een eenheidswaarde berekend op basis van de waarde van de toeslagrechten die de landbouwer in bezit heeft op 21 april 2014, volgens de methode, vermeld in artikel 26, derde lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013. Betalingsrechten waarvan die eenheidswaarde lager ligt dan 90 % van het regionaal gemiddelde in 2019, worden opgehoogd met één derde van het verschil tussen de berekende eenheidswaarde van het betalingsrecht en 90 % van het regionaal gemiddelde, met toepassing van artikel 25, vierde lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013.
Na toepassing van de berekeningen, vermeld in het tweede lid, worden alle betalingsrechten met een eenheidswaarde lager dan 60 % van het regionaal gemiddelde in 2019, opgehoogd tot 60 % van het regionaal gemiddelde. Betalingsrechten met een eenheidswaarde hoger dan het regionaal gemiddelde in 2019 worden verlaagd met toepassing van artikel 25, zevende lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013. Die verlaging bedraagt maximaal 30 % ten opzichte van de eenheidswaarde van het betalingsrecht. Om de maximale verlaging te respecteren, wordt in voorkomend geval de regel, vermeld in artikel 25, vierde lid, derde alinea, van verordening (EU) nr. 1307/2013, toegepast.

§ 3

De minister kan bijkomende objectieve en niet-discriminerende criteria vastleggen, om te bepalen hoe de verlaging van de waarde van betalingsrechten met een waarde hoger dan het regionaal gemiddelde in 2019, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, toegepast wordt.

§ 4

Als gevolg van budgettaire wijzigingen in het desbetreffende jaar kan de effectieve waarde van een betalingsrecht afwijken van de waarde vastgesteld op de wijze, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3.

Art. 12.

§ 1

De landbouwer kan een herziening aanvragen van de gegevens die gebruikt worden om de toegang, het aantal en de waarde van de betalingsrechten vast te stellen in de volgende gevallen:
onjuiste of onvolledige gegevens;
overmacht en uitzonderlijke omstandigheden als vermeld in artikel 24, tweede lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013 en artikel 19 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014.

§ 2

De minister bepaalt:
de inhoud en de procedure van de aanvraag tot herziening;
in geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden een minimaal verliespercentage, met toepassing van artikel 19, tweede lid, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014.

Afdeling 2.
Specifieke gevallen van toegang tot het basisbetalingssysteem en toekenning van betalingsrechten


Art. 13.

§ 1

Een specifieke regeling voor de toegang tot het basisbetalingssysteem en de toekenning van betalingsrechten, met inbegrip van de waardebepaling van de betalingsrechten, is mogelijk in geval van:
een feitelijke en verwachte vererving als vermeld in artikel 14, eerste lid, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014;
een wijziging in de juridische status als vermeld in artikel 14, tweede lid, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014;
fusies en splitsingen als vermeld in artikel 14, derde lid, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014;
één of meer clausules in privaatrechtelijke verkoop- of verhuurcontracten als vermeld in artikel 24, achtste lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013, artikel 20 of 21 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 of een wijziging van een dergelijk contract, via een document dat door beide partijen ondertekend is voor 21 april 2015, waarin de overdracht van de toegang tot de nieuwe basisbetaling of van de betalingsrechten en hun bijbehorende waarde geregeld wordt.
In het eerste lid, 1°, wordt verstaan onder:
feitelijke vererving: een effectieve vererving, vastgelegd via de regels van het erfrecht;
verwachte vererving: een overname of voortzetting binnen een familieverband tot derdegraadsverwantschap, binnen een huwelijk, binnen een samenlevingscontract of bij schenking onder levenden.

§ 2

De minister bepaalt:
de specifieke regeling voor de gevallen, vermeld in de eerste paragraaf, de aanvullende voorwaarden om in aanmerking te komen en aanvullende regels met betrekking tot de toegang tot de nieuwe basisbetaling, het aantal toegekende betalingsrechten en de waarde van die betalingsrechten;
de inhoud en procedure van de aanvraag en de vereiste bewijzen die de aanvrager moet leveren.

Hoofdstuk 3.
Rechtstreekse betalingen en betalingsrechtensysteem


Afdeling 1.
Basisbetaling


Onderafdeling 1.
Financiële bepalingen


Art. 14.
Het deel van de basisbetaling dat hoger is dan 150.000 euro, wordt met 100 % verminderd.

Art. 15.
De enveloppe voor de basisbetaling, berekend met toepassing van artikel 22, eerste lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013, wordt volgens het systeem van overboeking jaarlijks opgehoogd met een bedrag, berekend als 3 % van de jaarlijkse enveloppe voor rechtstreekse betalingen na toepassing van artikel 3, eerste lid, van dit besluit, en na aftrek van de enveloppe voor de vergroeningsbetaling als vermeld in artikel 47 van verordening (EU) nr. 1307/2013 in het desbetreffende jaar, met toepassing van artikel 22, tweede lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013.
De minister kan het percentage, vermeld in het eerste lid, jaarlijks wijzigen op basis van berekeningen van de reële ongebruikte middelen van voorgaande jaren zonder dat dat percentage evenwel meer mag bedragen dan de 3 %, vermeld in het eerste lid.

Onderafdeling 2.
Begunstigden van de basisbetaling


Art. 16.
Een landbouwer die conform hoofdstuk 1, afdeling 3, van dit besluit, beschouwd wordt als een actieve landbouwer, kan betalingsrechten activeren door subsidiabele hectaren aan te geven conform artikel 32, eerste lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013.

Onderafdeling 3.
Subsidiabiliteit


Art. 17.
Volgende gronden worden niet beschouwd als eenheden die voor landbouwactiviteiten worden gebruikt en komen niet in aanmerking voor gebruik in een bedrijf als vermeld in artikel 4, eerste lid, b), van verordening (EU) nr. 1307/2013:
tuinen;
gazonnen;
niet-begraasde dijken;
niet-begraasde bermen;
niet-begraasde parken;
niet-begraasde openbare plaatsen;
gronden die op basis van hun ligging, historische achtergrond, beperkte beschikbaarheid voor landbouwactiviteiten of de aanwezigheid van vaste inrichtingen, onmiskenbaar en blijvend voor andere primaire doelstellingen gebruikt worden dan de landbouwactiviteit. Die primaire doelstelling sluit niet noodzakelijk uit dat landbouwers op die gronden bepaalde onderhoudswerkzaamheden of landbouwgerelateerde nevenactiviteiten uitvoeren;
brandgangen;
poelen met een oppervlakte van meer dan 0,1 hectare;
10°
sloten met een breedte van meer dan 6 meter;
11°
hagen met een breedte van meer dan 2 meter;
12°
houtkanten of houtwallen met een breedte van meer dan 10 meter.

Art. 18.
De minister bepaalt de boomsoorten en de maximale omlooptijd voor de toepassing van de definitie van hakhout met korte omlooptijd, vermeld in artikel 4, eerste lid, k), van verordening (EU) nr. 1307/2013.

Art. 19.
Ter uitvoering van artikel 72, eerste lid, tweede paragraaf, van verordening (EU) nr. 1306/2013, kan de minister bepalen wat de minimumgrootte is van een landbouwperceel dat aangegeven mag worden en waarvoor betalingsrechten aangevraagd kunnen worden.

Art. 20.
Alleen de teelt van gewassen in volle grond kan subsidiabel zijn. Substraatteelt, containerteelt en de teelt van kerstbomen zijn niet subsidiabel.

Art. 21.

§ 1

Ter uitvoering van artikel 32, zesde lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013, is de teelt van hennep onderworpen aan een voorafgaande vergunning, hierna teelttoestemming voor hennep te noemen. De teeltoestemming voor hennep is alleen geldig voor het teeltseizoen waarvoor de toestemming wordt aangevraagd en voor het in de aanvraag vermelde ras. Alleen de teelt van rassen als vermeld in artikel 9 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014, is toegestaan.
De minister bepaalt:
1°ter
uitvoering van artikel 17, zevende lid, van uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014, de wijze waarop de teelttoestemming wordt aangevraagd, de inhoud van de aanvraag en de vereiste bewijsstukken;
het uiterste tijdstip waarop de aanvraag tot teelttoestemming voor een teeltseizoen moet worden ingediend;
de wijze waarop de teelttoestemming wordt gegeven.
De minister kan de formulieren voor de aanvraag tot het krijgen van een teelttoestemming en de vorm van de teelttoestemming vastleggen.

§ 2

De teelt van hennep wordt gecontroleerd overeenkomstig artikel [9 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014].
De minister kan de aanvullende voorwaarden voor de controle vaststellen.

