Hoofdstuk 3.9.
Gemeenschappelijke behandeling en het gemeenschappelijke beheer van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector


Afdeling 3.9.1.
Toepassingsgebied en definities


Art. 3.9.1.1.

§1. Dit hoofdstuk is van toepassing op:

de inrichtingen, vermeld in rubriek 5.5 en 7.11 van de indelingslijst van titel II van het VLAREM;
de inrichtingen, vermeld in rubriek 3.6.7 van de indelingslijst van titel II van het VLAREM, het behandelde afvalwater afkomstig is van een of meer installaties waarin een of meer activiteiten die onder de toepassing van rubriek 7.11 van de indelingslijst van titel II van het VLAREM vallen, worden uitgevoerd;
de gecombineerde behandeling van afvalwater van verschillende herkomst, als de belangrijkste verontreinigingsbelasting afkomstig is van een of meer activiteiten die onder de toepassing van rubriek 7.11 van de indelingslijst van titel II van het VLAREM vallen.

 

Bestaande installaties, zijnde andere installaties dan nieuwe installaties, voldoen uiterlijk op 9 juni 2020 aan dit hoofdstuk.

 

De overeenkomstige GPBV-activiteiten zijn de activiteiten, vermeld in punt 4 en punt 6.11 van bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.

 

§2. Het toepassingsgebied van dit hoofdstuk omvat de volgende processen:

milieubeheersystemen;
waterbesparing;
afvalwaterbeheer, -verzameling en -behandeling;
afvalbeheer;
behandeling van afvalwaterslib, met uitzondering van verbranding;
afgasbeheer, -verzameling en -behandeling;
affakkelen;
diffuse emissies van vluchtige organische stoffen naar lucht;
geuremissies;
10° geluidsemissies.

Art. 3.9.1.2.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

nieuwe installatie: een installatie die voor het eerst wordt vergund op het terrein van de inrichting na 9 juni 2016, of een volledige vervanging van een installatie na 9 juni 2016;
vluchtige organische stof, afgekort VOS: een organische verbinding, alsook de fractie creosoot, die bij 293,15 K een dampspanning van 0,01 kPa of meer heeft of die onder de specifieke gebruiksomstandigheden een vergelijkbare vluchtigheid heeft;
BBT-conclusies voor de gemeenschappelijke behandeling en het gemeenschappelijke beheer van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector: het uitvoeringsbesluit 2016/902/EU van de Commissie van 30 mei 2016 tot vaststelling van de BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afvalwater en afvalgas in de chemiesector.

    


Afdeling 3.9.2.
Algemene bepalingen


Art. 3.9.2.1.

Voor het verbeteren van de totale milieuprestatie van de installatie voor het gemeenschappelijk behandelen en het gemeenschappelijke beheren van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector wordt een milieubeheersysteem ingevoerd en nageleefd dat al de volgende elementen omvat:

betrokkenheid van het management, met inbegrip van het hoger kader;
uitwerking van een milieubeleid door het management dat de continue verbetering van de installatie omvat;
planning en vaststelling van de noodzakelijke procedures, doelstellingen en streefcijfers, samen met de financiële planning en investeringen;
uitvoeren van procedures, met bijzondere aandacht voor:
  a) Structuur en verantwoordelijkheid;
  b) aanwerving, opleiding, bewustmaking en bekwaamheid;
  c) communicatie;
  d) betrokkenheid van de werknemers;
  e) documentatie;
  f) doeltreffende procesbeheersing;
  g) onderhoudsprogramma's;
  h) paraatheid bij noodsituaties en rampenplannen;
  i) waarborgen van de naleving van de milieuwetgeving;
controle van de uitvoering van het milieubeheersysteem en het nemen van corrigerende maatregelen, met bijzondere aandacht voor:
  a) monitoring en meting;
  b) corrigerende en preventieve maatregelen;
  c) bijhouden van gegevens;
  d) interne en externe audits, voor zover mogelijk onafhankelijk, om te bepalen of het milieubeheersysteem voldoet aan de voorgenomen regelingen en of het op de juiste wijze wordt uitgevoerd en gehandhaafd;
evaluatie van het milieubeheersysteem en de continue controle door het management van de geschiktheid, adequaatheid en doeltreffendheid;
volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieën;
bij de ontwerpfase van een nieuwe installatie rekening houden met de milieueffecten ervan tijdens de volledige levensduur en de latere ontmanteling;
uitvoeren van benchmarkonderzoek in de bedrijfstak op regelmatige basis
10° het afvalbeheersplan, vermeld in artikel 3.9.7.1;
11° voor installaties of locaties die door verschillende exploitanten worden geëxploiteerd: de opmaak van een overeenkomst waarin de taken, verantwoordelijkheden en de coördinatie van de operationele procedures van elke exploitant van de installatie worden bepaald, om de samenwerking tussen de verschillende exploitanten te verbeteren;
12° de opmaak van een overzicht van de afvalwater- of afgasstromen als vermeld in artikel 3.9.2.2.

