Art. 10/1.

§ 1.

Indien de exploitant vaststelt dat de markt geen verzekering of financiėle waarborg biedt voor bepaalde risico’s, zoals vereist door deze wet, kan hij aan de Staat vragen om een waarborg te verlenen, mits betaling van een vergoeding voor de dekking van deze risico’s.


De aanvraag wordt gericht aan de minister van Economie die de ontvankelijkheid ervan nakijkt.


De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de termen en voorwaarden vaststellen voor het toekennen van deze waarborg.

 

§ 2.

Op het advies van de administratie van de Thesaurie, van de FSMA en van de Commissie voor Verzekeringen bepaalt de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de vergoeding. De Minister van Financiėn bepaalt de redelijke termijn waarbinnen het advies moet worden gegeven. Eenmaal deze termijn is verstreken, is het advies niet meer vereist. De vergoeding is jaarlijks en dekt het risico door de Staat gedragen alsook de expertisekosten verbonden aan haar berekening. Ze dekt eveneens de expertisekosten voor het nazicht van de effectieve realisatie van het schadegeval en het nazicht van de voorwaarden verbonden aan een beroep op de waarborg alsook de kosten voor betaling van de schade in het geval van een beroep op de waarborg.

 

§ 3.

In het geval van een beroep op de waarborg, wordt de Staat gesubrogeerd, ten belope van de de betaalde bedragen, in alle rechten en vorderingen van de slachtoffers ten aanzien van de exploitant.