Art. 22.
De minimumactiviteit, vermeld in artikel 4, eerste lid, c), ii), van verordening (EU) nr. 1307/2013, moet gebeuren op braakliggend land en bestaat uit elk van volgende maatregelen:
het jaarlijks of om de twee jaar maaien, waarna het maaisel moet blijven liggen;
het tegengaan van verbossing door houtopslag te beperken.
De minister bepaalt de gevallen waarbij het vanuit milieutechnisch oogpunt gerechtvaardigd is om alleen om de twee jaar te maaien als vermeld in het eerste lid, 1°, en de datum waarop de gronden gemaaid moeten zijn. De minister kan nadere regels vaststellen over de te bestrijden soorten vegetatie, het groeistadium en de te voorkomen omvang van de ongewenste vegetatie om verbossing tegen te gaan als vermeld in het eerste lid, 2°.

Art. 23.
De minimumactiviteit, vermeld in artikel 4, eerste lid, c), iii), van verordening (EU) nr. 1307/2013, moet uitgevoerd worden op gronden met natuurlijke graslanden en bestaat uit de toepassing van één van de volgende maatregelen:
het jaarlijks of om de twee jaar maaien, waarna het maaisel wordt afgevoerd;
het laten begrazen van de percelen.
De minister bepaalt de gevallen waarbij het vanuit milieutechnisch oogpunt gerechtvaardigd is om alleen om de twee jaar te maaien als vermeld in het eerste lid, 1°, en de datum waarop de gronden gemaaid moeten zijn. De minister kan voor de maatregel, vermeld in het eerste lid, 2°, bepalen welke diersoorten de gronden mogen begrazen.

Art. 24.
Ter uitvoering van artikel 9, derde lid, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 640/2014, is het maximum aantal toegelaten geïsoleerde bomen op een subsidiabele hectare gelijk aan 100.

Art. 25.
Tijdelijke niet-landbouwgerelateerde activiteiten op een subsidiabel landbouwperceel of een deel ervan wijzigen de subsidiabiliteit van het perceel niet als aan de onderstaande voorwaarden is voldaan:
de activiteiten op het perceel zijn tijdelijk van aard en duren in totaal al dan niet aaneensluitend niet langer dan drie maanden van het kalenderjaar in kwestie;
het perceel voldoet na elke activiteit opnieuw aan alle subsidiabiliteitsvoorwaarden, vermeld in deze onderafdeling.

Art. 26.
De minister kan:
bepalen welke gronden, die hoofdzakelijk gebruikt worden voor niet-landbouwactiviteiten, als niet-subsidiabel worden beschouwd ter uitvoering van artikel 32, derde lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013;
bepalen welke gronden aanzien worden als geen deel uitmakend van het landbouwareaal als bedoeld in artikel 4, eerste lid, e), van verordening (EU) nr. 1307/2013;
bepalen welke landschapselementen die gelegen zijn op subsidiabel areaal, worden beschouwd als deel uitmakend van dat subsidiabel areaal en de toegestane afmetingen van die subsidiabele landschapselementen bepalen ter uitvoering van artikel 9, eerste en tweede lid, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 640/2014.

Onderafdeling 4.
Activering, aangifte, overdracht van betalingsrechten en overdracht van landbouwbedrijven


Art. 27.
Om rechtstreekse betalingen te kunnen ontvangen, moet de actieve landbouwer de betalingsrechten jaarlijks activeren door zijn subsidiabele hectaren aan te geven via de correct ingevulde verzamelaanvraag.
De minister kan de verdere regeling, de procedure en de voorwaarden voor de activering, aangifte en overdracht van betalingsrechten bepalen met toepassing van artikel 32 tot en met 35 van verordening (EU) nr. 1307/2013, met inbegrip van de datum waarop de percelen ter beschikking moeten staan van de landbouwer en de regels met betrekking tot de verzamelaanvraag.

Art. 28.
Als een landbouwer verschillende fracties van betalingsrechten bezit, kunnen die fracties samengevoegd worden overeenkomstig artikel 23, derde lid, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014.

Art. 29.
Gevallen van overdracht van betalingsrechten worden behandeld met toepassing van artikel 34 van verordening (EU) nr. 1307/2013, artikel 25 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 en artikel 8 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 641/2014.
De minister kan de verdere regeling bepalen met betrekking tot de aanvraagprocedure, de inhoud van de aanvraag en de bewijzen die de aanvrager moet leveren.

Art. 30.
De gevallen van overdracht van landbouwbedrijven worden behandeld met toepassing van artikel 8 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014.
De minister bepaalt aan wie de rechtstreekse betalingen worden toegekend en kan de verdere regeling bepalen met betrekking tot de aanvraagprocedure, de inhoud van de aanvraag en de bewijzen die de aanvrager moet leveren.

Art. 31.
Onterecht toegekende betalingsrechten worden teruggevorderd met toepassing van artikel 23 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014. De minister kan bepalen dat bij een totale waarde lager of gelijk aan 50 euro de bedragen niet teruggevorderd worden.

Afdeling 2.
Reserve


Art. 32.
Voor de financiering van de reserve in 2015 wordt met toepassing van artikel 30, eerste tot en met derde lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013, een lineaire procentuele verlaging toegepast op de enveloppe voor de basisbetaling op basis van de aanvragen voor de reserve in 2015.
De minister stelt het percentage van de lineaire verlaging, vermeld in het eerste lid, vast.

Art. 33.

§ 1

De minister bepaalt jaarlijks op basis van de beschikbare middelen welke van de mogelijkheden, vermeld in artikel 30, zesde lid, zevende lid, a), b), c), e) en f), en negende lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013, in het jaar in kwestie aangewend worden, zonder evenwel daarbij de mogelijkheden vermeld in artikel 30, zesde lid, zevende lid, c), en negende lid, van de voormelde verordening, van tussenkomst uit te kunnen sluiten. De minister kan daarbij aanvullende voorwaarden bepalen waar een landbouwer moet aan voldoen om middelen uit de reserve toegewezen te krijgen, hetzij door nieuwe betalingsrechten, hetzij door verhoging van betalingsrechten, met inbegrip van de toepassing van artikel 31, tweede lid, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014.

§ 2

Het aantal betalingsrechten en de waarde worden vastgesteld met toepassing van artikel 30 van verordening (EU) nr. 1307/2013 en artikel 28 tot en met 31 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014.
De minister kan aanvullende voorwaarden en aanvullende regels bepalen met betrekking tot het aantal toegekende betalingsrechten uit de reserve en de waarde van die betalingsrechten, met inbegrip van de stappen van jaarlijkse geleidelijke wijzigingen van de waarde, vermeld in artikel 30, achtste lid, derde alinea, van verordening (EU) nr. 1307/2013.

§ 3

Een landbouwer die zich kan beroepen op één van de mogelijkheden, vermeld in paragraaf 1, moet een aanvraag indienen om nieuwe betalingsrechten of een verhoging van bestaande betalingsrechten uit de reserve toegewezen te krijgen.
De minister bepaalt de aanvraagprocedure, de inhoud van de aanvraag en de bewijzen die de aanvrager moet leveren.

Afdeling 3.
Vergroening


Art. 34.
Een landbouwer moet binnen de grenzen, vermeld in hoofdstuk 3, van titel III, van verordening (EU) nr. 1307/2013, en in deze afdeling, op al zijn subsidiabele hectares de drie vergroeningsmaatregelen, vermeld in artikel 43, tweede lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013, in acht nemen.

Art. 35.

§ 1

Ter uitvoering van artikel 43, derde lid, a), van verordening (EU) nr. 1307/2013, kan de minister de agromilieu- en klimaatmaatregelen aanwijzen die gelijkwaardig zijn aan één of meer verplichte vergroeningsmaatregelen, vermeld in artikel 34 van dit besluit.

§ 2

Ter uitvoering van artikel 43, derde lid, b), van verordening (EU) nr. 1307/2013, en artikel 38 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014, kan de minister bepaalde milieucertificeringsregelingen erkennen als gelijkwaardige praktijken aan de verplichte vergroeningsmaatregelen, vermeld in artikel 34 van dit besluit. In dat geval wijst de minister één of meer publieke of private certificeringsautoriteiten aan die moeten voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 38, tweede lid, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014.

Art. 36.
De landbouwer past de regels toe, vermeld in artikel 44 van verordening (EU) nr. 1307/2013, en artikel 40 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014, om te voldoen aan de vergroeningsmaatregel gewasdiversificatie.
De minister bepaalt:
ter uitvoering van artikel 40, eerste lid, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014, de periode gedurende dewelke het vereiste aantal gewassen aanwezig moeten zijn op het bouwland;
of het deel van het subsidiabel areaal dat bedekt is met landschapselementen, kan meetellen in de berekening van de aandelen per gewas, ter uitvoering van artikel 40, tweede lid, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014;
welke zaadmengsels beschouwd worden als een apart gewas, ter uitvoering van artikel 40, derde lid, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014.

Art. 37.

§ 1

De landbouwer past de regels toe, vermeld in artikel 45 van verordening (EU) nr. 1307/2013, om te voldoen aan de vergroeningsmaatregel behoud van blijvend grasland.