 


Art. 3.9.2.2.

De emissies naar water en lucht worden beperkt en de vermindering van het waterverbruik wordt bevorderd door een overzicht, als onderdeel van het milieubeheersysteem, vermeld in artikel 3.9.2.1, van de afvalwater- of afgasstromen op te stellen en actueel te houden. Dat overzicht, , omvat de volgende elementen:

 

informatie over de chemische productieprocessen, met inbegrip van:
  a) de chemische reactievergelijkingen, waaruit ook de bijproducten blijken;
  b) de vereenvoudigde processtroomdiagrammen, waaruit de herkomst van de emissies blijkt;
  c) een beschrijving van de procesgeïntegreerde technieken en de afvalwater- of afgasbehandelingen, inclusief de prestaties ervan;
informatie over de kenmerken van de verschillende afvalwaterstromen, zoals:
  a) de gemiddelde waarden en variabiliteit van debiet, pH, temperatuur en geleidbaarheid;
  b) de gemiddelde concentraties, vuilvrachten en variabiliteit van de verontreinigende stoffen in kwestie;
  c) de gegevens over biologische verwijderbaarheid;
informatie over de kenmerken van de verschillende afgasstromen, zoals:
  a) de gemiddelde waarden en variabiliteit van debiet en temperatuur;
  b) de gemiddelde concentraties, massastromen en variabiliteit van de aanwezige verontreinigende stoffen;
  c) de gegevens over ontvlambaarheid, laagste en hoogste explosiegrenswaarden en reactiviteit;
  d) de aanwezigheid van andere stoffen die van invloed kunnen zijn op het afgasbehandelingssysteem of de veiligheid van de installatie.

  

                


Afdeling 3.9.3.
Afvalwater


Art. 3.9.3.1.

De belangrijkste procesparameters die relevant zijn voor de emissies naar water, zoals vastgesteld in het overzicht van de afvalwaterstromen, vermeld in artikel 3.9.2.2, waaronder continue metingen van debiet, pH en temperatuur van het afvalwater, worden gemonitord op cruciale locaties.


Art. 3.9.3.2.

De monitoring van emissies naar water wordt verricht met de aangegeven frequentie, vermeld in de volgende tabel, en conform de meetmethoden, vermeld in artikel 4, §1, van bijlage 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren:

 

parameter

minimale monitoringfrequentie (1)

(2) (2bis)

TOC (3)

 

dagelijks

CZV (3)

zwevende stoffen

totaal stikstof

totaal fosfor

AOX

 

maandelijks

metalen (Cr, Cu, Ni, Pb, Zn, andere als dat relevant is)

 

toxiciteit (4)

viseieren (Danio rerio)

te bepalen in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit op basis van een risicobeoordeling, na een eerste karakterisering

 

Daphnia (Daphnia magna Straus)

 
 

luminescente bacteriën (Vibrio fischeri)

 
 

eendenkroos (Lemna minor)

 
  algen  
(1) Het monsternamepunt bevindt zich op de plaats waar de emissie de installatie verlaat.

(2) Voor TOC/CZV, zwevende stoffen, totaal stikstof en totaal fosfor kan de monitoringsfrequentie afgebouwd worden volgens onderstaand schema:

 

(2bis) De monitoring van emissies is niet van toepassing bij lozing in riolering.

(3) TOC-monitoring en CZV-monitoring zijn alternatieven. TOC-monitoring is de voorkeursoptie omdat daarbij geen zeer toxische verbindingen hoeven te worden gebruikt.

(4) Ecotoxiciteitsbepalingen gebeuren op basis van de ISO-normen zoals opgenomen in BBT 4 van de BBT-conclusies voor de gemeenschappelijke behandeling en het gemeenschappelijke beheer van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector. Er moet een geschikte combinatie van de vermelde biologische

parameters gebruikt worden.

