Onderafdeling II.
Vergunningscriteria


Art. 63/5.
Een vergunning wordt niet verleend in de volgende gevallen:
als het niet aannemelijk is dat de opsporing of de winning van aardwarmte binnen het volumegebied waarvoor de vergunning zal gelden, op een verantwoorde wijze kan plaatsvinden;
als de aanvraag slaat op een volumegebied waarvoor op dat ogenblik al een soortgelijke vergunning in het kader van dit hoofdstuk is verleend;
als de aanvraag slaat op een volumegebied waarvoor op dat ogenblik al een opsporingsvergunning voor koolstofdioxideopslag in het kader van hoofdstuk III is verleend;
als de aanvraag slaat op een volumegebied dat de Vlaamse Regering niet wil openstellen voor de opsporing of winning van aardwarmte.
Een vergunning kan onder meer ook geweigerd worden als de aanvraag slaat op een volumegebied waarvoor op dat ogenblik al een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen in het kader van hoofdstuk II, een opslagvergunning in het kader van hoofdstuk III, een vergunning voor de ondergrondse berging van radioactief afval of een vergunning in het kader van de wet van 18 juli 1975 betreffende het opsporen en exploiteren van ondergrondse bergruimten in situ bestemd voor het opslaan van gas is verleend.

Art. 63/6.
Met behoud van de toepassing van artikel 63/5 worden de vergunningsaanvragen beoordeeld op basis van de volgende criteria:
de manier waarop de aanvrager zich voorneemt de nodige technische en financiële middelen voor de activiteiten waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, te verwerven;
de manier waarop de aanvrager zich voorneemt de activiteiten waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, te verrichten;
in voorkomend geval, het eventuele gebrek aan efficiëntie en verantwoordelijkheidszin waarvan de aanvrager in het kader van een eerdere vergunning blijk heeft gegeven;
in voorkomend geval, de activiteiten die de aanvrager in het verleden verricht heeft in het volumegebied waarop de aanvraag betrekking heeft, of de vroegere vergunningen waarvan de aanvrager houder was in dat volumegebied;
in voorkomend geval, de eventuele interferentie met andere al vergunde activiteiten in de ondergrond;
de milieu-impact van de voorgenomen activiteiten;
het planmatige beheer van aardwarmte en van andere toepassingen in de diepe ondergrond;
de mate waarin de gewonnen aardwarmte efficiënt en duurzaam zal worden aangewend.
De criteria, vermeld in het eerste lid, kunnen eveneens een grond tot weigering van de vergunning uitmaken.
De Vlaamse Regering kan nadere regels uitwerken voor de criteria, vermeld in het eerste lid.