Hoofdstuk 3.10.
Non-ferrometaalindustrie


Afdeling 3.10.1.
Toepassingsgebied en definities


Art. 3.10.1.1.

§1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 20.2.1, 20.2.4.a.3, 20.2.4.b.3, 20.2.5 en 20.3.7 van de indelingslijst. Bestaande installaties, als vermeld in artikel 3.10.1.2, 2°, voldoen uiterlijk op 30 juni 2020 aan dit hoofdstuk.

 

De overeenkomstige GPBV-activiteiten zijn de activiteiten, vermeld in punt 2.1, 2.5   en 6.8, van bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.

 

§2. Het toepassingsgebied van dit hoofdstuk omvat de volgende processen:

de primaire en secundaire productie van non-ferrometalen;

de productie van zinkoxide uit dampen tijdens de productie van andere metalen; 

de productie van nikkelverbindingen uit residulogen tijdens de productie van een metaal;

de productie van calciumsilicium en silicium in dezelfde oven als de oven voor de productie van ferrosilicium;
de productie van aluminiumoxide uit bauxiet voorafgaand aan de productie van primair aluminium, als dat integraal deel uitmaakt van de productie van het metaal;
de recyclage van aluminiumzoutslakken;
de productie van koolstof- of grafietelektroden.

 

§3. De bepalingen, vermeld in paragraaf 1, hebben geen betrekking op de volgende activiteiten en processen:

sinteren van metaalerts;
de productie van zwavelzuur op basis van SO2-gassen, afkomstig van de productie van non-ferrometalen;
gieterijen als vermeld in rubriek 20.2.4.a.3 en 20.2.4.b.3 van de indelingslijst, die worden behandeld in het referencedocument on Best Available Techniques in the Smitheries and Foundries Industry, gepubliceerd door de Europese Commissie in mei 2005.

     


Art. 3.10.1.2.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

nieuwe installatie: een installatie die voor het eerst wordt vergund op het terrein van de installatie na 30 juni 2016, of een volledige vervanging van een installatie op bestaande funderingen na 30 juni 2016;
bestaande installatie: een installatie die geen nieuwe installatie is;
belangrijke verbetering: een significante wijziging in het ontwerp of de technologie van een installatie, met grote aanpassingen of de vervanging van de verwerkingseenheden en bijbehorende apparatuur;
primaire productie: de productie van metalen met gebruik van erts en concentraten;
secundaire productie: de productie van metalen met gebruik van residuen of schroot, met inbegrip van omsmeltings- en legeringsprocessen;
vluchtige organische stof, afgekort VOS: een organische verbinding, alsook de fractie creosoot die bij 293,15 K een dampspanning van 0,01 kPa of meer heeft of onder de specifieke gebruiksomstandigheden een vergelijkbare vluchtigheid heeft;
andere non-ferrometalen: de productie van andere non-ferrometalen dan de non- ferrometalen, vermeld in afdeling 3.10.3 tot en met 3.10.9;
BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie: de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie, opgenomen in de bijlage bij het uitvoeringsbesluit (EU) 2016/1032 van de Commissie van 13 juni 2016 tot vaststelling van de BBT- conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad, voor de non-ferrometaalindustrie.

 

 


Afdeling 3.10.2.
Algemene bepalingen


Subafdeling 3.10.2.1.
Toepasbaarheid


Art. 3.10.2.1.1.

De processpecifieke bepalingen, vermeld in afdeling 3.10.3 tot en met 3.10.11, zijn van toepassing naast de algemene bepalingen die in deze afdeling beschreven worden.


Art. 3.10.2.1.2.

Met toepassing van de bepalingenover de toepasbaarheid, vermeld in voetnoot 7 van BBT 10 en in BBT 15, 24, 62, 63, 70, 72, 76, 105 en 152 van de BBT- conclusies voor de non-ferrometaalindustrie, kan er in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden afgeweken van artikel 3.10.2.6.2, 3.10.3.3.2, 3.10.4.2.5, 3.10.4.2.6, 3.10.4.3.6, 3.10.4.3.9, 3.10.4.4.3, 3.10.5.4.2, 3.10.8.1.3 en 3.10.11.1.1 van dit besluit.


Subafdeling 3.10.2.2.
Milieubeheersysteem


Art. 3.10.2.2.1.

Voor het verbeteren van de totale milieuprestatie van de non-ferro metaalindustrie wordt een milieubeheersysteem ingevoerd en nageleefd dat al de volgende elementen omvat:

 

betrokkenheid van het gehele management;
uitwerking van een milieubeleid door het management dat de continue verbetering van de installatie omvat;
planning en vaststelling van de noodzakelijke procedures, doelstellingen en streefcijfers, samen met de financiële planning en investeringen;
uitvoeren van procedures, met bijzondere aandacht voor:
  a) bedrijfsorganisatie en verdeling van verantwoordelijkheid;
  b) aanwerving, opleiding, bewustmaking en bekwaamheid;
  c) communicatie;
  d) betrokkenheid van de werknemers;
  e) documentatie;
  f) efficiënte procescontrole;
  g) onderhoudsprogramma's;
  h) paraatheid bij noodsituaties en rampenplannen;
  i) waarborgen van de naleving van de milieuwetgeving;
controle van de uitvoering van het milieubeheersysteem en het nemen van corrigerende maatregelen, met bijzondere aandacht voor:
  a) monitoring en meting;
  b) corrigerende en preventieve maatregelen;
  c) bijhouden van gegevens;
  d) interne en externe audits, voor zover mogelijk onafhankelijk, om te bepalen of het milieubeheersysteem voldoet aan de voorgenomen regelingen en of het op de juiste wijze wordt uitgevoerd en gehandhaafd;
evaluatie van het milieubeheersysteem en de continue controle door het management van de geschiktheid, adequaatheid en doeltreffendheid;
volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieën;
bij de ontwerpfase van een nieuwe installatie rekening houden met de milieueffecten ervan tijdens de volledige levensduur en de latere ontmanteling;
uitvoeren van benchmarkonderzoek in de bedrijfstak op regelmatige basis.
10° de opstelling en uitvoering van een actieplan over de diffuse stofemissies als vermeld in artikel 3.10.2.5.2;
11° de toepassing van een onderhoudsbeheersysteem dat specifiek is toegespitst op de prestaties van stofbestrijdingssystemen vermeld in artikel 3.10.2.4.2.

 


Subafdeling 3.10.2.3.
Energiebeheer


Art. 3.10.2.3.1. Energie wordt efficiënt gebruikt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 2 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Subafdeling 3.10.2.4.
Processturing


Art. 3.10.2.4.1. Om de totale milieuprestaties te verbeteren, wordt een stabiel proces gewaarborgd door middel van een procesbesturingssysteem, samen met de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 3 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.2.4.2.

De geleide stof- en metaalemissies naar de lucht worden beperkt door de toepassing van een onderhoudsbeheersysteem dat specifiek gericht is op de prestaties van stofbestrijdingssystemen als onderdeel van het milieubeheersysteem, vermeld in artikel 3.10.2.2.1.


Subafdeling 3.10.2.5.
Luchtemissies


Art. 3.10.2.5.1. De diffuse emissies naar de lucht en in het water worden voorkomen of, als dat niet haalbaar is, beperkt door de diffuse emissies zo veel mogelijk en zo dicht mogelijk bij de bron op te vangen en te behandelen.

Art. 3.10.2.5.2.

De diffuse stofemissies naar de lucht worden voorkomen of, als dat niet haalbaar is, beperkt door als onderdeel van het milieubeheersysteem, vermeld in artikel 3.10.2.2.1, een actieplan voor diffuse stofemissies op te stellen en uit te voeren dat de volgende twee maatregelen omvat:

de identificatie van de meest relevante bronnen van diffuse stofemissies;
de bepaling en uitvoering van passende acties en technieken om binnen een bepaalde periode diffuse emissies te voorkomen of te beperken.

  


Art. 3.10.2.5.3. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de opslag van grondstoffen, worden voorkomen door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 7 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.2.5.4. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van het overslaan en het vervoer van grondstoffen, worden voorkomen door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 8 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.2.5.5. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de metaalproductie, worden voorkomen of, als dat niet haalbaar is, beperkt door de efficiëntie van de afgasopvang en -behandeling te optimaliseren door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 9 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.2.5.6.

Tenzij het anders is vermeld in dit hoofdstuk, worden de middelingstijden voor emissies naar de lucht als volgt bepaald:

daggemiddelde: het gemiddelde over een periode van 24 uur op basis van geldige halfuur- of uurgemiddelden uit continue metingen;
gemiddelde over de bemonsteringsperiode: de gemiddelde waarde van drie opeenvolgende metingen van ten minste dertig minuten elk. Voor batchprocessen kan het gemiddelde van een representatief aantal metingen dat is genomen over de totale ladingstijd, of het resultaat van een meting die is uitgevoerd over de totale ladingstijd, gebruikt worden.

 

 


Art. 3.10.2.5.7.

De monitoring van emissies in de lucht wordt verricht conform de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.4.2 bij titel II van het VLAREM. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN- normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.


Art. 3.10.2.5.8.