 

 


Art. 3.9.3.3. Het waterverbruik en de productie van afvalwater worden verminderd door de hoeveelheid of de verontreinigingsbelasting van afvalwaterstromen te beperken, meer afvalwater binnen het productieproces te hergebruiken en grondstoffen terug te winnen en te hergebruiken.

Art. 3.9.3.4. De verontreiniging van niet-verontreinigd water wordt voorkomen en de emissies naar water worden verminderd door niet-verontreinigde waterstromen gescheiden te houden van afvalwaterstromen die moeten worden behandeld, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

Art. 3.9.3.5. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, worden ongecontroleerde emissies naar water voorkomen door in een passende bufferopslagcapaciteit, gebaseerd op een risicobeoordeling, te voorzien voor afvalwater dat ontstaat tijdens andere dan de normale bedrijfsomstandigheden, en door passende vervolgmaatregelen te nemen.

Art. 3.9.3.6.

Emissies naar water worden verminderd door een geïntegreerde strategie voor afvalwaterbeheer en -behandeling toe te passen, gebaseerd op het overzicht van de afvalwaterstromen, vermeld in artikel 3.9.2.2, die een geschikte combinatie van de volgende technieken, weergegeven in de volgorde van prioriteit, omvat:

 

procesgeïntegreerde technieken;
terugwinning van verontreinigende stoffen bij de bron;
voorbehandeling van afvalwater als vermeld in BBT 11 van de BBT-conclusies voor de gemeenschappelijke behandeling en het gemeenschappelijke beheer van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector;
eindbehandeling van afvalwater, door gebruik te maken van een geschikte combinatie van de technieken, vermeld in BBT 12 van de BBT-conclusies voor de gemeenschappelijke behandeling en het gemeenschappelijke beheer van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector.

     


Art. 3.9.3.7.

De emissiegrenswaarden voor emissies naar water betreffen voortschrijdende jaargemiddelden.

 

In het eerste lid wordt verstaan ondervoortschrijdende jaargemiddelde: het voortschrijdend debietgewogen gemiddelde van alle debietproportionele 24 uur- mengmonsters, genomen gedurende één jaar met de minimale meetfrequentie, vastgesteld voor de relevante parameter, en onder normale bedrijfsomstandigheden.


Art. 3.9.3.8.

Voor de lozing in oppervlaktewater zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

parameter, bij een emissie van:

emissiegrenswaarde,

voortschrijdend jaargemiddelde

TOC (1), > 3,3 ton/jaar

33 mg/l (2)(3)(4)

CZV (1), > 10 ton/jaar

100 mg/l (2)(3)(4)

zwevende stoffen, > 3,5 ton/jaar

35 mg/l (5)

totaal stikstof, > 2,5 ton/jaar

25 mg/l (6)(7)

totaal fosfor, > 0,3 ton/jaar

3 mg/l

AOX, > 100 kg/jaar

1000 µg/l (8)

chroom en chroomverbindingen, uitgedrukt als chroom (Cr), > 2,5 kg/jaar

25 µg/l (9)(10)(11)

koper en koperverbindingen, uitgedrukt als koper (Cu), > 5 kg/jaar

50 µg/l (9)(10)(12)

nikkel en nikkelverbindingen, uitgedrukt als nikkel (Ni), > 5 kg/jaar

50 µg/l (9)(10)

zink en zinkverbindingen, uitgedrukt als zink

(Zn), > 30 kg/jaar

300 µg/l (9)(10)(13)

(1)   De parameters TOC en CZV zijn alternatieven. Ofwel zijn de emissiegrenswaarde en meetfrequentie voor TOC van toepassing, ofwel de emissiegrenswaarde en meetfrequentie voor CZV.

(2)   In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarden voor TOC en CZV worden afgeweken tot maximaal 100 mg/l voor TOC en maximaal 300 mg/l voor CZV, allebei als jaargemiddelde, als aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:

-

voorwaarde A: verwijderingsrendement ≥ 90 % als jaargemiddelde

(inclusief voorbehandeling en eindbehandeling);

-

voorwaarde B: als een biologische behandeling wordt toegepast, wordt ten minste voldaan aan een van de volgende criteria:

  -

er wordt een biologische behandeling met lage belasting toegepast (dat wil zeggen ≤ 0,25 kg CZV/kg organische droge stof van het slib).