§ 2

De minister wijst de blijvende graslanden aan die ecologisch kwetsbaar zijn in zones als vermeld in richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna of richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand en die beschermd moeten worden om de doelstellingen van de voormelde richtlijnen te verwezenlijken, met inbegrip van de veengronden en moerasgebieden binnen die zones.
De minister kan volgens het kader vastgelegd in artikel 41 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 arealen blijvend grasland die buiten de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, aanduiden als ecologisch kwetsbaar.
[De minister baseert zich voor de aanwijzing, vermeld in het eerste en tweede lid, op:
de Biologische Waarderingskaart en Natura 2000 Habitatkaart van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek en in voorkomend geval op de bevindingen van de verificatiecommissie, vermeld in paragraaf 2/1, vijfde lid, in het kader van de biologische waardering van areaal;
[de historische permanente graslanden, definitief vastgesteld bij artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 houdende de definitieve vaststelling van de kaarten van de historische permanente graslanden in de landbouwstreek de Polders en houdende vaststelling van bijhorende beschermingsbepalingen en in voorkomend geval op de bevindingen van de verificatiecommissie, vermeld in paragraaf 2/1, zesde lid, in het kader van de biologische waardering van areaal.]
De minister legt de criteria voor de aanwijzing op algemene wijze vast.]

[§ 2/1

De landbouwer wordt via de verzamelaanvraag op de hoogte gebracht van de arealen die als ecologisch kwetsbaar blijvend grasland zijn aangeduid.
Als de landbouwer niet akkoord gaat met de aanduiding als ecologisch kwetsbaar blijvend grasland van een areaal, kan hij eenmalig een aanvraag tot correctie indienen. De correctie wordt aangevraagd uiterlijk op de uiterste indieningsdatum van de verzamelaanvraag van het jaar van de aanwijzing.
In afwijking van het tweede lid, is een aanvraag tot correctie niet mogelijk voor arealen die definitief zijn vastgesteld bij artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 houdende de definitieve vaststelling van de kaarten van de historische permanente graslanden in de landbouwstreek de Polders en houdende vaststelling van bijhorende beschermingsbepalingen, en beschermd zijn op basis van artikel 7 en 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
Voor arealen die definitief zijn vastgesteld bij artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 houdende de definitieve vaststelling van de kaarten van de historische permanente graslanden in de landbouwstreek de Polders en houdende vaststelling van bijhorende beschermingsbepalingen, maar niet beschermd zijn op basis van artikelen 7 en 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, kan een aanvraag tot correctie als vermeld in het tweede lid enkel betrekking hebben op de aanwezigheid van microreliëf op het betrokken areaal en voor zover die aanwezigheid van microreliëf niet werd betwist tijdens het openbaar onderzoek dat werd gehouden overeenkomstig artikel 9bis, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
Als de aanvraag tot correctie betrekking heeft op de juistheid en nauwkeurigheid van de biologische waardering van het areaal, zoals die is opgenomen in de Biologische Waarderingskaart en Natura 2000 Habitatkaart van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, of betrekking heeft op de aanwezigheid van microreliëf op arealen als vermeld in het vierde lid, wordt de bevoegde entiteit bij de behandeling van die aanvraag bijgestaan door een verificatiecommissie.
De verificatiecommissie, vermeld in artikel 9bis, § 6, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, en ingesteld bij artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 september 2014 houdende de voorlopige vaststelling van de historisch permanente graslanden in de landbouwstreek de Polders, krijgt als bijkomende opdracht de advisering van de bevoegde entiteit bij de behandeling van aanvragen tot correctie conform het vijfde lid. Onverminderd de opdrachten die de verificatiecommissie vervult ter uitvoering van artikel 9bis, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, blijft de verificatiecommissie ten minste opgericht voor de volledige duur van de opdracht, vermeld in het vijfde lid.
De bevoegde entiteit bezorgt de aanvragen tot correctie, vermeld in het vierde lid, aan de verificatiecommissie. De verificatiecommissie brengt uiterlijk op 1 november van het jaar waarin de aanvraag tot correctie is ingediend, een gemotiveerd advies uit over de juistheid en nauwkeurigheid van de biologische waardering. Het advies van de verificatiecommissie is bindend voor de bevoegde entiteit.
De bevoegde entiteit brengt de landbouwer in kwestie uiterlijk op 30 november van het jaar waarin de aanvraag tot correctie werd ingediend op de hoogte van de beslissing. Bij de kennisgeving van de beslissing is in voorkomend geval een kopie gevoegd van het advies van de verificatiecommissie.
De minister kan:
bijkomende procedurele bepalingen vastleggen voor de indiening van een aanvraag tot correctie;
voor de opdracht, vermeld in het tweede lid:
a)
de samenstelling van de verificatiecommissie wijzigen;
b)
nadere regels opleggen voor de werking van de verificatiecommissie.
]

§ 3

Om te waarborgen dat de bepalingen van artikel 45, tweede lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013, en van artikel 44 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 worden nagekomen, leven de landbouwers op hun bedrijf de verplichtingen na om blijvend grasland in stand te houden.
De minister voorziet in een jaarlijkse monitoring van de percelen blijvend grasland, en stelt de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, vast.

Art. 38.

§ 1

Als een landbouwer in 2015 meer dan 15 hectare bouwland als vermeld in artikel 4, eerste lid, f), van verordening (EU) nr. 1307/2013, heeft, en niet in aanmerking komt voor de vrijstelling beschreven in artikel 46, vierde lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013, moet hij voor ten minste 5 % van zijn aangegeven bouwland ecologisch aandachtsgebied aanleggen, met toepassing van artikel 46, eerste lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013.

§ 2

De toegestane gebieden van ecologisch aandachtsgebied zijn de gebieden, vermeld in artikel 46, tweede lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013, met uitzondering van de gebieden, vermeld in artikel 46, tweede lid, b), van de voormelde verordening.
[...]
Binnen ecologisch aandachtsgebied is bemesting verboden op bufferstroken [en akkerranden] en op subsidiabele stroken langs bosranden zonder productie, met uitzondering van bemesting door grazende dieren.
Op braakliggend land is bemesting eveneens verboden.
Op gebieden met bomen die in aanmerking komen als hakhout met korte omlooptijd dat in aanmerking komt voor ecologisch aandachtsgebied, is minerale bemesting niet toegelaten.
Arealen met vanggewassen of groenbedekkers komen enkel in aanmerking als ecologisch aandachtsgebied als ze ingezaaid zijn met een mengsel. Van de verplichting tot het gebruiken van een mengsel mag worden afgeweken als [gras of peulvruchten worden] ingezaaid onder de hoofdteelt.
Binnen de ruimte die verordening (EU) nr. 1307/2013 en gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 bieden en rekening houdend met de ecologische effectiviteit, bepaalt de minister:
de landschapselementen die als ecologisch aandachtsgebied worden beschouwd, afhankelijk van hun aard en ligging, alsook hun afmetingen, ter uitvoering van artikel 45, vierde lid, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014;
de minimumbreedte van de bufferstroken [en akkerranden] en de toelating of het verbod om op de bufferstroken te maaien of te grazen, ter uitvoering van artikel 45, vijfde lid, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014, zonder dat de minimumbreedte evenwel minder dan [1 meter] mag zijn;
de activiteit die is toegestaan op subsidiabele stroken langs bosranden en de minimumbreedte van die stroken, ter uitvoering van artikel 45, zevende lid, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014;
de boomsoorten die in aanmerking komen als hakhout met korte omlooptijd ter uitvoering van artikel 45, achtste lid, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014;
specifieke regels voor de inzaai van vanggewassen en groenbedekkers, meer bepaald met betrekking tot de inzaaiperiode, en de mengsels die gebruikt mogen worden, ter uitvoering van artikel 45, negende lid, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014. Die specifieke regels bevatten bijkomende voorwaarden met betrekking tot de productiemethode, met name een minimum zaaidichtheid en een minimale periode per landbouwstreek gedurende dewelke het vanggewas en groenbedekker aanwezig moeten zijn;
de lijst met stikstofbindende gewassen waaronder ook gewasmengsels, de minimale periode gedurende dewelke het gewas of gewasmengsel aanwezig moet zijn, of specifieke zones moeten uitgesloten worden, en eventuele bijkomende voorwaarden met betrekking tot de productiemethode, ter uitvoering van artikel 45, tiende lid, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014;
de regels voor het gebruik van de omzettingsfactoren, vermeld in bijlage [X van verordening (EU) nr. 1307/2013], bij het berekenen van het totale areaal ecologisch aandachtsgebied van het bedrijf.

§ 3

Bij het berekenen van het totale areaal ecologisch aandachtsgebied van het bedrijf worden de wegingsfactoren, vermeld in bijlage [X van verordening (EU) nr. 1307/2013] gebruikt.