Parameters waarvan de emissies naar de lucht conform dit hoofdstuk gemonitord moeten worden en waarvan de emissie de massastroom, vermeld in bijlage 4.4.3 van titel II van het VLAREM, niet overschrijdt, worden minstens één keer per jaar gemeten, tenzij het anders bepaald is in dit hoofdstuk.


Art. 3.10.2.5.9. Voor bronnen met een debiet van minder dan 10.000 Nm³/h van stofemissies, afkomstig van de opslag en overslag van grondstoffen, kan de monitoring worden gebaseerd op de meting van vervangende parameters.

Art. 3.10.2.5.10.

Voor kwikemissies naar de lucht van een pyrometallurgisch proces waarbij kwikhoudende grondstoffen worden gebruikt, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

proces

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

kwik en zijn verbindingen, uitgedrukt als Hg

overig

0,05

gebruik van adsorptiemiddelen in combinatie met een doekfilter, behalve voor processen waarbij Waelzovens worden

gebruikt

0,03


Art. 3.10.2.5.11.

De NOX-emissies naar de lucht, afkomstig van een pyrometallurgisch proces, worden voorkomen door de toepassing van een van de technieken, vermeld in BBT 13 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

 

De concentratie van de NOx-emissies, uitgedrukt als NO2, naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt gemeten.


Subafdeling 3.10.2.6.
Water en afvalwater


Art. 3.10.2.6.1. De productie van afvalwater wordt voorkomen of beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 14 van de BBT- conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.2.6.2. Niet-verontreinigde waterstromen worden gescheiden van afvalwaterstromen die moeten worden behandeld.

Art. 3.10.2.6.3.

De monitoring van emissies in water wordt verricht overeenkomstig de meetmethoden, vermeld in artikel 4, §1, van bijlage 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.


Art. 3.10.2.6.4. De emissies via het afvalwater worden beperkt door de lekken, afkomstig van de opslag van vloeistoffen, en het afvalwater, afkomstig van de productie van non- ferrometalen, met inbegrip van het afvalwater, afkomstig van de wasfase in het proces met een Waelzoven, te behandelen en metalen en sulfaten te verwijderen door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 17 van de BBT- conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Subafdeling 3.10.2.7.
Geluid en geuremissies


Art. 3.10.2.7.1. De geluidsemissies worden beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 18 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.2.7.2. De geuremissies worden beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 19 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Afdeling 3.10.3.
Koperproductie


Subafdeling 3.10.3.1.
Secundaire materialen


Art. 3.10.3.1.1.

Het terugwinningsrendement van secundaire materialen uit schroot wordt verhoogd door niet-metallische bestanddelen en andere metalen dan koper te scheiden door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 20 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

 


Subafdeling 3.10.3.2.
Energie


Art. 3.10.3.2.1. Om bij de productie van primair koper energie efficiënt te gebruiken, wordt één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 21 van de BBT- conclusies voor de non-ferrometaalindustrie, toegepast.

Art. 3.10.3.2.2. Om bij de productie van secundair koper energie efficiënt te gebruiken, wordt één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 22 van de BBT- conclusies voor de non-ferrometaalindustrie, toegepast.

Art. 3.10.3.2.3. Om bij de elektrolytische raffinage en elektrolytische winning energie efficiënt te gebruiken, wordt een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 23 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie, toegepast.

Subafdeling 3.10.3.3.
Luchtemissies


Art. 3.10.3.3.1. De SO2-emissies naar de lucht, afkomstig van afgassen met een hoog SO2-gehalte, worden beperkt en de productie van afval, afkomstig van het afgasreinigingssysteem, wordt vermeden door zwavel terug te winnen door middel van de productie van zwavelzuur of vloeibaar SO2.

Art. 3.10.3.3.2.

Bij de productie van primair koper worden de secundaire emissies naar de lucht, afkomstig van ovens en hulpinrichtingen, beperkt en worden de prestaties van het zuiveringssysteem geoptimaliseerd door secundaire emissies op te vangen, te mengen en te behandelen in een gecentraliseerd afgasreinigingssysteem.

 

Er worden geen stromen gemengd die chemisch niet compatibel zijn en ongewenste chemische reacties tussen de verschillende opgevangen stromen worden vermeden.

 

In het eerste lid wordt verstaan onder secundaire emissies: emissies die vrijkomen uit de ovenbekleding of tijdens werkzaamheden, zoals laden of aftappen, en die met een afzuigkap of omkastingen worden opgevangen.


Art. 3.10.3.3.3. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de voorbehandeling van primaire en secundaire materialen, worden voorkomen of beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 25 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.3.3.4. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van laad-, smelt- en aftapwerkzaamheden in smelters voor primair en secundair koper en afkomstig van warmhoud- en smeltovens, worden voorkomen of beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 26 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.3.3.5. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van een Peirce-Smith- convertor bij de productie van primair en secundair koper, worden beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 27 van de BBT- conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.3.3.6. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van een Hoboken- convertoroven bij de productie van primair koper, worden beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 28 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.3.3.7. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de conversie van matte, worden beperkt door bij nieuwe installaties of bij belangrijke verbeteringen van bestaande installaties een flash-convertoroven te gebruiken.

Art. 3.10.3.3.8. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van een TBRC-oven bij de productie van secundair koper, worden beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 30 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.3.3.9.

De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de terugwinning van koper met een slakkenconcentrator, worden beperkt door de toepassing van al de volgende technieken:

stofbestrijdingstechnieken voor de opslag, de overslag en het breken van slakken;
malen en flotatie, uitgevoerd met water;
verplaatsing van slakken naar de uiteindelijke opslagruimte via hydrotransport in een gesloten pijpleiding;
behoud van een waterlaag in de vijver of gebruik van een stofbestrijdingsmiddel in droge gebieden.

 

 


Art. 3.10.3.3.10. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de ovenbehandeling van slakken met een hoog kopergehalte, worden beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 32 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.3.3.11. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van het gieten van anoden bij de productie van primair en secundair koper, worden beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 33 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.3.3.12. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de elektrolysecellen, worden beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 34 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.3.3.13. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van het gieten van koperlegeringen, worden beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 35 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.3.3.14. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van alkalisch en zuurbeitsen; worden beperkt door de toepassing van een van de technieken, vermeld in BBT 36 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.3.3.15.

Voor stofemissies naar de lucht, afkomstig van koperproductie, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter proces opmerking emissiegrenswaarde (mg/Nm³)
stof

ontvangen, opslaan, overslaan, vervoeren, doseren, mengen, samenvoegen, breken, drogen, versnijden en screenen van grondstoffen, en de pyrolytische behandeling van koperdraaisels bij de productie van primair en secundair koper

  5

als de emissies van zware metalen hoger liggen dan de volgende niveaus: 1 mg/Nm³ voor lood, 1 mg/Nm³ voor koper, 0,05 mg/Nm³ voor

arseen, 0,05 mg/Nm³ voor cadmium

3,5

drogen van concentraten bij de productie van primair koper

  5

als de emissies van zware metalen hoger liggen dan de volgende niveaus: 1 mg/Nm³ voor lood, 1 mg/Nm³ voor koper, 0,05 mg/Nm³ voor

arseen, 0,05 mg/Nm³ voor cadmium

4
smelter en convertor voor primair koper (andere emissies dan die welke naar de zwavelzuur- of vloeibaar-SO2-installatie of elektriciteitscentrale worden geleid)   5

als de emissies van zware metalen hoger liggen dan de volgende niveaus: 1 mg/Nm³ voor lood, 1 mg/Nm³ voor koper, 0,05 mg/Nm³ voor

arseen, 0,05 mg/Nm³ voor cadmium
3,5
    4
smelter en convertor voor secundair koper en verwerking van secundaire intermediaire koperproducten (andere emissies dan die welke naar de zwavelzuurinstallatie worden geleid)

als de emissies van zware metalen hoger liggen dan de volgende niveaus: 1 mg/Nm³ voor lood, 1 mg/Nm³ voor koper, 0,05 mg/Nm³ voor

arseen, 0,05 mg/Nm³ voor cadmium
3
warmhoudoven voor secundair koper   5
    5
ovenverwerking van slakken met een hoog kopergehalte

als de emissies van

lood hoger liggen dan 1 mg/Nm³
3,5
    5
anodeoven (bij de productie van primair en secundair koper)

als de emissies van zware metalen hoger liggen dan de

volgende niveaus: 1 mg/Nm³ voor lood, 1 mg/Nm³ voor koper, 0,05 mg/Nm³ voor arseen, 0,05 mg/Nm³ voor cadmium
3,5

gieten van anoden (bij de

productie van primair en

secundair koper) 

  10
kopersmeltoven   5
als de emissies van koper hoger liggen dan 1 mg/Nm³ 3,5

 

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde voor stof, afkomstig van het drogen van concentraten bij de productie van primair koper, vermeld in het eerste lid, afgeweken worden als de gebruikte concentraten een gehalte van meer dan 10 volumeprocent organische koolstof hebben, met een maximum van 10 mg/Nm³.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van stof, afkomstig van de smelter en convertor voor primair koper (andere emissies dan die welke naar de zwavelzuur- of vloeibaar-SO2-installatie of elektriciteitscentrale worden geleid), vermeld in het eerste lid, wordt continu gemeten.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van arseen en zijn verbindingen, cadmium en zijn verbindingen, koper en zijn verbindingen, lood en zijn verbindingen en andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen ontvangen, opslaan, overslaan, vervoeren, doseren, mengen, samenvoegen, breken, drogen, versnijden en screenen van grondstoffen, en de pyrolytische behandeling van koperdraaisels bij de productie van primair en secundair koper, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Art. 3.10.3.3.16.

