Hoofdstuk 3.11.
Intensieve pluimvee- of varkenshouderij


Afdeling 3.11.1.
Toepassingsgebied en definities


Art. 3.11.1.1.

§1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 9.3.1.d, 9.4.1.d, 9.5.d en 9.5.e van de indelingslijst van titel II van het VLAREM. Bestaande GPBV-installaties voldoen uiterlijk op 21 februari 2021 aan dit hoofdstuk.

 

De overeenkomstige GPBV-activiteiten zijn de activiteiten, vermeld in punt 6.6 van bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.

 

§2. Het toepassingsgebied van dit hoofdstuk omvat de volgende processen: 

beheer van voeding voor pluimvee en varkens;
bereiding van voeder, inclusief malen, mengen en opslag;
pluimvee- en varkenshouderij, inclusief huisvesting;
verzameling en opslag van mest;
verwerking van mest;
opslag van dode dieren.

 

§3. Paragraaf 1 heeft geen betrekking op de verwijdering van dode dieren. Art. 3.11.1.2. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

 

inrichting: een deel van de GPBV-installatie waar een van de volgende processen of activiteiten plaatsvindt of wordt verricht: huisvesting van dieren, mestopslag, mestverwerking. Een inrichting bestaat uit één enkel gebouw, of de nodige uitrusting om processen of activiteiten uit te voeren;

nieuwe inrichting: een inrichting op het terrein van de GPBV-installatie waarvoor de eerste vergunning wordt afgegeven na 21 februari 2017, of een volledige vervanging van een inrichting op bestaande funderingen na 21 februari 2017;
bestaande inrichting: een andere dan een nieuwe inrichting;
afvalwater: het verontreinigde afvloeiende hemelwater, het water dat afkomstig is van het reinigen van oppervlakken en uitrusting, alsook het water dat afkomstig is van luchtzuiveringssystemen. Hiernaar kan ook worden verwezen als vervuild water;
 totaal ammoniumstikstof: ammonium-N (NH4-N) en verbindingen daarvan, met inbegrip van urinezuur, die gemakkelijk worden afgebroken tot NH4-N;
totaal uitgescheiden stikstof: de totale hoeveelheid stikstof die door middel van urine en feces uit dierlijke metabole processen is verwijderd;
totaal uitgescheiden fosfor: de totale hoeveelheid fosfor die door middel van urine en feces uit dierlijke metabole processen is verwijderd;
dierplaats: de ruimte per dier in een stalsysteem, rekening houdend met de maximale capaciteit van de inrichting;
varken: een dier dat tot de varkenssoort behoort, van ongeacht welke leeftijd, dat voor de fokkerij of de mesterij wordt gehouden;
10° niet-gespeende biggen: de varkens vanaf de geboorte tot en met het spenen;
11°

gespeende biggen: de jonge varkens die worden gehouden vanaf het spenen tot het mesten. Ze worden meestal gehouden vanaf een levend gewicht van ongeveer 8 kg tot en met 30 kg;

12° vleesvarkens: de varkens die doorgaans worden gemest vanaf een levend gewicht van 30 kg tot de slacht of de eerste dekking. Tot die categorie behoren varkens en gelten die nog niet zijn gedekt;
13° guste zeugen: de zeugen die klaar zijn om te worden gedekt, vóór de dracht;
14° dragende zeugen: de drachtige zeugen, met inbegrip van gelten;
15° kraamzeugen: de zeugen tussen de perinatale periode en het spenen van de biggen;
16° legkippen: de volwassen vrouwelijke kippen die ouder dan 16 tot 20 weken zijn, voor de productie van eieren;
17°

poeljen: de jonge kippen die onder de leeftijd voor het leggen van eieren zijn.

Poeljen die voor de eierproductie gehouden worden, worden leghennen als ze op een leeftijd van 16 tot 20 weken eieren beginnen te leggen. Opfokhanen worden tot de leeftijd van 20 weken poeljen genoemd;

18°

vleeskuikens: de kippen die voor het vlees gefokt worden;

19°

vleeskuikenouderdieren: ouderdieren, zowel mannetjes als vrouwtjes, die worden gehouden voor het leggen van eieren voor de productie van vleeskuikens;

20° ouderdieren: zowel hennen als hanen, die worden gehouden voor het leggen van broedeieren.
21° BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij: het uitvoeringsbesluit 2017/302/EU van de Commissie van 15 februari 2017 tot vaststelling van de BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

  

 

 


Afdeling 3.11.2.
Algemene bepalingen


Art. 3.11.2.1.