§ 4

Landbouwers kunnen collectief ecologisch aandachtsgebied aanleggen, met toepassing van artikel 46, zesde lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013.
De minister bepaalt de criteria waaraan de bedrijven moeten voldoen om aan een collectieve tenuitvoerlegging te kunnen deelnemen. De minister kan de gebieden aanduiden die in aanmerking komen voor een collectieve tenuitvoerlegging, met toepassing van artikel 47 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014, en kan verdere verplichtingen opleggen aan de deelnemende landbouwers ter uitvoering van artikel 46, zesde lid, eerste alinea, van verordening (EU) nr. 1307/2013.

Art. 39.
Met toepassing van artikel 43, negende lid, tweede en derde alinea, van verordening (EU) nr. 1307/2013, wordt de betaling voor vergroening toegekend als een percentage van de totale waarde van de betalingsrechten die de landbouwer heeft geactiveerd voor het desbetreffend jaar.

Afdeling 4.
Betaling voor jonge landbouwers


Art. 40.
De middelen bestemd voor de betaling voor jonge landbouwers mogen niet groter zijn dan 2 % van de enveloppe voor rechtstreekse betalingen.
De minister stelt het percentage vast van de enveloppe voor rechtstreekse steun. Hij kan het budget jaarlijks wijzigen aan de hand van inschattingen op basis van de reëel uitbetaalde bedragen in de voorgaande jaren.
Als de middelen ontoereikend zijn en het vastgestelde percentage lager is dan 2 %, wordt in bijkomende financiering voorzien via de methode, vermeld in artikel 51, tweede lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013, waarbij eerst artikel 30, zevende lid, f), van bovenvermelde verordening wordt toegepast.

Art. 41.
Jonge landbouwers krijgen per geactiveerd betalingsrecht een extra betaling gedurende het aantal jaren, bepaald conform artikel 50, vijfde lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013. De extra betaling bedraagt [50 %] van de gemiddelde regionale betaling per hectare, berekend conform artikel 50, achtste lid, van verordening (EU) nr. 1307/2013. De betaling wordt voor maximaal 90 geactiveerde betalingsrechten toegekend.
De minister bepaalt welke bewijzen nodig zijn om de vakbekwaamheid, de leeftijd, de langdurige en daadwerkelijke zeggenschap en de startdatum van het bedrijf aan te tonen en stelt verdere regels vast voor de aanvraag en de aanvraagprocedure.

Hoofdstuk 4.
Gekoppelde steun


Afdeling 1.
Gemeenschappelijke bepalingen


Art. 42.
Met toepassing van artikel 53 van verordening (EU) nr. 1307/2013, wordt jaarlijks:
10 % van de enveloppe voor rechtstreekse betalingen bestemd voor een premie voor het behoud van de gespecialiseerde zoogkoeienhouderij;
1 % van de enveloppe voor rechtstreekse betalingen bestemd voor een premie voor het produceren van vleeskalveren.

Afdeling 2.
Premie voor het behoud van de gespecialiseerde zoogkoeienhouderij


Onderafdeling 1.


Art. 43.
In deze afdeling wordt verstaan onder:
gespecialiseerde veehouder: een landbouwer met een veebeslag dat minstens twintig zoogkoeien bevat;
jonge veehouder: een natuurlijke persoon die op 1 januari van de campagne in kwestie jonger is dan 40 jaar en die zich in de periode van 2 januari van het vijfde jaar voorafgaand aan de start van het campagnejaar tot en met 1 januari van het campagnejaar voor de eerste keer gevestigd heeft als actieve landbouwer, of een groepering van natuurlijke personen of een rechtspersoon waarbij minstens één van de leden, bestuurders of beherende vennoten op 1 januari van de campagne in kwestie jonger is dan 40 jaar en die zich in de periode van 2 januari van het vijfde jaar voorafgaand aan het campagnejaar tot en met 1 januari van het campagnejaar voor de eerste keer gevestigd heeft als actieve landbouwer;
zoogkoe: vrouwelijk rund van het vleestype, geïdentificeerd conform het koninklijk besluit van 23 maart 2011 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en in Sanitel geregistreerd, dat een kalf heeft voortgebracht van het vleestype, en dat behoort tot een veebeslag dat wordt gebruikt voor het opkweken van kalveren bestemd voor de productie van runderen van superieure tot goede bevleesdheid;
zoogkoeienreserve: de reserve van rechten inzake de premie voor het behoud van de gespecialiseerde zoogkoeienhouderij.

Art. 44.
Aan gespecialiseerde veehouders of jonge veehouders die op hun bedrijf zoogkoeien houden kan een premie worden toegekend voor het behoud van de gespecialiseerde zoogkoeienhouderij. De premie wordt per jaar en per veehouder toegekend binnen een individueel maximum.
De minister kan:
aanvullende voorwaarden opleggen waaraan de zoogkoeien en het veebeslag dat wordt gebruikt voor het opkweken van kalveren bestemd voor de productie van runderen, moeten voldoen om voor de premieregeling in aanmerking genomen te worden;
aanvullende voorwaarden bepalen waaraan een gespecialiseerde veehouder of een jonge veehouder moet voldoen om voor de premie in aanmerking te komen.

Art. 45.

§ 1

Het Vlaamse referentieaantal dieren, vermeld in artikel 53, tweede lid, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014, wordt vastgesteld op basis van het totale aantal zoogkoeien die in 2013 gekalfd hebben.
De minister bepaalt de nadere regels voor het vaststellen van het referentieaantal dieren, vermeld in het eerste lid.

§ 2

Het eenheidsbedrag van de premie per dier wordt berekend op basis van het financiële plafond, vermeld in artikel 42, 1°, en het aantal premiegerechtigde dieren van de campagne in kwestie. Het totale aantal uitbetaalde premies voor een campagne mag het financiële plafond, vermeld in artikel 42, 1°, niet overschrijden. Als na berekening van de premiebedragen het financiële plafond ontoereikend is, wordt een procentuele vermindering op de premiebedragen toegepast.

Art. 46.

§ 1

In 2015 wordt voor elke gespecialiseerde veehouder een individueel maximum als vermeld in artikel 44, eerste lid, vastgesteld op basis van het gemiddelde van de jaren 2012 en 2013 van het aantal zoogkoeien die in het jaar in kwestie op zijn bedrijf gekalfd hebben en waarvan een gedeelte minstens een bepaalde periode vóór die kalving op dat bedrijf werden aangehouden.
Het individuele maximum, vermeld in het eerste lid, wordt uitgedrukt in een overeenkomstig aantal premierechten.
De minister bepaalt voor berekening van het individuele maximum, vermeld in het eerste lid, de aanhoudingsperiode waarbinnen de zoogkoeien moeten aangehouden worden vóór de kalving en het aantal zoogkoeien dat tijdens die periode moet aangehouden zijn.
Van de berekeningswijze van het individuele maximum, vermeld in het eerste lid, kan worden afgeweken:
bij overmacht en uitzonderlijke omstandigheden die tot gevolg hebben dat het vastgestelde aantal dieren niet overeenkomt met de werkelijke situatie van het bedrijf zoals die tijdens de voorafgaande jaren is vastgesteld;
als in de periode van 2012 tot 1 januari 2015 een overdracht van het veebeslag heeft plaatsgevonden.
De minister bepaalt de nadere regels voor het toepassen van de afwijkingen, vermeld in het vierde lid.

§ 2

In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, wordt het individuele maximum voor jonge veehouders vastgesteld op basis van het hoogste aantal zoogkoeien van het jaar 2012 of 2013 die in het jaar in kwestie op zijn bedrijf gekalfd hebben en die minstens een bepaalde periode vóór de kalving op dat bedrijf werden aangehouden.
De minister kan voor jonge veehouders voor de berekening van het individuele maximum een kortere aanhoudingsperiode dan de aanhoudingsperiode, vermeld in paragraaf 1, derde lid, bepalen.

Art. 47.
De zoogkoeienreserve wordt aangewend ter ondersteuning van de generatiewissel en van eventuele andere prioritaire groepen van veehouders.
Bij de aanvang van de campagne 2015 wordt de zoogkoeienreserve benut om extra premierechten toe te kennen aan:
jonge veehouders;
veehouders van wie het individueel maximum, berekend met toepassing van artikel 46, § 1, lager is dan het aantal zoogkoeien, vermeld in artikel 43, 1°, maar tenminste 70 % hiervan bedraagt, en van wie het veebeslag in 2014 het vereiste aantal zoogkoeien, vermeld in artikel 43, 1°, bevat;
veehouders die in 2014 voor het eerst als landbouwer zijn gestart en een veebeslag dat zoogkoeien omvat hebben geactiveerd;
veehouders die te kampen hebben met specifieke problemen.
De som van het aantal aan de veehouders toegewezen en in de reserve beschikbare premierechten mag niet meer bedragen dan het referentieaantal, vermeld in artikel 45, § 1. Zo nodig wordt een procentuele vermindering op de aan de veehouders toegewezen premierechten toegepast.
De minister bepaalt de nadere voorwaarden en de categorieën van veehouders voor het verlenen van premierechten uit de zoogkoeienreserve.