Voor de emissies naar de lucht van totaal organische koolstof van de pyrolytische behandeling van koperdraaisels en het drogen, gieten en smelten van secundaire grondstoffen zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

proces

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

totaal organische koolstof

overig

30

gebruik van een regeneratieve naverbrander

5

 

De concentratie van de emissies van totaal organische koolstof naar de lucht wordt jaarlijks gemeten.


Art. 3.10.3.3.17.

De emissies van organische verbindingen naar de lucht, afkomstig van de extractie met oplosmiddelen in de hydrometallurgische koperproductie, worden beperkt door de VOS-emissies jaarlijks te bepalen en door de toepassing van de volgende twee technieken:

procesreagentia (oplosmiddelen) met lagere stoomdruk;
gesloten apparatuur.

        


Art. 3.10.3.3.18.

Voor de pyrolytische behandeling van koperdraaisels en het smelten, thermisch raffineren en converteren bij de productie van secundair koper is voor de parameter dioxinen en furanen een emissiegrenswaarde van 0,1 ng I-TEQ/Nm³ van toepassing.

 

De emissies van dioxinen en furanen naar de lucht, vermeld in het eerste lid, worden gemeten conform artikel 5.29.0.6, §1, derde lid, van titel II, van het VLAREM met een frequentie als vermeld in artikel 5.29.0.6, §1, vijfde lid, van titel II, van het VLAREM.


Art. 3.10.3.3.19.

Voor SO2-emissies naar de lucht, andere dan die welke naar een elektriciteitscentrale worden geleid, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

proces

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

SO2

productie van primair koper

natte gaswasser of

concentraat met laag zwavelgehalte

350

overig

500

productie van secundair koper

 

300

 


Art. 3.10.3.20.

De emissies van zure gassen naar de lucht, afkomstig van uitlaatgassen uit de cellen voor elektrolytische winning, cellen voor elektrolytische raffinage, de waskamer van de kathodestripmachine en de wasmachine voor anoderesten, worden beperkt door de toepassing van een techniek, vermeld in BBT 50 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

 

De concentratie van de zwavelzuuremissies naar de lucht, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.


Subafdeling 3.10.3.4.
Bodem en grondwater


Art. 3.10.3.4.1. De verontreiniging van bodem en grondwater als gevolg van de terugwinning van koper in de slakkenconcentrator wordt voorkomen door een drainagesysteem in koelruimten toe te passen en door de opslagplaats voor eindslakken om overtollig water te verzamelen en lekken te voorkomen, correct te ontwerpen.

Art. 3.10.3.4.2. De verontreiniging van bodem en grondwater als gevolg van de elektrolyse bij de productie van primair en secundair koper wordt voorkomen door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 52 van de BBT- conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Subafdeling 3.10.3.5.
Water en afvalwater


Art. 3.10.3.5.1.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de lozing van afvalwater:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/l)

totaal arseen

0,1

totaal cadmium

0,02

totaal koper

0,5

totaal kwik

0,005

totaal nikkel

0,2

totaal lood

0,2

totaal zink

1

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde voor arseen, vermeld in het eerste lid, afgeweken worden in geval van een hoog arseengehalte in de totale input van de installatie met een maximum van 0,2 mg/l.

 

De concentratie van de parameters, vermeld in het eerste lid, en bijkomend van de parameters Fe, Sb, Sn en sulfaten wordt maandelijks gemeten.


Art. 3.10.3.5.2. De productie van afvalwater, afkomstig van de productie van primair en secundair koper, wordt voorkomen door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 53 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Subafdeling 3.10.3.6.
Afval


Art. 3.10.3.6.1. De hoeveelheden afgevoerd afval, afkomstig van de productie van primair en secundair koper, worden beperkt door de werkzaamheden te organiseren met het oog op een eenvoudiger hergebruik van procesresiduen of, als dat niet mogelijk is, de recyclage van procesresiduen, met inbegrip van de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 54 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Afdeling 3.10.4.
Productie van aluminium, met inbegrip van de productie van aluminiumoxide en anoden


Subafdeling 3.10.4.1.
Productie van aluminiumoxide


Art. 3.10.4.1.1. Om bij de productie van aluminiumoxide uit bauxiet energie efficiënt te gebruiken, wordt één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 55 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie, toegepast.

Art. 3.10.4.1.2.

Stof- en metaalemissies naar de lucht, afkomstig van de calcinatie van aluminiumoxide, worden beperkt door de toepassing van een techniek, vermeld in BBT 56 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

 

De concentratie van de stofemissies naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.


Art. 3.10.4.1.3. De concentratie in het afvalwater van de parameters zwevende stoffen, Al en andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, wordt maandelijks gemeten.

Art. 3.10.4.1.4.

De hoeveelheden afgevoerd afval worden beperkt en de verwijdering van bauxietresiduen, afkomstig van de productie van aluminiumoxide, wordt verbeterd door de toepassing van één of beide van de technieken, vermeld in BBT 57 van de BBT- conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

 


Subafdeling 3.10.4.2.
Productie van anoden


Art. 3.10.4.2.1.

Voor de geloosde afgassen naar de lucht van een massa-installatie zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

proces

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stof

- opslag van warm pek en mengen, afkoelen en vormen van massa

- verwijdering van cokesstof, afkomstig van werkzaamheden zoals het opslaan

en malen van cokes

5

benzo(a)pyreen

opslag van warm pek en mengen, afkoelen en vormen van massa

0,01

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Art. 3.10.4.2.2.

De stof-, zwaveldioxide-, polycyclische aromatische koolwaterstoffen- en fluoride-emissies naar de lucht, afkomstig van een bakinstallatie in een installatie voor de productie van anoden die is geïntegreerd in een smelter voor primair aluminium, worden beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 60 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

 

Voor de geloosde afgassen naar de lucht van een bakinstallatie in een installatie voor de productie van anoden die is geïntegreerd in een smelter voor primair aluminium, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stof

5

benzo(a)pyreen

0,01

fluor en zijn gasvormige verbindingen, uitgedrukt in HF

0,5

fluoride en zijn verbindingen, uitgedrukt in F

0,8

 

De concentratie van de SO2-emissies naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.


Art. 3.10.4.2.3.

Voor de geloosde afgassen naar de lucht van een bakinstallatie in een alleenstaande installatie voor de productie van anoden zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stof

5

benzo(a)pyreen

0,01

fluor en zijn gasvormige verbindingen, uitgedrukt in  HF

1

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van stof en fluor en zijn gasvormige verbindingen, uitgedrukt in HF, vermeld in het eerste lid, wordt continu gemeten.


Art. 3.10.4.2.4. De concentratie in het afvalwater van de parameters zwevende stoffen, Al en andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, wordt maandelijks gemeten.

Art. 3.10.4.2.5. De productie van afvalwater, afkomstig van het bakken van anoden, wordt beperkt door bij nieuwe installaties of bij belangrijke verbeteringen van bestaande installaties een gesloten watercyclus te gebruiken.

Art. 3.10.4.2.6. De hoeveelheden afgevoerd afval worden beperkt door koolstofdeeltjes uit de cokesfilter te recycleren als een gaswassermedium.

Subafdeling 3.10.4.3.
Productie van primair aluminium


Art. 3.10.4.3.1.

Voor de geleide emissies naar de lucht van de geloosde afgassen, afkomstig van de opslag, het overslaan en het vervoer van grondstoffen, is voor stof een emissiegrenswaarde van 10 mg/Nm³ van toepassing.

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Art. 3.10.4.3.2.

Voor de geleide emissies naar de lucht van de geloosde afgassen, afkomstig van elektrolytische cellen, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stof

5

fluor en zijn gasvormige verbindingen, uitgedrukt in HF

1

fluoride en zijn verbindingen, uitgedrukt in F

1,5


Art. 3.10.4.3.3.

Voor de totale emissies, dat is de som van de diffuse en de geleide emissies, naar de lucht, afkomstig van de elektrolysehal, verzameld uit de elektrolytische cellen en dakopeningen, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde, voortschrijdend jaargemiddelde (kg/t Al)

stof

0,6

fluoride en zijn verbindingen,

uitgedrukt in F

0,35

 

De emissiegrenswaarden, vermeld in het eerste lid, worden uitgedrukt als het voortschrijdend gemiddelde van alle daggemiddelden, genomen binnen een jaar, gewogen op basis van de dagelijkse productie, en uitgedrukt als massa van de verontreinigde stof die is uitgestoten uit de elektrolysehal, gedeeld door de massa vloeibaar aluminium die op dezelfde dag is geproduceerd.


Art. 3.10.4.3.4. Voor de geleide emissies naar de lucht, afkomstig van het smelten, de behandeling van gesmolten metaal en het gieten bij de productie van primair aluminium, is voor stof een emissiegrenswaarde van 10 mg/Nm³ van toepassing.

Art. 3.10.4.3.5.

