Art. 3.1.12/2.
Als een bestuurder rechtstreeks of onrechtstreeks een belang heeft dat strijdig is met een beslissing of een verrichting die tot de bevoegdheid van de raad van bestuur behoort, mag hij niet deelnemen aan de beraadslaging van de raad van bestuur over deze verplichtingen of beslissingen, noch aan de stemming in dat verband.