Hoofdstuk 3.8.
Productie van platen en panelen van hout


Afdeling 3.8.1.
Toepassingsgebied en definities


Art. 3.8.1.1.

§1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 19.9 van de indelingslijst. Bestaande installaties, als vermeld in artikel 3.8.1.2, 2°, voldoen uiterlijk op 24 november 2019 aan dit hoofdstuk.

De overeenkomstige GPBV-activiteiten zijn de activiteiten, vermeld in punt 6.1, c), van bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
 

§2. Het toepassingsgebied van dit hoofdstuk omvat de volgende processen:

1°  de fabricage van platen en panelen van hout;
stookinstallaties, inclusief motoren, gesitueerd op het bedrijfsterrein die hete gassen produceren voor direct verwarmde drogers;
de fabricage van met harsen geïmpregneerd papier.


§3. De bepalingen, vermeld in paragraaf 1, hebben geen betrekking op de volgende activiteiten en processen:

1°  stookinstallaties, inclusief motoren, gesitueerd op het bedrijfsterrein die geen hete gassen produceren voor direct verwarmde drogers;
het lamineren, het lakken of het schilderen van onbewerkte platen.

Art. 3.8.1.2.
nieuwe installatie: een installatie die voor het eerst wordt vergund op het terrein van de installatie na 24 november 2015 of een installatie die volledig wordt vervangen na 24 november 2015;
bestaande installatie: een andere installatie dan een nieuwe installatie;
vezel: lignocellulosehoudende componenten van hout of andere plantaardige stoffen, verkregen door mechanische of thermomechanische pulpproductie met behulp van een refiner. Vezels worden gebruikt als uitgangsmateriaal voor de productie van houtvezelplaten;
houtvezelplaat: plaatmateriaal met een nominale dikte van ten minste 1,5 mm, vervaardigd van lignocellulosevezels met toepassing van warmte of druk. Houtvezelplaten omvatten door een nat proces vervaardigde platen, inclusief harde platen, halfharde platen en zachte platen, en door een droogproces vervaardigde houtvezelplaten, inclusief MDF;
matvorming: een proces van het rangschikken van deeltjes, strengen of vezels om een plaat te creëren, die naar de pers wordt geleid;
oriented strand board, afgekort OSB: een meerlagige plaat, voornamelijk gemaakt van houtstrengen, gebonden met een bindmiddel. De strengen in de deklaag zijn uitgelijnd en liggen parallel aan de lengte of de breedte van de plaat. De strengen in de binnenste laag of lagen kunnen willekeurig liggen of uitgelijnd zijn, in het algemeen loodrecht op de strengen in de deklagen;
spaanplaat: plaatmateriaal van houtdeeltjes, inclusief houtvlokken, spanen, krullen en zaagsel, of ander lignocellulosisch materiaal in de vorm van deeltjes, inclusief vlaslemen, henneplemen en fragmenten van bagasse, vervaardigd onder druk en warmte, met toevoeging van een bindmiddel;
verontreinigd hemelwater: het afvalwater, afkomstig van afvloeiende neerslag en afvoer, opgevangen in gebieden met stapelplaatsen voor hout in open lucht, inclusief verwerkingsgebieden in open lucht. Water dat afkomstig is van stapelplaatsen met uitsluitend rondhout, slabben of onbehandeld houtafval waarvoor een grondstoffenverklaring is opgesteld, dat niet geloosd wordt, wordt hiervan uitgesloten;
stroom­opwaartse en stroom­afwaartse houthandelingen: alle actieve hantering en manipulatie, opslag of vervoer van houtdeeltjes, spanen, strengen of vezels en van geperste platen:
  a) stroomopwaartse houthandelingen: alle houtverwerking vanaf het ogenblik waarop de houtgrondstof de opslagplaats verlaat;  
  b) stroomafwaartse houthandelingen: alle processen vanaf het ogenblik waarop de plaat de pers verlaat tot en met het ogenblik waarop de onbewerkte plaat of het plaatproduct met toegevoegde waarde naar de opslagplaats vertrekt.
Het drogen of het persen van platen maakt geen deel uit van de stroomopwaartse en stroomafwaartse houthandelingen;
10° de BBT-conclusies voor de productie van platen en panelen van hout: het uitvoeringsbesluit 2015/2119/EU van de Commissie van 20 november 2015 tot vaststelling van de BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad, voor de productie van platen en panelen van hout.

