Art. 1.4.6.1.

Om tegemoet te komen aan de redenen van de evaluatie worden de milieuvoorwaarden waar nodig bijgesteld.

In geval van een GPBV-installatie worden de milieuvoorwaarden zo nodig bijgesteld in de volgende gevallen:

1 om binnen vier jaar na de bekendmaking ervan in het publicatieblad van de Europese Unie te voldoen aan nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies ook rekening houdend met artikel 1.4 en 1.9, eerste lid, 5, van titel III van het VLAREM;
2 als ontwikkelingen op het gebied van BBT een significante vermindering van de emissies mogelijk maken;
3 als de veroorzaakte verontreiniging van die aard is dat de bestaande emissiegrenswaarden moeten worden gewijzigd of nieuwe emissiegrenswaarden moeten worden opgelegd;
4 als de bedrijfsveiligheid van het proces of de activiteit de toepassing van andere technieken vereist;
5 om aan een nieuwe of bijgewerkte milieukwaliteitsnorm conform artikel 3.3.0.3, eerste lid, 3, te voldoen.

In geval van ingedeelde inrichtingen of activiteiten als vermeld in artikel 1.4.2.1, 2, a) en b), worden de milieuvoorwaarden zo nodig bijgesteld in de volgende gevallen:

1 als zich ingrijpende wijzigingen voordoen in de exploitatie van de voorziening of in het gestorte afval;
2 op basis van de resultaten van de monitoring waarover de exploitant met toepassing van artikel 5.2.6.5.1, 3, verslag heeft uitgebracht of van de met toepassing van artikel 5.2.6.9.1 uitgevoerde inspecties;
3 in het licht van informatie-uitwisseling over aanzienlijke veranderingen in de beste beschikbare technieken.

In het geval van ingedeelde inrichtingen of activiteiten als vermeld in artikel 1.4.2.1, 2, c) en d), worden de milieuvoorwaarden bijgesteld in functie van het maatregelenprogramma, vermeld in artikel 64 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.