Voor de geleide emissies naar de lucht van de geloosde afgassen, afkomstig van elektrolytische cellen, zijn voor SO2 de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

parameter

proces

emissiegrenswaarde, voortschrijdend

jaargemiddelde (kg/t Al)

SO2

overig

15

gebruik van een natte gaswasser

2,5

 

De emissiegrenswaarde, vermeld in het eerste lid, wordt uitgedrukt als het voortschrijdend gemiddelde van alle daggemiddelden, genomen binnen een jaar, gewogen op basis van de dagelijkse productie, en uitgedrukt als massa van de verontreinigde stof die is uitgestoten uit de elektrolysehal, gedeeld door de massa vloeibaar aluminium die op dezelfde dag is geproduceerd.

 

Bij het gebruik van zwavelarme anoden kan een massabalans worden gebruikt om de SO2-emissies te berekenen op basis van de meting van het zwavelgehalte van elke verbruikte partij anoden.


Art. 3.10.4.3.6.

De perfluorkoolstofemissies naar de lucht, afkomstig van de productie van primair aluminium, worden beperkt door de toepassing van al de volgende technieken: 

een automatische meerpuntstoevoer van aluminiumoxide;
een computerbesturing van het elektrolyseproces op basis van de database van actieve cellen en monitoring van de bedrijfsparameters van de cellen;
een automatische onderdrukking van het anode-effect.

   


Art. 3.10.4.3.7. De CO- en polycyclische aromatische koolwaterstoffen-emissies naar de lucht, afkomstig van de productie van primair aluminium aan de hand van de Søderberg- technologie, worden beperkt door het CO en de polycyclische aromatische koolwaterstoffen in het uitlaatgas van de cel te verbranden.

Art. 3.10.4.3.8. De concentratie in het afvalwater van de parameters zwevende stoffen, fluoride, Al en andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, wordt maandelijks gemeten.

Art. 3.10.4.3.9.

De productie van afvalwater wordt voorkomen door koelwater, het behandelde afvalwater en het niet-verontreinigde hemelwater te hergebruiken of te recycleren binnen het proces.

 

De hoeveelheid koelwater, gezuiverd afvalwater en hemelwater, die wordt hergebruikt of gerecycleerd, mag niet groter zijn dan de hoeveelheid water die nodig is voor het proces.


Art. 3.10.4.3.10. De verwijdering van verbruikte ovenbekleding wordt beperkt door de werkzaamheden ter plaatse te organiseren met het oog op een eenvoudigere externe recyclage ervan, afhankelijk van de behoeften van de eindconsument.

Subafdeling 3.10.4.4.
Productie van secundair aluminium


Art. 3.10.4.4.1. Het terugwinningsrendement van grondstoffen wordt verhoogd door niet- metallische bestanddelen en andere metalen dan aluminium te scheiden door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 74 van de BBT- conclusies voor de non-ferrometaalindustrie, afhankelijk van de bestanddelen van de behandelde materialen.

Art. 3.10.4.4.2. Energie wordt efficiënt gebruikt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 75 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.4.4.3.

De emissies naar de lucht worden voorkomen of beperkt door vóór de smeltfase olie en organische verbindingen uit de spanen te verwijderen door centrifugering, droging of een combinatie van beide technieken.

 

Centrifugering is alleen vóór de droging toepasbaar voor sterk met olie verontreinigde spanen.


Art. 3.10.4.4.4. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de voorbehandeling van schroot, worden voorkomen of beperkt door de toepassing van één of beide van de technieken, vermeld in BBT 77 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.4.4.5. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van het laden en lossen of aftappen van smeltovens, worden voorkomen of beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 78 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.4.4.6. De emissies naar de lucht, afkomstig van de behandeling van schuim of slakken, worden beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 79 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.4.4.7.

Voor stofemissies naar de lucht, afkomstig van het drogen van spanen en de verwijdering van olie en organische verbindingen uit de spanen, afkomstig van het breken, malen en droog scheiden van niet-metallische bestanddelen en andere metalen dan aluminium, en afkomstig van de opslag, het overslaan en het vervoer in de secundaire aluminiumproductie, is voor stof een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm³ van toepassing.

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Art. 3.10.4.4.8. Voor ovenprocessen bij de productie van secundair aluminium is voor stof een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm³ van toepassing.

Art. 3.10.4.4.9.

Voor het omsmelten bij de productie van secundair aluminium is voor stof een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm³ van toepassing.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde voor stof, afkomstig van het omsmelten bij de productie van secundair aluminium, vermeld in het eerste lid, afgeweken worden voor ovens die zijn ontworpen om alleen niet-verontreinigde grondstoffen te gebruiken, waarvoor stofemissies minder dan 1 kg/h bedragen, met een maximum van 10 mg/Nm³.


Art. 3.10.4.4.10.

Voor emissies naar de lucht, afkomstig van de thermische behandeling van verontreinigde secundaire grondstoffen en afkomstig van de smeltoven, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde

totaal organische koolstof

30 mg/Nm³

dioxinen en furanen

0,1 ng I-TEQ/Nm³

 

De emissies van dioxinen en furanen naar de lucht, vermeld in het eerste lid, worden gemeten conform artikel 5.29.0.6, §1, derde lid, van titel II, van het VLAREM met een frequentie als vermeld in artikel 5.29.0.6, §1, vijfde lid, van titel II, van het VLAREM.

 

De concentratie van de emissie van totaal organische koolstof naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.


Art. 3.10.4.4.11.

Voor emissies naar de lucht, afkomstig van de thermische behandeling van verontreinigde secundaire grondstoffen, de smeltoven, het omsmelten en de behandeling van gesmolten metaal, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

gasvormige anorganische chloorverbindingen, chloorcyaan niet inbegrepen, uitgedrukt als HCl

10

chloor, uitgedrukt als Cl2

1

fluor en zijn gasvormige verbindingen, uitgedrukt in HF

1

 

Voor de emissies van gasvormige anorganische chloorverbindingen, chloorcyaan niet inbegrepen, uitgedrukt als HCl en chloor, uitgedrukt als Cl2, vermeld in het eerste lid, afkomstig van de raffinage die is uitgevoerd met chloorhoudende chemicaliën, verwijst de emissiegrenswaarde naar de gemiddelde concentratie tijdens de duur van de chlorering.

 

De emissiegrenswaarde voor chloor, uitgedrukt als Cl2, vermeld in het eerste lid, is alleen toepasbaar voor emissies, afkomstig van het raffinageproces dat is uitgevoerd met chloorhoudende chemicaliën.


Art. 3.10.4.4.12. De concentratie in het afvalwater van de parameters zwevende stoffen, Al en andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, wordt maandelijks gemeten.

Art. 3.10.4.4.13. De hoeveelheden afgevoerd afval, afkomstig van de productie van secundair aluminium, worden beperkt door de werkzaamheden ter plaatse te organiseren met het oog op een eenvoudiger hergebruik van procesresiduen of, als dat niet mogelijk is, de recyclage van procesresiduen, met inbegrip van de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 85 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.4.4.14. De hoeveelheden zoutslakken, afkomstig van de productie van secundair aluminium, worden beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 86 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Subafdeling 3.10.4.5.
Recyclageproces voor zoutslakken


Art. 3.10.4.5.1. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de recyclage van zoutslakken, worden voorkomen of beperkt door de toepassing van één of beide van de technieken, vermeld in BBT 87 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.4.5.2. Voor het breken en droog malen in het kader van de terugwinning van zoutslakken is voor stof een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm³ van toepassing.

Art. 3.10.4.5.3.

Voor gasvormige emissies naar de lucht, afkomstig van het nat malen en uitlogen in het kader van de terugwinning van zoutslakken, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

NH3

10

fosforwaterstof

0,5

zwavelwaterstof

2

 

De concentratie van de NH3-emissies naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Art. 3.10.4.5.4. De concentratie in het afvalwater van de parameters zwevende stoffen, Al en andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, wordt maandelijks gemeten.

Afdeling 3.10.5.
Lood- of tinproductie


Subafdeling 3.10.5.1.
Luchtemissies


Art. 3.10.5.1.1. De SO2-emissies naar de lucht, afkomstig van afgassen met een hoog SO2-gehalte, worden beperkt en de productie van afval, afkomstig van het afgasreinigingssysteem, wordt vermeden bij de productie van lood door zwavel terug te winnen door middel van de productie van zwavelzuur of vloeibaar SO2.

Art. 3.10.5.1. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de voorbereiding van primaire en secundaire materialen, met uitzondering van batterijen, worden voorkomen of beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 90 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.5.1.3. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de voorbehandeling van materiaal bij de productie van primair lood en secundair lood of tin, worden beperkt door de toepassing van één of beide van de technieken, vermeld in BBT 91 van de BBT- conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.5.1.4. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van het laden, smelten en aftappen in de lood- of tinproductie, en afkomstig van het voorafgaande ontkoperen bij de productie van primair lood, worden voorkomen of beperkt door de toepassing van een passende combinatie van de technieken, vermeld in BBT 92 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.5.1.5. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van het omsmelten, raffineren en gieten bij de productie van primair lood en secundair lood of tin, worden beperkt of voorkomen door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 93 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.5.1.6.