 


Afdeling 3.8.2.
Algemene bepalingen


Art. 3.8.2.1.

Voor het verbeteren van de totale milieuprestatie wordt een milieubeheersysteem ingevoerd en nageleefd dat alle volgende elementen omvat:

de betrokkenheid van het kader, met inbegrip van het hogere kader;
2°  de vaststelling van een milieubeleid dat de continue verbetering van de installatie door het kader omvat;
de planning en vaststelling van de noodzakelijke procedures, doelstellingen en streefcijfers, samen met een financiële planning en investeringen;
de toepassing van procedures, met bijzondere aandacht voor:
  a)  bedrijfsorganisatie en verantwoordelijkheid;
  b) aanwerving, opleiding, bewustmaking en bekwaamheid;
  c) communicatie;
  d)  betrokkenheid van de werknemers;
  e) documentatie;
  f) efficiënte procescontrole;
  g) onderhoudsprogramma's;
  h) noodplan en rampenbestrijding;
  i)  waarborgen van de naleving van de milieuwetgeving;
de controle van de uitvoering en het nemen van corrigerende maatregelen, met bijzondere aandacht voor:
  a) monitoring en meting;
  b) corrigerende en preventieve maatregelen;
  c) bijhouden van gegevens;
  d)  interne en externe, voor zover mogelijk, onafhankelijke audits om te bepalen of het milieubeheersysteem voldoet aan de voorgenomen regelingen en of het op de juiste wijze wordt uitgevoerd en gehandhaafd;
de evaluatie van het milieubeheersysteem en de continue controle van de geschiktheid, adequaatheid en doeltreffendheid ervan door het hogere kader;
het volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieën;
de aandacht voor de milieueffecten van de uiteindelijke ontmanteling van de installatie bij de ontwerpfase van een nieuwe installatie, en gedurende de volledige levensduur;
de toepassing van benchmarkonderzoek in de bedrijfstak op regelmatige basis.

 

De volgende elementen maken deel uit van het milieubeheersysteem:

het kwaliteitscontroleprogramma voor houtafval van recyclage dat als grondstof voor platen en panelen, en als brandstof wordt gebruikt als vermeld in artikel 3.8.2.2, 2°;
het geluidsbeheersplan als vermeld in artikel 3.8.3.1;
het afvalbeheersplan als vermeld in artikel 3.8.6.1;
het stofbeheersplan als vermeld in artikel 3.8.7.3.2.

Art. 3.8.2.2.

Het milieueffect van het productieproces wordt tot een minimum beperkt door de toepassing van de beginselen van goede bedrijfspraktijk waarbij gebruik wordt gemaakt van alle volgende technieken:

de zorgvuldige selectie en controle van de chemicaliën en additieven;
de toepassing van een kwaliteitscontroleprogramma voor houtafval van recyclage dat als grondstof of als brandstof wordt gebruikt, namelijk voor de bestrijding van verontreinigende stoffen, waaronder As, Pb, Cd, Cr, Cu, Hg, Zn, chloor, fluor en PAK;
de zorgvuldige behandeling en opslag van de grond- en afvalstoffen;
het regelmatige onderhoud en de regelmatige reiniging van de apparatuur, transportroutes en opslagplaatsen voor grondstoffen;
5°  de beoordeling van de mogelijkheden voor het hergebruik van proceswater en het gebruik van secundaire waterbronnen.

Art. 3.8.2.3. De emissies naar lucht worden beperkt door de afgasbehandelingssystemen onder normale bedrijfsomstandigheden te laten werken met een hoge beschikbaarheid en optimale capaciteit.

Art. 3.8.2.4. De stabiliteit en de efficiëntie van de gebruikte technieken ter voorkoming en beperking van de emissies naar lucht worden gewaarborgd door geschikte parameters te monitoren.

Art. 3.8.2.5.

De belangrijkste procesparameters die relevant zijn voor de emissies naar water, afkomstig van het productieproces, inclusief debiet, pH en temperatuur van afvalwater, worden gemonitord overeenkomstig artikel 4.2.5.2.1 en 4.2.5.3.1 van titel II van het VLAREM.


