Art. 63/6.
Met behoud van de toepassing van artikel 63/5 worden de vergunningsaanvragen beoordeeld op basis van de volgende criteria:
de manier waarop de aanvrager zich voorneemt de nodige technische en financiële middelen voor de activiteiten waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, te verwerven;
de manier waarop de aanvrager zich voorneemt de activiteiten waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, te verrichten;
in voorkomend geval, het eventuele gebrek aan efficiëntie en verantwoordelijkheidszin waarvan de aanvrager in het kader van een eerdere vergunning blijk heeft gegeven;
in voorkomend geval, de activiteiten die de aanvrager in het verleden verricht heeft in het volumegebied waarop de aanvraag betrekking heeft, of de vroegere vergunningen waarvan de aanvrager houder was in dat volumegebied;
in voorkomend geval, de eventuele interferentie met andere al vergunde activiteiten in de ondergrond;
de milieu-impact van de voorgenomen activiteiten;
het planmatige beheer van aardwarmte en van andere toepassingen in de diepe ondergrond;
de mate waarin de gewonnen aardwarmte efficiënt en duurzaam zal worden aangewend.
De criteria, vermeld in het eerste lid, kunnen eveneens een grond tot weigering van de vergunning uitmaken.
De Vlaamse Regering kan nadere regels uitwerken voor de criteria, vermeld in het eerste lid.