Art. 48.
Een veehouder kan zijn premierechten geheel of gedeeltelijk overdragen aan een andere veehouder die beschikt over zoogkoeien die voor de premieregeling in aanmerking komen.
Bij overdracht van premierechten zonder overdracht van het gehele bedrijf vervalt een bepaald percentage van die premierechten aan de zoogkoeienreserve. [...]
[Als een veehouder de premierechten waarover hij beschikt in een campagne, onder een minimumpercentage benut, verliest de veehouder het geheel of een deel van zijn premierechten en vervallen die premierechten aan de zoogkoeienreserve.]
De minister bepaalt het minimumpercentage voor het gebruik van de premierechten[, het gedeelte van premierechten dat aan de zoogkoeienreserve vervalt door onderbenutting en de gevallen waarin het geheel van de premierechten door onderbenutting vervalt aan de zoogkoeienreserve, conform het derde lid,] en de nadere regels van de overdrachten van premierechten [met inbegrip van het percentage, vermeld in artikel 48, tweede lid] , rekening houdend met de doelstellingen, vermeld in artikel 47, eerste lid.

Art. 49.
Als na de toepassing van artikel 46, artikel 47, eerste [en tweede] lid, en artikel 48, en in voorkomend geval voorafgaand aan de toepassing van [artikel 47, derde lid], het individuele maximum van een veehouder minder dan 20 premierechten bedraagt, worden aan die veehouder geen premierechten toegewezen.
[Een veehouder verliest de aan hem toegekende premierechten voor deelname aan de premieregeling als aan de start van een campagnejaar het individuele maximum van de veehouder in kwestie minder dan twintig premierechten bedraagt. De minister kan bepalen dat een landbouwer die rechten heeft verkregen uit de zoogkoeienreserve, waarbij een procentuele vermindering is toegepast waardoor de toegekende premierechten minder dan twintig bedragen, toch premierechten toegekend krijgt.]

Art. 49/1.
Aan een veehouder worden geen premies uitbetaald als het aantal benutte premierechten in het campagnejaar waarop de uitbetaling betrekking heeft, lager is dan het minimumaantal premierechten dat benut moet worden.
Het minimumaantal premierechten dat benut moet worden, wordt verkregen door het minimumpercentage, vermeld in artikel 48, derde lid, toe te passen op twintig premierechten. Als na de berekening geen geheel getal wordt verkregen, wordt het resultaat afgerond op het eerstvolgende geheel getal.

Art. 50.
De minister stelt de procedure vast voor de aanvraag en de toekenning van de premie, vermeld in artikel 44.

Afdeling 3.
Premie voor het produceren van vleeskalveren


Art. 51.
In deze afdeling wordt verstaan onder:
vleeskalf: een rund, geïdentificeerd conform het koninklijk besluit van 23 maart 2011 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en in Sanitel geregistreerd als subtype vleeskalf, dat bestemd is voor de productie van kalfsvlees, zoals bedoeld in bijlage VII, deel I, II, A), van verordening (EU) nr. 1308/2013;
gespecialiseerde kalverhouder: een landbouwer met een veebeslag dat in Vlaanderen ligt, dat bestemd is voor het afmesten van vleeskalveren en dat toegelaten is als vleeskalverhouderij, conform het koninklijk besluit van 23 maart 2011 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen.

Art. 52.
Aan gespecialiseerde kalverhouders die op hun bedrijf kalveren voor minstens 120 dagen afmesten, kan een premie voor het produceren van vleeskalveren worden toegekend.
De minister kan:
aanvullende voorwaarden opleggen waaraan vleeskalveren moeten voldoen om voor de premieregeling in aanmerking genomen te worden;
aanvullende voorwaarden bepalen waaraan een gespecialiseerde kalverhouder moet voldoen om voor de premie in aanmerking te komen.

Art. 53.
Het Vlaamse referentieaantal dieren, vermeld in artikel 53, tweede lid, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014, wordt vastgesteld op basis van het totale aantal vleeskalveren dat in 2013 in Vlaanderen geregistreerd is.
Het eenheidsbedrag van de premie per dier wordt verkregen door het financiële plafond, vermeld in artikel 42, 2°, van dit besluit, te delen door het aantal dieren dat premiegerechtigd is in de campagne in kwestie.
Het totale aantal uitbetaalde premies voor een campagne mag niet meer bedragen dan het referentieaantal. Indien nodig wordt daarvoor een procentuele vermindering van het aantal premies toegepast.
Om voor de premie in aanmerking te komen moet het vleeskalf een bepaalde periode op de vleeskalverhouderij zijn aangehouden.
De minister bepaalt de nadere regels voor het vaststellen van het referentieaantal dieren, vermeld in het eerste lid en bepaalt de lengte van aanhoudingsperiode, vermeld in het vierde lid.

Art. 54.
De minister stelt de procedure vast voor de aanvraag en de toekenning van de premie, vermeld in artikel 52, eerste lid[, en bepaalt de nadere regels voor de toekenning van de premie bij de overname van een vleeskalverhouderij].

Hoofdstuk 5.
Randvoorwaarden


Art. 55.
Een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, leeft de beheerseisen, vermeld in artikel 93, eerste lid, van verordening (EU) nr. 1306/2013, na, alsook de normen inzake goede landbouw- en milieuconditie, vermeld in dit hoofdstuk ter uitvoering van artikel 93, eerste lid, van verordening (EU) nr. 1306/2013.

Art. 56.
Landbouwers moeten een gewasbeschermingsmiddelvrije zone respecteren van één meter breed landinwaarts gemeten vanaf de bovenste rand van het talud van de bevaarbare waterlopen en de onbevaarbare waterlopen van eerste, tweede en derde categorie, ingedeeld op grond van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen. Op de fotoplannen van de verzamelaanvraag worden deze waterlopen voorgedrukt.

Art. 57.
Als voor het gebruik van water voor bevloeiingsdoeleinden een vergunning vereist is, moet de landbouwer de vergunningsprocedures naleven.

Art. 58.
Landbouwers leven in het kader van hun landbouwactiviteit het verbod na op het direct en indirect lozen in het grondwater van gevaarlijke stoffen opgenomen in de lijst I van de bijlage 1 bij dit besluit. Ze leven ook het verbod na op het direct lozen in het grondwater van gevaarlijke stoffen opgenomen in de lijst II van de bijlage 1 bij dit besluit. Voor het indirect lozen van gevaarlijke stoffen opgenomen in de voormelde lijst II moeten ze beschikken over een milieuvergunning overeenkomstig de bepalingen van VLAREM I.
Landbouwers dekken de boorgaten van verlaten grondwaterwinningen af als die boorgaten een potentieel gevaar vormen voor het verontreinigen van watervoerende lagen.

Art. 59.

§ 1

De erosiegevoeligheid van een perceel wordt bepaald door [de subentiteit van het Departement Omgeving, bevoegd voor bodembescherming]. Er zijn zes erosiegevoeligheidsklassen: zeer hoog, hoog, medium, laag, zeer laag en verwaarloosbaar. De erosiegevoeligheid van een perceel wordt jaarlijks meegedeeld via de verzamelaanvraag.
Landbouwers die aan de hand van een analyse van een bodemstaal kunnen aantonen dat [het organische koolstofgehalte] 1,7 % of meer bedraagt en de pH zich in de optimale zone voor het bodemtype in kwestie bevindt, overeenkomstig de Code van Goede Praktijk Bodembescherming, kunnen bij de bevoegde entiteit aanvragen om de erosiegevoeligheid van het desbetreffende perceel dat geen blijvend grasland is met één klasse te laten dalen. [De monsterneming en analyse van het organische koolstofgehalte, de pH en de bodemtextuur van het bodemstaal worden] uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodembescherming als vermeld in artikel 6, 5°, c), van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu (VLAREL). De bodemanalyse heeft een geldigheidsduur van vijf jaar vanaf de datum waarop de staalname heeft plaatsgevonden. De herklassering van een perceel loopt per kalenderjaar: ze vangt aan op 1 januari van het jaar waarin de aanvraag voor herklassering wordt goedgekeurd en eindigt op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan de einddatum van de maximale geldigheidsduur van de bodemanalyse.
Als het perceel van vorm verandert, blijft de herklassering geldig voor zover het perceel voor minstens 80 % overlapt met het oorspronkelijk perceel waarop de staalname die de basis voor de herklassering vormde, is uitgevoerd.
[De geldigheid van de analyse van een bodemstaal, vermeld in het tweede lid, vervalt als de subentiteit van het departement Omgeving, bevoegd voor bodembescherming, kennis krijgt van een analyse die voldoet aan de volgende voorwaarden:
de analyse is recenter dan de analyse die de landbouwer heeft ingediend;
de bemonstering is uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodembescherming als vermeld in artikel 6, 5°, c), van het VLAREL of door de subentiteit van het departement Omgeving, bevoegd voor bodembescherming;
de bemonsteringsdiepte is voor beide analyses gelijk;
de analyse is uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodembescherming als vermeld in artikel 6, 5°, c), van het VLAREL;
de analyse toont aan dat het organische koolstofgehalte van het desbetreffende perceel lager is dan 1,7 % of dat de pH zich niet in de optimale zone voor het bodemtype in kwestie bevindt.
De subentiteit van het departement Omgeving, bevoegd voor bodembescherming, brengt de landbouwer die het perceel waarop de analyse betrekking heeft, in gebruik heeft, en de bevoegde entiteit ervan op de hoogte dat een analyse van een bodemstaal als vermeld in het derde lid, niet meer geldig is. De herklassering van een perceel, gebaseerd op een analyse van een bodemstaal dat conform het vierde lid niet meer geldig is, eindigt op 31 december van het kalenderjaar waarin wordt meegedeeld dat de analyse in kwestie niet meer geldig is.]