Het milieueffect van het productieproces wordt tot een minimum beperkt door de beginselen van goede bedrijfspraktijk toe te passen met behulp van al de onderstaande technieken:

het personeel voorlichten en opleiden, namelijk over:
  a) de relevante regelgeving, veehouderij, diergezondheid en dierenwelzijn, mestbeheer, veiligheid van werknemers;
  b) het vervoeren en uitrijden van mest;
  c) de planning van de activiteiten;
  d) noodplannen en crisisbeheer;
  e) de reparatie en het onderhoud van de uitrusting;
een noodplan opstellen voor het aanpakken van onverwachte emissies en incidenten, zoals de verontreiniging van waterlichamen. Dat noodplan omvat mogelijk:
  a) een plan van de GPBV-installatie met daarop de drainagesystemen en de oorsprong van het water en het afvalwater;
  b) actieplannen voor de reactie op bepaalde potentiėle gebeurtenissen, de beschikbare uitrusting om een verontreinigingsincident aan te pakken;
het regelmatig controleren, herstellen en onderhouden van structuren en uitrusting, zoals:
  a) opslagplaatsen voor mengmest, optekenen van beschadiging, aantasting en lekkage;
  b) drijfmestpompen, -mixers, -scheiders en -irrigatoren;
  c) systemen voor de toevoer van water en voeder;
  d) ventilatiesystemen en temperatuursensoren;
  e) silo’s en transportuitrusting;
  f) luchtzuiveringssystemen;
  Hieronder kunnen ook de hygiėne van de GPBV-installatie en plaagbestrijding vallen.
het zodanig opslaan van dode dieren dat emissies worden voorkomen of verminderd.

 

 


Art. 3.11.2.2. Als mest op de inrichting wordt verwerkt, wordt om stikstof-, fosfor- en geuremissies, alsook microbiėle ziekteverwekkers in de lucht en het water te verminderen, en om de opslag en het uitrijden van mest te vergemakkelijken, gebruikgemaakt van een of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 19 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Art. 3.11.2.3.

De volgende procesparameters worden eenmaal per jaar bepaald:

waterverbruik: registratie door middel van geschikte meters of op basis van facturen. De belangrijkste waterverbruikende processen in de stallen kunnen afzonderlijk worden gemonitord;
elektriciteitsverbruik: registratie door middel van geschikte meters of op basis van facturen. Het elektriciteitsverbruik van nieuwe stallen wordt afzonderlijk van de andere inrichtingen gemonitord. De belangrijkste energieverbruikende processen in de stallen kunnen afzonderlijk worden gemonitord;
brandstofverbruik: registratie door middel van geschikte meters of op basis van facturen;
aantal binnenkomende en uitgaande dieren, in voorkomend geval met inbegrip van geboorten en sterfgevallen: registratie in bestaande registers;
voederconsumptie: registratie op basis van facturen of in bestaande registers;
mestproductie: registratie in bestaande registers.

 

 


Afdeling 3.11.3.
Nutritioneel management


Art. 3.11.3.1.

Voor stikstofemissies zijn de volgende milieuprestatieniveaus van toepassing voor de volgende diercategorieėn:

parameter

diercategorie

milieuprestatieniveau, jaargemiddelde (in kg/dierplaats)

totaal uitgescheiden stikstof

gespeende biggen

4,0

vleesvarkens

13,0

zeugen, inclusief niet-gespeende biggen

 

30,0

legkippen

0,8

slachtkuikens

0,6

eenden

0,8

kalkoenen

2,3


Art. 3.11.3.2.

Voor fosforemissies zijn de volgende milieuprestatieniveaus van toepassing voor de volgende diercategorieėn:

parameter

diercategorie

milieuprestatieniveau, jaargemiddelde (in kg/dierplaats)

totaal uitgescheiden fosfor

gespeende biggen

2,2

vleesvarkens

5,4

zeugen, inclusief niet-gespeende biggen

 

15,0

legkippen

0,45

slachtkuikens

0,25

kalkoenen

1,0


Art. 3.11.3.3. De totale excretie van stikstof en fosfor wordt bepaald door gebruik te maken van een van de technieken, met een frequentie van minstens eenmaal per jaar per diercategorie, vermeld in BBT 24 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Afdeling 3.11.4.
Water en afvalwater


Art. 3.11.4.1. Het verbruik van water wordt beperkt door gebruik te maken van een of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 5 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Art. 3.11.4.2. De productie van afvalwater wordt beperkt door gebruik te maken van een of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 6 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Art. 3.11.4.3.

