Art. 63/18.

1

Een vergunning kan alleen in de volgende gevallen door de Vlaamse Regering worden ingetrokken:
1
als de bij de aanvraag verstrekte gegevens in die mate onjuist of onvolledig blijken te zijn dat de Vlaamse Regering op basis van de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit gekomen zou zijn bij de beoordeling van de aanvraag;
2
als dat wordt gerechtvaardigd door een wijziging in een vergunningscriterium;
3
als de opsporings- of winningsactiviteiten niet overeenkomstig de vergunning of dit decreet zijn uitgevoerd of als van het winningsplan voor aardwarmte is afgeweken;
4
als de opsporings- of winningsactiviteiten gedurende minstens twee opeenvolgende jaren hebben stilgelegen;
5
als de vergunning niet langer noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de activiteiten waarvoor ze is verleend;
6
als de uitvoering van de vergunning op een ongunstige wijze interfereert met andere voordien vergunde activiteiten in de ondergrond.

2

Voor de Vlaamse Regering kan overgaan tot intrekking van een vergunning, stuurt ze een ingebrekestelling aangetekend naar de vergunninghouder. De ingebrekestelling bevat een omschrijving van de redenen voor de geplande intrekking en de vermelding van een termijn van ten minste negentig dagen waarin de vergunninghouder uitleg kan verschaffen, bezwaar kan aantekenen, of zijn activiteiten in overeenstemming kan brengen met de vergunning, met dit decreet en, als het een winningsvergunning voor aardwarmte betreft, met het winningsplan voor aardwarmte.
Binnen een termijn van negentig dagen na het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, neemt de Vlaamse Regering een besluit over het al dan niet intrekken van de vergunning.