Art. 6.1.3.

§ 1. Met inachtneming van de prerogatieven van de bevoegde overheden is de Vlaamse Regering belast met de coördinatie en de inhoudelijke invulling van het handhavingsbeleid inzake de ruimtelijke ordening.

De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu coördineert de opmaak van een handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening. De raad verzoekt het departement om een ontwerp en wint vervolgens adviezen in bij de handhavingsinstanties die belast zijn met de handhaving van deze codex en van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en van titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. De raad bezorgt aan de bevoegde minister een voorstel opgesteld op basis van de door de raad ingewonnen adviezen over het ontwerp en voegt de adviezen in bijlage.

De Vlaamse Regering stelt het handhavingsprogramma vast op grond van:
1° een ontwerp als vermeld in het vorige lid, opgemaakt door het departement;
2° een voorstel als vermeld in het vorige lid, van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu.

Het vastgestelde handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening treedt in werking op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum na de goedkeuring door het Vlaams Parlement en blijft gelden zolang het niet geheel of gedeeltelijk wordt herzien.

Het handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening omvat minstens de gewestelijke handhavingsprioriteiten en de gewestelijke beleidslijnen voor :
1° de vaststelling, aanmaning en vervolging van stedenbouwkundige misdrijven en inbreuken;
2° het bestuurlijk sepot bij de beboeting van misdrijven en inbreuken;
3° de keuze tussen het vorderen van gerechtelijk herstel en het opleggen van bestuurlijke maatregelen;
4° de keuze tussen bestuursdwang en last onder dwangsom;
5° de ambtshalve uitvoering van gerechtelijke uitspraken en bestuurlijke besluiten;
6° de invordering van verbeurde dwangsommen;
7° transparantie en communicatie;
8° de inschrijving van wettelijke hypotheken;
9° de prioriteiten in de ambtshalve uitvoering van gerechtelijke uitspraken waarvan de uitvoeringstermijn meer dan tien jaar is verstreken.

Het kan ook aanbevelingen bevatten inzake de handhaving van de ruimtelijke ordening op gemeentelijk niveau en de samenwerking met en tussen de betrokken beleidsniveaus.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de inhoud, de opstelling en verspreiding van het handhavingsprogramma.

§ 2. Jaarlijks stelt de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu een handhavingsrapport Ruimtelijke Ordening op. Alle instanties die belast zijn met de handhaving van de ruimtelijke ordening, stellen, hetzij op eenvoudige vraag van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu, hetzij uit eigen beweging, alle informatie waarover ze beschikken en die van nut kan zijn voor de opstelling van het handhavingsrapport, vrijwillig ter beschikking van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu.

Het handhavingsrapport Ruimtelijke Ordening omvat minstens de volgende onderdelen :
1° een algemene evaluatie van het gewestelijke handhavingsbeleid dat in het afgelopen kalenderjaar is gevoerd;
2° een specifieke evaluatie van de inzet van de afzonderlijke handhavingsinstrumenten;
3° een overzicht van de gevallen waarin, binnen de gestelde termijn, geen uitspraak werd gedaan over de beroepen tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen;
4° een evaluatie van de beslissingspraktijk van de parketten inzake het al dan niet strafrechtelijk behandelen van een vastgesteld stedenbouwkundig misdrijf;
5° een overzicht en vergelijking van het door de gemeenten gevoerde handhavingsbeleid;
6° een inventaris van de inzichten die tijdens de handhaving werden opgedaan en die kunnen worden aangewend voor de verbetering van de regelgeving, beleidsvisies en beleidsuitvoering;
7° aanbevelingen voor de verdere ontwikkeling van het handhavingsbeleid.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de inhoud, de opstelling en verspreiding van het handhavingsrapport.