Emissies van afvalwater naar water worden beperkt door gebruik te maken van een of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 7 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

 


Afdeling 3.11.5.
Energie


Art. 3.11.5.1. Energie wordt efficiėnt gebruikt op GPBV-installaties door gebruik te maken van een of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 8 van de BBT- conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Afdeling 3.11.6.
Geluid


Art. 3.11.6.1. Geluidshinder en trillingen worden voorkomen of, als dat niet mogelijk is, beperkt door gebruik te maken van een of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 10 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Afdeling 3.11.7.
Stof-, geur- en luchtemissies


Art. 3.11.7.1. Stofemissies, afkomstig van elke stal, worden voorkomen door gebruik te maken van een of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 11 van de BBT- conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Art. 3.11.7.2. Stofemissies, afkomstig van elke stal, worden bepaald door gebruik te maken van een van de technieken, met een frequentie van eenmaal per jaar, vermeld in BBT 27 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Art. 3.11.7.3. Geurhinder wordt voorkomen of, als dat niet mogelijk is, beperkt door gebruik te maken van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 13 van de BBT- conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Art. 3.11.7.4. Ammoniakmissies naar lucht, afkomstig van de opslag van vaste mest, worden voorkomen door gebruik te maken van een of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 14 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Art. 3.11.7.5. Ammoniakemissies, afkomstig uit opslagplaatsen voor mengmest, worden voorkomen door gebruik te maken van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 16 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Art. 3.11.7.6. Om een ammoniakemissiereductie van het hele productieproces voor zowel varkens als pluimvee te verwezenlijken, is de BBT om de vermindering van de ammoniakemissies uit het hele productieproces te ramen of te berekenen door de op de inrichting geļmplementeerde BBT in rekening te brengen. De emissiereductie wordt hieruit bepaald.

Art. 3.11.7.7.

Ammoniak-, stof- en geuremissies, afkomstig van elke stal die uitgerust is met een luchtwassysteem, worden gemeten door gebruik te maken van al de onderstaande technieken:

eenmalige controle van de prestaties van het luchtzuiveringssysteem door ammoniak, geur of stof onder reėle bedrijfsomstandigheden te meten volgens een voorgeschreven meetprotocol, waarbij EN-standaardmethoden of andere methoden worden gebruikt die waarborgen dat gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden verstrekt. Deze techniek is niet van toepassing als het luchtzuiveringssysteem is gecontroleerd in combinatie met een soortgelijk stalsysteem in soortgelijke bedrijfsomstandigheden;

dagelijkse controle van de doeltreffende werking van het luchtzuiveringssysteem.

    


Art. 3.11.7.8.

Voor ammoniakemissies naar lucht, afkomstig van elke varkensstal, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing voor de volgende diercategorieėn:

diercategorie

staltype (1)

emissiegrenswaarde, jaargemiddelde (in kg

NH3/dierplaats)

gespeende biggen

nieuw

0,26

 

bestaand

0,7 (2)

kraamzeugen (met inbegrip van biggen) in

kraamboxen

nieuw

4,0

 

bestaand

7,5 (3)

guste en drachtige zeugen

nieuw

2,6

 

bestaand

4,0 (4)

vleesvarkens

nieuw

1,4

 

bestaand

3,5 (5)

(1)   In bestaande varkensstallen die niet gebouwd zijn conform een techniek die is opgenomen in de lijst van ammoniakemissiearme stallen, moeten steeds voedingsbeheertechnieken toegepast worden.

(2)   Deze emissiegrenswaarde is van toepassing voor varkensstallen met een mestkelder in combinatie met voedingsbeheertechnieken, en voor varkensstallen waar techniek a6, a7 of a8 toegepast worden, vermeld in BBT-30 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij. Voor andere varkensstallen geldt een emissiegrenswaarde van 0,53 kg NH3/dierplaats/jaar.

(3)   Deze emissiegrenswaarde is van toepassing voor varkensstallen met een mestkelder in combinatie met een aanvullende risicobeperkende maatregel, vermeld in techniek a0 in BBT-30 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij. Voor andere varkensstallen geldt een emissiegrenswaarde van 5,6 kg NH3/dierplaats/jaar.

