Art. 63/3.

§ 1

In de volgende gevallen wordt de procedure, vermeld in artikel 63/2, niet gevolgd:
als de houder van een opsporingsvergunning voor aardwarmte die met gebruikmaking van die vergunning de aanwezigheid van winbare aardwarmte heeft aangetoond, gedurende de geldigheidsduur van die vergunning, voor hetzelfde volumegebied of gedeelten daarvan een aanvraag voor een winningsvergunning voor aardwarmte indient. Als de aanwezigheid van winbare aardwarmte maar in een deel van het vergunde gebied is aangetoond, kan de winningsvergunning voor aardwarmte beperkt worden tot dat deel van het gebied. In afwijking van artikel 63/7, § 1, blijft de opsporingsvergunning voor aardwarmte, voor zover ze betrekking heeft op het aangevraagde volumegebied, in elk geval gelden tot wanneer de beslissing over de aanvraag voor de winningsvergunning voor aardwarmte onherroepelijk wordt;
als de aanvraag betrekking heeft op een volumegebied waarvoor op dat ogenblik al een soortgelijke vergunning in het kader van dit hoofdstuk of een opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag in het kader van hoofdstuk III is verleend;
als de aanvraag betrekking heeft op een volumegebied dat de Vlaamse Regering niet wil openstellen voor de opsporing of de winning van aardwarmte;
als het een aanvraag betreft overeenkomstig artikel 63/1, § 1, tweede lid;
als het een aanvraag betreft overeenkomstig artikel 63/16, § 3.

§ 2

De Vlaamse Regering kan in de volgende gevallen beslissen de procedure, vermeld in artikel 63/2, niet te volgen:
als er gegronde redenen zijn om de vergunning voor een volumegebied bij voorkeur aan de houder van een vergunning voor een aangrenzend volumegebied toe te kennen. In dat geval worden de houders van vergunningen voor eventuele andere aangrenzende volumegebieden uitgenodigd om binnen een termijn van negentig dagen eveneens een aanvraag in te dienen of hun opmerkingen mee te delen;
als de aanvraag betrekking heeft op een volumegebied waarvoor op dat ogenblik al een vergunning voor het opsporen of winnen van koolwaterstoffen in het kader van hoofdstuk II, een opslagvergunning voor koolstofdioxide in het kader van hoofdstuk III, een vergunning voor de ondergrondse berging van radioactief afval of een vergunning in het kader van de wet van 18 juli 1975 betreffende het opsporen en exploiteren van ondergrondse bergruimten in situ bestemd voor het opslaan van gas is verleend.