Art. 63/1.

1

Het opsporen of het winnen van aardwarmte in de diepe ondergrond kan alleen met een vergunning van de Vlaamse Regering.
Voor projecten inzake het opsporen of het winnen van aardwarmte in de diepe ondergrond die zijn opgestart voor de inwerkingtreding van dit hoofdstuk, wordt binnen een termijn van zes maanden na de inwerkingtreding van dit hoofdstuk een vergunningsaanvraag ingediend. Die projecten mogen voortgezet worden zolang de beslissing over de vergunningsaanvraag niet onherroepelijk is geworden, op voorwaarde dat ze voldoen aan alle andere toepasselijke regelgeving en vergunningsplichten.

2

De resultaten verkregen uit een opsporingsvergunning voor aardwarmte kunnen door een andere persoon dan de houder van de vergunning slechts worden aangewend na de rechten op de opsporingsresultaten te hebben verworven van de houder of laatste houder van de opsporingsvergunning voor aardwarmte, en deze daarvoor passend te hebben vergoed.

3

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de aanvraagprocedure om een vergunning te verkrijgen, en de vormelijke en inhoudelijke voorwaarden waaraan een dergelijke aanvraag moet voldoen. De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van de vergunningsaanvraag en de documenten die bij de aanvraag moeten worden gevoegd.