Afdeling 3.8.3.
Geluidsemissies


Art. 3.8.3.1. De geluidshinder en trillingen worden voorkomen of, als dat niet mogelijk is, beperkt door gebruik te maken van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 4 van de BBT-conclusies voor de productie van platen en panelen van hout.

Afdeling 3.8.4.
Emissies naar bodem en grondwater


Art. 3.8.4.1.

De emissies naar bodem en grondwater worden voorkomen door gebruik te maken van de volgende technieken:

voor stoffen, opgenomen in bijlage 2B bij titel II van het VLAREM, en gevaarlijke producten volgens de CLP-verordening geldt dat:
  a) de harsen en andere hulpstoffen alleen worden geladen en gelost in de daarvoor bestemde plaatsen die beschermd zijn tegen afvloeiing van gelekte stoffen;
  b) alle stoffen, in afwachting van verwijdering, worden verzameld en opgeslagen in de daarvoor bestemde plaatsen die beschermd zijn tegen afvloeiing van gelekte stoffen;
  c) alle pompputten of andere tussentijdse opslagvoorzieningen die kunnen overlopen, worden uitgerust met een alarm dat door een hoog vloeistofniveau wordt geactiveerd;
er wordt een programma opgesteld en uitgevoerd voor het testen en controleren van vaste houders en leidingen die harsen, additieven en harsmengsels vervoeren;
alle flenzen en kleppen van leidingen die worden gebruikt om andere stoffen dan water en hout te vervoeren, worden gecontroleerd op lekken. Van die controles wordt een logboek bijgehouden;
er wordt voor een opvangsysteem gezorgd om lekkende vloeistoffen op te vangen uit flenzen en kleppen van leidingen die worden gebruikt om andere stoffen dan water en hout te vervoeren, behalve als de constructie van de flenzen en kleppen technisch dicht is;
er wordt gezorgd voor een toereikende hoeveelheid afdammingen en geschikt absorberend materiaal;
6°  ondergrondse leidingen voor het vervoer van andere stoffen dan water en hout worden vermeden;
al het water van brandbestrijding wordt verzameld en veilig verwijderd;
de opvangbekkens voor verontreinigd hemelwater, afkomstig van buiten gelegen opslagplaatsen voor hout, worden uitgerust met een ondoordringbare bodem.

Afdeling 3.8.5.
Energie


Art. 3.8.5.1.

Om het energieverbruik te verminderen wordt een energiebeheersplan vastgesteld met daarin alle volgende technieken:

het gebruik van een systeem om het energieverbruik en de energiekosten op te volgen;
het uitvoeren van energie-efficiëntie audits van belangrijke werkzaamheden;
het toepassen van een systematische benadering om de apparatuur voortdurend te verbeteren en zo de energie-efficiëntie te verhogen;
de verbetering van de controle op het energieverbruik;
het aanbieden aan de medewerkers van interne opleidingen over energiebeheer.

Art. 3.8.5.2.

§1. De energie-efficiëntie wordt verhoogd door de werking van de stookinstallatie te optimaliseren door belangrijke verbrandingsparameters, inclusief O2, CO en NOX, te monitoren en te controleren, alsook door gebruik te maken van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 7 van de BBT-conclusies voor de productie van platen en panelen van hout.

 

§2. De concentratie van de parameters in de rookgassen die afkomstig zijn van het verbrandingsproces van de stookinstallatie en die vervolgens gebruikt worden voor direct verwarmde drogers, wordt gemeten met de volgende frequentie:

 

parameter meetfrequentie
NOX om de drie maanden of continu
CO om de drie maanden of continu


De metingen worden uitgevoerd vóór het mengen van het rookgas met andere luchtstromen.

 

In afwijking van het eerste lid kan er in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vrijstelling verleend worden van de metingen als die technisch niet haalbaar zijn.


Art. 3.8.5.3. Energie wordt efficiënt gebruikt tijdens de voorbereiding van natte vezels voor de vervaardiging van houtvezelplaten door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 8 van de BBT-conclusies voor de productie van platen en panelen van hout.

Afdeling 3.8.6.
Productieresiduen


Art. 3.8.6.1.