(4)   Deze emissiegrenswaarde is van toepassing voor varkensstallen met een mestkelder in combinatie met voedingsbeheertechnieken. Voor varkensstallen waar techniek a6, a7 of a11 vermeld in BBT-30 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij toegepast wordt, geldt een emissiegrenswaarde van 5,2 kg NH3/dierplaats/jaar. Voor andere varkensstallen geldt een emissiegrenswaarde van 2,7 kg NH3/dierplaats/jaar.

(5)   Deze emissiegrenswaarde is van toepassing voor varkensstallen met een mestkelder in combinatie met voedingsbeheertechnieken, en voor varkensstallen waar techniek a6, a7, a8 of a16 toegepast worden, vermeld in BBT-30 van de BBT- conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij. Voor andere varkensstallen geldt een emissiegrenswaarde van 2,6 kg NH3/dierplaats/jaar.

 

Voor biolandbouwbedrijven kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit bepaald worden dat ze niet hoeven te voldoen aan de emissiegrenswaarden, vermeld in het eerste lid.


Art. 3.11.7.9. Ammoniakemissies in de lucht uit elke stal voor legkippen, vleeskuikenouderdieren en poeljen worden voorkomen door gebruik te maken van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 31 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Art. 3.11.7.10.

Voor ammoniakemissies naar lucht, afkomstig van elke stal voor legkippen, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing voor de volgende diercategorieėn:

diercategorie

staltype

emissiegrenswaarde, jaargemiddelde (in kg NH3/dierplaats)

kooi opfokpoeljen

legkippen

nieuw

0,02

bestaand

0,045

kooilegkippen

nieuw

0,035

bestaand

0,08

niet-kooiopfokpoeljen legkippen

nieuw

0,086

bestaand

0,17 (1)

niet-kooilegkippen

nieuw

0,125

bestaand

0,25 (1)

(1) Deze emissiegrenswaarden zijn van toepassing voor stallen met een mechanisch ventilatiesysteem en onregelmatige mestverwijdering, in combinatie met een maatregel die zorgt voor een hoog drogestofgehalte van de mest. Voor andere stallen geldt een emissiegrenswaarde van 0,13 kg NH3/dierplaats/jaar.

 

Voor biolandbouwbedrijven kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit bepaald worden dat ze niet hoeven te voldoen aan de emissiegrenswaarden, vermeld in het eerste lid.


Art. 3.11.7.11.

Voor ammoniakemissies naar lucht, afkomstig van elke stal voor vleeskuikens met een uiteindelijk gewicht van maximaal 2,5 kg, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

diercategorie

staltype

emissiegrenswaarde, jaargemiddelde (in kg NH3/dierplaats)

vleeskuikens

nieuw

0,045

bestaand

0,08

 

De emissiegrenswaarden, vermeld in het eerste lid, zijn niet van toepassing op de volgende soorten landbouw, zoals gedefinieerd in de verordening (EG) 543/2008 van de Commissie van 16 juni 2008 houdende uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de handelsnormen voor vlees van pluimvee:

1°      „Scharrel … binnengehouden”;

2°      „Scharrel … met uitloop”;

3°      „Boerenscharrel … met uitloop”;

4°      „Hoeve … met uitloop”;

5°      „Boerenscharrel … met vrije uitloop”;

6°      „Hoeve … met vrije uitloop”.

 

Voor biolandbouwbedrijven kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit bepaald worden dat ze niet hoeven te voldoen aan de emissiegrenswaarden, vermeld in het eerste lid.


Art. 3.11.7.12.

Ammoniakemissies als vermeld in artikel 3.11.7.8, 3.11.7.10 en 3.11.7.11, worden bepaald door toepassing van een van de technieken en de bijbehorende frequentie, vermeld in BBT 25 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.


Art. 3.11.7.13. Ammoniakemissies naar lucht, afkomstig van elke eendenstal, worden voorkomen door gebruik te maken van een of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 33 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Art. 3.11.7.14. Ammoniakemissies naar lucht, afkomstig van elke kalkoenstal, worden voorkomen door gebruik te maken van een of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 34 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Afdeling 3.11.8.
Emissies naar bodem, water en grondwater


Art. 3.11.8.1. Emissies, afkomstig van de opslag van vaste mest, naar bodem, water en grondwater worden voorkomen of, als dat niet mogelijk is, beperkt door gebruik te maken van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 15 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Art. 3.11.8.2. Emissies naar bodem en water, afkomstig van het verzamelen van drijfmest, het transport ervan via leidingen of de lekkage uit een reservoir, worden voorkomen of, als dat niet mogelijk is, beperkt door gebruik te maken van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 18 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.