Dat impliceert een BOD5-niveau in het effluent van ≤ 20 mg/l;

  - er wordt nitrificatie toegepast;

(3)   In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan bepaald worden dat de emissiegrenswaarde niet van toepassing is als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

-

voorwaarde A: doeltreffendheid van de emissiebeperking ≥ 95 % als jaargemiddelde, inclusief voorbehandeling en eindbehandeling;

-

voorwaarde B: als een biologische behandeling wordt toegepast, wordt ten minste voldaan aan een van de volgende criteria:

  -

er wordt een biologische behandeling met lage belasting toegepast (dat wil zeggen ≤ 0,25 kg CZV/kg organische droge stof van het slib).

Dat impliceert een BOD5-niveau in het effluent van ≤ 20 mg/l;

  - er wordt nitrificatie toegepast.
-

voorwaarde C: het influent naar de laatste afvalwaterbehandeling heeft de volgende kenmerken: TOC > 2 g/l (of CZV > 6 g/l) als jaargemiddelde en een hoog gehalte aan moeilijk afbreekbare organische verbindingen.

(4)   In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan bepaald worden dat de emissiegrenswaarde niet van toepassing is als de belangrijkste verontreinigingsbelasting afkomstig is van de productie van methylcellulose.

(5)   In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan bepaald worden dat de emissiegrenswaarde niet van toepassing is als de belangrijkste verontreinigingsbelasting afkomstig is van de productie van natriumcarbonaat via het Solvayproces of van de productie van titaandioxide.

(6)   De emissiegrenswaarde is niet van toepassing voor installaties zonder biologische afvalwaterbehandeling.

(7)   In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde afgeweken worden tot die maximaal 40

mg/l bedraagt, als de doeltreffendheid van de emissievermindering ≥ 70% bedraagt

als jaargemiddelde, inclusief voorbehandeling en eindbehandeling.

(8)   In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan bepaald worden dat de emissiegrenswaarde niet van toepassing is als de belangrijkste verontreinigingsbelasting afkomstig is van de productie van gejodeerde röntgencontrastmiddelen door de grote hoeveelheid moeilijk afbreekbare belastingen, of door de productie van propyleenoxide of epichloorhydrine via het chloorhydrineproces als gevolg van de hoge belastingen.

(9)   In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan bepaald worden dat de emissiegrenswaarde niet van toepassing is als de belangrijkste verontreinigingsbelasting afkomstig is van de productie van anorganische verbindingen van zware metalen.

(10)   In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan bepaald worden dat de emissiegrenswaarde niet van toepassing is als de belangrijkste verontreinigingsbelasting afkomstig is van de verwerking van grote hoeveelheden vaste anorganische grondstoffen die zijn verontreinigd met metalen. 

(11) In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan bepaald worden dat de emissiegrenswaarde niet van toepassing is als de belangrijkste verontreinigingsbelasting afkomstig is van de productie van organische chroomverbindingen.

(12) In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan bepaald worden dat de emissiegrenswaarde niet van toepassing is als de belangrijkste verontreinigingsbelasting afkomstig is van de productie van vinylchloridemonomeer/ethyleendichloride via het oxychloreringsproces.

(13) In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan bepaald worden dat de emissiegrenswaarde niet van toepassing is als de belangrijkste verontreinigingsbelasting afkomstig is van de productie van viscosevezels.

 

De emissiegrenswaarden, vermeld in het eerste lid, zijn van toepassing als de emissies die afkomstig zijn van:

de inrichtingen, vermeld in rubriek 5.5 en 7.11 van de indelingslijst van titel II van het VLAREM;
de inrichtingen, vermeld in rubriek 3.6.7 van de indelingslijst van titel II van het VLAREM, als de belangrijkste verontreinigingsbelasting van het afvalwater dat behandeld wordt, afkomstig is van een of meer installaties waarin een of meer activiteiten die onder de toepassing van rubriek 7.11 van de indelingslijst van titel II van het VLAREM vallen, worden uitgevoerd;
de gecombineerde behandeling van afvalwater van verschillende herkomst, als de belangrijkste verontreinigingsbelasting afkomstig is van een of meer activiteiten die onder de toepassing van rubriek 7.11 van de indelingslijst van titel II van het VLAREM vallen.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan met toepassing van de bepalingen, vermeld in punt 3.4 van de BBT- conclusies voor de gemeenschappelijke behandeling en het gemeenschappelijke beheer van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector, worden afgeweken van de emissiegrenswaarden, vermeld in het eerste lid.

 

De monitoring geassocieerd met de emissiegrenswaarden in de bovenstaande tabel wordt vermeld in artikel 3.9.3.2.