De hoeveelheid afval, bestemd voor verwijdering, wordt voorkomen of, als dat niet mogelijk is, beperkt door een afvalbeheersplan op te stellen en uit te voeren als onderdeel van het milieubeheersysteem, vermeld in artikel 3.8.2.1, dat, in volgorde van prioriteit, garandeert dat afval wordt voorkomen, behandeld met het oog op hergebruik, gerecycleerd of op een andere wijze wordt teruggewonnen.


Art. 3.8.6.2. De hoeveelheid vast afval, bestemd voor verwijdering, wordt beperkt door gebruik te maken van één of een combinatie van technieken, vermeld in BBT 12 van de BBT-conclusies voor de productie van platen en panelen van hout.

Art. 3.8.6.3.

Het veilige beheer en hergebruik van bodemas en slakken, afkomstig van het stoken van biomassa, wordt gewaarborgd door gebruik te maken van alle volgende technieken:

de voortdurende evaluatie van de mogelijkheden voor extern en intern hergebruik van bodemas en slakken;
2°  een efficiënt verbrandingsproces dat de hoeveelheid residuele koolstof vermindert;
de behandeling en het vervoer van bodemas en slakken in gesloten transportsystemen of containers, of door bevochtiging;
4°  de opslag van bodemas en slakken in een daarvoor bestemde ondoordringbare plaats, met opvang van percolaat.

Afdeling 3.8.7.
Emissies naar lucht


Subafdeling 3.8.7.1.
Meetstrategie en toetsing meetwaarden


Art. 3.8.7.1.1.

Voor atmosferische emissies gelden de volgende referentiezuurstofgehalten:

emissiebron referentiezuurstofgehalten
direct verwarmde spaanplaat- of direct verwarmde OSB-drogers              zuurstofgehalte van 18 volumeprocent
alle andere bronnen geen correctie voor zuurstof

Art. 3.8.7.1.2.

Voor periodieke metingen van atmosferische emissies wordt de meetwaarde bepaald als de gemiddelde waarde van drie opeenvolgende metingen van elk minstens dertig minuten.

Voor parameters waarvoor, door beperkingen op het vlak van bemonstering of analyse, een meting van dertig minuten niet geschikt is, kan er in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit een meer geschikte meetperiode worden vastgelegd.

Voor continue metingen van atmosferische emissies gelden de emissiegrenswaarden als uurgemiddelden.


Art. 3.8.7.1.3.

De monitoring van emissies naar lucht wordt verricht overeenkomstig de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.4.2 bij titel II van het VLAREM. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.


Subafdeling 3.8.7.2.
Geleide emissies


Art. 3.8.7.2.1.

Op de geloosde afgassen van de droger zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter product type droger nominaal thermisch
ingangsvermogen
emissiegrenswaarde
(mg/Nm³)
stof spaanplaat of OSB direct verwarmde droger < 50 MW 20
≥ 50 MW 15
indirect verwarmde droger   10
houtvezelplaat alle typen   20
TOC (1) spaanplaat alle typen   200 (2) (3)
OSB   400 (3)
houtvezelplaat   120
formaldehyde spaanplaat   alle typen   10 (4)
OSB   20
houtvezelplaat   15
(1) Methaan, gemonitord in overeenstemming met EN ISO 25140 of EN ISO 25139, wordt van het resultaat afgetrokken als aardgas, lpg enzovoort als brandstof worden gebruikt.
(2) In afwijking van bovenvermelde emissiegrenswaarde van 200 mg/Nm³ voor TOC, geldt de emissiegrenswaarde, vermeld in artikel 5.19.1.4, §3, van titel II van het VLAREM, als dennenhout als belangrijkste grondstof wordt gebruikt.
(3) Bij gebruik van een UTWS-droger geldt voor spaanplaten en OSB een emissiegrenswaarde van 30 mg/Nm³ voor TOC. Onder UTWS-droger wordt verstaan: een combinatie van een droogtrommel met een warmtewisselaar en een stookinstallatie met volledige recirculatie van afgas van de droger.
(4) Als nagenoeg uitsluitend houtafval van recyclage wordt gebruikt, kan er in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden afgeweken van bovenvermelde emissiegrenswaarde van 10 mg/Nm³ voor formaldehyde, met een maximum van 15 mg/Nm³.