Voor de voorbereiding van grondstoffen bij de productie van primair lood en secundair lood of tin is voor stof een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm³ van toepassing.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van cadmium en zijn verbindingen, lood en zijn verbindingen en andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Art. 3.10.5.1.7.

Voor de voorbereiding van batterijen is voor stof een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm³ van toepassing.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van cadmium en zijn verbindingen, lood en zijn verbindingen en andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Art. 3.10.5.1.8.

Voor het laden, smelten en aftappen bij de productie van primair lood en secundair lood of tin zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

opmerking

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stof

 

4

als de emissies hoger liggen dan de volgende niveaus: 1 mg/Nm³ voor koper, 0,05 mg/Nm³ voor

arseen, 0,05 mg/Nm³ voor cadmium

3

lood en zijn verbindingen, uitgedrukt in Pb

 

1

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van antimoon en zijn verbindingen, arseen en zijn verbindingen, cadmium en zijn verbindingen, koper en zijn verbindingen en andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.


Art. 3.10.5.1.9.

Voor het omsmelten, raffineren en gieten bij de productie van primair lood en secundair lood of tin zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

parameter

opmerking

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stof

 

4

als de emissies hoger liggen dan de volgende niveaus: 1 mg/Nm³ voor koper, 1 mg/Nm³ voor

antimoon, 0,05 mg/Nm³ voor arseen,

0,05 mg/Nm³ voor cadmium

3

lood en zijn verbindingen, uitgedrukt in Pb

 

1

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van antimoon en zijn verbindingen, arseen en zijn verbindingen, cadmium en zijn verbindingen, koper en zijn verbindingen en andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.

 


Art. 3.10.5.1.10.

Voor het drogen en smelten van grondstoffen bij de productie van secundair lood of tin is voor totaal organische koolstof een emissiegrenswaarde van 40 mg/Nm³ van toepassing.

 

De concentratie van de emissies van totaal organische koolstof naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.


Art. 3.10.5.1.11.

Voor het smelten van grondstoffen voor de productie van secundair lood of tin is voor de parameter dioxinen en furanen een emissiegrenswaarde van 0,1 ng I-TEQ/Nm³ van toepassing.

 

De emissies van dioxinen en furanen naar de lucht, vermeld in het eerste lid, worden gemeten conform artikel 5.29.0.6, §1, derde lid, van titel II, van het VLAREM met een frequentie als vermeld in artikel 5.29.0.6, §1, vijfde lid, van titel II, van het VLAREM.


Art. 3.10.5.1.12.

Voor het laden, smelten en aftappen bij de productie van primair lood en secundair lood of tin is voor SO2 een emissiegrenswaarde van 350 mg/Nm³ van toepassing.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde voor SO2, vermeld in het eerste lid, afgeweken worden als natte gaswassers niet toepasbaar zijn, met een maximum van 500 mg/Nm³.


Subafdeling 3.10.5.2.
Bodem en grondwater


Art. 3.10.5.2.1. De verontreiniging van bodem en grondwater als gevolg van het opslaan, breken, screenen en classificeren van batterijen wordt voorkomen door de toepassing van een zuurbestendig oppervlak en een systeem voor de opvang van zuurlekkage.

Art. 3.10.5.3.1.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de lozing van afvalwater:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/l)

totaal arseen

0,1

totaal cadmium

0,02

totaal kobalt

0,1

totaal koper

0,2

totaal kwik

0,005

totaal nikkel

0,2

totaal lood

0,2

totaal zink

1

 

De concentratie van de parameters, vermeld in het eerste lid, en bijkomend van de parameters Fe, Sb, Sn en sulfaten wordt maandelijks gemeten.


Art. 3.10.5.3.2. De productie van afvalwater, afkomstig van de alkalische uitloging, wordt voorkomen door het water van de oplossing van alkalizout van de natriumsulfaat- kristallisering te hergebruiken.

Art. 3.10.5.3.3. De emissies via het afvalwater, afkomstig van de voorbereiding van batterijen als de zure mist naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie wordt overgebracht, worden beperkt door een goed ontworpen afvalwaterzuiveringsinstallatie te exploiteren om de verontreinigende stoffen in die stroom te verwerken.

Subafdeling 3.10.5.3.
Water en afvalwater


Art. 3.10.5.3.1.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de lozing van afvalwater:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/l)

totaal arseen

0,1

totaal cadmium

0,02

totaal kobalt

0,1

totaal koper

0,2

totaal kwik

0,005

totaal nikkel

0,2

totaal lood

0,2

totaal zink

1

 

De concentratie van de parameters, vermeld in het eerste lid, en bijkomend van de parameters Fe, Sb, Sn en sulfaten wordt maandelijks gemeten.


Art. 3.10.5.3.2. De productie van afvalwater, afkomstig van de alkalische uitloging, wordt voorkomen door het water van de oplossing van alkalizout van de natriumsulfaat-kristallisering te hergebruiken.

Art. 3.10.5.3.3. De emissies via het afvalwater, afkomstig van de voorbereiding van batterijen als de zure mist naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie wordt overgebracht, worden beperkt door een goed ontworpen afvalwaterzuiveringsinstallatie te exploiteren om de verontreinigende stoffen in die stroom te verwerken. 

Subafdeling 3.10.5.4.
Afval


Art. 3.10.5.4.1. De hoeveelheden afgevoerd afval, afkomstig van de productie van primair lood, worden beperkt door de werkzaamheden ter plaatse te organiseren met het oog op een eenvoudiger hergebruik van procesresiduen of, als dat niet mogelijk is, de recyclage van procesresiduen, met inbegrip van de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 104 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaal- industrie.

Art. 3.10.5.4.2. Om de terugwinning van het gehalte aan polypropyleen en polyethyleen uit loodbatterijen mogelijk te maken, wordt dat vóór het smelten gescheiden van de batterijen.

Art. 3.10.5.4.3. Om het zwavelzuur, dat verzameld wordt bij de terugwinning van batterijen, te hergebruiken of terug te winnen, worden de werkzaamheden ter plaatse georganiseerd met het oog op een eenvoudiger intern of extern hergebruik of een eenvoudigere recyclage, met inbegrip van de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 106 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.5.4.4. De hoeveelheden afgevoerd afval, afkomstig van de productie van secundair lood of tin, worden beperkt door de werkzaamheden ter plaatse te organiseren met het oog op een eenvoudiger hergebruik van procesresiduen of, als dat niet mogelijk is, de recyclage van procesresiduen, met inbegrip van de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 107 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Afdeling 3.10.6.
Productie van zink of cadmium


Subafdeling 3.10.6.1.
Productie van primair zink: hydrometallurgische zinkproductie


Art. 3.10.6.1.1. Energie wordt efficiënt gebruikt door warmte terug te winnen uit de afgassen die in de roostoven worden geproduceerd door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 108 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.6.1.2. De SO2-emissies naar de lucht, afkomstig van afgassen met een hoog SO2-gehalte, worden beperkt en de productie van afval, afkomstig van het afgasreinigingssysteem, wordt vermeden door zwavel terug te winnen door middel van de productie van zwavelzuur of vloeibaar SO2.

Art. 3.10.6.1.3. De diffuse stofemissies naar de lucht, afkomstig van de voorbereiding van de toevoer voor de roostoven en de toevoer zelf, worden beperkt door de toepassing van één of beide van de technieken, vermeld in BBT 109 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.6.1.4. De diffuse stofemissies naar de lucht, afkomstig van het calcinatieproces, worden beperkt door de toepassing van één of beide van de technieken, vermeld in BBT 110 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.6.1.5. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de uitloging, de scheiding van vaste en vloeibare stoffen en de zuivering, worden beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 111 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.6.1.6. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de elektrolytische winning, worden beperkt door toevoegingsmiddelen, in het bijzonder schuimmiddelen, toe te passen in de cellen voor elektrolytische winning.

Art. 3.10.6.1.7.

Voor de opslag en overslag van grondstoffen, de voorbereiding van de droge roostoventoevoer, de droge roostoventoevoer en het calcinatieproces is voor stof een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm³ van toepassing.

 

De concentratie van de emissies van zink en zijn verbindingen naar de lucht, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Art. 3.10.6.1.8.

Voor de emissies van zink en zijn verbindingen en zwavelzuur naar de lucht, afkomstig van de uitloging, zuivering en elektrolyse, en voor AsH3- en SbH3- emissies, afkomstig van de zuivering, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

zink en zijn verbindingen, uitgedrukt in Zn

1

zwavelzuur

10

som van AsH3 en SbH3

0,5

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van zink en zijn verbindingen, zwavelzuur en de som van AsH3 en SbH3, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.


Art. 3.10.6.1.9. Verontreiniging van bodem en grondwater wordt voorkomen door gebruik te maken van een waterdichte afgedamde ruimte voor tanks die worden gebruikt bij de uitloging of zuivering, alsook een secundair beheersingssysteem van de celbehuizingen.

Art. 3.10.6.1.10.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de lozing van afvalwater:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/l)

totaal arseen

0,1

totaal cadmium

0,02

totaal koper

0,1

totaal kwik

0,005

totaal nikkel

0,1

totaal lood

0,2

totaal zink

1

 

De concentratie van de parameters, vermeld in het eerste lid, en bijkomend van de parameters Fe en sulfaten wordt maandelijks gemeten.