§ 2 [

Op percelen met een zeer hoge erosiegevoeligheid is de landbouwer verplicht erosiebestrijdingsmaatregelen als vermeld in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd, toe te passen. De toe te passen erosiebestrijdingsmaatregelen op een dergelijk perceel variëren naargelang van de verbouwde teelt.
]

§ 3 [

Op percelen met een hoge erosiegevoeligheid is de landbouwer verplicht om erosiebestrijdingsmaatregelen als vermeld in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd, toe te passen. De toe te passen erosiebestrijdingsmaatregelen op een dergelijk perceel variëren naargelang van de verbouwde teelt.
]

§ 4

De landbouwer die in het kader van educatieve demonstraties of in het kader van wetenschappelijke proefnemingen erosiebestrijdende maatregelen wil toepassen die afwijken van de bepalingen opgenomen in bijlage 2 en bijlage 3 bij dit besluit, dient daarvoor een gemotiveerde aanvraag in bij de minister.
Een aanvraag als vermeld in het eerste lid, bevat minstens de volgende gegevens:
voor- en achternaam of benaming van de aanvrager;
de teelt en het perceel waarvoor de aanvrager de afwijking wil verkrijgen;
de tijdsduur waarvoor de afwijking wordt aangevraagd;
een omschrijving van de geplande educatieve demonstratie of wetenschappelijke proefneming, met aanduiding van de bepalingen van de voormelde bijlagen waarvan de aanvrager wil afwijken.
De aanvrager moet een aanvraag als vermeld in het eerste lid minimaal dertig werkdagen voor de aanvang van de periode waarvoor hij de afwijking wil verkrijgen, indienen bij de bevoegde entiteit. De bevoegde entiteit brengt de aanvrager op de hoogte van de ontvangst van de aanvraag binnen drie werkdagen. Als de aanvraag onvolledig is of onvoldoende informatie bevat, kan de bevoegde entiteit aanvullende gegevens opvragen.
De minister kan voor een aanvraag als vermeld in het eerste lid de toelating geven om van de bepalingen opgenomen in bijlage 2 en 3 bij dit besluit, af te wijken en neemt de beslissing binnen een termijn van twintig werkdagen na ontvangst van de aanvraag door de bevoegde entiteit. Als de bevoegde entiteit bijkomende gegevens opvraagt, overeenkomstig het derde lid, wordt de lopende beslissingstermijn gestuit en begint een nieuwe beslissingstermijn te lopen vanaf ontvangst van die bijkomende gegevens.

Art. 60.

§ 1

De landbouwer moet de zuurtegraad en [het organische koolstofgehalte] van een aantal van zijn percelen die geen grasland zijn of die geen permanente bedekking hebben, laten bepalen en de bijbehorende analyseresultaten kunnen voorleggen. Elk analyseresultaat is vijf jaar geldig.
Bij [een te laag organisch koolstofgehalte] moet de landbouwer op de betreffende percelen het op basis van de analyseresultaten gegeven advies volgen. Als uit de analyseresultaten blijkt dat bepaalde percelen een te lage zuurtegraad hebben, moeten die bekalkt worden.

§ 2

Afhankelijk van zijn totaal areaal landbouwgrond exclusief grasland en teelten die voor een permanente bedekking zorgen, moet de landbouwer per begonnen schijf van vijf hectare minstens één geldig analyseresultaat kunnen voorleggen.

§ 3

Het vereiste minimumaantal geldige analyses wordt aanvullend begrensd door het aantal door de landbouwer aangegeven percelen landbouwgrond die geen grasland zijn of geen permanente bedekking hebben.

§ 4

De monsternemingen, analyses [van het organische koolstofgehalte, de pH en de bodemtextuur van het bodemstaal,] en het opstellen van een landbouwkundig advies moeten uitgevoerd worden door een laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodembescherming, erkend voor de desbetreffende monsternemingen en analyses volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.

§ 5

Stoppels mogen na het oogsten niet afgebrand worden, behalve om fytosanitaire redenen.

Art. 61.

§ 1

Aanvullend op de beheerseisen voortvloeiend uit de richtlijn 2009/147/EG en de richtlijn 92/43/EEG overeenkomstig bijlage II van verordening (EU) nr. 1306/2013, moeten landbouwers ook buiten de zones aangeduid in het kader van deze richtlijnen het verbod, de (natuur)vergunningsplicht en de voorwaarden voor het wijzigen van landschapselementen naleven.

§ 2

Het is verboden heggen en bomen te snoeien tijdens het broedseizoen.

§ 3

De uitbreiding van plantensoorten die door hun overwoekerend karakter een bedreiging vormen voor de goede landbouw- en milieuconditie van grond, moet voorkomen worden.
De minister kan nadere regels bepalen omtrent de te bestrijden plantensoorten, het groeistadium en de te voorkomen omvang van die vegetatie.

Art. 62.
In uitvoering van artikel 93, derde tot en met vijfde lid, van verordening (EU) nr. 1306/2013, zijn landbouwers die in 2015 en 2016 niet voldoen aan hun verplichting om minstens het referentieareaal blijvend grasland te behouden zoals opgelegd bij artikel 12, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 tot instelling van een bedrijfstoeslagregeling en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en tot toepassing van de randvoorwaarden, verplicht om evenveel blijvend grasland aan te leggen als nodig om alsnog aan hun verplichting te voldoen.
De bevoegde entiteit verricht in 2015 en 2016 controles op de naleving van de verplichting, vermeld in het eerste lid.

Art. 63.
De bevoegde entiteit en de gespecialiseerde instanties bepalen in een protocol de manier van gegevens- en kennisuitwisseling, de rapportering en de voortgangscontrole van vaststellingen van niet-naleving van beheerseisen.

Art. 64.
Elke verlaging of uitsluiting die aan een landbouwer wordt toegekend omdat hij niet aan de randvoorwaarden voldoet, wordt in rekening gebracht.

Hoofdstuk 6.
Elektronisch systeem voor aangifte en consultatie van gegevens in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid


Art. 65.
De landbouwer kan gebruikmaken van het e-loket om via elektronische weg aan bepaalde van zijn administratieve verplichtingen te voldoen.
De minister bepaalt de mogelijkheden van het gebruik van het e-loket en de handelingen die via elektronische weg kunnen worden verricht. De minister bepaalt welke handelingen uitsluitend verricht kunnen worden via het e-loket en kan in dat geval ook de uitzonderlijke omstandigheden aanwijzen waarbinnen een aangifte op papier mogelijk blijft.

Art. 66.
Om toegang tot het e-loket te verkrijgen, moet de e-loketgebruiker aan de volgende voorwaarden voldoen:
hij is meerderjarig en bij de bevoegde entiteit geregistreerd aan de hand van zijn rijksregisternummer;
hij beschikt over een door de Belgische overheid uitgereikte eID, een eID-kaartlezer en de nodige infrastructuur om zich op het internet te begeven, en hij logt bij elke aanvraag van toegang in via zijn eID;
hij verklaart zich akkoord met het gebruikersreglement en verbindt zich ertoe het reglement na te leven. Het gebruikersreglement kan op elk moment geconsulteerd worden op het e-loket.
De bevoegde entiteit verleent de e-loketgebruiker toegang tot het e-loket als de e-loketgebruiker aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, voldoet.

Art. 67.

§ 1

De bevoegde entiteit stelt digitale invulformulieren en elektronische aanvraagschermen ter beschikking op het e-loket, die de e-loketgebruiker kan invullen en indienen in overeenstemming met de richtlijnen die in die formulieren of aanvraagschermen zijn opgenomen.
Als indieningsdatum van een elektronische aangifte geldt het tijdstip van de registratie in de databank die door de bevoegde instantie beheerd wordt en die aan het e-loket gekoppeld is.

§ 2

De bevoegde entiteit stelt aan de e-loketgebruiker op het e-loket de persoonlijke informatie en de bedrijfsinformatie waarvoor hij gevolmachtigd is, ter beschikking voor consultatie en aangifte.