 

Bij gebruik van onbehandeld hout, onbehandeld houtafval of niet-verontreinigd behandeld houtafval als brandstof, wordt de concentratie van de parameters in de afgassen van de droger, vermeld in het eerste lid, en van de parameters metalen, HCl, HF, dioxinen en furanen, gemeten met de frequentie, vermeld in artikel 5.19.1.4, §7, van titel II van het VLAREM.

 

Met behoud van de toepassing van artikel 5.19.1.4, §7, van titel II van het VLAREM, en in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, van dit besluit, worden de concentraties van de parameters stof, TOC en formaldehyde, alsook HCl en HF in geval niet-verontreinigd behandeld houtafval als brandstof wordt gebruikt, in de afgassen van de droger, ten minste om de zes maanden gemeten.

 

De concentratie van SO2 in de afgassen van de droger wordt jaarlijks gemeten, tenzij voornamelijk onbehandeld hout, onbehandeld houtafval, niet-verontreinigd behandeld houtafval, aardgas, lpg of andere vergelijkbare brandstoffen als brandstof worden gebruikt.

 


Art. 3.8.7.2.2. Bij toepassing van selectieve niet-katalytische reductie wordt de concentratie ammoniak in de afgassen van de droger jaarlijks gemeten.

Art. 3.8.7.2.3.

Op de geloosde afgassen van een direct verwarmde droger zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

product

type droger

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

NOX

spaanplaat of OSB

≥ 50 MW

150

< 50 MW

240

houtvezelplaat

alle typen

250

 

Bij gebruik van onbehandeld hout, onbehandeld houtafval of niet-verontreinigd behandeld houtafval als brandstof, wordt de concentratie NOx in de afgassen van een direct verwarmde droger gemeten met de frequentie, vermeld in artikel 5.19.1.4, §7, van titel II van het VLAREM.

 

Met behoud van de toepassing van artikel 5.19.1.4, §7, van titel II van het VLAREM, en in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, van dit besluit, wordt de concentratie NOx in de afgassen van een direct verwarmde droger ten minste om de zes maanden gemeten.


Art. 3.8.7.2.4.

Op de geloosde afgassen van de pers zijn de volgende emissiegrenswaarden en, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, de volgende meetfrequenties van toepassing:

 

parameter emissiegrenswaarde (mg/Nm³) meetfrequentie
stof 15 om de zes maanden
TOC 100 om de zes maanden
formaldehyde 15 om de zes maanden

Art. 3.8.7.2.5.

Op de geleide stofemissies naar lucht, afkomstig van de stroomopwaartse en stroomafwaartse houthandelingen, het transport van houtmaterialen en de matvorming zijn de volgende emissiegrenswaarden en meetfrequenties van toepassing:

 

parameter emissiegrenswaarde (mg/Nm³) meetfrequentie
stof 5 jaarlijks

 

Met toepassing van de bepalingen inzake toepasbaarheid, vermeld in BBT 20 van de BBT-conclusies voor de productie van platen en panelen van hout, kan er in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden afgeweken van de emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm³, met een maximum van 10 mg/Nm³.

 

In afwijking van de meetfrequentie, vermeld in het eerste lid, kunnen stofemissiemetingen op afgassen die via een doekenfilter of cyclofilter geloosd worden, vervangen worden door continue monitoring van de drukval in de filter.


Art. 3.8.7.2.6.

Op de geloosde afgassen van een droogoven voor de impregnatie van papier zijn de volgende emissiegrenswaarden en meetfrequenties van toepassing:

 

parameter emissiegrenswaarde (mg/Nm³) meetfrequentie
TOC (1) 30 jaarlijks
formaldehyde 10 jaarlijks
(1) Methaan, gemonitord in overeenstemming met EN ISO 25140 of EN ISO 25139, wordt van het resultaat afgetrokken als aardgas, lpg enzovoort als brandstof worden gebruikt.

Subafdeling 3.8.7.3.
Diffuse emissies


Art. 3.8.7.3.1. Diffuse emissies naar lucht, afkomstig van de pers, worden voorkomen of, als dat niet mogelijk is, beperkt door de efficiëntie van de afgasopvang te optimaliseren en de afgassen te kanaliseren voor behandeling.