Art. 3.10.6.1.11. De consumptie van water wordt beperkt en de productie van afvalwater wordt voorkomen door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 116 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.6.1.12. De hoeveelheden afgevoerd afval worden beperkt door de werkzaam- heden ter plaatse te organiseren met het oog op een eenvoudiger hergebruik van procesresiduen of, als dat niet mogelijk is, de recyclage van procesresiduen, met inbegrip van de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 117 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.6.1.13. Het afval van de uitloging wordt geschikt gemaakt voor de definitieve verwijdering door de toepassing van een van de technieken, vermeld in BBT 118 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Subafdeling 3.10.6.2.
Productie van primair zink: pyrometallurgische zinkproductie


Art. 3.10.6.2.1. De SO2-emissies naar de lucht, afkomstig van afgassen met een hoog SO2-gehalte, worden beperkt en de productie van afval, afkomstig van het afgasreinigingssysteem wordt vermeden door zwavel terug te winnen door middel van de productie van zwavelzuur of vloeibaar SO2.

Art. 3.10.6.2.2.

Voor de pyrometallurgische zinkproductie is voor stof een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm³ van toepassing.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde voor stof, vermeld in het eerste lid, afgeweken worden als een doekfilter niet toepasbaar is, met een maximum van 10 mg/Nm³.

 

De concentratie van de emissies van zink en zijn verbindingen naar de lucht, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.


Art. 3.10.6.2.3.

Voor de pyrometallurgische zinkproductie is voor SO2 een emissiegrenswaarde van 500 mg/Nm³ van toepassing.

 

De concentratie van de SO2-emissies naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt continu gemeten.


Art. 3.10.6.2.4.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de lozing van afvalwater:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/l)

totaal arseen

0,1

totaal cadmium

0,02

totaal koper

0,1

totaal kwik

0,005

totaal nikkel

0,1

totaal lood

0,2

totaal zink

1

 

De concentratie van de parameters, vermeld in het eerste lid, en bijkomend van de parameters Fe en sulfaten wordt maandelijks gemeten.


Subafdeling 3.10.6.3.
Productie van secundair zink


Art. 3.10.6.3.1.

Voor de pelletisering en de verwerking van slakken is voor stof een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm³ van toepassing.

 

De concentratie van de emissies van zink en zijn verbindingen naar de lucht, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Art. 3.10.6.3.2.

Voor emissies naar de lucht, afkomstig van het smelten van metallische en gemengde metallische of oxidische stromen, en afkomstig van de slakafrookoven en de Waelzoven, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

opmerking

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stof

 

5

als de emissies hoger liggen dan de volgende niveaus: 0,05 mg/Nm³ voor

arseen, 0,05 mg/Nm³ voor cadmium

3,5

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde voor stof, vermeld in het eerste lid, afgeweken worden als een doekfilter niet toepasbaar is, met een maximum van 10 mg/Nm³.

 

De concentratie van de emissies van zink en zijn verbindingen naar de lucht, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van arseen en zijn verbindingen, cadmium en zijn verbindingen en andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.


Art. 3.10.6.3.3.

Voor emissies naar de lucht, afkomstig van het smelten van metallische en gemengde metallische of oxidische stromen, en afkomstig van de slakafrookoven en de Waelzoven, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde

totaal organische koolstof

20 mg/Nm³

dioxinen en furanen

0,1 ng I-TEQ/Nm³

 

De emissies van dioxinen en furanen naar de lucht, vermeld in het eerste lid, worden gemeten conform artikel 5.29.0.6, §1, derde lid, van titel II, van het VLAREM met een frequentie als vermeld in artikel 5.29.0.6, §1, vijfde lid, van titel II, van het VLAREM.

 

De concentratie van de emissies van totaal organische koolstof naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.


Art. 3.10.6.3.4.

Voor emissies naar de lucht, afkomstig van het smelten van metallische en gemengde metallische of oxidische stromen, en afkomstig van de slakafrookoven en de Waelzoven, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

gasvormige anorganische

chloorverbindingen, chloorcyaan niet inbegrepen, uitgedrukt als HCl

1,5

fluor en zijn gasvormige verbindingen,

uitgedrukt in HF

0,3


Art. 3.10.6.3.5.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de lozing van afvalwater:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/l)

totaal arseen

0,1

totaal cadmium

0,02

totaal koper

0,1

totaal kwik

0,005

totaal nikkel

0,1

totaal lood

0,2

totaal zink

1

 

De concentratie van de parameters, vermeld in het eerste lid, en bijkomend van de parameters Fe en sulfaten wordt maandelijks gemeten.


Art. 3.10.6.3.6. Het verbruik van water in het proces met een Waelzoven wordt beperkt door gebruik te maken van meerfasige tegenstroomwassing.

Art. 3.10.6.3.7. Halogenide-emissies via het afvalwater, afkomstig van de wasfase in het proces met een Waelzoven, worden voorkomen of beperkt door kristallisering toe te passen.

Subafdeling 3.10.6.4.
Smelten, legeren en gieten van zinkstaven en productie van zinkpoeder


Art. 3.10.6.4.1. De diffuse stofemissies naar de lucht, afkomstig van het smelten, legeren en gieten van zinkstaven, worden beperkt door apparatuur in onderdruk toe te passen.

Art. 3.10.6.4.2.

Voor het smelten, legeren en gieten van zinkstaven en de productie van zinkpoeder is voor stof een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm³ van toepassing.

 

De concentratie van de emissies van zink en zijn verbindingen naar de lucht, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.


Art. 3.10.6.4.3.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de lozing van afvalwater:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/l)

totaal arseen

0,1

totaal cadmium

0,02

totaal koper

0,1

totaal kwik

0,005

totaal nikkel

0,1

totaal lood

0,2

totaal zink

1

 

De concentratie van de parameters, vermeld in het eerste lid, en bijkomend van de parameters Fe en sulfaten wordt maandelijks gemeten.


Art. 3.10.6.4.4. De productie van afvalwater, afkomstig van het smelten en gieten van zinkstaven, wordt beperkt door het koelwater te hergebruiken.

Art. 3.10.6.4.5. De hoeveelheden afgevoerd afval, afkomstig van het smelten van zinkstaven, wordt beperkt door de werkzaamheden ter plaatse te organiseren met het oog op een eenvoudiger hergebruik van procesresiduen of, als dat niet mogelijk is, de recyclage van procesresiduen, met inbegrip van de toepassing van een of beide van de technieken, vermeld in BBT 130 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaal- industrie.

Subafdeling 3.10.6.5.
Cadmiumproductie


Art. 3.10.6.5.1. De diffuse emissies naar de lucht worden beperkt door de toepassing van één of beide van de technieken, vermeld in BBT 131 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.6.5.2.

Voor de pyrometallurgische productie van cadmium en het smelten, legeren en gieten van cadmiumstaven zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stof

3

cadmium en zijn verbindingen, uitgedrukt in Cd

0,1

 

De concentratie van de emissies van zink en zijn verbindingen naar de lucht, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.


Art. 3.10.6.5.3.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de lozing van afvalwater:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/l)

totaal arseen

0,1

totaal cadmium

0,02

totaal koper

0,1

totaal kwik

0,005

totaal nikkel

0,1

totaal lood

0,2

totaal zink

1

 

De concentratie van de parameters, vermeld in het eerste lid, en bijkomend van de parameters Fe en sulfaten wordt maandelijks gemeten.


Art. 3.10.6.5.4. De hoeveelheden afgevoerd afval, afkomstig van de hydrometallurgische cadmiumproductie, worden beperkt door de werkzaamheden ter plaatse te organiseren met het oog op een eenvoudiger hergebruik van procesresiduen of, als dat niet mogelijk is, de recyclage van procesresiduen, met inbegrip van de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 133 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Afdeling 3.10.7.
Edelmetalen


Subafdeling 3.10.7.1.
Luchtemissies


Art. 3.10.7.1.1. De SO2-emissies naar de lucht, afkomstig van afgassen met een hoog SO2-gehalte, worden beperkt en de productie van afval, afkomstig van het afgasreinigingssysteem, wordt vermeden bij de productie van zilver door zwavel terug te winnen door middel van de productie van zwavelzuur of vloeibaar SO2.

Art. 3.10.7.1.2. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van een voorbehandeling, worden beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 134 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.7.1.3.

De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van het smelten, zowel Doré als niet- Doré, worden beperkt door de toepassing van al de volgende technieken:

de afsluiting van gebouwen of ruimten met smeltovens;
de uitvoering van werkzaamheden in onderdruk;
de aansluiting van ovenwerkzaamheden op stofvangers en afzuigsystemen via afzuigkappen en een leidingsysteem;
de elektrische vergrendeling van ovenapparatuur met haar stofvanger of stofafzuiging, om te waarborgen dat er geen apparatuur in werking kan worden gesteld, tenzij de stofvanger en het filtersysteem in werking zijn.

 

      


Art. 3.10.7.1.4. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de uitloging en elektrolyse van goud, worden beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 136 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.7.1.5.