Art. 68.
De elektronische aangiften via het e-loket worden ondertekend overeenkomstig de identificatiesleutels voor authentificatie van de identiteit van de e-loketgebruiker die volgens het gebruik van de eID conform de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen, de elektronische aangetekende zending en certificatiediensten zijn vastgelegd, en met een kaartlezer die het label "Belgische eID compatibel" heeft verkregen.
In het eerste lid wordt verstaan onder elektronische handtekening: de elektronische handtekening, vermeld in artikel 2, 1°, van de voormelde wet.

Art. 69.
De bevoegde entiteit is verantwoordelijk voor het beheer, de bewaring en de verwerking van de gegevens die via het e-loket worden verkregen.
De e-loketgebruiker heeft het recht om inzage te krijgen in de eigen of gevolmachtigde gegevens die via het e-loket Landbouw en Visserij worden verwerkt en ze zo nodig te verbeteren.

Art. 70.
Als er een tegenstrijdigheid bestaat tussen verrichtingen die uitgevoerd zijn via het e-loket en verrichtingen die plaatsvinden door papieren formulieren in te dienen, is alleen de verrichting geldig die als eerste bij de bevoegde entiteit werd ingediend. De tweede verrichting wordt niet beschouwd als een wijziging van de eerste. Als beide verrichtingen op dezelfde datum worden ingediend, is alleen de verrichting geldig die via het e-loket uitgevoerd is.

Hoofdstuk 7.
Controles en sancties


Art. 71.
De bevoegde entiteit is belast met het administratieve beheer van de uitvoering en het toezicht op de naleving van dit besluit, de uitvoeringsbesluiten ervan, de verordeningen (EU) nr. 1307/2013 en (EU) nr. 1306/2013 en de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen ervan. De bevoegde entiteit staat in voor het bepalen en opleggen van de administratieve sancties, vermeld in de verordeningen (EU) nr. 1307/2013 en (EU) nr. 1306/2013 en de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen ervan.
De bevoegde entiteit is verantwoordelijk voor de coördinatie en voor de uitvoering van de controles, vermeld in titel V van verordening (EU) nr. 1306/2013.

Hoofdstuk 8.
Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen


Art. 72.
Het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 tot instelling van een bedrijfstoeslagregeling en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en tot toepassing van de randvoorwaarden, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006, 8 september 2006, 9 februari 2007, 14 september 2009, 18 juli 2008, 10 september 2010, 19 november 2010, 23 maart 2012, 16 november 2012 en 25 april 2014 wordt opgeheven, met uitzondering van artikel 12, dat wordt opgegeven op 1 januari 2017.

Art. 73.
Het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2006 tot instelling van bepaalde rundvleespremies, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 maart 2012, wordt opgeheven.

Art. 74.
De besluiten, vermeld in artikel 72 en 73, blijven van toepassing op steunaanvragen en betalingsaanvragen die betrekking hebben op de campagnes die voorafgaan aan 1 januari 2015.

Art. 75.
Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2015.

Art. 76.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de landbouw, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Bijlage 1.
Lijsten van gevaarlijke stoffen voor lozing in grondwater


Lijst I. families en groepen van stoffen

1

Lijst I omvat de afzonderlijke stoffen van onderstaande families of groepen van stoffen met uitzondering van die stoffen welke, gezien het geringe risico van toxiciteit, persistentie en bio-accumulatie, niet geschikt voor lijst I worden geacht.
Dergelijke stoffen die gezien de toxiciteit, de persistentie en de bio-accumulatie geschikt zijn voor lijst II, moeten op die lijst worden opgenomen:
organische halogeenverbindingen en stoffen waaruit in water dergelijke verbindingen kunnen ontstaan;
organische fosforverbindingen;
organische tinverbindingen;
stoffen die in of via het water een kankerverwekkende, mutagene of teratogene werking hebben;
kwik en kwikverbindingen;
cadmium en cadmiumverbindingen;
minerale oliën en koolwaterstoffen;
cyaniden.

2

Voor zover sommige stoffen van lijst II een kankerverwekkende, mutagene of teratogene werking hebben, zijn zij begrepen onder de stoffen, vermeld in punt 1, 4°.

Lijst II. families en groepen van stoffen

3

Lijst II omvat afzonderlijke stoffen en categorieën van stoffen van de onderstaande families en groepen van stoffen die een schadelijke werking op het grondwater zouden kunnen hebben:
de volgende metalloïden en metalen alsmede verbindingen daarvan:
a)
zink;
b)
koper;
c)
nikkel;
d)
chroom;
e)
lood;
f)
selenium;
g)
arsenicum;
h)
antimoon;
i)
molybdeen;
j)
titaan;
k)
tin;
l)
barium;
m)
beryllium;
n)
borium;
o)
uranium;
p)
vanadium;
q)
kobalt;
r)
thallium;
s)
tellurium;
t)
zilver;
biociden en derivaten daarvan, die niet in lijst I genoemd zijn;
stoffen met een schadelijke werking op de smaak of de geur van het grondwater alsmede verbindingen waaruit dergelijke stoffen in het water kunnen ontstaan en die het water ongeschikt voor menselijke consumptie kunnen maken;
organische siliciumverbindingen die toxisch of persistent zijn en stoffen waaruit dergelijke verbindingen in het water kunnen ontstaan met uitzondering van die welke biologisch onschadelijk zijn of die in het water snel worden omgezet in onschadelijke stoffen;
anorganische fosforverbindingen en elementair fosfor;
fluoriden;
ammoniak en nitrieten.

Bijlage 2.
Erosiebestrijdingsmaatregelen als vermeld in artikel 59, § 2

1
In deze bijlage wordt verstaan onder:
basispakket:
a)
als de teelt geoogst wordt vóór 15 oktober, minstens één van de volgende maatregelen:
i)
het inzaaien van een groenbedekker voor 1 december;
ii)
het inzaaien van een andere teelt voor 1 december;
b)
als de teelt geoogst wordt na 15 oktober, minstens één van de volgende maatregelen:
i)
het inzaaien van een groenbedekker voor 1 december;
ii)
de bodem niet-kerend bewerken voor 1 december;
iii)
het inzaaien van een andere teelt voor 1 december;
iv)
het behouden van een bodembedekking door oogstresten bij korrelmais, spruiten en andere koolsoorten tot de inzaai van de volgende teelt;
v)
het toepassen van wintervoorploegen (‘winterlabeur’) voor percelen met een klei- of leembodem;
c)
als de teelt niet geoogst is op 1 december, minstens één van de volgende maatregelen:
i)
het behouden van de teelt of van de teeltresten tot de inzaai van de volgende teelt;
ii)
het toepassen van wintervoorploegen (‘winterlabeur’) voor percelen met een klei- of leembodem;
keuzepakket bufferstrook voor percelen met een zeer hoge erosiegevoeligheid: minstens één van de volgende maatregelen:
a)
het hebben of aanleggen van een grasbufferstrook van minstens 9 meter breed bij een perceel met een uniforme helling, in samenwerking met een bedrijfsplanner of een erosiecoördinator;
b)
het hebben of aanleggen van een grasgang van minstens 12 meter breed bij een perceel met een sonk of een droge vallei, in samenwerking met een bedrijfsplanner of een erosiecoördinator;
c)
het hebben of aanleggen van een graszone bij een perceel met een complexe topografie, in samenwerking met een bedrijfsplanner of een erosiecoördinator;
d)
het hebben of aanleggen van een dam uit plantaardige materialen bij een perceel met een complexe topografie, eventueel in combinatie met een grasbufferstrook, in samenwerking met een bedrijfsplanner of een erosiecoördinator;
keuzepakket teelttechnische maatregelen voor percelen met een zeer hoge erosiegevoeligheid: minstens één van de volgende maatregelen uitvoeren:
a)
niet kerende bodembewerking toepassen voor de inzaai van de teelt;
b)
directe inzaai toepassen;
c)
strip-till toepassen bij de inzaai van de teelt;
d)
het aanleggen van drempeltjes bij niet-biologische aardappelen. Bij biologische aardappelteelt is schoffelen en wieden toegelaten als alternatief voor drempeltjes;
e)
het aanleggen van drempeltjes of toepassen van een diepe tandbewerking bij andere ruggenteelten dan aardappelen;
keuzepakket structurele erosiebestrijdingswerken: minstens één van de volgende maatregelen uitvoeren:
a)
het hebben of aanleggen van een bufferende aarden dam met een erosiepoel, eventueel met geleidende aarden dam;
b)
het hebben of aanleggen van een bufferbekken, eventueel met geleidende aarden dam;
De maatregelen zijn gebonden aan de volgende voorwaarden:
a)
de aanleg van de structurele erosiebestrijdingswerken voldoet aan de code goede praktijk voor erosiebestrijdingswerken en gebeurt verplicht onder coördinatie van een bedrijfsplanner of een erosiecoördinator. De aanleg van de maatregel moet goedgekeurd worden door de overheid of uitgevoerd worden in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 mei 2009 betreffende de erosiebestrijding, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2010, hierna het erosiebesluit genoemd;
b)
eerder aangelegde structurele erosiebestrijdingswerken komen in aanmerking nadat deze zijn goedgekeurd door de overheid of aangelegd werden in het kader van het erosiebesluit;
c)
de maatregel moet op een akkerbouwperceel, dat de landbouwer zelf gebruikt, aanwezig zijn. Maatregelen aanwezig op een openbaar domein komen niet in aanmerking;
d)
enkel het perceel waarop de maatregel is aangelegd voldoet aan het pakket structurele erosiebestrijdingswerken. Andere percelen waarvan water en sediment in de buffervoorziening terecht komt, voldoen niet aan het pakket structurele erosiebestrijdingswerken;
directe inzaai: het direct inzaaien in een voldoende bodembedekking. Om gunstige zaaicondities te creëren wordt bij directe inzaai toegestaan dat de bodem, vóór de insnijding van de zaaikouters, wordt geopend en verkruimeld. Concreet gaat het om schijven of een combinatie van schijven en tanden die werkzaam zijn in dezelfde lijn als de zaaikouter en met een werkbreedte per schijf van maximaal 3 cm;
strip-till: de techniek waarbij de teelt ingezaaid wordt op een strook bewerkte grond van maximaal 30 cm breed, terwijl de rest van het veld onbewerkt blijft en een voldoende bodembedekking heeft;
drempeltjes: aanaardingen aangebracht dwars tussen de ruggen met een aangepaste machine.
2
Afhankelijk van de teeltcategorie zijn de volgende maatregelen verplicht:
teelten die het jaar rond een volledige bedekking van de bodem bieden:
a)
het omzetten van blijvend grasland naar akkerland is verboden, met uitzondering van blijvend grasland aangelegd ter uitvoering van een beheersovereenkomst of een overeenkomst gesloten in het kader van het erosiebesluit;
teelten ingezaaid vóór 1 januari:
a)
een maatregel toepassen uit het basispakket
b)
een maatregel toepassen uit ofwel het keuzepakket bufferstroken, ofwel het keuzepakket teelttechnische maatregelen, ofwel het keuzepakket structurele erosiebestrijdingswerken;
teelten ingezaaid na 1 januari:
a)
een maatregel toepassen uit het basispakket
b)
een maatregel toepassen zowel uit het keuzepakket bufferstroken als uit het keuzepakket teelttechnische maatregelen, ofwel een maatregel uit het keuzepakket structurele erosiebestrijdingswerken;
meerjarige teelten: er voor zorgen dat de bodem voor minstens 80 % bedekt is door de combinatie van enerzijds de teelt zelf en anderzijds gras of een andere waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen, ofwel een maatregel toepassen uit het keuzepakket structurele erosiebestrijdingswerken.