Art. 3.8.7.3.2.

Diffuse stofemissies naar lucht, afkomstig van het transport, de hantering en de opslag van houtmaterialen, worden beperkt door een stofbeheersplan op te stellen en uit te voeren als onderdeel van het milieubeheersysteem, vermeld in artikel 3.8.2.1, en door gebruik te maken van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 23 van de BBT-conclusies voor de productie van platen en panelen van hout.


Afdeling 3.8.8.
Emissies naar water


Art. 3.8.8.1.

Art. 3.8.8.1. De vervuilingsbelasting van het opgevangen afvalwater wordt beperkt door gebruik te maken van beide volgende technieken:

1°  het verontreinigde hemelwater en het procesafvalwater worden afzonderlijk opgevangen en afzonderlijk behandeld;
alle hout wordt opgeslagen op een verharde zone, met uitzondering van rondhout, slabben of onbehandeld houtafval waarvoor een grondstoffenverklaring is opgesteld.

 

Met toepassing van de bepalingen inzake het ontwerp van bestaande afvoerinfrastructuur, vermeld in BBT 24 van de BBT-conclusies voor de productie van platen en panelen van hout, kan er in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden afgeweken van de techniek 1°.

 

In het eerste lid wordt verstaan onder slabben: een van de buitenzijde afkomstig stuk hout, al dan niet met verwijderde schors, van de eerste sneden in het zaagproces waarbij rondhout in zaaghout wordt omgezet.

 


Art. 3.8.8.2. De emissiegrenswaarden voor emissies naar water hebben betrekking op het voortschrijdend gemiddelde van de monsters, genomen gedurende één jaar: het voortschrijdend debietgewogen gemiddelde van alle debietproportionele 24 uur-mengmonsters, genomen gedurende één jaar met de minimale meetfrequentie, vastgesteld voor de relevante parameter, en onder normale bedrijfsomstandigheden.

Art. 3.8.8.3.

De monitoring van emissies naar water wordt verricht overeenkomstig de meetmethoden, vermeld in artikel 4, §1, van bijlage 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.


Art. 3.8.8.4.

§1. Emissies naar water, afkomstig van verontreinigd hemelwater, worden beperkt door gebruik te maken van een combinatie van de volgende technieken:

1°  het mechanisch scheiden van grove materialen met roosters en zeven als voorbehandeling;
2°  het scheiden van olie en water;
het verwijderen van vaste deeltjes door sedimentatie in opvangbekkens of bezinkingstanks.

 

§2. Op de lozing van verontreinigd hemelwater in oppervlaktewater zijn de volgende emissiegrenswaarden en meetfrequenties van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/l)

Meetfrequentie

zwevende stoffen

40

maandelijks (1)

(1) In afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, wordt ten minste om de drie maanden gemeten.

 

Als het debiet ontoereikend is voor een representatieve bemonstering, kan debietproportionele bemonstering worden vervangen door een schepmonster.


Art. 3.8.8.5. Het procesafvalwater, afkomstig van de productie van houtvezels, wordt voorkomen en beperkt door de recyclage van proceswater te maximaliseren.

Art. 3.8.8.6.

§1. Op de lozing van procesafvalwater, afkomstig van de productie van houtvezels in oppervlaktewater, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/l)

zwevende stoffen

35

CZV

200

 

De parameter CZV kan worden vervangen door TOC. Er wordt dan door een MER-deskundige, erkend in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater als vermeld in artikel 6, 1°, d), 4), van het VLAREL van 19 november 2010, een site-specifieke correlatie tussen de twee parameters vastgesteld.

 

De concentratie van de parameters zwevende stoffen en CZV of TOC in procesafvalwater, afkomstig van de productie van houtvezels, wordt, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, wekelijks gemeten.

 

§2. De concentraties van relevante metalen zoals As, Cr, Cu, Ni, Pb en Zn in procesafvalwater, afkomstig van de productie van houtvezels, worden om de drie maanden gemeten.


Art. 3.8.8.7. De productie van afvalwater, afkomstig van natte luchtzuiveringssystemen, dat vóór afvoer moet worden behandeld, wordt voorkomen of beperkt door gebruik te maken van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 28 van de BBT-conclusies voor de productie van platen en panelen van hout.