De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van hydrometallurgische werkzaamheden, worden beperkt door de toepassing van al de volgende technieken:

beheersingsmaatregelen;
reactievaten en -tanks, aangesloten op een gemeenschappelijk leidingsysteem met afgasafzuiging en automatische stand-by- of back-upeenheid, die beschikbaar zijn in geval van storing.

    


Art. 3.10.7.1.6.

De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de verbranding, calcinatie en droging, worden beperkt door de toepassing van al de volgende technieken:

de aansluiting van alle calcineerovens, verbrandingsovens en droogovens op een leidingsysteem dat de uitlaatgassen van het proces opvangt;
het gebruik van een wasinstallatie, aangesloten op een prioritair stroomnet dat is voorzien van een noodaggregaat in geval van een stoomuitval;
het opstarten en stilleggen, verwijderen van uitgewerkt zuur en bevoorraden van gaswassers met nieuw zuur via een geautomatiseerd besturingssysteem.

 

     


Art. 3.10.7.1.7.

De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van het smelten van afgewerkte metaalproducten tijdens de raffinage, worden beperkt door de toepassing van de twee volgende technieken: 

een afgesloten oven in onderdruk;
een passende behuizing, omkastingen en afzuigkappen met doeltreffende afzuiging of ventilatie.

Art. 3.10.7.1.8.

Voor alle stoffige werkzaamheden is voor stof een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm³ van toepassing.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.


Art. 3.10.7.1.9. Voor hydrometallurgische werkzaamheden met oplossing of uitloging op basis van salpeterzuur is voor NOx, uitgedrukt als NO2, een emissiegrenswaarde van 150 mg/Nm³ van toepassing.

Art. 3.10.7.1.10. Voor smeltwerkzaamheden voor de productie van Doré-metaal, met inbegrip van de bijbehorende verbrandings-, calcinatie- en drogingswerkzaamheden, is voor SO2 een emissiegrenswaarde van 480 mg/Nm³ van toepassing.

Art. 3.10.7.1.11. Voor hydrometallurgische werkzaamheden, met inbegrip van de bijbehorende verbrandings-, calcinatie- en drogingswerkzaamheden, is voor SO2 een emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm³ van toepassing.

Art. 3.10.7.1.12.

Voor hydrometallurgische werkzaamheden, met inbegrip van de bijbehorende verbrandings-, calcinatie- en drogingswerkzaamheden, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing: 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

gasvormige anorganische chloorverbindingen, chloorcyaan niet inbegrepen, uitgedrukt als HCl

10

chloor, uitgedrukt als Cl2

2


Art. 3.10.7.1.13.

Voor hydrometallurgische werkzaamheden waarbij NH3 of ammonium- chloride wordt gebruikt, is voor NH3 een emissiegrenswaarde van 3 mg/Nm³ van toepassing.

 

De concentratie van de NH3-emissies naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.


Art. 3.10.7.1.14.

Voor drogingswerkzaamheden waarbij de grondstoffen organische verbindingen, halogenen of andere dioxine- en furanenprecursoren bevatten, afkomstig van verbrandingswerkzaamheden en calcinatiewerkzaamheden, is voor de parameter dioxinen en furanen een emissiegrenswaarde van 0,1 ng I-TEQ/Nm³ van toepassing.

 

De emissies van dioxinen en furanen naar de lucht, vermeld in het eerste lid, worden gemeten conform artikel 5.29.0.6, §1, derde lid, van titel II, van het VLAREM met een frequentie als vermeld in artikel 5.29.0.6, §1, vijfde lid, van titel II, van het VLAREM.


Subafdeling 3.10.7.2.
Bodem en grondwater


Art. 3.10.7.2.1. De verontreiniging van bodem en grondwater wordt voorkomen door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 147 van de BBT- conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Subafdeling 3.10.7.3.
Water en afvalwater


Art. 3.10.7.3.1.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de lozing van afvalwater:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/l)

totaal zilver

0,1

totaal arseen

0,1

totaal cadmium

0,02

totaal koper

0,3

totaal kwik

0,005

totaal nikkel

0,2

totaal lood

0,2

totaal zink

0,4

 

De concentratie van de parameters, vermeld in het eerste lid, en bijkomend van de parameters Fe en sulfaten wordt maandelijks gemeten.


Art. 3.10.7.3.2. De productie van afvalwater wordt voorkomen door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 148 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Subafdeling 3.10.7.4.
Afval


Art. 3.10.7.4.1. De hoeveelheden afgevoerd afval worden beperkt door de werkzaamheden ter plaatse te organiseren met het oog op een eenvoudiger hergebruik van procesresiduen of, als dat niet mogelijk is, de recyclage van procesresiduen, met inbegrip van de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 149 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Afdeling 3.10.8.
IJzerlegeringen


Subafdeling 3.10.8.1.
Energie


Art. 3.10.8.1.1. Energie wordt efficiënt gebruikt door energie terug te winnen uit CO-rijke uitlaatgassen die in een gesloten vlamboogoven met verzonken elektroden of in een gesloten plasmastofproces worden geproduceerd door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 150 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.8.1.2. Energie wordt efficiënt gebruikt door energie terug te winnen uit het warme uitlaatgas dat wordt geproduceerd in een halfgesloten vlamboogoven met verzonken elektroden door de toepassing van één of beide van de technieken, vermeld in BBT 151 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.8.1.3. Energie wordt efficiënt gebruikt door energie terug te winnen uit het uitlaatgas dat wordt geproduceerd in een open vlamboogoven met verzonken elektroden door de productie van warm water.

Subafdeling 3.10.8.2.
Luchtemissies


Art. 3.10.8.2.1. De SO2-emissies naar de lucht, afkomstig van afgassen met een hoog SO2-gehalte, worden beperkt en de productie van afval, afkomstig van het afgasreinigingssysteem, wordt vermeden bij de productie van molybdeen door zwavel terug te winnen door middel van de productie van zwavelzuur of vloeibaar SO2.

Art. 3.10.8.2.2. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van het aftappen en gieten, worden opgevangen en voorkomen of beperkt door de toepassing van één of beide van de technieken, vermeld in BBT 153 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.8.2.3.

Voor de productie van ijzerlegeringen zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing: 

parameter

proces

opmerking

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stof

 

 

 

 

 

 

 

 

 

- opslag, overslag en vervoer van

 

5

vaste materialen

 

-

 

voorbehandelingswerkzaamheden

 

- aftappen, gieten en verpakken

 

breken, briketteren, pelletiseren

 

5

en sinteren

 

open of halfgesloten vlamboogoven met verzonken elektroden

 

 

als de emissies

hoger liggen

dan de volgende niveaus: 1 mg/Nm³ voor lood, 0,05 mg/Nm³ voor cadmium, 0,05 mg/Nm³ voor chroom VI- verbindingen,

0,05 mg/Nm³ voor thallium

3,5

overig

5

- afgesloten vlamboogoven met verzonken elektroden of afgesloten plasmastofproces

- gietkroes met vuurvaste

bekleding voor de productie van ferromolybdeen en ferrovanadium

 

5

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde voor stof, voor het proces breken, briketteren, pelletiseren en sinteren, vermeld in het eerste lid, afgeweken worden als het gebruik van een doekfilter niet mogelijk is, met een maximum van 10 mg/Nm³.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde voor stof, voor het proces open of halfgesloten vlamboogoven met verzonken elektroden, vermeld in het eerste lid, afgeweken worden voor de productie van FeMn, SiMn, CaSi door de kleverigheid van het stof die de efficiëntie van de doekfilter nadelig beïnvloedt, met een maximum van 10 mg/Nm³.

De concentratie van de emissies naar de lucht van andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van cadmium en zijn verbindingen, chroom VI-verbindigen, lood en zijn verbindingen en thallium en zijn verbindingen, afkomstig van een open of halfgesloten vlamboogoven met verzonken elektroden, wordt één keer per jaar gemeten.


Art. 3.10.8.2.4.

Voor een oven waarin ijzerlegeringen worden geproduceerd, is voor de parameter dioxinen en furanen een emissiegrenswaarde van 0,05 ng I-TEQ/Nm³ van toepassing.

 

De emissies van dioxinen en furanen naar de lucht, vermeld in het eerste lid, worden gemeten conform artikel 5.29.0.6, §1, derde lid, van titel II, van het VLAREM met een frequentie als vermeld in artikel 5.29.0.6, §1, vijfde lid, van titel II, van het VLAREM.


Art. 3.10.8.2.5.

De emissies van polycyclische aromatische koolwaterstoffen en organische verbindingen naar de lucht, afkomstig van het ontvetten van titaniumspanen in draaiovens, worden beperkt door de toepassing van een thermische naverbrander.

 

De concentratie van de emissies van totaal organische koolstof naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.

 

De concentratie van de benzo(a)pyreenemissies naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.


Subafdeling 3.10.8.3.
Water en afvalwater


Art. 3.10.8.3.1.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de lozing van afvalwater:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/l)

totaal arseen

0,1

totaal cadmium

0,02

totaal chroom

0,2

chroom VI

0,05

totaal koper

0,5

totaal kwik

0,005

totaal nikkel

0,2

totaal lood

0,2

totaal zink

1

 

De concentratie van de parameters, vermeld in het eerste lid, en bijkomend van de parameters Fe en andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, wordt maandelijks gemeten.