Bijlage 3.
Erosiebestrijdingsmaatregelen als vermeld in artikel 59, § 3

1
In deze bijlage wordt verstaan onder:
basispakket:
a)
als de teelt geoogst wordt vóór 15 oktober, minstens één van de volgende maatregelen:
i)
het inzaaien van een groenbedekker voor 1 december;
ii)
het inzaaien van een andere teelt voor 1 december;
b)
als de teelt geoogst wordt na 15 oktober, minstens één van de volgende maatregelen:
i)
het inzaaien van een groenbedekker voor 1 december;
ii)
de bodem niet-kerend bewerken voor 1 december;
iii)
het inzaaien van een andere teelt voor 1 december;
iv)
het behouden van een bodembedekking door oogstresten bij korrelmais, spruiten en andere koolsoorten tot
v)
het toepassen van wintervoorploegen (‘winterlabeur’) voor percelen met een klei- of leembodem;
c)
als de teelt niet geoogst is op 1 december, minstens één van de volgende maatregelen:
i)
het behouden van de teelt of de teeltresten tot de inzaai van de volgende teelt;
ii)
het toepassen van wintervoorploegen (‘winterlabeur’) voor percelen met een klei- of leembodem;
keuzepakket bufferstrook voor percelen met een hoge erosiegevoeligheid: minstens één van de volgende maatregelen:
a)
het hebben of aanleggen van een grasbufferstrook van minstens 9 meter breed bij een perceel met een uniforme helling;
b)
het hebben of aanleggen van een grasgang van minstens 12 meter breed bij een perceel met een sonk of een droge vallei;
c)
het hebben of aanleggen van een graszone bij een perceel met een complexe topografie, in samenwerking met een bedrijfsplanner of een erosiecoördinator;
d)
het hebben of aanleggen van een dam uit plantaardige materialen bij een perceel met een complexe topografie, eventueel in combinatie met een grasbufferstrook, in samenwerking met een bedrijfsplanner of een erosiecoördinator;
keuzepakket teelttechnische maatregelen voor percelen met een hoge erosiegevoeligheid: minstens één van de volgende maatregelen uitvoeren:
a)
niet kerende bodembewerking toepassen voor de inzaai van de teelt;
b)
directe inzaai toepassen;
c)
strip-till toepassen bij de inzaai van de teelt;
d)
zaaien volgens de hoogtelijnen bij andere dan ruggenteelten;
e)
het aanleggen van drempeltjes bij niet-biologische aardappelen. Bij biologische aardappelteelt is schoffelen en wieden toegelaten als alternatief voor drempeltjes;
f)
het aanleggen van drempeltjes of uitvoeren van een diepe tandbewerking bij andere ruggenteelten dan aardappelen;
g)
de kopakkers inzaaien met gras in de groeifase van de teelt.
keuzepakket structurele erosiebestrijdingswerken: minstens één van de volgende maatregelen uitvoeren:
a)
het hebben of aanleggen van een bufferende aarden dam met een erosiepoel, eventueel met geleidende aarden dam;
b)
het hebben of aanleggen van een bufferbekken, eventueel met geleidende aarden dam;
De maatregelen zijn gebonden aan de volgende voorwaarden:
a)
de aanleg van de structurele erosiebestrijdingswerken voldoet aan de code goede praktijk voor erosiebestrijdingswerken en gebeurt verplicht onder coördinatie van een bedrijfsplanner of een erosiecoördinator. De aanleg van de maatregel moet goedgekeurd worden door de overheid of uitgevoerd worden in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 mei 2009 betreffende de erosiebestrijding, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2010, hierna het erosiebesluit genoemd;
b)
eerder aangelegde structurele erosiebestrijdingswerken komen in aanmerking nadat deze zijn goedgekeurd door de overheid of aangelegd werden in het kader van het erosiebesluit;
c)
de maatregel moet op een akkerbouwperceel dat de landbouwer zelf gebruikt aanwezig zijn. Maatregelen aanwezig op een openbaar domein komen niet in aanmerking;
d)
enkel het perceel waarop de maatregel is aangelegd voldoet aan het pakket structurele erosiebestrijdingswerken. Andere percelen waarvan water en sediment in de buffervoorziening terecht komt, voldoen niet aan het pakket structurele erosiebestrijdingswerken;
directe inzaai: het direct inzaaien in een voldoende bodembedekking. Om gunstige zaaicondities te creëren wordt bij directe inzaai toegestaan dat de bodem, vóór de insnijding van de zaaikouters, wordt geopend en verkruimeld. Concreet gaat het om schijven of een combinatie van schijven en tanden die werkzaam zijn in dezelfde lijn als de zaaikouter en met een werkbreedte per schijf van maximaal 3 cm;
strip-till: de techniek waarbij de teelt ingezaaid wordt op een strook bewerkte grond van maximaal 30 cm breed, terwijl de rest van het veld onbewerkt blijft en een voldoende bodembedekking heeft;
drempeltjes: aanaardingen aangebracht dwars tussen de ruggen met een aangepaste machine.
2
Afhankelijk van de teeltcategorie zijn de volgende maatregelen verplicht:
teelten ingezaaid vóór 1 januari: ofwel een maatregel toepassen onder a) ofwel onder b)
a)
een maatregel toepassen uit het basispakket;
b)
minstens één maatregel toepassen uit een van de volgende keuzepakketten:
i)
het keuzepakket bufferstroken;
ii)
het keuzepakket teeltechnische maatregelen;
iii)
het keuzepakket structurele erosiebestrijdingswerken;
teelten ingezaaid na 1 januari:
a)
een maatregel toepassen uit het basispakket;
b)
een maatregel toepassen uit ofwel het keuzepakket bufferstroken, ofwel het keuzepakket teelttechnische maatregelen, ofwel het keuzepakket structurele erosiebestrijdingswerken. Indien een maatregel uit het keuzepakket structurele erosiebestrijdingswerken wordt toegepast, is het toepassen van een maatregel onder a) niet verplicht;
meerjarige teelten: ofwel een maatregel toepassen van a) ofwel van b):
a)
er voor zorgen dat de bodem voor minstens 80 % bedekt is door de combinatie van enerzijds de teelt zelf en anderzijds gras of een andere waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen;
b)
minstens één maatregel toepassen uit ofwel het keuzepakket bufferstroken ofwel het keuzepakket structurele erosiebestrijdingswerken.