Afdeling 3.9.4.
Luchtemissies


Art. 3.9.4.1.

Diffuse VOS-emissies naar lucht worden periodiek gemonitord door een geschikte combinatie van de volgende technieken toe te passen:

een meet- en beheersprogramma als vermeld in afdeling 4.4.6 van titel II van het VLAREM.;
de optische beeldvorming van gas, met behulp van een IR-camera, vermeld in subafdeling 5.17.4.5 van titel II van het VLAREM.;
berekeningen van emissies van relevante bronnen op basis van emissiefactoren die periodiek worden gevalideerd door metingen, zoals vermeld in de desbetreffende CEN-normen.

 

Als de totaal berekende diffuse VOS-emissies van de inrichting meer dan 20 ton per jaar bedragen, worden alle technieken, vermeld in het eerste lid, toegepast. In dat geval zijn differentiële absorptielichtdetectie en -peiling (DIAL) of “solar occultation flux” (SOF) nuttige aanvullende technieken op de technieken, vermeld in het eerste lid.


Art. 3.9.4.2. Diffuse VOS-emissies naar lucht worden voorkomen of, als dat niet haalbaar is, beperkt door gebruik te maken van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 19 van de BBT-conclusies voor de gemeenschappelijke behandeling en het gemeenschappelijke beheer van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector.

Art. 3.9.4.3. De terugwinning van verbindingen en de vermindering van emissies naar lucht worden bewerkstelligd door emissiebronnen te omhullen en emissies te behandelen, tenzij dat omwille van bereikbaarheid door de toegang tot apparatuur, veiligheid door het vermijden van concentraties die de laagste explosiegrenswaarde benaderen, of gezondheid als de bediener toegang moet hebben tot de omhulde ruimte, niet mogelijk is.

Art. 3.9.4.4.

Emissies naar lucht worden verminderd door een geïntegreerde strategie voor afgasbeheer en -behandeling toe te passen, gebaseerd op het overzicht van de afgasstromen, vermeld in artikel 3.9.2.2, die procesgeïntegreerde technieken en afgasbehandelingstechnieken omvat.


Art. 3.9.4.5. Emissies naar lucht, afkomstig van fakkels, worden beperkt door affakkeling uitsluitend toe te passen om veiligheidsredenen of bij andere dan normale bedrijfsomstandigheden door gebruik te maken van een of beide van de technieken, vermeld in BBT 17 van de BBT-conclusies voor de gemeenschappelijke behandeling en het gemeenschappelijke beheer van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector.

Art. 3.9.4.6. Emissies naar lucht, afkomstig van fakkels, worden, als affakkelen onvermijdelijk is, beperkt door gebruik te maken van een of beide van de technieken, vermeld in BBT 18 van de BBT-conclusies voor de gemeenschappelijke behandeling en het gemeenschappelijke beheer van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector.

Afdeling 3.9.5.
Geur


Art. 3.9.5.1. Geuremissies, afkomstig van afvalwaterverzameling en -behandeling en van slibbehandeling, worden voorkomen of, als dat niet mogelijk is, beperkt door gebruik te maken van een of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 21 van de BBT- conclusies voor de gemeenschappelijke behandeling en het gemeenschappelijke beheer van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector.

Afdeling 3.9.6.
Geluid


Art. 3.9.6.1. Geluidsemissies worden voorkomen of, als dat niet mogelijk is, beperkt door gebruik te maken van een of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 23 van de BBT-conclusies voor de gemeenschappelijke behandeling en het gemeenschappelijke beheer van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector.

Afdeling 3.9.7.
Afval


Art. 3.9.7.1.

Afval dat ter verwerking moet worden afgevoerd, wordt maximaal voorkomen of, als dat niet mogelijk is, beperkt door een afvalbeheersplan op te stellen en uit te voeren als onderdeel van het milieubeheersysteem, vermeld in artikel 3.9.2.1. Dat afvalbeheersplan garandeert, in volgorde van prioriteit, dat afval wordt voorkomen, behandeld voor hergebruik, gerecycleerd of op een andere wijze wordt teruggewonnen.


Art. 3.9.7.2. De hoeveelheid afvalwaterslib dat verder moet worden behandeld of moet worden verwijderd, wordt voorkomen en het potentiële milieueffect ervan wordt beperkt door gebruik te maken van een of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 14 van de BBT-conclusies voor de gemeenschappelijke behandeling en het gemeenschappelijke beheer van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector.