Art. 35.

§1. Over vergunningsaanvragen of beroepen die betrekking hebben op het uitvoeren van vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen of op het verkavelen van gronden wordt advies verleend door de instanties en in de gevallen vermeld in dit artikel.

 

§2. De afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, verleent advies als het advies van de POVC of van de GOVC moet worden gevraagd.

 

De afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, kan subadviezen inwinnen van iedere dienst, instelling of organisatie die activiteiten ontwikkelt op het vlak van energie, leefmilieu, waterbeleid, landinrichting, natuurbehoud, ruimtelijke ordening, veiligheid of mobiliteit.

 

Tenzij het anders is bepaald in de adviesvraag, verlenen de instanties, vermeld in het tweede lid, het subadvies binnen een vervaltermijn van twintig dagen.

 

De vervaltermijn, vermeld in het derde lid, gaat in op de dag na de dag van ontvangst van de subadviesvraag.

 

Het tweede tot het vierde lid zijn niet van toepassing als de instanties, vermeld in het tweede lid, in het kader van de vergunningsaanvraag of het beroep over een eigen adviesbevoegdheid op het vlak van ruimtelijke ordening beschikken.

 

§3. Het agentschap van het beleidsdomein Omgeving dat belast is met de uitvoering van het beleid inzake onroerend erfgoed verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag betrekking heeft op:

gronden die liggen in [...] een voorlopig of definitief beschermde archeologische site, een voorlopig of definitief beschermd monument, een voorlopig of definitief beschermd cultuurhistorisch landschap of een voorlopig of definitief beschermd stads- of dorpsgezicht, in voorkomend geval met inbegrip van de overgangszones, vermeld in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
percelen in erfgoedlandschappen in de volgende gevallen:
  a) bij percelen in gemengd openruimtegebied met cultuurhistorische waarde;
  b) bij het optrekken of plaatsen van een constructie in agrarisch gebied in de ruime zin of in ruimtelijk kwetsbaar gebied;
  c) bij aanmerkelijke reliëfwijzigingen, het aanleggen of wijzigen van recreatieve terreinen of het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond als vermeld in artikel 4.2.1, 5°, van de VCRO;
goederen die erkend zijn als werelderfgoed of die in de bufferzone van het werelderfgoed liggen conform artikel 11 van de overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld, opgemaakt in Parijs op 16 november 1972, in de volgende gevallen:
  a) als de goederen voorkomen op de lijst van het werelderfgoed;
  b) als de percelen in de bufferzone, zoals goedgekeurd door het UNESCO-werelderfgoedcomité, op minder dan honderd meter van het werelderfgoed liggen;
  c) als de percelen in de bufferzone, zoals goedgekeurd door het UNESCO-werelderfgoedcomité, op meer dan honderd meter van het werelderfgoed liggen, waarbij de constructie een hoogte van meer dan vijftien meter heeft of bereikt;
[...]

 

In afwijking van het eerste lid wordt het advies verleend door de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed als een beroep middelen opwerpt over het advies van het agentschap, vermeld in het eerste lid, of over de behandeling van dat advies door de overheid, bevoegd in eerste administratieve aanleg.

 

§4. Het Agentschap voor Natuur en Bos verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag:

 

in een ruimtelijk kwetsbaar gebied ligt;
in een Vogelrichtlijngebied ligt dat is aangewezen met toepassing van artikel 36bis van het Natuurdecreet, met uitzondering van de woongebieden in de ruime zin;
in een Habitatgebied ligt dat is aangewezen met toepassing van artikel 36bis van het Natuurdecreet;
in een waterrijk gebied ligt dat is aangewezen krachtens de overeenkomst inzake watergebieden die van internationale betekenis zijn, in het bijzonder als woongebied voor watervogels, opgemaakt in Ramsar op 2 februari 1971;
in een park of bos ligt, zoals gedefinieerd in het Bosdecreet van 13 juni 1990;
de opmaak van een passende beoordeling vereist.

 

§5. Het Departement Mobiliteit en Openbare Werken verleent advies als een mobiliteitsstudie of een project-MER, die een mobiliteitsstudie omvat, bij de vergunningsaanvraag gevoegd moet worden.

 

§6. De wegbeheerder verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag op minder dan dertig meter van het domein van autosnelwegen, hoofdwegen of primaire wegen categorie I volgens het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen of langs gewestwegen ligt.

 

§7. Infrabel wordt om advies verzocht en kan advies verlenen als het voorwerp van de vergunningsaanvraag op minder dan twintig meter van de vrije rand van bestaande of geplande spoorlijnen ligt.

 

§8. De adviesinstanties, vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, verlenen advies in de gevallen, vermeld in artikel 3 van het voormelde besluit.

 

§9. De waterbeheerder verleent advies als een machtiging vereist is voor werken van verbetering en werken van wijziging aan onbevaarbare waterlopen van tweede en derde categorie conform artikel 12 en artikel 14 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen, tenzij de vergunningsaanvrager al over een machtiging voor die werken beschikt.

 

§10. Het havenbedrijf verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag binnen een havengebied ligt waarvan de grenzen zijn vastgesteld conform artikel 3, §1, van het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens.

 

§11. De afdeling Kust van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust verleent advies over aanvragen met betrekking tot gebieden die zeewaarts van de veiligheidslijn of in de landwaartse zone die paalt aan die veiligheidslijn, liggen. Deze veiligheidslijn en de landwaartse zone worden als volgt gedefinieerd:

 

voor bebouwde gebieden langs de kustlijn is de veiligheidslijn de meest zeewaartse grens van de bebouwing en heeft de landwaartse zone een breedte van 25 meter ten opzichte van die veiligheidslijn;
voor onbebouwde gebieden langs de kustlijn is de veiligheidslijn de hoogtelijn van de 7 meter TAW aan de landzijde van de duin en heeft de landwaartse zone een breedte van 25 meter ten opzichte van die veiligheidslijn. Die zone wordt echter altijd begrensd door de noordelijke grens van de gewestweg N34;

voor de havens van Nieuwpoort, Oostende, Blankenberge en Zeebrugge is de veiligheidslijn de kruinlijn van de kaaimuur of glooiing die de afbakening vormt van het getijdengebied, uitgebreid met het Visserij- en Vuurtorendok in Oostende, en heeft de landwaartse zone een breedte van vijftig meter ten opzichte van die veiligheidslijn. 

 

§12. Het Departement Landbouw en Visserij verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag:

verband houdt met landbouw, ongeacht de bestemming van het gebied;

toepassing vraagt van de bepalingen van artikel 4.4.3 tot en met 4.4.9, artikel 4.4.23 en artikel 4.4.26, §2, van de VCRO, in gebieden die een agrarische bestemming hebben.

   

§13. Het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle wordt om advies verzocht en kan advies verlenen als het voorwerp van de vergunningsaanvraag betrekking heeft op bestaande of nieuwe vestigingen van Seveso-inrichtingen en als het ligt op minder dan twee kilometer van een nucleaire inrichting die federaal vergund is en die conform artikel 3.1, a), van het ARBIS is ingedeeld in klasse I.

 

§14. De afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag in een gebied ligt dat bestemd is als ontginningsgebied of een daarmee vergelijkbaar gebied.

 

§15. De afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, verleent advies als het voorwerp van de vergunningsaanvraag handelt over:

 

de bouw van, de uitbreiding van of een functiewijziging naar een school, een ziekenhuis of een woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning, gelegen op minder dan twee kilometer van een Seveso-inrichting;
de bouw van, de uitbreiding van of een functiewijziging naar een voor publiek toegankelijk gebouw, met een toegankelijke oppervlakte van minstens 400 vierkante meter, gelegen op minder dan twee kilometer van een Seveso-inrichting;
de aanleg van of de uitbreiding naar een voor publiek toegankelijk gebied, inclusief recreatiegebied, waarbij de gemiddelde aanwezigheid minstens 200 personen per dag is of waarbij op piekmomenten minstens 1000 personen aanwezig zijn, gelegen op minder dan twee kilometer van een Seveso-inrichting;
de bouw van een windturbine, gelegen op minder dan vierhonderdvijftig meter van een Seveso-inrichting;
de bouw van een pijpleiding van andere vloeibare stoffen en gassen dan water, gelegen op minder dan achthonderdtachtig meter van een Seveso-inrichting;
de bouw van een hoogspanningsleiding, gelegen op minder dan honderdtachtig meter van een Seveso-inrichting.

 

§16. Het Directoraat-Generaal Luchtvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer wordt om advies verzocht en kan advies verlenen als het voorwerp van de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een constructie die een van de hierna vermelde hoogtes overschrijdt:

zestig meter boven het maaiveld; 
een hoogte die per gemeente of per duidelijk omschreven gebied ten opzichte van het maaiveld is bepaald.

 

Het departement stelt een eenvoudig consulteerbare digitale kaart ter beschikking, op basis van het gezamenlijk ontwerp van het Directoraat-Generaal Luchtvaart en de Defensiestaf. De kaart bepaalt de hoogte, vermeld in het eerste lid, 2°. Die hoogte wordt bepaald zodat de burgerlijke en militaire luchtvaartterreinen, de visuele luchtvaartroutes, de militaire luchtvaartzones en de burgerlijke en militaire luchtvaartinstallaties voor communicatie, navigatie en toezicht zijn beschermd.

 

§17. De ASTRID-veiligheidscommissie, bedoeld in het koninklijk besluit van 25 juli 2008 tot vaststelling van de nadere regels voor de samenstelling en de werking van de ASTRID-veiligheidscommissie en tot precisering van de opdrachten daarvan, wordt om advies verzocht en kan advies verlenen als het voorwerp van de vergunningsaanvraag betrekking heeft op:

voor publiek toegankelijke bouw- en infrastructuurwerken waar, omwille van de dagelijkse activiteiten of bijzondere evenementen die er plaats vinden, een toeloop van meer dan 150 mensen te verwachten valt;
bouw- en infrastructuurwerken die beschikken over een ondergrondse ruimte, groter dan 25 m2, die voor het publiek toegankelijk is of waarin gevaarlijke stoffen of preparaten in de zin van artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot regeling van de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke mengsels met het oog op het op de markt brengen of het gebruik ervan opgeslagen zijn;
bouw- en infrastructuurwerken die al dan niet toegankelijk zijn voor het publiek waarvan de grondoppervlakte meer dan 2.500 m2 bedraagt.