Art. 390/2.

§ 1.

De vergunningstermijn van een milieuvergunning, verleend voor de exploitatie van een inrichting met een stikstofdepositie die minstens 50 procent bijdraagt aan de kritische depositiewaarde van een habitat, en die overeenkomstig artikel 388, § 1, of artikel 390/1 vergund is, wordt verlengd met maximaal zeven jaar als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

 

op het moment van het verstrijken van de verlengde vergunningstermijn is de exploitant ofwel een natuurlijke persoon die 65 jaar of ouder is, ofwel een personenvennootschap waarvan alle aandelen op naam zijn en waarbij minstens één van de zaakvoerders of bestuurders die sinds minstens vijf jaar voor de aanvang van de verlengde vergunningstermijn van maximaal zeven jaar meerderheidsaandeelhouder is, 65 jaar of ouder is;
de exploitant van de inrichting deelt de gevraagde duur van de verlenging mee en geeft uitdrukkelijk aan dat hij de exploitatie uiterlijk zeven jaar na het verstrijken van de lopende vergunning zal stopzetten; 
de exploitatie stoot gedurende de termijn van de verlenging geen bijkomende stikstofemissies uit;
tijdens de verlenging van de vergunning en op het einde van de verlengde vergunning kan de exploitant van de inrichting alleen nog beroep doen op de maatregelen bedrijfsbeëindiging, koopplicht of erfdienstbaarheid.

 

 

§ 2.

Voor de verlenging van de vergunning, vermeld in paragraaf 1, moet de vergunninghouder uiterlijk vier maanden vóór het verstrijken van de lopende vergunning een verzoek indienen bij de bevoegde vergunningverlenende overheid.


Het ingediende verzoek bevat het resultaat van de impactscoreberekening uitgevoerd met de onlinetoepassing ‘impactscore NH3’, zoals beschikbaar op de website Natura 2000 die maximaal één maand vóór het indienen van het verzoek is uitgevoerd op basis van de gegevens uit de lopende milieuvergunning. 


De bevoegde vergunningverlenende overheid neemt akte van het verzoek als aan de toepassingsvoorwaarden van paragraaf 1 en 2 is voldaan.


Tegen die akte kan geen administratief beroep worden ingediend als aan de toepassingsvoorwaarden van paragraaf 1 en 2 is voldaan.

 

§ 3.

Deze bepalingen laten het verval van de vergunning, vermeld in artikel 99, § 2 en § 3, onverkort bestaan.