Subafdeling 3.10.8.4.
Afval


Art. 3.10.8.4.1. De hoeveelheden afgevoerde slakken worden beperkt door de werkzaamheden ter plaatse te organiseren met het oog op een eenvoudiger hergebruik van slakken of, als dat niet mogelijk is, de recyclage van slakken, met inbegrip van de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 161 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.8.4.2. De hoeveelheden afgevoerd filterstof en slib worden beperkt door de werkzaamheden ter plaatse te organiseren met het oog op een eenvoudiger hergebruik van filterstof en slib of, als dat niet mogelijk is, de recyclage van filterstof en slib, met inbegrip van de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 162 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Afdeling 3.10.9.
Productie van nikkel of kobalt


Subafdeling 3.10.9.1.
Energie


Art. 3.10.9.1.1. Energie wordt efficiënt gebruikt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 163 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Subafdeling 3.10.9.2.
Luchtemissies


Art. 3.10.9.2.1. De SO2-emissies naar de lucht, afkomstig van afgassen met een hoog SO2-gehalte, worden beperkt en de productie van afval, afkomstig van het afgasreinigingssysteem, wordt vermeden bij de productie van nikkel door zwavel terug te winnen door middel van de productie van zwavelzuur of vloeibaar SO2.

Art. 3.10.9.2.2. De diffuse stofemissies naar de lucht, afkomstig van het laden van een oven, worden beperkt door de toepassing van een afgesloten transportbandsystemen.

Art. 3.10.9.2.3. De diffuse stofemissies naar de lucht, afkomstig van het smelten, worden beperkt door de toepassing van afsteekgoten die van een afdekking en afzuigkap zijn voorzien en op een zuiveringssysteem zijn aangesloten.

Art. 3.10.9.2.4. De diffuse stofemissies naar de lucht, afkomstig van converteerprocessen, worden beperkt door werkzaamheden in onderdruk te verrichten en door de toepassing van afzuigkappen die op een zuiveringssysteem zijn aangesloten.

Art. 3.10.9.2.5.

De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van atmosferische uitloging en uitloging onder druk, worden beperkt door de toepassing van al de volgende technieken:

afgedichte of gesloten reactoren, bezinkers en drukautoclaven of drukvaten;
het gebruik van zuurstof of chloor in plaats van lucht in uitloogfasen.

 

       


Art. 3.10.9.2.6. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de raffinage op basis van extractie met oplosmiddelen, worden beperkt door de toepassing van één van de technieken, vermeld in BBT 168 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.9.2.7. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de elektrolytische winning, worden beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 169 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.9.2.8. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de waterstofreductie tijdens de productie van nikkelpoeder en nikkelbriketten, worden beperkt door de toepassing van een afgedichte of gesloten reactor, een bezinker en een drukautoclaaf of drukvat, een poedertransportband en een productsilo.

Art. 3.10.9.2.9.

Voor de opslag en overslag van grondstoffen, de voorbehandeling van materiaal, het laden van ovens, smelten, converteren, thermisch raffineren en de productie van nikkelpoeder en -briketten bij de verwerking van zwavelhoudend erts is voor stof een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm³ van toepassing.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Art. 3.10.9.2.10.

Voor atmosferische uitloging of uitloging onder druk zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

nikkel en zijn verbindingen, uitgedrukt in Ni

1

chloor, uitgedrukt als Cl2

1

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Art. 3.10.9.2.11. Voor het raffinageproces van nikkelmatte door middel van ferrichloride met chloor is voor nikkel en zijn verbindingen, uitgedrukt in Ni, een emissiegrenswaarde van 1 mg/Nm³ van toepassing.

Art. 3.10.9.2.12.

De SO2-emissies naar de lucht, afkomstig van het smelten en converteren, worden beperkt door de toepassing van één van de technieken, vermeld in BBT 174 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie, bij de verwerking van zwavelhoudend erts.

 

De concentratie van de SO2-emissies naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.


Art. 3.10.9.2.13.

De NH3-emissies naar de lucht, afkomstig van de productie van nikkelpoeder en –briketten, worden beperkt door de toepassing van een natte gaswasser.

 

De concentratie van de NH3-emissies naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.


Subafdeling 3.10.9.3.
Water en afvalwater


Art. 3.10.9.3.1.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de lozing van afvalwater:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/l)

totaal arseen

0,3

totaal cadmium

0,02

totaal kobalt

0,5

totaal koper

0,5

totaal kwik

0,005

totaal nikkel

0,2

totaal lood

0,2

totaal zink

1

 

De concentratie van de parameters, vermeld in het eerste lid, en bijkomend van de parameters Fe en sulfaten wordt maandelijks gemeten.


Subafdeling 3.10.9.4.
Afval


Art. 3.10.9.4.1. De hoeveelheden afgevoerd afval worden beperkt door de werkzaamheden ter plaatse te organiseren met het oog op een eenvoudiger hergebruik van procesresiduen of, als dat niet mogelijk is, de recyclage van procesresiduen, met inbegrip van de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 176 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Afdeling 3.10.10.
Productie van koolstof of grafiet


Subafdeling 3.10.10.1.
Luchtemissies


Art. 3.10.10.1.1. De diffuse polycyclische aromatische koolwaterstoffenemissies naar de lucht, afkomstig van de opslag, de overslag en het vervoer van vloeibaar pek, worden beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 177 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.10.1.2.

Voor de opslag, de overslag en het vervoer van cokes en pek, en mechanische processen, grafitisering en bewerking zijn de volgende emissiegrens- waarden van toepassing: 

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stof

5

benzo(a)pyreen

0,01

 

De benzo(a)pyreenemissies naar de lucht, vermeld in het eerste lid, worden alleen verwacht als vast pek wordt verwerkt.

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Art. 3.10.10.1.3.

Voor de productie van groene massa en groene vormen zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

proces

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stof

 

10

gebruik van een droge gaswasser waarin cokes als adsorptiemiddel wordt gebruikt, gevolgd

door een doekenfilter

6

benzo(a)pyreen

 

0,01

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.

 


Art. 3.10.10.1.4.

Voor het bakken en herbakken zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

proces

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stof

 

10

gebruik van een combinatie van een ESP en een regeneratieve thermische

naverbrander

6

benzo(a)pyreen

overig

0,015

gebruik van een thermische naverbrander

0,010

kathodeproductie

0,05

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Art. 3.10.10.1.5.

Voor de impregnatie zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stof

10

benzo(a)pyreen

0,01

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Art. 3.10.10.1.6.

De SO2-emissies naar de lucht als er zwavel is toegevoegd aan het proces, worden beperkt door de toepassing van één of beide technieken, vermeld in BBT 182 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

 

De concentratie van de SO2-emissies naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.


Art. 3.10.10.1.7.

Voor de emissies naar de lucht van totaal organische koolstof, afkomstig van het mengen, bakken en impregneren, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

proces

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

totaal organische koolstof

overig

40

gebruik van een ESP in combinatie met een regeneratieve thermische

naverbrander

10

 

De concentratie van de emissies van totaal organische koolstof naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van fenol en formaldehyde, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.


Subafdeling 3.10.10.2.
Afval


Art. 3.10.10.2.1.

De hoeveelheden afgevoerd afval worden beperkt door de werkzaamheden ter plaatse te organiseren met het oog op een eenvoudiger hergebruik van procesresiduen of, als dat niet mogelijk is, de recyclage van procesresiduen, met inbegrip van het hergebruik of de recyclage van koolstof en andere residuen, afkomstig van de productieprocessen binnen het proces of in andere externe processen.

 


Afdeling 3.10.11.
Productie van andere non-ferrometalen


Subafdeling 3.10.11.1.
Luchtemissies


Art. 3.10.11.1.1.

De concentratie van de emissies naar de lucht voor de parameters, vermeld in dit artikel, bij de productie voor andere non-ferrometalen, wordt gemeten.

 

De concentratie van de stofemissies naar de lucht, afkomstig van productiefasen, zoals voorbehandelen van grondstoffen, laden, gieten, smelten en aftappen, wordt één keer per jaar gemeten.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, wordt één keer per jaar gemeten.

 

De concentratie van de SO2-emissies naar de lucht, als de grondstoffen zwavel bevatten, wordt één keer per jaar gemeten.

 

De concentratie van de NOx-emissies, uitgedrukt als NO2, naar de lucht wordt één keer per jaar gemeten.

 

De concentratie van de emissies van totaal organische koolstof naar de lucht, als dat relevant is in het licht van het gehalte aan organische verbindingen van de gebruikte grondstoffen, wordt jaarlijks gemeten.

 

De emissies van dioxinen en furanen naar de lucht, als dat relevant is in het licht van factoren zoals het gehalte aan gehalogeneerde organische verbindingen van de gebruikte grondstoffen en het temperatuurprofiel, worden gemeten conform artikel 5.29.0.6, §1, derde lid, van titel II, van het VLAREM met een frequentie als vermeld in artikel 5.29.0.6, §1, vijfde lid, van titel II, van het VLAREM.


Subafdeling 3.10.11.2.
Water en afvalwater


Art. 3.10.11.2.1. De concentratie in het afvalwater bij de productie voor andere non- ferrometalen van de parameters Hg, Fe en andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, sulfaten, wordt maandelijks gemeten.